2. DE VEGETATIE

69  Download (0)

Hele tekst

(1)

INLEIDING

Van 25 mei tot 8 juni 2002 vond het Pyreneeën -kampje Montagut plaats met als thuisbasis de camping Can Banal. Buiten het hoogseizoen is dit een rustig kampeerterrein op vijf minuten rijden (auto) van het dorp Montagut.

Het was de eerste keer dat de KNNV een kamp in dit deel van de Spaanse pre-Pyreneeën organiseerde.

Niet alleen voor de KNNV was het een eerste keer, voor veel deelnemers waren er ook “eerste keren”:

eerste keer in Spanje, eerste keer zonder kinderen op vakantie, eerste keer deelname aan een KNNV-kamp, eerste keer een kampbestuursfunctie, eerste keer kamperen en eerste keer in de bergen. Het werd een echt pionierskamp.

De dagen waren vol en regelmatig was het haasten om op tijd voor de choc te zijn die altijd samenging met een bijzondere lekkernij. Het weer was, net als het landschap, afwisselend. Koel, warm, zonnig, bewolkt. Stofwolken na droogte en een paar onweers- en stortbuien. Eén avond ging het zo hard, dat er geultjes gegraven moesten worden om het water af te voeren. De verkende excursie naar Nuria kon niet doorgaan, vanwege het weer. Laaghangende bewolking; dus op grotere hoogte slecht zicht. Het alternatief kon gelukkig wel doorgaan.

In Olot werd de regionale markt op maandag bezocht en soms de boekwinkel El Drac.

En het bleek dat er voldoende belangstelling was om uit eten te gaan op de camping. Zoals Stendert, de campingeigenaar, het uitdrukte: met zoveel belangstelling is het aardig om een paar keer

restaurantje te draaien.

De laatste, zonnige dag van het kamp werd er afscheid genomen met een drankje-hapje.

De dag van vertrek regende het. Stendert hielp met de tractor de caravans tussen de bomen door te manoeuvreren. En de meeste mensen gingen met natte spullen op pad naar het Noorden.

Met die natte spullen gingen hopelijk ook plezierige herinneringen en een goede eerste indruk van het gebied rond Montagut mee.

Het gebied heeft een rijke vegetatie, maar zit ook ingewikkeld in elkaar en is lastig te beschrijven.

We hebben toch maar een poging daartoe gedaan.

Hoe zit het verslag verder in elkaar?

1 Landschap Noord-oost Catalunya p. 3

Beschrijving van het deel waarin het kamp en de excursiegebieden liggen

2 De vegetatie p. 5

Uitleg systematiek die gebruikt is voor Catalunya

en beschrijving voor zover van belang voor de excursiegebieden

3 Kensoorten en analyse p. 7

Kensoortenbeschrijving en analyse van waargenomen kensoorten

3.1 Kensoortenplantenlijst p. 9

3.2 Geclusterde excursielijst p. 12

t.b.v. kensoorten en analyse

3.3 Kensoortentabel p. 13

3.4 Tabelanalyse VdH-PenS p. 14

4 Beschrijving excursies p. 15

5 Fauna en Flora p. 29

5.1 Insecten en overig p. 29

5.2 Mollusken (door Herman Roode) p. 29

5.3 Vlinders p. 30

5.4 Vogels p. 30

5.5 Paddestoelen p. 30

5.6 Korstmossen p. 30

5.7 Mossen (door Michel Zwarts) p. 31

5.8 Hogere planten p. 32

(2)

De lijsten:

Excursielijst p. 34

Insecten-overig lijst p. 35

Molluskenlijst (door Herman Roode) p. 37

Vlinderlijst p. 38

Vogellijst (door Ger Maatkamp) p. 40

Paddestoelenlijst p. 43

Korstmossenlijst p. 44

Mossenlijst (door Michel Zwarts) p. 45

Hogere plantenlijst p. 47

Niet opgenomen plantensoorten-lijst p. 65

Geraadpleegde boeken-lijst p. 68

Het is een uitgebreid verslag geworden. Dit verslag had uiteraard niet tot stand kunnen komen zonder de mensen die de plek gevonden hebben, de mensen die het kamp georganiseerd hebben en de 38 deelnemers.

We hebben vrijelijk geput uit de informatie die Willem en Ad Wielemaker ons gegeven hebben over de vulkanische verschijnselen en de Serra dels Bufadors, waarvoor onze dank.

We bedanken Ed, Ger, Herman en Hennie, Jelle, Michel en Ria Glas die gereageerd hebben op onze

“noodkreetjes” om hulp. En Michel en Ria voor hun levendige beschrijvingen van enkele excursies.

We hopen van harte dat het interessant en plezierig is om verder te lezen.

Herman en Jeanne Roos Amersfoort, september 2002

(foto Jan Westhuis)

1. LANDSCHAP NOORD-OOST CATALUNYA

De Centrale as, of de kern, van de Pyreneeën loopt Oost-West en bestaat uit graniet.

(3)

De pre-Pyreneeën zijn gevormd als gevolg van de krachten die de Pyreneeën hebben doen

ontstaan. Ze vormen een reeks plooiingen die evenals de Centrale as Oost-West lopen. De plooiingen worden gekarakteriseerd door breuklijnen.

In hoofdzaak zijn de pre-Pyreneeën gekantelde platen die bestaan uit sediment. Ze zijn dus kalkhoudend.

Je kunt het je voorstellen als de zeebodem die vanuit het noorden ingeduwd en opgeduwd wordt en daardoor in stukken breekt.

Het effect van het Oost-West verloop van de pre-Pyreneeën is dat de rivieren, die hun oorsprong hebben in de Centrale as vaak in hun natuurlijke Noord-Zuid loop worden belemmerd en over grote delen een West-Oost dal volgen voor ze ergens door een bergketen kunnen dringen. Hierdoor zijn er nogal wat canyon-achtige doorsnijdingen ontstaan.

Meer naar het zuiden en evenwijdig aan de Middellandse-Zee-kust ligt het veel oudere Catalaanse kustgebergte. Dit kustgebergte begint ongeveer bij Girona en loopt naar het Zuid-Westen.

De pre-Pyreneeën vanaf Ripoll en Olot zijn verbonden met dat oude Catalaanse kustgebergte door een reeks plooiingen die niet Oost-West, maar ongeveer Noordwest-Zuidoost lopen.

Ze worden door hun dwarse ligging heel toepasselijk het Transversale systeem genoemd.

De plooiingen van het Transversale systeem lijken op die van de pre-Pyreneeën . Ook hier hebben zich een reeks van gekantelde platen gevormd, die echter een Noordoost-Zuidwest-helling hebben. Je zou kunnen zeggen dat het oude Catalaanse kustgebergte zich niet liet duwen, de zeebodem toch z’n weg moest vinden en dat in Zuid-westelijke richting deed.

De breukvlakzijden van deze platen zijn naar het Noord-oosten gericht met steile kliffen.

In het noordelijk deel van dit Transversale systeem ligt Olot met uitgebreide vulkanische

verschijnselen. Er zijn scoria kegels, kraters, en lavastromen, wat duidt op explosieve maar ook op meer rustige vulkaanuitbarstingen. Vooral als de lava in contact kwam met grondwater waren explosies hevig, waarbij basaltblokken en ook delen van de aardkorst (granitisch) omhoog geworpen werden. De meeste lava en as-afzettingen hebben een basaltische samenstelling.

Dit heeft uiteraard ook een nu nog zichtbare invloed op het landschap gehad.

Lavastromen blokkeerden valleien en rivieren die een andere loop zochten, zoals bij voorbeeld de rivier de Fluvia. (Het effect ervan is goed te zien in het dorpje Castellfollit de la Roca.)

Dit had ook tot gevolg dat de afwatering in het gebied rond Olot zeer lang werd belemmerd waardoor meren ontstonden en later zich een uitgestrekt moeras vormde. Dit is nog goed te zien aan bij voorbeeld het vlakke land ten zuiden van Olot.

De vulkanische verschijnselen rond Olot zijn zo specifiek voor dit fysisch-geografische gebied, dat het Transversale systeem ook aangeduid wordt als Territori olositanic (in het Catalaans), vernoemd naar de stad Olot.

Ligging Montagut

Montagut, en de dichtbij gelegen excursiegebieden, ligt op de overgang van de pre-Pyreneeën en het Territori olositanic.

In het noorden grenst het Territori olositanic aan de oostelijke pre-Pyreneeën .

In het oosten grenst het aan de kustvlakte Empordà, met als oriën tatiepunt Figueras, dat samen met de kustvlakte in de Rousillon aan de Franse kant het Territori ruscinic vormt.

In het zuid-oosten grenst het aan het Catalaanse kustgebergte, met als oriën tatiepunt Girona, dat in het overgangsgebied ligt.

In het zuid-westen/westen grenst het aan de centrale hoogvlakte van Catalunya, het Territori auso- segarric, met als oriën tatiepunt Vic, dat aan de rand van deze hoogvlakte ligt.

(4)

Castellfollit de la Roca (foto: Jan Westhuis)

Castellfollit de la Roca en het stroomgebied van de rivier de Fluvia (foto Jan Westhuis)

(5)

2. DE VEGETATIE

Voor het karakteriseren van de verschillende vegataties in een gebergte wordt in de regel gewerkt met een indeling in etages, die naar hoogte onderscheiden zijn.

In dit gebied werkt een dergelijke indeling niet goed. Dat gaat alleen op voor de zones boven 1.600 meter.

Tussen de 1.200 en 1.600 meter neemt de geografische ligging sterk in belang toe en beneden de 1.200 meter bovendien de expositie.

Voor de montane zone beneden de sub-alpine zone wordt dan ook een indeling gevolgd die is gebaseerd op plantengeografische provincies of regio’s.

Het navolgende overzicht van de plantengeografische indeling van Catalunya is ontleend aan de Flora manual dels Països Catalans.

Hooggebergte (boreo-alpine regio):

- Etage met permanente sneeuw bedekking. In de Pyreneeën boven de 3.000 meter. Sub-nivale condities komen voor vanaf 2.900 meter.

- Alpine etage met natuurlijke weiden, het domein van het Festucion airoides. In de Pyreneeën tussen de 2.300 en 2.900 meter.

- Sub-alpine etage met naaldbos. In de Pyreneeën tussen de 1.600 en 2.300 meter. De dominante climax vegetatie is bos met Pi negre (Pinus mugo ssp uncinatus) van het Rhododendro-Vaccinion.

- De sub-alpine avetoses (=abetal=bos met Zilverspar=Abieti-Piceion) komen voor vanaf 1.200 meter tot 1.600 meter.

Vanaf de Montane zone wordt gewerkt met provincies:

Atlantische provincie, Pyreneeën sector:

Alleen in zuivere vorm in het lage deel van het Vall d’Aran met een natuurlijke vegetatie van vochtig bos met Roure penol (Quercus robur, Zomereik) en wordt genoemd het Fraxino-Carpinion, en hoger tegen de hellingen een rijk, goed ontwikkeld beukenbos, het Fagion.

Uitlopers van deze atlantische Pyreneeën vegetatie bereiken het Territori olositanic (Transversaal systeem) en het noordelijke deel van het Catalaanse kustgebergte.

Sub-mediterrane provincie:

Omvat een groot deel van de zuidflank van de Pyreneeën en vormt een overgang tussen de sub- alpine Dennen en Zilversparren vegetatie en de mediterrane vegetatie van het laaggebergte.

De bovenste etage tussen 1.300 en 1.600 meter herbergt bos met Pi roig (Pinus sylvestris, Grove den) en wordt genoemd het Deschampsio-Pinion.

Daar beneden worden droge Eikenbossen en bos met Pinassa (Pinus nigra, Zwarte den) of met Pi roig (Pinus sylvestris) gevonden en wordt genoemd het Quercion pubescenti-petraeae.

In de oostelijke Pyreneeën , met een meer maritiem en vochtiger klimaat komt op de hogere etage i.p.v. Dennenbos vaak matig ontwikkeld Beukenbos voor van een verarmd atlantisch type.

De mediterrane regio is hier verder niet beschreven omdat die ver buiten het excursiegebied valt.

(6)

VEGETATIE EXCURSIEGEBIEDEN

De bezochte gebieden hadden over het algemeen een vegetatie waarin bomen en struiken het aspect bepalen.

Hierna volgt een selectie van de verschillende bostypen (syntaxa) uit de klassen, orden en verbonden, als genoemd in de Flora manual dels Països Catalans die horen in de excursie-gebieden.

Aa: Rhododendro-Vaccinion (verbond)

Bos van Pinus mugo ssp uncinatus en Rhododendron ferrugineum en Vaccinium myrtillus. Dit is de climax vegetatie van de sub-alpine zone op vochtige zure bodem. Het vormt zich op plaatsen waar lang sneeuw blijft liggen.

B: Querco-Fagetea (klasse)

Bos met bladverliezende bomen en vegetaties die daar bij horen: sommige Dennen- en Sparrebossen, Braamstruwelen en kruiden-vegetaties in de halfschaduw van bosranden.

Ba: Quercetalia pubescentis (orde)

Baa: Quercion pubescentis-petraeae (verbond)

Eiken- en dennenbos dat de climax vegetatie vormt van de sub-mediterrane gebergten en die tevens voorkomt op koele plekken in de boreo-mediterrane zone. Hieronder vallen tevens Buxus-bossen en andere struik-vegetaties.

Bb: Fagetalia sylvatica (orde)

Dichte bladverliezende bossen met een kruidlaag van geofieten en hemicryptofyten die in de lente bloeien, voordat de bomen bladeren vormen. Komt voor in gebieden met een vochtig klimaat op voedselrijke of matig voedselarme grond.

Bba: Fraxino carpinion (verbond)

Eiken- en ander bladverliezend bos in vochtig klimaat op een dikke laag grond. Komt voor in de montane zone en op koele plekken in de regenrijke mediterrane gebieden.

Bbb: Fagion sylvaticae (verbond)

Beukenbos en soortgelijk dicht bos van vooral het bovenste deel van de montane zone in regenrijke gebieden.

C: Quercetea ilicis (klasse)

Groenblijvend bos met hoge (maquis) en lage (garrigues) struik-vegetaties.

Ca: Quercetalia ilicis (orde) Caa: Oleo-Ceratonion (verbond)

Laag bos, maquis en garrigues dat de climax vormt in hete mediterrane gebieden met weinig neerslag.

Cab: Rhamno-Quercion cocciferae (verbond)

Maquis en garrigues van gebieden met een droog klimaat en een droge bodem. Vormt de droge zoom van Steeneik-vegetaties maar komt ook zonder bomen voor in door de mens aangetaste gebieden.

Voorts in gebieden met een regenarm landklimaat met relatief koele winters; tussenvorm tussen Caa en Cac.

Cac: Quercion ilicis (verbond)

Steeneiken-bos en verwant bos. De echte climax vegetatie van boreo-mediterrane gebieden.

(7)

3. KENSOORTEN EN ANALYSE

Kensoorten

Van deze geselecteerde syntaxa is een kensoortenlijst samengesteld.

De kensoorten zijn in principe ontleend aan Bellot. Deze is echter niet volledig. Veelal geeft hij een lijstje dat besloten wordt met “etc”.

Om dit enigszins te ondervangen is het aangevuld met kensoorten uit twee publicaties van Bolòs over het Fagetalia en uit Westhoff-den Held.

Het lijkt in eerste instantie tamelijk zinloos om voor Nederland geldende kensoorten en differentiërende soorten te gebruiken voor verwante syntaxa in Catalunya.

Maar de synoecologie van hogere syntaxa dan associatie geldt evenwel meer algemeen en is niet beperkt tot de toestand zoals die in Nederland wordt aangetroffen (Westhoff en den Held, p.14). Het lijkt daarom verantwoord om voor die hogere eenheden ook de door Westhoff en den Held genoemde kensoorten in de analyse te betrekken.

Analyse

De kensoorten zijn vergeleken met de lijst van waargenomen soorten en in een aparte lijst opgenomen (Kensoorten plantenlijst).

Voor een zo juist mogelijke indruk zijn de niet waargenomen kensoorten in deze lijst gehandhaafd.

In de Kensoortentabel is aangegeven hoeveel kensoorten per geclusterd excursiegebied (Geclusterde excursielijst) zijn waargenomen.

Het bleek zinvol om gelijksoortige excursiegebieden samen te voegen tot eenheden met een naar verwachting min of meer homogene vegetatie.

Zo is bij voorbeeld de aanlooproute vanuit Oix naar het Vall d’Hortmoier (06) samengevoegd met de rondwandeling vanuit Can Banal naar de brug over de Llierca-rode route (03, 10 en 25).

Deze gebieden liggen beide op een zuidhelling op ongeveer dezelfde breedte en zijn wat bodem, reliëf en klimaat betreft, goed vergelijkbaar.

Uit de totaal-aantallen per trits klasse-orde-verbond, blijkt dat de waarnemingen in hoofdzaak passen in het verbond Rhododendro-Vaccinion en de klasse Querco-Fagetea.

Van het Quercetea ilicis zijn maar enkele kensoorten aangetroffen.

Volgens de geraadpleegde literatuur liggen de Quercetea ilicis vegetaties inderdaad meer ten Oosten en Zuid-oosten van de bezochte excursie gebieden.

Dit werd bevestigd door het beeld dat we kregen van de vegatie tussen Albanya en de rivier de Llierca tijdens een verkenning.

Uit de tabel is te zien dat de meeste kensoorten zijn waargenomen in cluster 05 (Vall d’Hortmoier) en cluster 06 (Puigsacalm en Salt de Sallent). Van laatstgenoemde liggen beide gebieden op de Noord- oost helling van de waterscheiding tussen de Ter en de Fluvia.

Omdat we nieuwsgierig waren naar de overeenkomsten en verschillen tussen die twee clusters is in Tabelanalyse VdH-PS weergegeven welke kensoorten verschillen en welke gemeenschappelijk zijn.

Daaruit blijkt dat cluster 06 (Puigsacalm en Salt de Sallent) duidelijker lijkt te passen in het Fagetalia sylvatica dan cluster 05 (Vall d’Hortmoier).

Onze verwachting, gebaseerd op de publicaties van Bolòs, dat de bossen rond Olot (cluster 09) een duidelijk Fagion sylvaticae zouden representeren blijkt niet uit te komen.

Ook daar wijst de tabel richting Fagetalia, zonder een duidelijke profilering naar het Fraxino carpinion of het Fagion sylvaticae en met veel elementen uit het Quercion pubescentis-petraeae.

Van het Quercetea ilicis zijn zo weinig kensoorten waargenomen dat we dat niet verder hebben kunnen analyseren.

Een volgend bezoek zou wat meer aandacht kunnen hebben voor de gebieden ten Oosten en Zuid- oosten van Can Banal-Montagut.

(8)

De “Bardissa”

Een andere interessante vegetatie-eenheid waar we niet op hebben gelet is de Bardissa.

Bardissa betekent braamstruik. Het Castillaanse (Spaanse) woord voor Bardissa is Zarzal.

Het is een struweel dat wordt gedomineerd door de braam Rubus ulmifolius, volgens Tüxen de zuidelijke tegenhanger van de Rubus candicans.

De Flora manual dels Països Catalans geeft voor Rubus ulmifolius aan dat hij zeer algemeen is en indicatief voor het Pruno-Rubion ulmifolii, voor Rubus candicans dat hij zeer zeldzaam is en indicatief voor het Prunetalia spinosae.

De Bardissa is een soortenrijke struikvegetatie die in grote delen van Catalunya voorkomt.

Bellot geeft als kensoorten: Coriaria myrtifolia, Pyracantha coccinea, Crataegus monogyna, Rosa agrestis, Rosa pouzini en Rubus ulmifolius. Tüxen geeft als verbond-kensoorten: Rubus sp, Tamus communis, Smilax aspera, Rubia peregrina en Evonymus europeus.

Een aanrader voor aandacht bij een volgend bezoek aan het gebied.

Verkenning vanuit Albanya

Hieronder volgt de beschrijving van een verkenning ten oosten van Montagut. Dit in aanvulling op C:

Quercetea ilicis.

De verkenning voerde ons eerst naar Sales de Llierca. De excursiemogelijkheden leken daar niet bijster goed. Veel degradatie en deels ontoegankelijk. De Serra (=gebergte) ten noorden van dat gebied zag er echter interessant uit met op het oog een dichte begroeiing van Steeneik. Om daar te komen moet helemaal via Figueras worden omgereden om vervolgens via het dal van de Muga bij Albanya uit te komen.

Tussen Albanya en de Llierca boven Sadernes strekt zich van Oost naar West uit de Serra de Bossols en de Serra de Corsavill. Daarna loopt het spoor ten zuiden van de Puig de Bassegoda (1.373 meter) en daalt vervolgens af door het (hoge) Vall de Rui dat in het zuiden wordt begrensd door de Cingles de Guitarriu om vervolgens via Sant Feliu de Riu verder af te dalen naar de Llierca.

De zuidhellingen zijn over dat hele gebied inderdaad bedekt met een dichte vegetatie met als

dominante kleur het grijsgroen van de Quercus ilex. De hellingen bleken over het algemeen zeer steil.

Ongeschikt voor een excursie. De bergweg die we volgden is niet meer dan een camino forestal (bos/bergweg), zeer oneffen en alleen met een 4WD te berijden, smal met maar enkele plekken om te passeren, dus de auto ergens parkeren kan al helemaal niet.

Zicht op de rivier de Llierca (foto Jan Westhuis) 3.1 KENSOORTEN PLANTENLIJST

Syntax. FMPC Wetenschappelijke naam Geclusterde vindplaats

Aa 124-653-2548 Homogyne alpina 07-

(9)

Aa 012-033-0084 Pinus mugo ssp uncinata 07-

Aa 096-437-1690 Rhododendron ferruginium 07-

Aa 096-440-1696 Vaccinium myrtillus 07-

Aa Dianthus barbatus NW

Aa Pyrola chloranta NW

Aa Saxifraga geranioides NW

B 016-051-0146 Aquilegia vulgaris 01-02-03-04-05-06-09-11 B 144-905-3500 Epipactis helleborine 01-02-05-09-11- B 144-906-3504 Cephalanthera longifolia 01-02-06-09-11 B 079-364-1358 Euphorbia amygdaloides 01-05-06-09-11 B 143-822-3303 Branchypodium sylvaticum 02-

B 053-249-1058 Geranium robertianum s.l. 02-05-06-10-11-

B 108-500-1880 Ajuga reptans 02-06-

B 016-044-0109 Clematis vitalba 02-06-

B 119-582-2283 Sambucus nigra 02-09-

B 071-346-1291 Corylus avellana 03-05-06-

B 100-459-1770 Fraxinus excelsior 03-05-06-

B 142-790-3183 Carex sylvatica 03-05-10-

B 119-584-2295 Lonicera xylosteum 05-

B 092-387-1471 Moehringia trinerva 05-

B 016-053-0148 Ranunculus ficaria (Ficaria verna) 05-

B 028-114-0457 Vicia sepium 05-

B 123-596-2348 Campanula trachelium 06-

B 135-755-2969 Allium ursinum 06-07-

B 016-049-0130 Anemone nemorosa 06-09-10-

B 048-237-0996 Viola sylvestris ssp sylvestris 07-

B 025-077-0310 Geum urbanum 09-

B Arum maculatum NW

B Convallaria majalis NW

B Corydalis cava NW

B Hieracium murorum NW

B Lathraea squamaria NW

B Lysimachia nemorum NW

B Mycelis muralis NW

B Paris quadrifolia NW

B Poa nemoralis s.l. NW

Baa 092-408-1571 Silene nutans 01-02-04-06-09-

Baa 072-350-1303 Quercus humilis (Q. pubescens) 01-03-05-06-

Baa 080-365-1395 Buxus sempervirens 01-03-05-06-09-11 Baa 016-040-0101 Helleboris foetidus 01-05-06-09- Baa 124-644-2515 Tanacetum corymbosum ssp corymbosum 02-

Baa 028-129-0634 Coronilla emerus ssp emerus 02-05-11-

Baa 016-044-0107 Clematis recta 03-

Baa 025-086-0359 Cotoneaster nebrodensus (C. tomentosus) 03-

Baa 037-147-0691 Daphne laureola 03-05-06-11

Baa 119-583-2286 Viburnum lantana 03-06-

Baa 111-550-2111 Digitalis lutea ssp lutea 05-06-09-

Baa 025-085-0357 Amelanchier ovalis 07-

Baa 107-489-1849 Pulmonaria longifolia 09-10-

Baa Acer monspessulanum NW

Baa Acer opalus NW

Baa Arabis turrita NW

Syntax. FMPC Wetenschappelijke naam Geclusterde vindplaats

Baa Colutea arborescens NW

Baa Dictamnus albus NW

Baa Pinus sylvestris NW

Baa Prunus mahaleb NW

(10)

Baa Satureja calamintha s.l. NW

Baa Sorbus aria s.l. NW

Baa Sorbus torminalis NW

Baa Thalictrum minus NW

Bb 070-278-1148 Sanicula europaea 01-03-05-06-09-10-11-

Bb 016-049-0128 Anemone hepatica (Hepatica nobilis) 01-05-06-07-09-10-11

Bb 144-908-3506 Neottia nidus-avis 01-06-11-

Bb 098-444-1712 Primula elatior 02-05-06-07-09-

Bb 007-017-0045 Dryopteris filix-mas 04-

Bb 041-187-0816 Cardamine impatiens 05-

Bb 143-819-3283 Melica uniflora 05-

Bb 111-546-2066 Scrophularia nodosa 05-

Bb 144-913-3514 Platanthera chlorantha 05-06-07-

Bb 092-390-1492 Stellaria holostea 05-06-07-09-

Bb 079-363-1348 Mercurialis perennis 06-

Bb 135-760-2997 Polygonatum verticillatum 06-

Bb 107-491-1855 Symphytum tuberosum 06-

Bb 072-348-1294 Fagus sylvatica 06-09-

Bb 108-509-1928 Lamium galeobdolon (Lamiastrum gal.) 06-10- Bb 007-016-0043 Polystichum setiferum 06-10-

Bb 032-142-0683 Circaea lutetiana 06-11-

Bb 123-599-2364 Phyteuma spicatum ssp pyrenaicum 06-11- Bb 135-760-2998 Polygonatum multiflorum 09-

Bb 028-116-0496 Lathyrus vernus 10-

Bb 051-247-1049 Tilia platyhyllos s.l. 11-

Bb Adoxa moschatellina NW

Bb Calamagrostis arundinacea NW

Bb Cicerbita muralis NW

Bb Milium effusum NW

Bb Myosotis sylvatica NW

Bb Polystichum aculeatum NW

Bb Ranunculus auricomus NW

Bba 135-748-2948 Ornithogalum pyrenaicum 01-

Bba 104-472-1802 Vinca minor 10-

Bba Acer pseudoplatanus NW

Bba Carpinus betulus NW

Bba Festuca heterophylla NW

Bba Glecoma hederacea NW

Bba Melampyrum nemorosum NW

Bba Prunus avium NW

Bba Tilia cordata NW

Bbb 072-350-1298 Quercus ilex 01-03-05-06-

Bbb 118-581-2280 Rubia peregrina 01-03-05-06-

Bbb 007-008-0029 Pteridium aquilinum 01-05-06-09-

Bbb 069-274-1143 Hedera helix 03-

Bbb 111-552-2120 Veronica officinalis 05-09- Bbb 028-116-0492 Lathyrus linifolius (Lathyrus montanus) 07-

Bbb 052-248-1052 Oxalis acetosella 07-10-

Bbb Abies alba NW

Bbb Athyrium filix femina NW

Bbb Dentaria pinnata NW

Syntax. FMPC Wetenschappelijke naam Geclusterde vindplaats

Bbb Elymus europaeus NW

Bbb Euphorbia dulcis NW

Bbb Festuca heterophylla NW

Bbb Galium rotundifolium NW

(11)

Bbb Lunaria rediviva NW

Bbb Polystichum lobatum NW

Bbb Prenanthes purpurea NW

C 118-581-2280 Rubia peregrina 01-03-05-06-

C 072-350-1296 Quercus coccifera 01-05-09-

C Asparagus acutifolius NW

C Daphne gnidium NW

C Jasminum fruticans NW

C Phillyrea latifolia (P. media) NW

Ca 072-350-1297 Quercus suber 01-

Ca 072-350-1298 Quercus ilex 01-03-05-06-

Ca Ephedra nebrodensis NW

Ca Osyris alba NW

Ca Phillyrea angustifolia NW

Ca Rhamnus alaternus NW

Ca Rhamnus lycioides s.l. NW

Caa Callitris articulata NW

Caa Capparis spinosa NW

Caa Cerotonia silique NW

Caa Chamaerops humilis NW

Caa Olea europaea var oleaster NW

Caa Osyris lanceolata NW

Caa Withania frutescens NW

Cac 028-116-0488 Lathyrus latifolius 01-02-05-08-

Cac 016-044-0110 Clematis flammula 02-06-

Cac 063-266-1127 Pistacea terebinthus 03-

Cac 007-023-0064 Asplenium adiantum-nigrum s.l. 09-

Cac Bupleurum fruticosum NW

Cac Cytisus triflorus (villosus) NW

Cac Oryzopsis paradoxa NW

Cac Rumex intermedius NW

Cac Teucrium chamaedrys ssp pinnatifidum NW

Cac Viola alba ssp dehnhardtii NW

(12)

3.2 GECLUSTERDE EXCURSIELIJST

Geclusterde Excursie- Omschrijving vindplaats nummer

01 01 Gele route-El Cós-kerkje

02 Witte route-Montagut-omleiding-El Cós

02 03 Rode route-brug over Llierca 06 Oix-Vall d’Hortmoier, 1e deel

10 Rode route-Sant Eudald de Jou-kort 25 Rode route-brug over Llierca

03 04 Blauwe route-ravijn

27 Kampeerterrein Can Banal (geen excursie) 19 Avondexcursie Can Banal

04 05 Sadernes-San Aniol d’Aguja-monnikenpad 05 07 Oix-Vall d’Hortmoier, 2e deel

16 Oix-Vall d’Hortmoier, 3e deel 06 08 Puigsacalm vanaf Coll de Bracons

23 Vall d’en Bas-Salt de Sallent-waterval-hoog 24 Vall d’en Bas-Salt de Sallent-waterval-laag 07 11 Setcases-Coma de l’Orri-lang

12 Setcases-El Ter/GR11-kort

08 09 Aiguamolls d’Empordà-vogelgebied

13 Platja d’Espolla-Banyoles/Triops-Besalù

22 Platja d’Espolla/Triops-Figueras/Dalí museum

09 14 Olot-San Pau-vulkanen-kort

15 Olot-Fageda d’en Jorda-vulkanen-lang

26 Olot-Vulkanenmuseum

10 17 Serra dels Bufadors-hoog 18 Serra dels Bufadors-laag 11 20 Vallfogona-Mas la Bauma-hoog

21 Vallfogona-Mas la Bauma-laag

(13)

3.3 KENSOORTENTABEL

01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 TOT NW W

Aa -- -- -- -- -- -- 04 -- -- -- -- 07 03 04

B 04 08 04 01 11 11 02 -- 07 03 05 30 09 21

Baa 04 03 06 01 06 07 01 -- 05 01 03 24 11 13 08 11 10 02 17 18 03 -- 12 04 08

B 04 08 04 01 11 11 02 -- 07 03 05

Bb 03 01 01 01 08 14 04 -- 06 05 06 28 07 21 07 09 05 02 19 25 06 -- 13 08 11

B 04 08 04 01 11 11 02 -- 07 03 05

Bb 03 01 01 01 08 14 04 -- 06 05 06

Bba 01 -- -- -- -- -- -- -- -- 01 --- 09 07 02 08 09 05 02 19 25 06 -- 13 09 11

B 04 08 04 01 11 11 02 -- 07 03 05

Bb 03 01 01 01 08 14 04 -- 06 05 06

Bbb 03 -- 03 -- 04 03 02 -- 02 01 --- 17 10 07 10 09 08 02 23 28 08 -- 15 09 11

TOT = Totaal (115 kensoorten)

NW = Niet waargenomen (47 kensoorten) W = Waargenomen (68 kensoorten)

Aa: Rhododendro-Vaccinion B: Querco-Fagetea

Baa: Quercion pubescentis-petraeae Bb: Fagetalia sylvatica

Bba: Fraxino carpinion Bbb: Fagion sylvaticae

(14)

3.4 TABELANALYSE VdH-PenS

Kensoorten die apart en gemeenschappelijk waargenomen zijn in cluster 05 Vall d’Hortmoier en cluster 06 Puigsacalm-Salt de Sallent.

Syntax. FMPC Wetenschappelijke naam Geclusterde vindplaats B 144-905-3500 Epipactis helleborine 05-

B 142-790-3183 Carex sylvatica 05-

B 119-584-2295 Lonicera xylosteum 05-

B 092-387-1471 Moehringia trinerva 05-

B 016-053-0148 Ranunculus ficaria (Ficaria verna) 05-

B 028-114-0457 Vicia sepium 05-

B 016-051-0146 Aquilegia vulgaris 05-06-

B 079-364-1358 Euphorbia amygdaloides 05-06- B 053-249-1058 Geranium robertianum s.l. 05-06-

B 071-346-1291 Corylus avellana 05-06-

B 100-459-1770 Fraxinus excelsior 05-06-

B 144-906-3504 Cephalanthera longifolia 06-

B 108-500-1880 Ajuga reptans 06-

B 016-044-0109 Clematis vitalba 06-

B 123-596-2348 Campanula trachelium 06-

B 135-755-2969 Allium ursinum 06-

B 016-049-0130 Anemone nemorosa 06-

Baa 028-129-0634 Coronilla emerus ssp emerus 05- Baa 072-350-1303 Quercus humilis (Q. pubescens) 05-06- Baa 080-365-1395 Buxus sempervirens 05-06- Baa 016-040-0101 Helleboris foetidus 05-06-

Baa 037-147-0691 Daphne laureola 05-06-

Baa 111-550-2111 Digitalis lutea ssp lutea 05-06-

Baa 092-408-1571 Silene nutans 06-

Baa 119-583-2286 Viburnum lantana 06-

Bb 041-187-0816 Cardamine impatiens 05-

Bb 143-819-3283 Melica uniflora 05-

Bb 111-546-2066 Scrophularia nodosa 05-

Bb 070-278-1148 Sanicula europaea 05-06-

Bb 016-049-0128 Anemone hepatica (Hepatica nobilis) 05-06-

Bb 098-444-1712 Primula elatior 05-06-

Bb 144-913-3514 Platanthera chlorantha 05-06- Bb 092-390-1492 Stellaria holostea 05-06-

Bb 144-908-3506 Neottia nidus-avis 06-

Bb 079-363-1348 Mercurialis perennis 06- Bb 135-760-2997 Polygonatum verticillatum 06- Bb 107-491-1855 Symphytum tuberosum 06-

Bb 072-348-1294 Fagus sylvatica 06-

Bb 108-509-1928 Lamium galeobdolon (Lamiastrum gal.) 06-

Bb 007-016-0043 Polystichum setiferum 06-

Bb 032-142-0683 Circaea lutetiana 06-

Bb 123-599-2364 Phyteuma spicatum ssp pyrenaicum 06- Bbb 111-552-2120 Veronica officinalis 05-

Bbb 072-350-1298 Quercus ilex 05-06-

Bbb 118-581-2280 Rubia peregrina 05-06-

Bbb 007-008-0029 Pteridium aquilinum 05-06-

(15)

4. BESCHRIJVING EXCURSIES

Excursie 01

zo 26 mei: Can Banal, Gele route-El Cós-kerkje

De wandeling voerde eerst door bos, daarna door meer open terrein waar de witte gipslagen in de wegkant goed te zien waren. Deze lagen zijn geassocieerd met mariene zandsteen en mergel kleien, die afgezet zijn in een binnenzee tijdens een warm en vermoedelijk droog klimaat.

Het is een zeer rijk begroeide berghelling, ruim bebost en daardoor schaduwrijk. We werden verrast door een club flitsende motorrijders op het bospad. De Spaanse gids maakte er werk van. Dit gebied is uiteraard verboden voor crossmotoren.

Onder de Donseik (Quercus humilis of Quercus pubescens) waren vele Paraplugallen te vinden.

En het Leverbloempje (Anemone hepatica of Hepatica nobilis) en het Kogelbloempje (Globularia vulgaris) kregen veel aandacht.

Enthousiasme was er dat er meteen al veel orchideeën te vinden waren, waaronder de Paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum), Wit bosvogeltje (Cephalanthera longifolia), en Aapjesorchis (Orchis simia).

Bij het Romaanse kerkje El Cós heb je een mooi uitzicht over het vulkanisch gebied aan de ene kant en de hoge Pyreneeën aan de andere kant.

De Spaanse gids, David Gimeno, regelde dat we het kerkje konden bekijken.

Hij vertelde in het kort wat er te zien was aan en in het landschap. Er stond inmiddels een stevige woei en die voerde helaas niet alleen koude lucht, maar ook regen aan.

Besloten werd om ‘versneld’ terug te gaan. Een deel van de groep is dezelfde weg teruggewandeld, een ander deel heeft de rondwandeling verder gevolgd. En daar werd een Gladde slang (Coronella austriaca) gevonden.

Euphydryas aurinia Moerasparelmoervlinder (foto Ed Romeijn)

(16)

Excursie 02

ma 27 mei: Can Banal, Witte route-Montagut-omleiding-El Cós

De rondwandeling vroeg enig improvisatietalent van de dag-excursieleider en deelnemers. Het pad was niet goed te vinden en hier en daar was zo veel veranderd (door menselijk ingrijpen) in het landschap dat de hulp van Spanjaarden ingeschakeld moest worden. Een en ander leidde tot een afwijkende route die ook een deel van de wandeling naar El Cós besloeg.

Hoogtepuntje van de dag was de eerste Kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum) die we zagen.

Excursie 03, 10 en 25

ma 27 mei: Can Banal, Rode route-brug over Llierca do 30 mei: Rode route-Sant Eudald de Jou-kort vrij 7 juni: Rode route-brug over Llierca

Het pad naar Sant Eudald de Jou (kerkje) loopt langs een helling met veel Rozemarijn (Rosmarinus officinalis) en Jeneverbes (Juniperis communis). Bij het Romaanse kerkje is een weitje waar veel orchideeën gevonden zijn. O.a. verschillende soorten Wespenorchissen (Epipactis sp), Grote muggenorchis (Gymnadenia canopsea) en Poppenorchis (Aceras anthropophorum).

Met een beetje zon is het er goed vlinderen. Het Provencaals bleek blauwtje (Polyommatus hispana), Heideblauwtje (Plebeius argus), Pasja (Charaxes jasius), Spaans oranje zandoogje (Pyronia

bathseba) en de nachtvlinder Zwarte beer (Arctia villica) zijn er waargenomen. Hoogtepunt waren de Wandelende takken, waarvan er eentje ’s avonds tijdens de choc rondging. Ondanks dat ze vrij veel voorkomen, zijn ze moeilijk te vinden.

Na het kerkje zijn er langs de route regelmatig resten van olijfbomen te vinden. De meeste olijfbomen in die streek zijn ruim 35 jaar geleden na een zeer strenge winter doodgegaan.

Het is ook te zien dat het een regenererend bos is.

Bij de brug over de rivier de Llierca zijn Bijeneters te vinden. De brug is uit de Romeinse tijd. Het is er goed toeven aan en in het heldere water. Menigeen heeft daarvan gebruik gemaakt. En heerlijk te weten, dat als je excursiemoe bent, je niet de hele route hoeft te lopen om dit stukje natuurschoon te bereiken. Met de auto is het 5-10 minuten rijden vanaf de camping Can Banal.

Brug over de rivier de Llierca (foto Jan Westhuis) Excursie 04

ma 27 mei: Can Banal, Blauwe route-ravijn

(17)

Een prachtige route met veel mossen. Het ‘ravijn’ loopt vlak langs de camping. Als tijdsindicatie voor de wandeling wordt 1,5 uur aangegeven. Kijk je naar plantjes en speur je naar vogels en vlinders neemt deze route uiteraard meer tijd. Vandaag nam het de club extra veel tijd omdat er een paar fikse regenbuien gevallen waren in de dagen ervoor. De zon had nog geen kans gezien het water te laten verdampen en de rotsblokken te drogen. De helft van de deelnemers gleed uit door de gladheid.

(Enkelen hadden de moed deze route later nog eens te wandelen en waren verrast hoeveel gemakkelijker en sneller dat gaat na een aantal dagen droogte en zon.)

Er werd o.a. het korstmosje Eikemos (Evernia prunastri), Watermunt (Mentha aquatica), Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia), Bitterling (Blackstonia perfoliata) en een Gewone oesterzwam (Pleurotus ostreatus) gezien.

Na het klauteren en bij terugkomst op de camping overheerste opluchting dat iedereen weer veilig terug was, ook al was het met pijnlijke knieën en schrammen.

Schorpioen in het ravijn (foto Ed Romeijn)

Excursie 05

di 28 mei: Sadernes-San Aniol d’Aguja-monnikenpad

Het kerkje in Sadernes had geen kerkklokken maar autobanden in de toren hangen.

Het was een heen-en-weer wandeling naar het Romaanse kerkje San Aniol, waarbij regelmatig het riviertje met dezelfde naam overgestoken moest worden (steenstappen). De mensen die hier niet zo bedreven in waren deden dat op blote voeten. Er zou nog een brug moeten zijn, maar daar restten alleen twee palen van.

Het is een prachtige “kloof” uitgesleten in kalksteen. Verderop in de rivier dagzoomt de graniet.

Vanwege het smalle dal is het onderin koel met veel varens, zoals de Mannetjesvaren (Dryopteris filix- mas), Muurvaren (Asplenium ruta-muraria), en Steenbreekvaren (Asplenium trichomanes), veel mossen en bloemen zoals de Ramonda (Ramonda myconi). Ook in deze vallei zijn orchideeën te vinden. De Graslelie (Anthericum liliago) werd voor het eerst waargenomen.

Uiteindelijk bereik je het middeleeuws Romaanse kerkje van San Aniol. Even verder is er nog een waterval.

Tijdens de lunch besloten een paar mensen de tocht over het monnikenpad naar het kerkje niet te ondernemen. Het was niet duidelijk wat het weer zou gaan doen en regen zorgt er nu eenmaal voor dat paden glibberig worden. En het lopen van het pad vraagt ook een goede conditie.

(18)

De mensen die na de lunch doorgegaan zijn hebben wel de molen gevonden, maar het kerkje niet.

De groep ging niet echt als groep verder. En dat had tot gevolg dat iemand de ‘groep’ kwijtraakte en de aandacht meer uit moest gaan naar ieders veilige terugkeer, dan naar planten, vlinders etc.

Excursie 06, 07 en 16

di 28 mei: Oix-Vall d’Hortmoier, 1e deel, woe 29 mei: 2e deel, zo 2 juni: 3e deel

De eerste etappe leidde door een agrarisch gebied met een rijke bermflora. Het daarop volgende deel bood een meer (half)natuurlijk landschap met bossen, weiden, steilkantjes en boeiende

karstverschijnselen. De bossen bestonden uit het bekende mengsel van Steeneik (Quercus ilex) en Gewone buxus (Buxus sempervirens) met daartussen ook de kleiner blijvende Hulsteik (Quercus coccifera). De struiklaag omvatte een fraaie selectie van de rijkdom die Catalunya te bieden heeft. De gele ‘bremachtigen’ waren vertegenwoordigd met Struikkroonkruid (Coronilla emerus), Cytisophyllum sessilifolium (Cytisus sessilifolium), Liggende brem (Chamaecytisus supinus) en Bezemstruik

(Spartium junceum). Er stond ook de struikvormige Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum) en behalve de gewone Bosrank (Clematis vitalba) ook Stijve clematis (Clematis recta). De weitjes zagen paars van Bieslelie (Aphyllantes monspeliensis), maar waren verder wat verruigd. Voor de vele vlinders maakte het dat alleen maar interessanter. Er werden o.a. de Spaanse pijpbloemvlinder (Zerynthia rumina) en de Zuidelijke aardbeivlinder (Pyrgus malvoides) gezien.

De aanwezigheid van kalk bleek uit de karstverschijnselen, zoals een stroomversnelling

stroomafwaarts gevolgd door een droge beekbedding, of een grote kom die vijftien meter lager ligt dan de beekbedding waarin het water zijn weg moet vervolgen. Er blijkt een tweede afvoer te zijn. In zo’n droge rivierbedding is het heerlijk om te pauzeren en het landschap op je in te laten werken. Een boterham met stroop helpt om de vlinders te lokken en ze goed te bekijken, zoals het Zuidelijk dwergblauwtje (Cupido osiris).

Riera de Oix tijdens een pauze (foto Jan Westhuis)

Botanisch interessant waren de zachte tufsteenwanden met doorsijpelend water en de spleten in de rotswanden. De zachte wanden werden opgesierd door Venushaar (Adiantum capllus-veneris) en Bergnachtorchis (Platanthera chlorantha). Het leukst waren echter de dikke kussens Tufmos. Dit mos maakt actief kalk omdat het de koolzuur aan het water onttrekt in plaats van aan de lucht. Daarbij slaat kalk neer. Ook andere planten worden door de kalk ingesloten en vormen na afsterven de

karakteristieke poreuze structuur van tufsteen.

(19)

De vegetatie van de rotswanden was minder uitbundig, maar met Klokje (Campanula speciosa), Mosmuur (Moerhingia muscosa) en Genaalde streepvaren (Asplenium fontanum) zeker zo spectaculair.

Wat verderop in de vallei bestaat de ondergrond uit graniet (het pe-cambrische schild waarop de kalksteen is afgezet). Dat heeft duidelijk invloed op de vegetatie. Er blijven plassen op de weg staan, de atmosfeer is koeler en vochtiger. Het graniet was hier en daar goed te zien. Op die plekken is de rivier ook minder diep ingesleten, en er is een "nes" naast de rivier te zien waarop populieren zijn geplant.

De vegetatie was duidelijk anders dan op de kalksteen. Veel meer mossen en varens, en Eenbloemig parelgras (Melica uniflora), dat voorkomt op plekken waar water stagneert.

Omdat kalksteen (doorlatend voor water) hier rust op graniet (slecht water-doorlatend) voert de rivier veel water.

Na de oversteek van het riviertje (natte voeten!) zagen we de indrukwekkende duizendjarige eiken. Er zijn drie mensen nodig om een boom te omsingelen, de omtrek is ongeveer 5 meter. Op het graniet in de buurt groeide Boomheide (Erica arborea); een indicatie voor een zuur milieu.

Vlakbij ligt een oud Romaans kerkje: San Miguel d’Hortmoier.

We zijn het pad verder gevolgd, onder meer over een wat lastig, droog, kloofje. Een kijkje na de volgende bocht in de rivier leverde zicht op een fabelachtig keienstrand in de schaduw van Vlinderstruiken (Buddleja davidii) die helaas al waren uitgebloeid.

Het riviertje wordt gevoed door wat bronnen en watervalletjes. Een goede plek om waterflessen te vullen en een verkoelend bad te nemen.

Zoals al gezegd waren de omringende bergwanden deels erg steil. Er waren bergbeklimmers bezig bij de "Salto dels Liberadors". Deze "salto" is een plek waar ooit een aantal vrijheidsstrijders gedwongen werd te springen, vertelde de Spaanse gids Rafaël.

Bij terugkomst in Oix zijn er barretjes waar wat gedronken of gegeten kan worden. Uiteraard is daarvan gebruik gemaakt.

Excursie 08

woe 29 mei: Puigsacalm vanaf Coll de Bracons

Gestart is bij Coll de Bracons. Het begin van het pad was heel moeilijk te vinden en is uiteindelijk aangegeven door iemand uit de streek.

De wandeling ging via een redelijk begaanbaar pad door het bos. Licht stijgend van 1.000 tot 1.350 meter. Vanaf die hoogte waren er weiden die gedeeltelijk werden begraasd.

Op de eerste bergweide die we tegenkwamen vonden we vele orchideeën . De Stengelloze gentiaan (Gentiana acaulis) was ook ruim vertegenwoordigd, veelal uitgebloeid, maar toch. De Zilverdistel (Carlina acaulis) van het vorige jaar stond er ook nog mooi bij.

Er werd een hoorn van een koe gevonden. Zo te zien aan het verse bloed was de hoorn net afgebroken. Van 1.350 tot 1.500 meter (de top van de Puigsacalm) werd het pad steil.

Verrassend waren de honderden Gele vlierorchissen (Orchis sambucina) op de top.

(20)

Op weg naar de Puigsacalm (foto Jan Westhuis)

Excursie 09

do 30 mei: Aiguamolls d’Empordà-vogelgebied

Vroeger besloegen de moerasgebieden van L’Empordà bijna de hele vlakte van de baai van Roses en van de Baix Ter (Lage Ter). In de loop van de tijd verdween het grootste deel van deze gebieden door uitbreiding van de landbouw (rijstvelden in eerste instantie), en in mindere mate door veeteelt. Midden vorige eeuw kwam de toeristenindustrie op, die in hoog tempo uitgestrekte gebieden opslokte en omvormde tot woonoorden en kuststroken. Sinds 1983 is het Natuurpark Aiguamolls de l’Empordà wettelijk beschermd. Het is een belangrijke plek voor trekvogels.

Je zou het kunnen vergelijken met onze Oostvaardersplassen: een zeer kwetsbaar gebied, met afwisselend rietpartijen, natte weiden en open water. Om verstoring en verruiging zo veel mogelijk te voorkomen zijn twee wandelroutes uitgezet.

Op deze stralende dag lieten 69 vogelsoorten zich bekijken. In totaal – door de jaren heen – zijn er meer dan 323 verschillende soorten geregistreerd, waarvan er 93 broeden in het gebied. Onder andere de Ooievaar, Bijeneter, Waterhoen, Meerkoet, Wilde eend, Dodaars en Steltkluut, die alle gezien zijn.

De Purperreiger en Bruine kiekendief waren een verrassing omdat deze sterk achteruit gegaan zijn in dit gebied. Er zijn in het verleden 38 Purperkoeten uitgezet – de Purperkoet was 50 jaar niet meer gesignaleerd als broedvogel. De vraag was of we de Purperkoet vandaag zouden zien. Na speuren en speuren werd de moed opgegeven. De Roerdomp leek dit ‘gemis’ te willen compenseren door samen met een Grote karekiet te poseren voor de foto. Aan het eind van de wandeling kwam de Purperkoet als toegift nog even langs.

De mensen die meer aan de rand van het vogelreservaat hebben gewandeld en gezocht kwamen o.a.

een Damhert tegen, die in 1987 is heringevoerd. Aan de rand van het gebied was uiteraard meer te merken van verstoring en verruiging. De beste illustratie daarvoor is wel de vondst van de Kerrieplant (Kerria japonica) die werkelijk niet thuishoort in een Catalaans moerasgebied.

Excursie 11 en 12

vrij 31 mei: Setcases-Coma de l’Orri-lang en Setcases-El Ter/GR11-kort

(21)

Setcases (Zevenhuizen) ligt in de “hoge” Pyreneeën en is het noordelijkste deel dat we bezocht hebben. Net voor Setcases zagen we een Gems met grote sprongen de weg oversteken. Er werd ons een prachtig zicht gegund op de besneeuwde bergtop aan het eind van een dal.

De wandeling in het hoge beekdal van de Ter startte op 1.695 meter hoogte.

De hellingen zijn begroeid met Bergden (Pinus mugo) en Alpenroosje (Rhododendron ferrugineum).

Dicht bij de parkeerplaats (Pla de Molina) vonden we het Donkersporig bosviooltje (Viola sylvestris) en het Akkerviooltje (Viola tricolor). Na een kort stukje gezamenlijk langs de beek gelopen te hebben, en o.a. Vroegeling (Erophila verna) gespot te hebben, splitste de groep zich. Een deel volgde het pad langs een zijbeek van de Ter richting Coma de l’Orri en een deel vervolgde z’n weg vlak langs de Ter.

De Ter voerde nog vrij veel water, dat over grote rotsblokken stroomt. Een Waterspreeuw had er z’n domicilie gekozen. Tussen de beek en het iets hoger gelegen ‘echte’ wandelpad, de GR11, bloeiden o.a. Stengelloze gentiaan (Gentiana acaulis) en de Voorjaarsgentiaan (Gentiana verna). Tussen de bomen waren witte tapijtjes van Scheefbloem (Iberis sempervirens) te zien, een plant die in Nederland als tuinplant geliefd is. Het Rode peperboompje (Daphne mezereum) had een wat zonniger en droger plekje gezocht. De GR11 is een stukje gevolgd. Een open stuk met veel soorten Steenbreek, o.a.

Donssteenbreek (Saxifraga pubescens) en Saxifraga paniculata. Ook de Alpenvrouwenmantel (Alchemilla alpina) werd er gevonden. De steile wanden met hun groene waas van de lichenen (op afstand) waren indrukwekkend. Ook daar werd aan de voet van de wand een Gems gezien die zich een weg baande door losliggend gesteente en struikgewas.

De terugtocht ging over het ‘echte’ pad: de GR11. Inmiddels was het bewolkt geworden en de eerste regendruppels vielen naar beneden. Bij de parkeerplaats aangekomen roffelden de hagelstenen op o.a. de auto’s en de deelnemers neer.

Het pad dat naar Coma de l’Orri ging voerde ons het eerste deel door het bos. Het was te zien dat er mensen met machines gewerkt hadden om de zijbeek van de Ter binnen z’n gewenste loop te houden. Het pad was door dit menselijk ingrijpen wat lastig te vinden. Al wandelend werd o.a. Glad kruisbladwalstro (Cruciata glabra), Pyreneeën viooltje (Viola pyrenaica), Pyreneeën kartelblad (Pedicularis pyrenaica), Karpatenrozenkransje (Antennaria carpatica), Driedistel (Carlina vulgaris), Daslook (Allium ursinum) en Androsace carnea gevonden. Als verrassing tijdens een rustpauze werd de Noordse streepvaren (Asplenium septentrionale) op naam gebracht. Ook de Stippelorchis (Orchis provincialis) werd gepasseerd. Iedereen stond verrukt te kijken naar de Lammergier

(Quebrantahuesos = bottenbreker) die langs de boomgrens in de richting van de Col vloog. De meesten zijn tot dichtbij de sneeuwgrens gewandeld.

In beide dalen is de gele Alpenanemoon (Anemone alpina) gezien en is het Grootbloemig vetblad (Pinguicula grandiflora) bewonderd.

Wat bij terugkomst bij de parkeerplaats iedereen opnieuw duidelijk werd was dat het weer in de bergen onvoorspelbaar is: de mensen die naar Coma de l”Orri geweest waren hadden een paar drupjes regen gehad en geen hagel, geen stortbui.

Excursie 13 en 22

vrij 31 mei: Platja d’Espolla-Banyoles/Triops-Besalù

woe 5 juni: Platja d’Espolla-Banyoles/Triops-Figueras-Dalí museum

Grenzend aan de vlakte van Empordà en het meer van Banyoles ligt 40 meter hoger een hoogvlakte die gevormd wordt door het oude terras van een meer. De hoogvlakte wordt Clot (=kom) d’Espolla en ook Platja (strand) d’Espolla genoemd. De bodem bestaat uit travertin en hier en daar zijn er resten van uitgravingen om de travertin te winnen.

Normaal gesproken is hier geen water, of is dat beperkt tot “plasjes” in die uitgravingen in het travertin.

Maar gedurende perioden van uitbundige neerslag komt het water met kracht uit de bodem omhoog tot 20-30 cm. en wordt het oude meer deels opnieuw gevuld.

Het gaat hier ongetwijfeld om een te veel aan water, dat wil zeggen, om een manier van overlopen van het huidige meer van Banyoles, dat 40 meter lager ligt. Dit treedt alleen op wanneer de druk in het veel verder gelegen gebied, waar het water de bodem indringt, hoger is dan normaal. Het water, dat de breuklijn volgt en door gipslagen dringt, moet door de holten in het 100 meter dikke pakket van oude sedimenten, z’n weg vinden om in Espolla aan de oppervlakte te komen.

(22)

Vanuit het periodieke meertje van Espolla stroomt het water weg in de richting van de rivier de Fluvia en vormt bij Martís een waterval van 60 meter hoog. Het is heel bijzonder dat een echte rivier ontstaat op een hoogvlakte met een hoeveelheid stromend water die vaak groter is dan 200 kubieke meter per minuut.

Het voorjaar van 2002 is een nat voorjaar geweest in Catalunya. En wel zo nat dat voor het eerst in acht jaar het meertje van Espolla zich flink uitgebreid had.

Het was fantastisch dat we acht jaar verborgen leven tot wasdom konden zien komen. De

Kieuwpootkreeft (Triops cancriformis) en de kikkervis (zo’n 15 cm) van de Knoflookpad (Pelobatus fuscus) vormden daarvan de hoogtepunten.

Het was onmogelijk de miljoenen kleintjes van o.a. de Rugstreeppad (Bufo calamita) te missen die langs het water en over de paden krioelden.

Er waren ook veel libellen te zien, zoals de Gele rombout (Gomphus simillus), Venglazenmaker (Aeschna juncea) en de Zwervende heidelibel (Sympetrum fonscolombii).

Het bezoek aan het meertje liet zich goed combineren met een bezoek aan het Dalí-museum in Figueras of met een bezoek aan Besalù, een oud mooi gerestaureerd stadje.

Als souvenir kun je een goede kwaliteit pollepel van Buxushout kopen (groenachtig van kleur). Er is in Catalunya een industrie in keukenspullen van Buxushout.

De Kieuwpootkreeft (Triops cancriforme) wordt bekeken (foto Jan Westhuis)

Excursie 14 en 15

za 1 juni: Olot-San Pau-vulkanen-kort en Olot-Fageda d’en Jorda-vulkanen-lang

(23)

(foto Jan Westhuis)

De Volcà de Santa Margarida heeft een perfecte kratervorm. De krater bevindt zich in het dal tussen twee reeds bestaande heuvelruggen. In het Zuid-Westelijk deel bestaat de oude kraterwand uit blokken basalt en fragmenten van het oude schild (graniet) als gevolg van vulkanische explosies (door aanraking met grondwater). Dit gaf de vorm aan de huidige krater.

Het geheel is overdekt met een mantel van as van de Volcà del Croscat.

De Croscat werd 17.000 jaar geleden actief; op de toen gevormde lavastroom bevindt zich nu het Fageda (beukenbos) d’en Jorda. De huidige scoria kegel van 160 meter hoogte werd tegelijkertijd gevormd. Een afgraving in de noordwand laat een mooie doorsnede zien door het materiaal waaruit deze kegel is opgebouwd. De lavastroom gleed over moerassige gebieden, waardoor plotseling een grote hoeveelheid waterdamp ontstond in het inwendige van de lavastroom. Deze dampbellen stegen naar de oppervlakte waar zich door afkoeling al een korst gevormd had. Dit leidde tot ophoping van gas onder de korst waardoor deze opgeheven en gebroken werd. Je kunt dit nu herkennen als kleine heuvels van lavabrokken die in het Catalaans tossols genoemd worden.

Tijdens de wandeling viel de rijke ondergroei in het beuken-eikenbos op. Op de helling bij Sant Miquel groeiden vele xerofyten (droogte minnende planten).

(24)

Zicht op de lava (foto Jan Westhuis)

Excursie 17 en 18

ma 3 juni: Serra dels Bufadors-hoog en Serra dels Bufadors-laag

Tussen de 870 en 1.000 meter ligt de rondwandeling van ca. 6 kilometer in de Serra dels Bufadors;

het gebergte van de blazende gaten, die Oost-West loopt. Bij aankomst zag het er naar uit dat het zou gaan onweren. Of in ieder geval zou gaan regenen. Gelukkig gebeurde geen van beide en kon de wandeling helemaal gemaakt worden; in de loop van de dag met steeds meer zon zelfs.

De noordhelling is schaduwrijk door de vele Beuken en Buxus. De zuidhelling is meer open en heeft een kruidenrijke begroeiing. Op de kam heb je een fraai uitzicht – bij goed weer – over de vlakte van Vic naar het zuiden en op de hoge Pyreneeën naar het noorden.

De wandeling voerde een kloof in die ons in een andere wereld deed wanen: verspreid liggende grote, vochtige rotsblokken op een bed van knisperende blaadjes van het vorig jaar. De Kleine

maagdenpalm (Vinca minor) had zich er ruim over uitgespreid. Prachtige grote mossen als Struikmos en Touwtjesmos die we niet konden missen op de rotsblokken en wanden. Keken we omhoog dan zagen we tegen de wand heel veel bloeiende Ramonda (Ramonda myconi). Een koele, stille plek, vergeleken met de kam en de warme wandeling die we al achter de rug hadden.

En we hebben de Bufadors (blazende gaten) gevonden. Blazende gaten zijn vermoedelijk een karstverschijnsel samenhangend met een dieper gelegen grot die twee valleien verbindt. De temperatuur van de luchtstroom die uit de gaten komt is te vergelijken met de temperatuur in de mergelgroeves in Limburg. Als er niet te veel lawaai is dan kun je de luchtstroom ook horen.

Op de wandeling die zeer afwisselend was, zowel in temperatuur, vegetatie als ‘landschap’, voor het eerst tijdens dit kampje Alpenheksenkruid (Circea alpina) waargenomen. Daarnaast ook verschillende soorten Vlas (Linum sp), Smal longkruid (Pulmonaria longifolia) en de in Catalunya zeldzame

Voorjaarslathyrus (Lathyrus vernus).

Op het karrespoor langs de zuidhelling liep een grote Miljoenpoot (4,5 cm.). En er werd een leeg nestje van een bij gevonden.

Excursie 19

ma 3 juni: Avondexcursie Can Banal

(25)

Iedere avond hoorden we de Boomkikkers (Hyla arborea) een oorverdovend lawaai maken en we waren nieuwsgierig of we ze zouden kunnen vinden.

We wisten ook dat er in de schuur naast het hoofdgebouw vleermuizen sliepen.

Dat gecombineerd met nieuwsgierigheid of er ook nachtvlinders wilden komen zitten op een – weliswaar niet optimaal - verlicht laken, zijn we ’s avonds op pad gegaan.

De vleermuizen sliepen nog en we konden ze zien hangen tussen de balken.

Bij het uitvliegen registreerde de bat-detector twee soorten: 50K (vrij snel) en 20K (langzaam en zacht).

Daarna in stilte naar de brandweerpoel gewandeld net achter de camping. We wilden de Boomkikkers niet afschrikken. Het was even stil en daarna hoorden we in de struiken zeker meer dan tien

mannetjes kwaken. Ze lieten zich niet weerhouden door onze zaklantaarns en de geuite frustraties dat we ze niet konden zien. De Boomkikker is een heldergroene kleine kikker (tot 5 cm.) en is lastig te vinden.

In en bij de brandweerpoel zagen we een Groene en Bruine kikker, een Ringslang (Natrix natrix), een zwemmende slang en een jagende vleermuis over het water.

Daarna zijn we naar het witte doek getogen.

De oogst was wat tegenvallend. Enkele spannertjes, uiltjes, Hagedoornvlinder (Opisthograptis luteolata) en waar we blij mee waren de Zwarte beer (Arctia villica) ook wel genoemd de Kleine beervlinder.

Zwarte beer (Arctia villica) op het witte doek (foto Ed Romeijn)

Excursie 20 en 21

di 4 juni: Vallfogona-Mas la Bauma-hoog en Vallfogona-Mas la Bauma-laag

(26)

De wandelingen startten bij de camping Mas La Bauma, waar we onthaald werden met een warm drankje, koffie dus, door de Nederlandse campingeigenaren.

Zij vertelden hoe de streek eruit zag en de verschillen met de omgeving van Can Banal, die wat lager ligt en dus warmer is.

Op het kampeerterrein zijn al vele orchideeën te vinden. In twee grote groepen vertrokken we.

De hond van de campingeigenaar vond het gezellig dat we er waren en is met een van de groepen meegelopen.

Bos, open plekken, beken. Weer een ander landschap. Een tijdje staan te kijken naar een hagedis met een knalrode buik. Helaas was er geen kennis van reptielen in de groep; dus deze kon niet op naam gebracht worden. In het bos vonden we grote hopen aarde die door heel grote wormen (40 cm) naar boven gewerkt worden.

Op verschillende plekken was goed te zien uit welke lagen de aarde bestond. Het Conglomeraat (kiezels ingepakt in kalk) viel daarbij op.

We meenden op verschillende plekken een Dwergooruiltje te horen. Bij terugkomst op La Bauma, werd ons verteld dat dit uiltje niet voorkomt in Vallfogona en het dus een Vroedmeesterpad geweest moet zijn. Het geluid van het uiltje en de pad lijken erg op elkaar.

Op het vlinderweitje tegenover de camping Mas La Bauma een rustpauze (foto Jan Westhuis)

(27)

Excursie 23 en 24

do 6 juni: Vall d’en Bas-Salt de Sallent-waterval-hoog-rondwandeling do 6 juni: Vall d’en Bas-Salt de Sallent-waterval-laag-heen en weer

Het dal van de Riera de Sallent, loopt West-Oost met veel zijbeken. Salt betekent waterval en Salt de Sallent zou je kunnen vertalen met Waterval van watervalletjes.

Het dal heeft een zeer rijke vegetatie en de opbouw is er goed te zien. Een rijke mossenlaag – voor het eerst veel levermossen -, kruidenlaag, struikenlaag en bomenlaag. Het bos is heel gemengd, voornamelijk bladverliezend.

Bij de verkenning een aantal dagen ervoor kon je de waterval nauwelijks een waterval noemen: een dun straaltje. De middag en avond voor deze excursie had het gestortregend en nu was de waterval op grote afstand al te zien. Het water viel wit bruisend naar beneden.

Ook vandaag een dreigend onweer. Het leverde spectaculaire uitzichten op, vooral bovenaan bij de waterval: het zonlicht onder de gitzwarte wolken door. Het is wel een wandeling (rond) voor geoefende bergwandelaars: langs een touw een steil wandje omhoog, en beekpassages die natte voeten

opleveren. De weitjes, open plekken boven, zijn nat en soortenrijk.

Salt de Sallent (foto Jan Westhuis)

Excursie 26

vrij 7 juni: Olot-Vulkanenmuseum

(28)

Het museum ligt in Parc Nou. Het is van oorsprong een particulier landgoed dat heel lang ongerept is gebleven. Het wordt nu uiteraard onderhouden en bij de planten en bomen staan naambordjes. Na de vele excursies is de Botanische tuin misschien niet het meest indrukwekkende, maar zeker een wandelingetje waard.

In het Museu dels Volcans wordt uitleg gegeven over het vulkanisme.

Daarnaast wordt de flora en fauna van de streek op hoofdlijnen toegelicht.

Dit leverde de namen op van de twee vleermuizensoorten die we gehoord en vooral gezien hadden.

Tevens kwam de bevestiging dat de gehoorde Houtsnip inderdaad voorkomt in Catalunya.

Er wordt nog wat nagekletst over het kamp. De volgende dag vertrekken we.

(foto Jan Westhuis)

(29)

5. FAUNA en FLORA

5.1 INSEKTEN en OVERIG

In de lijst met dezelfde naam zijn amfibieën , insecten, libellen, reptielen, vissen en zoogdieren gegroepeerd. En dan is er nog een restgroepje gemaakt.

We hebben voornamelijk gebruik gemaakt van de “Insectengids” en “Flora & Fauna van Europa” om (wetenschappelijke) namen te checken en te vinden.

Wanneer een Nederlandse naam niet gevonden kon worden, is de naam overgenomen zoals die op de formulieren vermeld is (in schuinschrift).

Onder de deelnemers was de belangstelling voor deze “groep” niet zo groot dat er speciaal excursies georganiseerd zijn om bij voorbeeld naar zoogdieren te zoeken.

We hebben de indruk dat de excursiegebieden meer bieden, en dat er ook meer waargenomen is dan er genoteerd is op de formulieren.

Een vraagrondje onder de deelnemers heeft vijf aanvullende determinaties opgeleverd.

Zoals al in de “Beschrijving excursies” aangegeven, sprongen de Kieuwpootkreeft en de Wandelende takken als bijzondere vondsten eruit.

5.2 MOLLUSKEN

De manier om slakken te vinden is veel stenen en oud hout omdraaien, wat dan ook vaak leuke andere dieren te voorschijn doet komen, zoals duizendpoten, pissebedden, kevers en schorpioenen.

Wanneer er geen slakkenzoek-excursie georganiseerd wordt, wat in dit kamp het geval was, dan is het het leukst om met een plantenexcursie mee te gaan. Die deelnemers kruipen bijna net zo langzaam als de slakken, dus is er tijd genoeg om die diertjes te zoeken.

Na veertien dagen kwamen we op 32 soorten huisjesslakken, vijf soorten naaktslakken en een zoetwaterslakje.

Van de naaktslakken was een schildslak (Testacella haliotidae) de aardigste vondst. Deze zwarte slak heeft een heel klein huisje, of misschien beter gezegd, de resten daarvan, op het achterste deel van zijn lichaam. Er was al lang naar gezocht, maar werd al maar niet gevonden. De dag nadat de

Spaanse gids Rafaël een dia-presentatie gehouden had, waarin de slak getoond werd, kwam ie op de camping tevoorschijn.

Voor de Nederlandse naamgeving in de Molluskenlijst is de ‘Nederlandse naamlijst van de weekdieren (mollusca) van Nederland en België ‘ gebruikt.

Vervolgens is de naam overgenomen zoals die op de formulieren stond (in schuinschrift).

Bolle duinhoorn (foto Ed Romeijn) 5.3 VLINDERS

(30)

Montagut en omgeving heeft vele weitjes waar vlinders te vinden zijn. Op de route naar de brug over de Llierca en in het Vall d’Hortmoier is het meest uitgebreid ‘gevlinderd’.

Opvallend is dat regelmatig tijdens het kamp een aantal namen de ronde gingen, zoals het Aardbeiboomgroentje. Deze zijn niet op de formulieren teruggevonden.

Een vragenrondje onder de deelnemers heeft zeven extra determinaties voor de dagvlinders opgeleverd.

Voor de vlinderlijst hebben we voor de naamgeving en de systematiek “De nieuwe Vlindergids” (DNV) gebruikt. En voor de nachtvlinders de “Insectengids”.

5.4 VOGELS

In totaal zijn 126 soorten vogels waargenomen. Op de camping was iedereen verrast door de Roodborstjes die soms de voortent in kwamen op zoek naar eten. En dat op een nog zo rustige plek.

De Havikarend werd een paar keer boven het kampeerterrein waargenomen.

Iedere avond begon rond half tien de Nachtzwaluw te snorren. De Bosuil en de Houtsnip konden ook regelmatig gehoord worden, als je ogen nog niet dichtgevallen waren van moeheid.

Op verschillende plekken hebben we Vale gieren gezien, in groepjes van ongeveer 10 vogels, gebruik makend van de thermiek.

De Lammergier in Setcases sprong eruit en de Grauwe vliegenvangers op hun nest onder de dakgoot aan het begin van het Vall d’Hortmoier.

Tijdens het bezoek aan Aiguamolls de l”Empordà zijn 69 soorten gezien.

De soorten die enkel en alleen in Aiguamolls zijn waargenomen zijn in de vogellijst gemerkt met AM (totaal: 45).

5.5 PADDESTOELEN

Het gebied was zo rijk aan allerlei dingen dat er geen tijd genomen is om uitgebreid aandacht aan paddestoelen te besteden. Toch zijn er veel gave, mooie exemplaren gevonden, zoals de Gesteelde lakzwam.

Voor de paddestoelenlijst hebben we voor de (wetenschappelijke) namen de

“Paddestoelenencyclopedie” en de “Paddestoelengids in kleur” gebruikt.

5.6 KORSTMOSSEN

Voor de determinatie zijn voornamelijk Wirth (Die Flechten Baden-Württenbergs) en Purvis e.a. (The Lichen Flora of Great Britain and Ireland) gebruikt.

Voor de Nederlandse naamgeving is de Veldgids Korstmossen van de KNNV gehanteerd.

Van de korstmossenlijst zijn nog niet alle genoemde korstmossen gedetermineerd.

Voor de korstmossen geldt eigenlijk hetzelfde als voor de blad- en levermossen. Er zijn er vele te vinden. Het Zonnetjesmos (Teloschistes chrysopthalmus) is bij voorbeeld op verschillende plekken op het kampeerterrein gevonden. Dit korstmos komt in Nederland niet meer voor.

En de waarneming van Eikenmos (Evernia prunastri) maakte duidelijk dat het met de luchtkwaliteit rond Montagut nog goed zit. Dit korstmos is namelijk gevoelig voor ammoniak en zwaveldioxyde, en is daardoor een eenvoudige, snelle indicator van de luchtkwaliteit.

Omdat zich slechts enkelen met korstmossen hebben bezig gehouden is in de kosrtmossenlijst vermeld door wie de mosjes zijn waargenomen.

(31)

Teloschistes chrysopthalmus, Zonnetjesmos, (foto Ed Romeijn)

5.7. MOSSEN

Voor de determinatie is Gams/Frey gebruikt. Voor de Nederlandse naamgeving is Touw/Rubers gebruikt.

De lijst met mossen die we in Can Banal en wijde omgeving hebben gevonden, vormt maar een beperkt deel van de mossen die er te vinden zijn. Het zijn vooral de grote en opvallende mossen die verzameld zijn en een naam hebben gekregen. Toch zal een mossenkenner met onze lijst in de hand een goede beschrijving kunnen maken van het gebied waar de mossen vandaan komen: een

kalkgebied in het zuiden van Europa met bossen en stromend water.

Mossen hebben geen wortels en vaten om water en mineralen op te nemen en te transporteren. Ze moeten alles rechtstreeks opnemen door de celwanden. Dit maakt ze erg kwetsbaar voor alle mogelijke soorten van verontreiniging, vooral van regen- en grondwater. In het gebied waar we kampeerden waren de omstandigheden voor mossen kennelijk gunstig. Veel bomen hadden een fraaie begroeiing van mossen. Ook de dikke moskussens en –tapijten maken duidelijk dat de omstandigheden erg gunstig zijn.

Een heel mooi gebied voor mossen lag rond de camping: de ‘blauwe’ ravijnroute.

De noordelijke berm van de weg boven de camping bevat prachtige tapijten met Pluimstaart mos. Als de route de weg verlaat, volgt een komdal met tal van bronnetjes. Door de permanente schaduw en de hoge luchtvochtigheid kunnen mossen zich optimaal ontwikkelen. Op de bomen groeiden

karakteristieke epifyten als Pelsmos en Schijfjesmos. Op de stenen die geheel of gedeeltelijk in water lagen groeiden Touwtjesmos, Vetmos, Kegelmos en een Parapluutjesmos die niet in Nederland voorkomt. De andere hebben wel een Nederlandse naam, maar je moet in ons land lang zoeken om ze te vinden. Het laatste deel van de blauwe route gaat door een smalle kloof. De klim naar de camping gaat langs een wandje waar het kalkwater doorsijpelt en waar prachtige pollen groeien van Tufmos, het mosje dat de kalkwand heeft gevormd.

(32)

Een tweede mosgebied is de Serra dels Bufadors. In de kloof die naar de Collet dels Bufadors leidt dringt maar weinig licht door en door de vochtige kalkwanden is ook de luchtvochtigheid stabiel. Op de stenen domineren dan prachtige kussens van Struikmos en kalkliefhebbers als Kammos en

Diknerfmos. Het meest spectaculair zijn de steile wanden aan het eind van de kloof. Onder Ramonda’s die bovenaan groeien, hangen decimeters lange slierten van Groot kringmos en het Getand pelsmos. De laatste is een levermos dat niet zo gauw zulke afmetingen bereikt.

Het mooiste gebied was Vall d’en Bas, een loofbos doorsneden door een bergbeek en met de waterval Salt de Sallent. Op de bomen komen levermosjes voor als Klein kantmos, Cederhoutmos, Bleek boomvorkje en Helmroestmos. Het laatste mosje heeft onder zijn bladeren een soort kruikje waarin water opgeslagen kan worden. Op de stenen in en aan de beek groeit Klein varenmos, ondanks zijn naam een heel fors levermos. Andere mossen met sprekende namen zijn Eekhoornmos en Slakkenhuismos. Als ze nat zijn lijken ze wel wat op elkaar. Maar als droog zijn lijkt het eerste mos op een staartje. Bij het tweede mos draaien de takjes als een slakkenhuis in elkaar.

5.8 HOGERE PLANTEN

Voor de plantenlijst hebben we de naamgeving en systematiek uit de Catalaanse flora (FMPC) gebruikt.

Wat de Nederlandse naamgeving betreft hebben we het als volgt gedaan: wanneer de plant in Heukels’ voorkomt is die naam gekozen (gewoon schrift). Vervolgens is Polunin als bron gebruikt (schuinschrift) c.q. Blamey/Grey-Wilson (schuinschrift), daarna wat als Nederlandse naam op de formulieren geschreven is (schuinschrift) en ten slotte de woordenboeken Latijn en Grieks (schuinschrift).

Tüxen haalt in zijn voorwoord een citaat aan van Ortega y Gasset wat erover gaat dat iedereen kijkt met de ogen die hij/zij heeft. Voor KNNV’ers in een nieuw gebied in Spanje betekent dat, dat ze veelal met “Heukels-ogen” kijken. Dat is niet zo gek, want de planten in Nederland vormen je herkennings- en referentiepunt. Bemoedigend is dan te weten dat ook vakbiologen hier nog mee te maken hebben.

Het kan een uitnodiging zijn om de streek rond Montagut nog eens te bezoeken en te speuren naar andere planten, of een plant twee keer aan te kijken en de subspecies te vinden.

Er waren veel mensen die enthousiast waren over de vele orchideeën die te vinden waren in het gebied. We hebben er nog iets over uitgezocht. Volgens de Catalaanse flora komen 67 soorten orchideeën in Catalunya voor. Van die 67 vallen er 13 soorten buiten de bezochte excursiegebieden.

Dan zijn er nog 7 soorten die in een ander jaargetijde bloeien.

We zouden er dus 47 hebben kunnen zien. Dat is dus niet het geval; we hebben 31 orchideeën - soorten gezien.

Tijdens het kamp hebben we veel planten in bloei zien komen. Op het kampterrein verscheen bij voorbeeld in de tweede week de Bokkeorchis en de Bijeorchis. Misschien iets minder spectaculair, maar ook de Gele morgenster stond “opeens” te bloeien aan de rand van een kampeerplekje.

Het geeft in elk geval aan dat het de moeite waard is om een gebiedje wat in het begin van het kamp bezocht is, aan het eind nog eens te bezoeken.

Tot slot nog de:

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :