• No results found

"Komt een klacht bij de dokter..." : De arts als second victim door het tuchtrecht; een analyse van de oorzaak en aanbevelingen

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2021

Share ""Komt een klacht bij de dokter..." : De arts als second victim door het tuchtrecht; een analyse van de oorzaak en aanbevelingen"

Copied!
61
0
0

Bezig met laden.... (Bekijk nu de volledige tekst)

Hele tekst

(1)

‘Komt een klacht bij de dokter…’

De arts als second victim door het tuchtrecht; een analyse van de

oorzaak en aanbevelingen

Britt Warmerdam (W.C.M.) Masterscriptie Gezondheidsrecht, finale versie Scriptiebegeleidster: mr. dr. R.P. Wijne Tweede lezer: prof. dr. J. Legemaate Inleverdatum: 22 februari 2019

(2)
(3)

Abstract

In 2000 introduceerde dr. A.W. Wu het begrip ‘second victim’; een zorgverlener die door betrokkenheid bij een medisch incident getraumatiseerd raakt en last heeft van psychische klachten. Mede door het artikel van Wu is er langzaamaan meer aandacht voor de opvang van deze second victims. Minder bekend is echter dat tuchtrechtelijke procedures dezelfde impact kunnen hebben op een beklaagde zorgverlener. Naast schuld en schaamte geven artsen aan moeilijk hun aandacht bij het werk te kunnen houden door een tuchtzaak en angstig te zijn voor meer tuchtklachten, wat kan leiden tot defensieve geneeskunde. Voor sommige artsen is een doorgemaakte tuchtzaak zelfs reden om te stoppen met het vak. Net als bij incidenten, kan de arts daarom ook bij tuchtrechtelijke procedures een second victim worden, met de klager die zich onjuist behandeld voelt als eerste benadeelde. Hoewel enig schuldgevoel en toegenomen voorzichtigheid normaal is, moet ervoor gewaakt worden dat een tuchtzaak leidt tot de arts als disfunctionerend second victim, met psychische klachten en problemen op het werk. Dit staat immers haaks op het hoofddoel van het tuchtrecht: kwaliteitsbevordering.

Vijf kenmerken van het tuchtrecht werken second victimschap in de hand. Ten eerste dragen de tienjarige verjaringstermijn en de lange doorlooptijd van procedures bij aan de psychische belasting van het tuchtrecht. Ten tweede ervaren artsen het tuchtrecht als criminaliserend. Dit hangt samen met een derde belastend kenmerk; de samenstelling en houding van het tuchtcollege. Artsen voelen zich onvoldoende begrepen en ervaren het college als te formeel, intimiderend en partijdig. Het vierde belastende kenmerk wordt gevormd door bagatelzaken; zaken van onvoldoende gewicht, die toch leiden tot een tuchtrechtelijke procedure. Dit frustreert. Het laatste en vijfde belastende kenmerk wordt gevormd door de openbaarmaking van opgelegde tuchtmaatregelen. Mijns inziens draagt naast deze kenmerken ook de geringe kennis van artsen over het tuchtrecht bij aan het ontstaan van second victims.

Naar verwachting treedt in april 2019 de Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in werking. Deze wijziging heeft mogelijk effect op enkele van de bovengenoemde belastende kenmerken. Zo worden boetes en berispingen niet langer automatisch openbaar gemaakt; dit wordt een discretionaire bevoegdheid van de tuchtrechter. Hiermee is het mogelijk dat een van de belangrijkste veroorzakers van second victimschap minder toegepast wordt. Daarnaast wordt er een tuchtklachtfunctionaris aangesteld, komt er een griffierecht en kan de voorzitter voortaan zaken zelfstandig af doen. Deze veranderingen moeten zorgen voor minder bagatelzaken en een snellere doorlooptijd; eveneens belastende kenmerken voor een beklaagde zorgverlener.

(4)

Mogelijk brengt de wetswijziging dus positieve veranderingen ten aanzien van second victimschap. Niet alle belastende kenmerken worden echter door de wetswijziging beïnvloed en het is onduidelijk of alle veranderingen het beoogde effect zullen hebben. Gezien het probleem dat second victimschap vormt, zijn mijns inziens verdere maatregelen nodig. Ten eerste stel ik voor dat artsen (in spe) meer kennis nemen van tuchtzaken, de procedure en de mogelijke gevolgen voor een beklaagde arts. Die kennis kan vergaard worden door onderwijs tijdens de opleiding geneeskunde en door een maandelijkse bespreking van relevante tuchtzaken per afdeling van een zorginstelling. Dit zou er voor kunnen zorgen dat de angst voor het tuchtrecht in ieder geval minder bestaat uit een angst voor het onbekende. Ten tweede stel ik een ‘terugverwijzing’ door de tuchtklachtfunctionaris voor; een klager wordt bij het indienen van een tuchtklacht dringend geadviseerd eerst de klachtenprocedure van de zorginstelling te doorlopen, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem verwacht kan worden. Op dat niveau wordt de klacht in een minder contradictoire setting behandeld, waar zowel artsen als patiënten behoefte aan hebben. Ten slotte stel ik voor dat elke zorginstelling verplicht een vorm van opvang voor beklaagde artsen moet faciliteren, waarbij de arts een tuchtklacht verplicht moet melden. Dit met als doel om second victimschap meer aan het licht te brengen en disfunctioneren te voorkomen.

(5)

Voorwoord

Voor u ligt mijn scriptie ter afronding van de Master Gezondheidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Naast deze master volg ik de opleiding Geneeskunde. Door mede-geneeskundestudenten wordt mij vaak gevraagd wat ik toch zie in het juridische deel van de gezondheidszorg. Voor veel artsen in spe is dit de minst interessante tak van sport, waar je het liefst zo min mogelijk mee te maken krijgt. Mijn overtuiging is echter dat de juridische en medische wereld sterk met elkaar verbonden zijn en dat een arts (in opleiding) zich daarom niet afzijdig kan houden van het recht. In het tuchtrecht komt deze samenhang wellicht het duidelijkst naar voren. Tegelijkertijd vormen tuchtzaken voor veel artsen juist het meest afschrikwekkende deel van het recht, waar slechts mondjesmaat over gesproken wordt.

Ik wil dan ook graag de drie artsen en medewerkers van het Leids Universitair Medisch Centrum die wél open stonden voor een gesprek, bedanken. Zij hebben interessante gezichtspunten aangedragen in het voorbereidende proces van mijn scriptie. Daarnaast wil ik graag mijn scriptiebegeleidster, Rolinka Wijne, bedanken. Door haar bereidheid om mij buiten het gebaande tijdspad te begeleiden en door haar altijd razendsnelle feedback, was het voor mij mogelijk om het schrijven van deze scriptie met alle studieverplichtingen te combineren. Ook zou ik graag professor Legemaate bedanken voor het optreden als tweede lezer en voor het aandragen van interessante discussiepunten tijdens mijn verdediging.

Met deze scriptie heb ik mijn twee interesses, de geneeskunde en het recht, samen kunnen brengen. Ik hoop hiermee een bescheiden bijdrage te kunnen leveren aan het bespreekbaar maken van tuchtklachten en aan het voorkomen van disfunctionerende second victims.

Britt Warmerdam

(6)

Verklaring van afkortingen

CTG – Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

GOMA – Gedragscode Openheid medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid

IGJ – Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd

KNMG – Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst LUMC – Leids Universitair Medisch Centrum / Leiden University Medical Centre RTG – Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

VU – Vrije Universiteit Amsterdam

Wet BIG – Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg Wkkgz – Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg

(7)

Inhoudsopgave

Abstract 3

Voorwoord 5

Verklaring van afkortingen 6

Hoofdstuk 1 Inleiding 9

1.1 Achtergrond en aanleiding tot schrijven 9

1.2 Onderzoeksvraag 11

1.3 Onderzoeksmethode 11

1.4 Opzet 12

Hoofdstuk 2 Wat houdt second victimschap in? 13

2.1 Inleiding 13

2.2 Kenmerken en gevolgen 13

2.2.1 De arts als second victim bij een medisch incident 13

2.2.2 De arts als second victim bij een tuchtrechtelijke procedure 14

2.2.3 Het probleem van second victimschap 16

2.3 De omvang van het second victim probleem 17

2.4 Tussenconclusie 18

Hoofdstuk 3 Second victims in de huidige (rechts)praktijk 19

3.1 Inleiding 19

3.2 De tuchtrechtelijke procedure in het kort 19

3.3 Bronnen van second victimschap in het huidige tuchtrecht 20

3.3.1 Termijnen 20

3.3.2 De samenstelling en houding van het tuchtcollege 21

3.3.3 Mogelijke maatregelen en openbaarmaking 23

3.3.4 Het doel van het tuchtrecht en de perceptie van de zorgverlener 26

3.3.5 Bagatelzaken 27

3.4 Juridische bijstand, opvang van de arts en de rol van de werkgever 30

3.4.1 Juridische bijstand rondom een tuchtrechtelijke procedure 30

3.4.2 Opvang op de werkvloer 30

3.4.3 Een zorgplicht voor de werkgever? 31

(8)

Hoofdstuk 4 De Wijziging van de Wet BIG in relatie tot het second victimschap 33

4.1 Inleiding 33

4.2 Relevante veranderingen in de Wijziging van de Wet BIG 33

4.2.1 Invoering griffierecht (art. 65a) 33

4.2.2 De tuchtklachtfunctionaris (art. 55a) 34

4.2.3 De voorzittersbeslissing (art. 67a en 73a) 35

4.2.4 Niet langer automatische openbaarmaking van boetes en berispingen (art. 48, elfde lid) 36

4.3 Tussenconclusie 37

Hoofdstuk 5 Conclusies en aanbevelingen 38

5.1 Inleiding 38

5.2 Conclusies 38

5.2.1 Conclusie Hoofdstuk 2 38

5.2.2 Conclusie Hoofdstuk 3 38

5.2.3 Conclusie Hoofdstuk 4 39

5.3 Beantwoording van de onderzoeksvraag 40

5.4 Aanbevelingen; voorkomen 42

5.4.1 Een terugverwijzing door de tuchtklachtfunctionaris 42

5.4.2 Onderwijs 43

5.5 Aanbevelingen; genezen 44

5.5.1 Betere opvang van de arts 44

5.5.2 Een zorgplicht voor zorginstellingen 44

Bronnenlijst 46 Literatuur 46 Jurisprudentie 58 Kamerstukken 58 Onderzoeksrapporten 59 Media 61 Websites 61 Overig 61

(9)

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Achtergrond en aanleiding tot schrijven

Het artsenberoep komt met een grote verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid kan neerkomen op dilemma’s rond de gezondheid, het leven en helaas ook de dood van een ander. Deze bijzondere aard van de geneeskunde brengt met zich dat patiënten genoodzaakt zijn om de controle over zeer precaire medische situaties aan artsen over te dragen. Het is dan ook begrijpelijk dat patiënten de zorgverlener1 graag zien als onberispelijk.2 Des te groter is de ontluistering wanneer zich een incident voordoet.3 Toch komt het voor dat er dingen misgaan of dat een patiënt ontevreden is over het handelen van een arts. Vanwege de onwenselijkheid en grote impact hiervan staat in deze gevallen onder meer de gang naar de tuchtrechter open. Vaak blijkt een incident te bestaan uit een niet verwijtbare complicatie4 of is er niet onjuist

gehandeld. In sommige gevallen is er echter wel sprake van handelen of nalaten in strijd met beroepsnormen of de wet en is tuchtrechtelijke veroordeling mogelijk.5

Wil een patiënt6 een arts ter verantwoording roepen en hem7 openlijk laten boeten voor de veroorzaakte schade, dan kan een tuchtrechtelijke procedure in die behoefte voorzien. Het hoofddoel van het tuchtrecht is echter het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg en het beschermen van patiënten tegen onkunde.8 Niemand zal het oneens zijn met deze waardevolle doelstelling. Uit onderzoek blijkt echter dat een incident door artsen als zeer zwaar ervaren wordt en angst, depressie en onzekerheid tot gevolg kan hebben.9

1In deze scriptie wordt met de termen arts/zorgverlener/dokter steeds elk BIG-geregistreerd beroep bedoeld, waaronder ook

tandartsen, fysiotherapeuten en verpleegkundigen. Omwille van de leesbaarheid worden de termen door elkaar gebruikt. Omdat de aangehaalde onderzoeken voornamelijk onder artsen zijn verricht, wordt deze term het meest frequent gebruikt.

2Zie bijvoorbeeld: Hilfiker, NEJM 1984/310.

3 ‘Een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg, en heeft geleid, had kunnen

leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de cliënt’ (art 1.1 Uitvoeringsbesluit Wkkgz).

4 ‘Een onbedoelde en ongewenste uitkomst tijdens of volgend op het handelen van een zorgverlener, die voor de gezondheid

van de patiënt zodanig nadelig is dat aanpassing van het (be)handelen noodzakelijk is dan wel dat sprake is van onherstelbare schade’ (Legemaate, ZonMw 2006, p. 18). Toevoeging: er is hierbij geen sprake van een fout van de zorgverlener.

5 Art. 47, eerste lid, Wet BIG.

6 In deze scriptie wordt met de termen patiënt/klager/burger steeds degene bedoeld die een tuchtklacht in kan dienen. Dat ook

niet-patiënten een tuchtklacht in kunnen dienen wordt niet steeds herhaald.

7 Omwille van de leesbaarheid wordt niet steeds hem/haar, hij/zij, zijn/haar geschreven. Beide vormen worden wel bedoeld. 8 Van Leenen 2017, blz. 583. Zie ook: Rube, RegelMaat 2017/32, paragraaf 2.

9 Zie bijvoorbeeld: Seys, Eval Health Prof 2013/36 en Baas, BMC Psychiatry 2018/18. Zie ook:Vanhaecht, Leernetwerk

(10)

Met de patiënt en zijn nabije omgeving als primair slachtoffer bij een incident wordt de arts, gezien deze nadelige gevolgen, aangeduid als ‘second victim’.10 De afgelopen jaren is er steeds meer aandacht voor het feit dat niet alleen een medisch incident, maar ook een tuchtrechtelijke procedure door artsen als zeer belastend wordt ervaren, met dezelfde psychische en professionele problemen als mogelijk gevolg.11 Net als bij incidenten, zou de arts daarom ook bij tuchtrechtelijke procedures als second victim aangeduid kunnen worden, met de klager die zich onjuist behandeld voelt als eerste benadeelde.12 Hoewel enig schuldgevoel en toegenomen voorzichtigheid na een tuchtrechtelijke procedure normaal is, moet ervoor gewaakt worden dat een tuchtzaak leidt tot de arts als disfunctionerend13 second victim, met psychische klachten en problemen op het werk.14 Dit staat immers haaks op het eerdergenoemde doel van het tuchtrecht: kwaliteitsbevordering. Bovendien is het, op gevallen van schorsing en doorhaling in het BIG-register na, de bedoeling dat een arts na een tuchtzaak weer aan het werk gaat. Disfunctioneren is dus ongewenst.

In deze scriptie wordt onderzocht welke specifieke kenmerken van het tuchtrecht een procedure zo belastend maken. De afgelopen jaren is druk gewerkt aan de Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.15 Naar verwachting treedt deze wijziging in het voorjaar van 2019 in werking, waarmee enkele aanzienlijke veranderingen ten aanzien van tuchtrechtelijke procedures ingevoerd worden.16 Het is daarom relevant om naast het huidige tuchtrecht ook enkele kenmerken van de Wijziging van de Wet BIG te bespreken. De vraag rijst of deze wijzigingen iets zullen veranderen aan de beleving van het tuchtrecht door artsen en daarmee aan het ontstaan van second victimschap17 door tuchtrechtelijke procedures.

10 Wu, BMJ 2000/320, p. 726 en Scott, Jt Comm J Qual Patient Saf 2010/36, p. 233: Een second victim is de zorgverlener die

betrokken is bij een medisch incident en hierdoor getraumatiseerd raakt door gevoelens van schaamte, schuld, boosheid en falen. Vaak voelt een second victim zich persoonlijk verantwoordelijk.

11 Illustratief zijn: NTR: Kijken in de ziel en 2DOC: De dokter onder vuur.

12 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 25-35 en Verhoef, BMJ 2015/5. Zie ook: Friele, NIVEL 2017. Toevoeging: Aan Wu’s definitie

wordt aan ‘die betrokken is bij een medisch incident’ dan toegevoegd ‘of die betrokken is bij een tuchtrechtelijke procedure’.

13 Hiermee wordt bedoeld; op professioneel vlak niet langer zoals gewenst kunnen functioneren door psychische en/of

fysieke klachten, waardoor de kwaliteit van de zorg in gevaar kan komen.

14 Dekker 2013, p. 10-13.

15Voluit: 'Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de verbeteringen die

worden doorgevoerd in het tuchtrecht alsmede verbeteringen ten aanzien van het functioneren van de wet'. Hierna: Wijziging van de Wet BIG.

16 Kamerstukken II 2016/2017, 34629, 2 (wetsvoorstel).

17 Om eer te doen aan de oorspronkelijk door Wu bedachte term en deze tegelijkertijd in het Nederlands te implementeren,

wordt in deze scriptie niet een volledig Nederlandse vertaling gebruikt, maar is er gekozen voor het gebruik van ‘second victim’ en de vernederlandste versie ‘second victimschap’.

(11)

1.2 Onderzoeksvraag

Zoals uiteengezet, zijn psychische klachten na een tuchtrechtelijke procedure, met persoonlijk en professioneel disfunctioneren tot gevolg, onwenselijk. Het is allereerst belangrijk om te concretiseren wat second victimschap precies inhoudt en in hoeverre tuchtrechtelijk beoordeelde en veroordeelde artsen hier last van hebben. Vervolgens is van belang om te achterhalen wat het huidige tuchtrecht voor artsen zó belastend maakt dat de terechtstaande zorgverlener, vergelijkbaar met een arts bij een medisch incident, second victimschap vertoont. Aanbevelingen kunnen immers pas gedaan worden, wanneer de knelpunten duidelijk zijn. Vervolgens is het relevant om te anticiperen op de op handen zijnde Wijziging van de Wet BIG. Dit leidt tot de volgende onderzoeksvraag:

In hoeverre en met welke specifieke kenmerken veroorzaakt het huidige tuchtrecht second victims onder BIG-geregistreerden en is het aannemelijk dat dit door de Wijziging van de Wet BIG verbetert of zijn andere maatregelen nodig om dit probleem te beperken?

1.3 Onderzoeksmethode

Deze scriptie stoelt op een ‘desk research’, waarbij gebruik is gemaakt van literatuur, wetgeving en, vooral voor Hoofdstuk 4, van parlementaire stukken. Dit literatuuronderzoek vormt de grootste informatiebron. Naar de vraag wat medische incidenten met een arts kunnen doen, is uitvoerig onderzoek gedaan. Over de ervaringen van artsen met het Nederlandse tuchtrecht is minder literatuur bekend. Om de vragen in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3 te beantwoorden, is daarom, naast literatuur, gebruik gemaakt van de gegevens uit interviews die in het kader van een viertal onderzoeken zijn afgenomen. Tijdens het schrijfproces bleek het onderwerp van deze scriptie steeds actueel; zo werd in december 2018 een symposium georganiseerd, met als titel ‘Verslagen door het tuchtrecht’.18 In Hoofdstuk 5 wordt naar de uitkomsten van het

multidisciplinair overleg van dit symposium verwezen.

(12)

1.4 Opzet

Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, behandel ik een aantal deelonderwerpen. In

Hoofdstuk 2 wordt uitgelegd wat second victimschap is en waarom het een probleem vormt.

Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre een tuchtrechtelijke procedure, naast medische incidenten, hieraan bijdraagt. Dit hoofdstuk vormt een beschouwende basis voor de daaropvolgende hoofdstukken. In Hoofdstuk 3 zet ik uiteen welke specifieke kenmerken van het huidige tuchtrecht door artsen als belastend worden ervaren en daardoor bijdragen aan second victimschap. Daarnaast behandel ik kort op welke vormen van bijstand een beklaagde arts kan rekenen. In Hoofdstuk 4 schakel ik over naar het ‘nieuwe’ tuchtrecht en schat ik in of de impact van een tuchtrechtelijke procedure door de Wijziging van de Wet BIG zal veranderen en of dit van betekenis is voor het ontstaan van second victims. Aangekomen bij Hoofdstuk 5 zijn de mogelijke broedplaatsen voor second victimschap bekend en bespreek ik aan de hand van de eindconclusies of, en zo ja welke, aanpassingen na de invoering van de Wijziging van de Wet BIG nodig zijn om disfunctioneren na een tuchtzaak te voorkomen. Expliciet verdient het opmerking dat deze aanbevelingen er niet op gericht zijn om tuchtrechtelijke procedures voor de arts zo aangenaam mogelijk te maken, maar als doel hebben om het ontstaan van disfunctionerende second victims te voorkomen, om zo de kwaliteit bevorderende functie van het tuchtrecht te waarborgen.

(13)

Hoofdstuk 2 Wat houdt second victimschap in?

2.1 Inleiding

De term ‘second victim’ als omschrijving voor de arts als tweede slachtoffer bij een medisch incident, is voor het eerst beschreven in 2000 door dr. Albert Wu. Als internist merkte Wu de grote impact van medische incidenten onder collega’s en signaleerde hij een gebrek aan communicatie en opvang.19 Na het verschijnen van zijn artikel is de term ‘second victim’ opgepikt en zijn er diverse onderzoeken verricht naar de kenmerken en de gevolgen van dit fenomeen. In dit hoofdstuk worden deze kenmerken in paragraaf 2.2 uiteengezet en wordt vergeleken in hoeverre tuchtrechtelijke procedures dezelfde kenmerken van second victimschap kunnen veroorzaken. Daarna wordt beschreven waarom second victimschap een probleem vormt voor de kwaliteit van de gezondheidszorg. In paragraaf 2.3 wordt de omvang van dat probleem besproken. Ten slotte volgt in paragraaf 2.4 de tussenconclusie.

2.2 Kenmerken en gevolgen

2.2.1 De arts als second victim bij een medisch incident

Een fout maken en schade veroorzaken tijdens het behandelen van een patiënt staat haaks op de Nederlandse artseneed en wordt, nare uitzonderingen daargelaten, door geen enkele arts beoogd.20 Het is dan ook begrijpelijk dat een incident artsen niet koud laat. Hierdoor kan second victimschap ontstaan, wat betekent dat naast de patiënt ook de betrokken arts nadelige (psychische) gevolgen ondervindt, met vaak een negatief effect op de uitoefening van zijn vak. Direct na een incident vormen vooral een gevoel van falen (‘Had ik anders moeten handelen?’) en schaamte (‘Wat zullen collega’s denken?’ ‘Hoe kan ik de patiënt/familie onder ogen komen?’) signalen van het ontstaan van second victimschap.21 Na deze initiële respons kunnen andere klachten zich voordoen zoals hyperalertheid, stress en nervositeit wanneer de arts zijn werk hervat.22 Deze eerste signalen kunnen zich bij een inadequate reactie ontwikkelen tot psychische en fysieke klachten.

19 Wu, BMJ 2000/320, p. 726. 20 KNMG, Nederlandse artseneed.

21 Dekker 2013, p. 4-12, 29-39 en Scott, BMJ Quality&Safety 2009/18, tabel 5 en Pinto, Br J Surg 2013/100, tabel 1. Zie ook:

Robertson, J Emerg Med 2018/54 en Rinaldi, Rev Cal Asist 2016/31.

22 Schouten, Medisch Contact 2017 en Vanhaecht, Leernetwerk Peer Support in de zorg 2016. Zie ook: Scott, BMJ

(14)

Fysieke klachten die zich voordoen zijn extreme vermoeidheid, slaapproblemen en een verhoogde bloeddruk. Psychische klachten zijn gevoelens van frustratie, boosheid, angst en schaamte. Daarnaast geven enkele zorgverleners aan last te hebben van een verminderde concentratie, depressiviteit, flashbacks naar het incident en toegenomen twijfel aan het eigen kunnen.23 Uit een onderzoek onder Nederlandse gynaecologen blijkt dat deze klachten kunnen leiden tot een posttraumatische-stressstoornis (PTSS), wat onder andere een langdurige psychische lijdensdruk, flashbacks en een overdreven fysiologische reactie op normale prikkels behelst.24 Naast PTSS kan de zorgverlener ook last krijgen van burn-outklachten.25

2.2.2 De arts als second victim bij een tuchtrechtelijke procedure

Na een medisch incident kan second victimschap ontstaan. Vaststaat dat sommige incidenten leiden tot een tuchtrechtelijke procedure. Door deze samenhang is het aannemelijk dat een arts ook tijdens een tuchtzaak nog last heeft van de psychische gevolgen van het incident waarop de tuchtzaak gebaseerd is. Omdat het doel van deze scriptie is om te onderzoeken in hoeverre een tuchtrechtelijke procedure an sich second victimschap veroorzaakt, moet onderzocht worden of een tuchtrechtelijke procedure ook los van een eventueel onderliggend incident klachten veroorzaakt. Onderzoek naar de impact van tuchtzaken op artsen is schaarser dan onderzoek naar de impact van medische incidenten, maar de afgelopen 10 jaar gaat hier steeds meer aandacht naar uit. Uit deze recente onderzoeken blijkt dat, los van een onderliggend incident, ook de tuchtrechtelijke procedure klachten van second victimschap veroorzaakt.26 Bovendien ligt niet aan elke tuchtrechtelijke procedure een medisch incident ten grondslag; de tuchtklacht kan bijvoorbeeld ook betrekking hebben op de bejegening door de arts.27 In die gevallen is er geen voorafgaand medisch incident dat psychische klachten bij een arts kan veroorzaken en speelt bij disfunctioneren na een tuchtzaak de procedure zelf dus een rol.

23 Scott, BMJ Quality&Safety 2009/18, tabel 4. Zie ook: Scott, Jt Comm J Qual Patient Saf 2010/36 en voor een

systematische review: Seys, Eval Health Prof 2013/36. Zie ook: Dekker 2013, p. 7-12 en Sirriyeh, Qual Saf Health Care 2010/19, onder: ‘results’ en Wolf, CNS 2000/14.

24 Baas, BMC Psychiatry 2018/18 en Coughlan, Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol 2017/213, p. 11-16. NB: Kenmerken

volgens de DSM5-criteria voor PTSS. Zie ook: Dekker 2013, p. 16-28.

25 Seys, IJNS 2013/50, paragraaf 3.1 en tabel 2.

26 Verhoef, BMJ 2015/5 en Alhafaji, TMD 2009/13. Zie ook: Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013. 27 Zie bijvoorbeeld: RTG Eindhoven 16 oktober 2017, ECLI:NL:TGZREIN:2017:110.

(15)

In 2009 publiceerde de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) de resultaten van een studie waarin artsen en klagers gevraagd werden naar hun ervaring met een door hen doorlopen tuchtrechtelijke procedure. In totaal werden 16 artsen geïnterviewd. Enkele opmerkingen uit deze interviews maken duidelijk dat een tuchtrechtelijke procedure second victimschap in de hand kan werken. Zo geven artsen aan zich gecriminaliseerd te voelen, gevoelens van onrechtvaardigheid en schaamte te hebben en onzeker te zijn geworden door de procedure. Daarnaast spreken artsen van een aantasting van hun integriteit en van een emotionele impact niet alleen op henzelf, maar ook op familieleden.28 In 2015 werd opnieuw onderzoek verricht, eveneens bestaande uit 16 interviews, naar de ervaringen van artsen met het tuchtrecht. Dit leverde vergelijkbare conclusies op; de tuchtrechtelijke procedure zorgt voor een emotionele impact, onzekerheid en angst.29 Ook een omvangrijker onderzoek van NIVEL uit 2017 sterkt deze conclusie. In dit onderzoek werden 294 zorgverleners die een waarschuwing of berisping opgelegd hadden gekregen, gevraagd naar hun ervaringen met de tuchtrechtelijke procedure. Twee derde van de ondervraagden gaf aan de procedure als erg of extreem belastend te hebben ervaren. Zij voelden zich onder andere machteloos en gecriminaliseerd.30 Ook familieleden van

de zorgverlener ervaarden de procedure als belastend.31 Ten slotte volgt ook uit internationaal onderzoek deze impact van het tuchtrecht, hoewel het opmerking verdient dat tuchtrechtelijke procedures per land verschillend geregeld zijn.32 Bovendien blijkt niet alleen de tuchtrechtelijke procedure zelf, maar ook de angst hiervoor een grote stressor te zijn, die artsen in hun dagelijks functioneren kan beïnvloeden.33

Het zijn dus niet alleen medische incidenten die second victims voortbrengen; tuchtzaken leveren een eigen bijdrage aan de psychische klachten die hierbij horen.34 Net als de arts bij een medisch incident, kan ook de arts bij een tuchtrechtelijke procedure dus als second victim worden aangeduid, indien deze klachten zich voordoen. De first victim wordt gevormd door de klager. In de volgende paragraaf wordt besproken wat dit betekent voor het functioneren van de arts.

28 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 30-34.

29 Verhoef, BMJ 2015/5. NB: na 16 interviews trad verzadiging van de resultaten op en is afgezien van verdere rekrutering

van artsen. Zie ook: Broersen, Medisch Contact 2015.

30 Zie ook: Appelo 2018, p. 48, 59, 65, 87-88, 119. 31 Friele, NIVEL 2017, p. 21.

32 Nash, MJA 2010/193. Eerder onderzocht in: Schattner, The Medical Journal of Australia 1998/169. Zie ook: Nash,

Australasian Psychiatry 2004.

33 Dekker 2013, p. 9, 41-43.

(16)

2.2.3 Het probleem van second victimschap

Uit onderzoek blijkt dat second victimschap uitwerking kan hebben op het functioneren van een zorgverlener. Artsen geven onder andere aan moeilijk hun aandacht bij het werk te kunnen houden tijdens en na een tuchtrechtelijke procedure. Daarnaast groeit de angst om opnieuw fouten te maken.35 In sommige gevallen leidt dit tot defensieve geneeskunde, wat inhoudt dat een zorgverlener uit angst voor tuchtklachten anders (vaak overbodig) zorg verleent dan vanuit professioneel inzicht wenselijk is. Dit beïnvloedt de kwaliteit van de zorg in negatieve zin.36 Niet alleen de kwaliteit van de zorg komt in gevaar, maar ook de patiëntveiligheid. Uit onderzoek blijkt dat een burn-out, een van de mogelijke gevolgen van een tuchtzaak, kan leiden tot meer medische fouten.37 Bovendien gaf in het onderzoek van NIVEL, onder zorgverleners die een waarschuwing of berisping opgelegd gekregen hebben, bijna de helft aan overwogen te hebben om te stoppen met werken. Van deze groep is uiteindelijk 14% daadwerkelijk gestopt met het uitoefenen van het beroep, met de tuchtrechtelijke procedure als aanleiding.38

Opvallend is dat in een onderzoek in het kader van de Tweede Evaluatie Wet BIG zelfs 30% van de ruim 3000 ondervraagde zorgverleners aangaf van mening te zijn dat het opleggen van een maatregel een beroepsbeoefenaar zodanig beschadigt dat hij zijn vak niet goed meer uit kan oefenen.39 Net als second victims na een medisch incident, ondervinden dus ook second victims na een tuchtzaak problemen op de werkvloer, wat kan leiden tot disfunctioneren.40

35 LUMC 2017, Impact na klacht of tuchtzaak. Zie ook: Lander, Laryngoscope 2006/116, onder: ‘results’. Hoewel een

sporadische casus geen representatief beeld vormt en ik uit ‘sensatiezaken’ geen conclusies trek, is figuratief om te lezen: Horst, van der, Medisch Contact 2004. Over een arts die zelfmoord pleegt na een tuchtklacht.

36 VvAA 2016, p. 6-11 en p. 18: van de ondervraagde zorgverleners geeft 80% aan wel eens defensief te handelen en 46%

ervaart de druk vanuit de patiënt of zijn familie als groot. Zie ook: Cunningham, New Zealand Medical Journal 2000/10;113 en Cunningham, BMJ Quality & Safety 2011/20. Zie ook: Alhafaji, TMD 2009/13, p. 34-35: ook bij ongegronde klachten kan de procedure leiden tot defensieve geneeskunde. Zie ook: Shapiro, Archives of International Medicine 1989/149, p. 2193 en Appelo 2018, p. 40.

37 Dewa, BMJ 2017/7 en Tawfik, Mayo Clin Proc 2018/93. Zie ook: Seys, IJNS 2013/50 en Grant, J. Health Politics Policy

Law 2007/32.

38 Friele, NIVEL 2017, p. 26: 60% van degene met een berisping overwoog te stoppen met werken tegenover 36% van de

zorgverleners die een waarschuwing opgelegd kregen.

39 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 168: onduidelijk is echter op welke maatregel de respondenten doelen. 40 Zie paragraaf 1.1.

(17)

2.3 De omvang van het second victim probleem

Er zijn enkele cijfers beschikbaar die een indicatie geven van de omvang van zorggerelateerde schade in Nederland. In 2013 publiceerde NIVEL de resultaten van een onderzoek naar dergelijke schade in het jaar 2011/2012.41 Eerder gebeurde dit in 2008.42 In het onderzoek uit 2011/2012 werden ruim 4000 ziekenhuisopnames beoordeeld in 20 verschillende ziekenhuizen. Van die patiënten kreeg 7,1% te maken met zorg gerelateerde schade; vergelijkbaar met de cijfers uit 2008. Van deze schade was 1,6% vermijdbaar en dus niet ‘slechts’ een complicatie, wat tuchtrechtelijke veroordeling van de betrokken arts mogelijk maakt. Uit de cijfers van 2008 werd geëxtrapoleerd dat in dat jaar 104.000 patiënten in Nederland te maken kregen met zorg gerelateerde schade.43 Het is onduidelijk in hoeveel procent van deze gevallen de schade geleid heeft tot het indienen van een (tucht)klacht. Bovendien kan een tuchtklacht ook ingediend worden zonder dat er sprake is van een incident met zorg gerelateerde schade. Te denken valt aan een klacht over onbeleefde bejegening door de zorgverlener of ondeugdelijk declaratiegedrag.44 De hoeveelheid tuchtrechtelijke procedures zegt indirect iets over de

omvang van second victimschap. In 2017 werden er 1677 tuchtklachten ingediend; relatief weinig gezien het aantal incidenten, maar een kleine stijging ten opzichte van voorgaande jaren.45 De vraag is in hoeverre deze tuchtklachten daadwerkelijk tot second victimschap leiden. Onderzoek naar de kwantitatieve omvang van second victimschap na een tuchtklacht is tot nu toe beperkt. Het eerder genoemde onderzoek van NIVEL geeft een aanwijzing; twee derde van de ondervraagde artsen gaf aan de tuchtrechtelijke procedure als (zeer) belastend te hebben ervaren. Dit zou betekenen dat in 2017 ongeveer 1100 van de beklaagde artsen second victim werden; een klein deel van het totale aantal BIG-geregistreerden, maar gezien de (langdurige) serieuze gevolgen zeker te veel.46

41 Langelaan, NIVEL 2013, p. 87-88. 42 Langelaan, NIVEL 2010.

43 Smeehuizen, Onderzoeksrapport VU 2013, p. 5-7.

44 Zie bijvoorbeeld: RTG Eindhoven 16 oktober 2017, ECLI:NL:TGZREIN:2017:110.

45 Jaarverslag Tuchtcolleges 2017, p. 33: respectievelijk 1646, 1610, 1575, 1640, 1572 klachten in

2016/2015/2014/2013/2012. Zie ook: Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 150: de toename van het aantal klachten tot 2007 is groter dan de toename van de omvang van de beroepsgroep.

46 <https://www.bigregister.nl/over-het-big-register/cijfers>, geraadpleegd op 06-11-2018: aantal BIG-geregistreerden op

(18)

2.4 Tussenconclusie

Naast medische incidenten, kunnen ook tuchtrechtelijke procedures de arts tot second victim maken en disfunctionerende second victims vormen een bedreiging voor de kwaliteit van de zorg en de patiëntveiligheid. Dat volgt uit bovenstaand hoofdstuk. Om tot aanbevelingen te komen die dit probleem kunnen beperken, is het van belang om te achterhalen welke specifieke kenmerken van het tuchtrecht second victimschap in de hand werken. In het volgende hoofdstuk worden die kenmerken, beperkt tot het huidige tuchtrecht, uiteengezet.

(19)

Hoofdstuk 3 Second victims in de huidige (rechts)praktijk

3.1 Inleiding

Inmiddels is duidelijk dat artsen tuchtklachten en tuchtrechtelijke procedures als belastend ervaren. Mogelijke gevolgen zijn psychische klachten en disfunctioneren op de werkvloer, waardoor beklaagde artsen vallen onder de second victim definitie. In dit hoofdstuk wordt de vraag beantwoord wat een tuchtrechtelijke procedure onder het huidige tuchtrecht nu precies zo zwaar maakt. In paragraaf 3.2 wordt kort het verloop van een tuchtrechtelijke procedure behandeld. In paragraaf 3.3 benoem ik achtereenvolgend vijf kenmerken van het tuchtrecht die second victimschap in de hand kunnen werken. In paragraaf 3.4 bespreek ik op welke manier artsen worden bijgestaan rondom een tuchtrechtelijke procedure, inclusief de mogelijke arbeidsrechtelijke grondslag hiervoor. In paragraaf 3.5 volgt ten slotte de tussenconclusie.

3.2 De tuchtrechtelijke procedure in het kort

Wanneer een patiënt ontevredenheid uit over de geboden zorg, is allereerst openheid van zaken van belang. Uit onderzoek blijkt dat de patiënt in kwestie vooral behoefte heeft aan communicatie; open disclosure genoemd.47 Een gesprek tussen arts en patiënt is dan ook de eerste aangewezen stap.48 Heeft de patiënt na dit gesprek behoefte aan verdere afhandeling, dan kan hij een klacht indienen bij de zorgaanbieder.49 De klager kan zich daarbij laten informeren door een klachtenfunctionaris.50 De zorgaanbieder velt vervolgens binnen 6 weken een oordeel over de ingediende klacht. Is de patiënt het niet eens met dit oordeel, dan is er vanaf dat moment sprake van een geschil tussen patiënt en zorgaanbieder. De patiënt kan zich in zo’n geval richten tot een geschilleninstantie, waarbij elke zorgaanbieder verplicht is aangesloten. Deze instantie doet binnen 6 maanden een bindende uitspraak en kan een schadevergoeding van tot in ieder geval € 25.000,- toekennen.51

47 Smeehuizen, Onderzoeksrapport VU 2013, blz. 10-15. Zie ook: Iedema, BMJ 2011. 48 GOMA, De Letselschade Raad 2012, blz. 10-13. Zie ook: KNMG 2007, blz. 3-4. 49 Art. 14, eerste lid, jo. art. 13, eerste lid, Wkkgz.

50 Art. 15, eerste lid, Wkkgz. Zie ook: VKIG 2018.

(20)

Indien een patiënt bovenstaande procedure niet wil doorlopen of onvoldoende vindt, de kwaliteit van de zorgverlener aan de kaak wil stellen of anderszins reden ziet om het incident op een andere wijze te laten beoordelen, dan is het tuchtrecht een optie. Art. 47 Wet BIG omschrijft de gevallen waarin een tuchtrechtelijke veroordeling mogelijk is. Kort gezegd dient er voor een veroordeling sprake te zijn van een BIG-geregistreerde zorgverlener die handelt of juist iets nalaat in strijd met de zorg die hij in zijn hoedanigheid als zorgverlener behoort te betrachten jegens de (naaste van een) patiënt of in het kader van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Uit deze voorwaarden wordt duidelijk dat complicaties niet kunnen leiden tot een tuchtrechtelijke veroordeling; het incident moet veroorzaakt zijn door onjuist handelen van de arts. In eerste aanleg wordt de tuchtklacht behandeld door een van de vijf Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg (RTG). In elk RTG hebben twee juristen zitting (onder wie de voorzitter), drie leden-beroepsgenoten van de aangeklaagde arts en een secretaris-jurist. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG), bevoegd voor procedures in beroep, bestaat uit drie juristen (waaronder de voorzitter), twee leden-beroepsgenoten en tevens een secretaris-jurist.52 Zoals eerder beschreven is schadevergoeding

geen optie binnen het tuchtrecht. De tuchtmaatregelen sluiten aan bij het doel van het tuchtrecht; het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg en het ter verantwoording roepen van de arts.

Dit hoofdstuk beperkt zich tot bovenstaande beknopte beschrijving van een tuchtrechtelijke procedure, waarbij nog opgemerkt dient te worden dat ook een civiele aansprakelijkheidsprocedure tot schadevergoeding een optie is voor de patiënt. Aangezien deze scriptie zich beperkt tot de ervaring van artsen met tuchtzaken, wordt de civiele procedure hier niet behandeld.

3.3 Bronnen van second victimschap in het huidige tuchtrecht 3.3.1 Termijnen

Er zijn twee termijnen in het medisch tuchtrecht die in het kader van second victimschap besproken moeten worden. Ten eerste de tienjaarstermijn: in art. 65, vijfde lid, Wet BIG is bepaald dat een tuchtklacht tot 10 jaar na het beklaagde handelen of nalaten van een arts kan worden ingediend.

(21)

Dit betekent dat een zorgverlener tot 10 jaar na een incident geconfronteerd kan worden met een klacht over die gebeurtenis. Vanuit verschillende hoeken klinken geluiden dat die termijn te lang is. Artsen geven in het onderzoek bij de Tweede Evaluatie Wet BIG aan dat het tijdsverloop tussen het incident en de uiteindelijke procedure tot detailverlies kan leiden.53 Uit datzelfde onderzoek blijkt dat ook 71% van de ondervraagde advocaten die zorgverleners bijstaan in het tuchtrecht van mening is dat de verjaringstermijn van 10 jaar te lang is. Bovendien geeft de helft van de ondervraagde leden van tuchtcolleges aan die mening te delen.54 De arts zou zich niet nauwkeurig genoeg kunnen herinneren wat er is gebeurd, waardoor hij zich onvoldoende kan verweren tegen een klacht.

De tweede ‘termijn’ die aandacht verdient, is de duur van een tuchtrechtelijke procedure. Gemiddeld zit er 7 maanden tussen het begin van een procedure en de uitspraak door een RTG. Een procedure bij het CTG duurt gemiddeld 8 maanden.55 Wanneer de tuchtklacht in beroep

aanhangig wordt gemaakt, duurt de procedure dus ruim een jaar.56 Ander onderzoek spreekt

van de duur van een jaar tussen het indienen van een klacht en de uiteindelijke zitting.57 Die

lange duur beïnvloedt volgens aangeklaagde artsen hun functioneren in negatieve zin en draagt bij aan de psychische belasting van een tuchtrechtelijke procedure.58 Op die manier werken lange termijnen second victimschap in de hand.

3.3.2 De samenstelling en houding van het tuchtcollege

Een ander kenmerk van het tuchtrecht dat relevant is voor het ontstaan van second victims is de samenstelling en de houding van de tuchtcolleges. Hoewel een meerderheid van 16 ondervraagde artsen aangeeft tevreden te zijn met de samenstelling, wordt er ook kritiek geuit.59 Die kritiek richt zich vooral op de leden-juristen.

53 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 32.

54 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 165. Interessant is ook: Hoge Raad 2 februari 1990,

ECLI:NL:HR:1990:AB7890: een tandarts voerde aan dat de verjaringstermijn voor het indienen van een tuchtklacht in strijd zou zijn met art. 6 EVRM. Omdat gedaagde dit eerder bij het Hof niet had aangedragen, werd deze stelling door de Hoge Raad niet beoordeeld (r.o. 3.1). Eerder bepaalde de Hoge Raad dat art. 6 EVRM relevant is voor tuchtzaken (Hoge Raad 7 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AL4300). Zie ook Kamerstukken II 1985/1986, 19522, 3, p. 66 (MvT): omdat sancties opgelegd kunnen worden die beroepsuitoefening beperken, kan een tuchtrechtelijke procedure burgerlijke rechten als vastgelegd in het EVRM raken. Zie ook: Appelo 2018, p. 36-37.

55 < https://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/>, onder ‘Jaarcijfers Tuchtcolleges’, geraadpleegd op: 04-10-2018. 56 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 153: 21-31% van het aantal tuchtklachten dat door een Regionaal

Tuchtcollege wordt behandeld, wordt vervolgens in beroep aanhangig gemaakt.

57 Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 23.

58 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 31-21 en Verhoef, BMJ 2015/5, p. 5. Zie ook: Friele, NIVEL 2017, p. 15: de duur van de

procedure wordt door veroordeelde zorgverleners een stressfactor genoemd.

59 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 36: meer dan de helft van de ondervraagde artsen geeft aan tevreden te zijn met de

(22)

Zij zouden volgens artsen slechts vanuit een juridisch perspectief oordelen en daardoor de procedure te formeel en te procedureel maken. Daarnaast zouden juristen over onvoldoende medische kennis beschikken om een oordeel te vellen. 60 Artsen zien die vermeende onvoldoende medische onderlegdheid als reden om leden-juristen te wantrouwen en enkele menen zelfs dat juristen niet in het tuchtcollege thuishoren.61 De arts voelt zich niet begrepen en heeft het idee dat de zaak onvoldoende in een medisch perspectief behandeld wordt. Dit frustreert en draagt daarmee bij aan gevoelens van onmacht en boosheid die second victimschap kenmerken.62

Het is echter niet voor niets tuchtrécht; de maatstaf aan de hand waarvan het handelen van de arts beoordeeld wordt, is niet alleen in medische beroepsnormen vastgelegd, maar ook grotendeels in wetten verankerd. Toetsing hieraan vereist een juridische bril.63 Het wantrouwen door artsen heeft mogelijk te maken met onvoldoende kennis over de doelen van het tuchtrecht.64 Bovendien neemt het grootste deel vrijwel nooit kennis van tuchtrechtelijke

uitspraken, terwijl deze informatie verschaffen over hoe medisch handelen juridisch beoordeeld wordt en onder artsen het inzicht in het beoordelingskader van de tuchtcolleges kan vergroten.65

Die onbekendheid met de gehanteerde maatstaven en het praktische beloop van een procedure zou verontwaardiging en een gevoel van onbegrip in de hand kunnen werken. Dit kan bijdragen aan de negatieve beleving van het tuchtrecht door artsen.

Naast kritiek op de leden-juristen, is er ook aanmerking op de leden-beroepsgenoten. Uit diverse onderzoeken blijkt dat klagers van mening zijn dat de samenstelling van de tuchtcolleges met leden-beroepsgenoten ervoor zorgt dat artsen het hand boven het hoofd gehouden wordt. 66 Artsen blijken dit anders te ervaren; de beoordeling door leden-beroepsgenoten zien zij juist als een harde tik op de vingers.67

60 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 36. Zie ook: Pronk, Medisch Contact 2002 en Bouma, Trouw 11-12-2006 en Sijmons, Tweede

Evaluatie Wet BIG 2013, p. 168.

61 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 33-34, 36. 62 Appelo 2018, p. 131-140.

63 Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 17, 33.

64 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 28: Hoewel een meerderheid (83%) van de artsen op de hoogte was van het kwaliteitsdoel van

het tuchtrecht, was een beduidend kleiner deel (50%) op de hoogte van het verloop van de procedure.

65 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 157, 159: Behalve huisartsen en gynaecologen neemt een ruime meerderheid

van de medische beroepsgroepen (gemiddeld 61,5%) vrijwel nooit kennis van tuchtrechtelijke uitspraken. Zie ook: Sijmons,

TvGR 2014/4, onder ‘de versterking van het tuchtrecht’.

66 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 171 en 175: 41% van de ondervraagden geeft aan deze mening te delen. Zie

ook: Alhafaji, TMD 2009/13, p. 36 en Hout, NTvG 2009/153: in dit onderzoek geeft 35% van de ondervraagden (945 leden van het Consumentenpanel Gezondheidszorg) aan deze mening de delen.

67 Hendriks, TvGR 2015/39, p. 324 en Hendriks, Huisarts & Wetenschap 2015/nr. 4. Zie ook: Appelo 2018, p. 49, 51-52, 56

(23)

Ook uit het boek van Appelo met negen ervaringsverhalen van artsen volgt kritiek op de samenstelling en houding van het college: alle artsen, op één na, ervaarden de houding van het tuchtcollege als intimiderend en partijdig. Bovendien zou het college onvoldoende aandacht hebben voor het verweer van de arts en rigide vasthouden aan het klaagschrift van de klager. Enkele artsen vinden het bovendien vreemd om collega’s tegenover zich te hebben, die ‘ineens’ een compleet andere positie hebben en zich niet langer collegiaal opstellen. Zij hebben het idee dat hun beroepsgenoten zich gunstig opstellen tegenover de klager, om een vermoeden van partijdigheid bij de klager te voorkomen. Voor deze acht artsen was de houding van het tuchtcollege de grootste belastende factor van de tuchtzaak.68

3.3.3 Mogelijke maatregelen en openbaarmaking

Art. 48, eerste lid, Wet BIG somt de maatregelen op die het tuchtcollege op kan leggen bij een gegrondverklaring van een tuchtklacht. Het gaat, in volgorde van zwaarte, om: een waarschuwing,69 een berisping,70 een geldboete, schorsing voor ten hoogste één jaar,71

gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid het beroep uit te oefenen72 en doorhaling van

inschrijving in het BIG-register.73

De waarschuwing is blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet BIG bedoeld als een zakelijke terechtwijzing van de zorgverlener, zonder dat daar een sterk afkeurend oordeel over het handelen van uitgaat. De berisping heeft wel een verwijtende strekking.74

68 Appelo 2018, p. 36, 38, 49, 51, 62, 65, 123, 131.

69 Zie voor een voorbeeld: RTG Eindhoven 12 september 2018, ECLI:NL:TGZREIN:2018:70: Verweerster (fysiotherapeute)

had de schouder van klaagster onvoldoende onderzocht en daardoor gemist dat deze uit de kom was. Verweerster wordt een maatregel opgelegd, mede vanwege het feit dat zij lering uit de gebeurtenis getrokken heeft.

70 Zie voor een voorbeeld: RTG Amsterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:TGZRAMS:2018:103: Verweerder (huisarts) heeft

onvoldoende het beleid besproken met de (ongeneeslijk zieke) patiënt en het medisch dossier was op enkele onderdelen te summier. Verweerder wordt een berisping opgelegd, waarbij meespeelt dat hij geen blijk geeft van zelfreflectie.

71 Zie voor een voorbeeld: CTG 05 juni 2018, ECLI:NL:TGZCTG:2018:160: Verweerder (psychiater) heeft

grensoverschrijdend gehandeld door onder andere seksueel getinte berichten naar patiënte te sturen. Hem wordt een onvoorwaardelijke schorsing van 4 maanden opgelegd, waarbij het College meeweegt dat niet is gebleken dat de arts zijn fouten inziet.

72 Zie voor een voorbeeld CTG 31 mei 2018, ECLI:NL:TGZCTG:2018:155: Verweerster (basisarts) heeft onzorgvuldig

gehandeld door klaagster onvoldoende te informeren over mogelijke risico’s en complicaties van een ooglidcorrectie. Verweerster wordt de bevoegdheid tot het uitvoeren van oogcorrecties ontzegd. Het College weegt mee dat de arts de benodigde opleiding niet had volbracht. Opmerkelijk is dat verweerster volgens het CTG dus niet bekwaam was de operatie uit te voeren; de ontzegging van de bevoegdheid daartoe lijkt mij daarom van weinig betekenis.

73 Zie voor een voorbeeld: RTG Zwolle 24 april 2018, ECLI:NL:TGZRZWO:2018:86: Verweerder (verpleegkundige) heeft

seksueel overschrijdend gedrag vertoond door een relatie aan te gaan met een psychiatrische patiënte. Vanwege gevaar voor herhaling en onvoldoende inzicht van verweerder achtte het College doorhaling in het register de enige juiste maatregel.

(24)

Over de achterliggende gedachte bij de geldboete (maximaal €4500,-) werd ten tijde van de indiening van het wetsvoorstel weinig gezegd; de boete is bij invoering van de Wet BIG gehandhaafd omdat deze ‘in de praktijk een nuttige functie pleegt te vervullen’.75 Wat die

functie precies is, wordt niet duidelijk. Wellicht dat dit de reden is dat al enkele jaren geen boete is opgelegd.76 Zwaardere maatregelen zijn de schorsing en doorhaling in het register, waardoor het de zorgverlener (tijdelijk of voorgoed) niet toegestaan is zijn beroep uit te oefenen. Vaak speelt bij het opleggen van deze maatregelen mee dat het College onvoldoende inzicht bij de zorgverlener ziet of gevaar voor recidive aanwezig acht. 77 In 2017 werd van de gegrondverklaringen bij de RTG’s in 59% van de gevallen een waarschuwing opgelegd, in 24% een berisping, in 7% een schorsing en in 7% doorhaling in het register. Er werden geen boetes opgelegd.78 Deze cijfers zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren. Wel is in 2017 vaker doorhaling in het register toegepast.79 Er wordt vanuit de samenleving kritiek geleverd op de

maatregelen die worden opgelegd. Deze zouden te mild zijn en kinderachtig. Deze kritiek gaat hand in hand met de perceptie van burgers dat tuchtcolleges artsen het hand boven het hoofd houden.80 Door beroepsbeoefenaren worden de maatregelen echter als ingrijpend ervaren. Deze

percepties komen dus niet overeen.81

Bij de invoering van de Wet BIG is ondanks enkele bezwaren besloten tot openbaarmaking van de uitspraken. 82 Het belang van verantwoording afleggen aan de samenleving prevaleerde boven het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de klager en de druk die een zorgverlener door een tuchtzaak ervaart. Dat openbaarmaking een belasting vormt voor de veroordeelde zorgverlener werd dus wel erkend.83 De openbaarheid is tweeledig. Ten eerste zijn de uitspraken van de tuchtcolleges openbaar. Deze zijn echter grotendeels geanonimiseerd; de naam van zowel verweerder als klager wordt niet genoemd. Ten tweede worden alle maatregelen, met uitzondering een waarschuwing, met naam en toenaam gepubliceerd in het BIG-register.84

75Kamerstukken II 1985/1986, 19522, 3, p. 77 (MvT).

76 KNMG, feiten en cijfers tuchtcolleges: <https://www.knmg.nl/advies-richtlijnen/dossiers/tuchtrecht.htm>, geraadpleegd

op: 26-09-2018.

77 Kamerstukken II 1985/1986, 19522, 3, p. 76-77 (MvT). 78 Jaarcijfers Tuchtcolleges 2017.

79 KNMG, feiten en cijfers tuchtcolleges: <https://www.knmg.nl/advies-richtlijnen/dossiers/tuchtrecht.htm>, geraadpleegd

op: 26-09-2018.

80 Zie paragraaf 3.3.2.

81 Kamerstukken II 1985/1986, 19522, 3, p. 65 (MvT) en Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 168. Zie ook: Friele,

NIVEL 2017, p. 21.

82 Kamerstukken II 1985/1986, 19522, 3, p. 65-67 (MvT). Bezwaren werden aangedragen door de Centrale Raad voor de

Volksgezondheid in: Stukken inhoudende commentaren op het voorontwerp Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 1981/1982.

83Kamerstukken II 1985/1986, 19522, 3, p. 67 (MvT). 84 Art. 9 Wet BIG, zie: <www.bigregister.nl>.

(25)

Vóór juli 2012 werden alleen de beroepsbeperkende maatregelen gepubliceerd, maar sinds dat jaar worden ook berispingen en boetes gedurende 5 jaar in het BIG-register vermeld. Deze aanpassing is gedaan met als doel de transparantie en daarmee de effectiviteit van het tuchtrecht te vergroten.85 In het BIG-register staat de naam, het BIG-nummer en het precieze medische beroep van de zorgverlener vermeld. Er wordt een korte beschrijving gegeven van de gebeurtenis die tot de maatregel heeft geleid. Naast openbaarmaking in het BIG-register wordt de maatregel ook met naam en toenaam gepubliceerd in een lokale krant van de woonplaats van de veroordeelde zorgverlener of in het vakblad van zijn beroepsvereniging.86 De achterliggende gedachte bij openbaarheid van de geanonimiseerde uitspraken is het afleggen van verantwoording aan de samenleving en het normeren van medisch handelen binnen de beroepsgroep. Het idee bij de openbaarmaking met naam en toenaam in het BIG-register is echter dat het burgers informatie zou verschaffen bij het kiezen van een zorgverlener. Patiënten zouden daardoor beter beschermd zijn tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen.87

De publicatie van maatregelen in het BIG-register en in de lokale krant wordt door artsen, naast de gevolgen van de maatregel zelf, als zeer pijnlijk ervaren. Uit een onderzoek van NIVEL onder 294 zorgverleners volgt dat het grootste deel van de ondervraagde zorgverleners de publicatie in de lokale krant (78%) en het BIG-register (65%) als extreem belastend ervaart. Ruim 60% geeft dan ook aan publicatie van berispingen en boetes (zeer) ongewenst te vinden.88 Als gevolgen van publicatie wordt onder andere vermeld: het verliezen van patiënten of minder patiënten die zich aanmelden, collega’s die minder patiënten doorverwijzen en problemen met het vinden van een nieuwe baan. Daarnaast geeft 2% van de gewaarschuwde (niet openbaar) en 13% van de berispte (wel openbaar) beroepsbeoefenaars aan gestopt te zijn met werken als gevolg van de tuchtrechtelijke veroordeling.89

85 Kamerstukken II 2010/2011, 32261, 14 (NvW) en art. 9 Wet tot wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele

gezondheidszorg 2011 (Stb. 2011, 568).

86 Art. 11 Wet BIG en Friele, NIVEL 2017, p. 9.

87 Handelingen II 2017/2018, 34629, 76 (Kamervragen) en Friele, NIVEL 2017, p. 9.

88In Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013 geeft 74% van de ondervraagde zorgverleners aan het eens te zijn met de

openbaarmaking van uitspraken van de tuchtcolleges. Onduidelijk is of hier de geanonimiseerde openbaarmaking van uitspraken bedoeld wordt of de niet-geanonimiseerde openbaarmaking van opgelegde maatregelen. Omdat de percentages van Sijmons en Friele zo uiteenlopen, verwacht ik dat de vraag bij Sijmons inderdaad ging over openbaarmaking van geanonimiseerde uitspraken. Een andere verklaring voor het verschil kan zijn dat de ondervraagden bij Friele allen een maatregel opgelegd hadden gekregen. Zorgverleners zouden na een veroordeling dan zwaarder tillen aan een

openbaarmaking dan niet veroordeelden.

89 Friele, NIVEL 2017, p. 26-30: van de berispte zorgverleners geeft 27,5% aan patiënten kwijtgeraakt te zijn en 14,5%

minder nieuwe patiënten te ontvangen, 4,8% dat collega’s niet meer samen willen werken en voor 33,8% had het gevolgen voor hun carrière. Onder hun gewaarschuwde collega’s was dat respectievelijk 9,0%, 2,1%, 2,1% en 7,7% (p-waarde<0.05). Zie ook paragraaf 2.2.3.

(26)

Hoewel het opmerking verdient dat ook andere factoren (zoals de mate van verwijtbaarheid) het verschil in beleving tussen een waarschuwing en een berisping kunnen verklaren, lijkt openbaarmaking dus een grotere impact aan de maatregel te geven. Zorgverleners geven in geval van openbaarmaking vaker aan de procedure als (zeer) belastend te ervaren, vaker te (denken aan) stoppen met werken, vaker negatief effect te merken op hun carrière en een grotere belasting te signaleren op hun gezin.90 Openbaarmaking vormt dus een kenmerk van het tuchtrecht dat bijdraagt aan second victimschap.91

Van de ondervraagde patiënten geeft echter 67% aan het (heel) belangrijk te vinden dat openbaar is welke zorgverlener een boete of berisping opgelegd heeft gekregen. In de praktijk zocht echter slechts 16% naar informatie over een recent bezochte arts. In theorie vinden patiënten publicatie van tuchtmaatregelen dus belangrijk, maar in de praktijk blijken zij niet actief te zoeken naar deze informatie. In het hypothetische geval dat het de patiënt ter ore zou komen dat zijn arts een berisping is opgelegd, zou ruim 10% op zoek gaan naar een andere arts. Onder berispte artsen stelt echter 27% patiënten te hebben verloren. Dit zou kunnen betekenen dat patiënten in de praktijk vaker dan zij van tevoren aangeven van arts wisselen na een tuchtrechtelijke veroordeling. Met het oog op het lage percentage patiënten dat actief onderzoekt of de zorgverlener een maatregel is opgelegd, lijkt dit onwaarschijnlijk. Misperceptie door de ondervraagde artsen vormt daarom een meer plausibele verklaring.92

3.3.4 Het doel van het tuchtrecht en de perceptie van de zorgverlener

Het hoofddoel van het tuchtrecht is het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de gezondheidszorg door de normen voor medisch-professioneel handelen te verduidelijken; een publiek belang dus. Een secundair doel is het corrigeren van individuele beroepsbeoefenaren die de fout in zijn gegaan. Het tuchtrecht is nadrukkelijk niet bedoeld om klagers (geldelijke) genoegdoening te verschaffen of om zorgverleners te bestraffen. Hiervoor zijn het civiele recht en het strafrecht beschikbaar.93

90 Friele, NIVEL 2017, p. 41.

91 Verhoef, BMJ 2015/5, p. 4, zie ook: IQ Healthcare 2016, p. 28-29 en Buijsen, Trouw 2017. Zie ook Oude Ophuis, Medisch

Contact 2016, onder: ‘schandrecht’.

92 Friele, NIVEL 2017, p. 36/43. Van de zorgverleners geeft in totaal 14% aan patiënten te hebben verloren na de tuchtzaak.

Van de artsen die specifiek een berisping hebben gekregen, zegt echter ruim 27% patiënten verloren te hebben. Dit laatste percentage ligt dus hoger dan het percentage patiënten dat in het hypothetische voorbeeld aangeeft van arts te zullen wisselen.

93 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 148, 159 en Kamerstukken II 1985/1986, 19522, 3, p. 64-65 (MvT). Zie ook:

(27)

Ondervraagde (potentiële) klagers denken echter abusievelijk dat zowel schadevergoeding als bestraffing ook doelen van het tuchtrecht zijn.94 Dit kan verklaren waarom patiënten de ‘straffen’ die opgelegd worden als te mild of kinderachtig zien; deze voldoen niet aan hun idee van het bestraffende karakter van het tuchtrecht.95 Hoewel bestraffing geen doel vormt, wordt een tuchtrechtelijke procedure door artsen wel degelijk als bestraffend en criminaliserend ervaren.96 Hieraan draagt bij dat voor veel artsen de tuchtklacht uit het niets lijkt te komen en dat zij het klaagschrift ervaren alsof het om een vaststaand feit gaat; beklaagden hebben het idee dat er nog weinig te verweren valt en voelen zich tijdens de procedure reeds als ‘schuldige’ behandeld. Deze perceptie van criminalisering draagt bij aan het ontstaan van second victims.97 Het is belangrijk dat kwaliteitsbevordering niet alleen op papier het hoofddoel van het tuchtrecht is, maar dat dit in de praktijk ook daadwerkelijk wordt bereikt.98 Dat artsen het tuchtrecht zien als een soort ‘strafrecht light’ en niet als een beroep normerend proces, is daarom ongewenst.99 Zoals eerder vastgesteld, is de kennis over het tuchtrecht onder zorgverleners

beperkt.100 Zo geeft slechts de helft van de ondervraagde zorgverleners in de Tweede Evaluatie

Wet BIG aan te weten dat ook het corrigeren van de beroepsbeoefenaar een doel is.101 Het is

met dit inzicht te begrijpen dat een tuchtrechtelijke procedure door artsen als onverwachts criminaliserend wordt ervaren. Om aanbevelingen te kunnen doen ten aanzien van het second victim probleem, is het belangrijk om te achterhalen in hoeverre dit gevoel wordt veroorzaakt door de opzet van het tuchtrecht en in hoeverre door beperkte kennis van artsen.

3.3.5 Bagatelzaken

Wanneer een klager een klacht indient bij een van de tuchtcolleges en het klaagschrift voldoet aan de vormelijke eisen, dan wordt het naar de beklaagde zorgverlener gestuurd. 102 Hij kan zich binnen vier weken schriftelijk tegen de klacht verweren.

94 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 159-163. 95 Alhafaji, TMD 2009/13, p. 29.

96 Friele, NIVEL 2017, p. 15. Zie ook: Alhafaji, TMD 2009/13, p. 30, Verhoef, BMJ 2015/5, p. 4-6 en Dekker 2013, p. 61,

64-65. Zie ook: Appelo 2018, p. 36.

97 Uit: gesprek met dr. P.T.M. Weijenborg (gynaecologe in het LUMC en initiatiefneemster van het Peer Support netwerk

binnen dit ziekenhuis) en Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 47. Zie ook: Appelo 2018, p. 38, 45, 83, 85, 111 en paragraaf 3.3.2.

98 Zie ook: Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 32.

99Hendriks, Klachtrecht 2014/afl. 3, p. 6-8 en Hendriks, TvGR 2015/39, p. 327.

100 Zie onder andere: Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 157, 159, 173, 369 en Veer, de, TvZ 2015/3 en Leeuwen,

van, Medisch Contact 2018.

101 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 157, 159. 102 Zie: formulier Klaagschrift Tuchtklacht.

(28)

Vervolgens start het vooronderzoek (art. 66 Wet BIG), waarin partijen soms de gelegenheid tot mondelinge hoor en wederhoor wordt gegeven. Hoor en wederhoor wordt niet alleen toegepast om de zaak helder te krijgen voor het RTG, maar ook om partijen eventueel tot een minnelijke oplossing te laten komen.103 Buiten dit overleg met het RTG als ‘mediator’ is het de aangeklaagde zorgverlener niet toegestaan om contact te zoeken met de klager of om in te gaan op een poging tot contact door de klager zelf. Zodra de tuchtklacht is ingediend, geschiedt de correspondentie dus met tussenkomst van het RTG.104 Komen partijen er niet uit, dan zijn er twee procedurele mogelijkheden: of de klacht wordt door het RTG in raadkamer afgedaan of het komt tot een openbare zitting.105 De zaak kan in raadkamer beslecht worden indien de klager niet-ontvankelijk blijkt of indien de klacht op basis van de inhoud van de ingediende stukken kennelijk ongegrond of te futiel is. De kans op een veroordeling wordt dan als klein ingeschat. Is dit alles niet het geval, dan komt het tot een openbare zitting voor een voltallig RTG.106

In 2017 werden in totaal 1946 klachten behandeld door de Regionale Tuchtcolleges. In 35% van de gevallen kwam het tot een zitting. In de meerderheid van de gevallen (65%) werd de beslissing in raadkamer genomen. In 30% van de raadkamerbeslissingen bleek de klager niet-ontvankelijk, in 43% was de klacht ongegrond. In de gevallen waarin het wel tot een openbare zitting kwam, was de klacht in 46% van de gevallen gegrond.107 Dit betekent dat slechts 16% van alle ingediende klachten in 2017 leidde tot een gegrondverklaring.108 Veel klachten blijken inhoudelijk gezien van onvoldoende gewicht en overleven de ‘raadkamerzeef’ niet. Deze klachten vormen de zogenoemde bagatelzaken; klachten die worden ingediend bij het tuchtcollege, maar daar eigenlijk niet thuishoren.109 De behandeling van deze klachten kost echter tijd en energie; niet alleen voor de tuchtcolleges, maar ook voor de patiënt en arts. Wanneer het klaagschrift voldoet aan de eisen en in raadkamer door het RTG behandeld wordt, dan wordt de arts immers gevraagd zijn verweer te formuleren, wat een tijdrovende klus is.110

103 Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 21-23. Zie ook: Alhafaji, TMD 2009/13, p. 23-25. 104 Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 14.

105 De raadkamer bestaat uit een voorzitter-jurist en twee leden-beroepsgenoten van de beklaagde zorgverlener. 106

<https://www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl/documenten/vragen-en-antwoorden/hoe-ziet-de-procedure-van-een-regionaal-tuchtcollege-er-uit>, geraadpleegd op: 18-09-2018. Zie ook: Leeuwenburg-Pronk 2015, p. 22.

107 Jaarcijfers Tuchtcolleges 2017.

108 Sijmons, NJB 2015/afl. 38, p. 2673: geeft een percentage van 12% gegrond in 2015. Zie ook: Sijmons, Tweede Evaluatie

Wet BIG 2013, p. 153.

109 Sijmons, NJB 2015/afl. 38, p. 2674. Zie ook: Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 174. 110 Verhoef, BMJ 2015/5, p. 3 en Oude Ophuis, Medisch Contact 2016, onder ‘drempelloze klachtgang’.

(29)

Naast de tijd die de voorbereiding kost, speelt er ook een financieel component. Een aangeklaagde zorgverlener kan ervoor kiezen om juridische bijstand in te schakelen.111 Indien een arts geen rechtsbijstandverzekering heeft afgesloten of die bijstand niet vanuit de zorginstelling aangeboden krijgt, dan brengt het inschakelen een advocaat of andere jurist kosten met zich. 112 Uit het kwalitatieve onderzoek van Verhoef blijkt dat dit (voorbereidingstijd, energie en geld) bijdraagt aan de grote impact van een tuchtzaak en de negatieve gevolgen op het werk.113 Die negatieve impact wordt bij bagatelzaken niet gelegitimeerd door kwaliteitsverbetering. De tuchtrechtelijke procedure wordt als onterecht belastend ervaren en als een bestraffing voor iets wat uiteindelijk overduidelijk niet fout blijkt te zijn. Dit frustreert, wat de belasting van de procedure voor de arts verergert.114

Er worden dus tuchtklachten ingediend die niet in het tuchtrecht thuishoren. Hier staat tegenover dat de verhouding tussen het aantal gevallen van (potentieel) vermijdbare schade en het jaarlijkse aantal tuchtklachten scheef is.115 Uit een onderzoek, verricht in het kader van de

Tweede Evaluatie Wet BIG, blijkt die discrepantie tussen schade en klachten mede veroorzaakt te worden door onvoldoende toegankelijkheid van het tuchtrecht. Slechts de helft van de ondervraagde patiënten blijkt op de hoogte te zijn van de mogelijkheid tot het indienen van een tuchtklacht en 40% geeft aan niet te weten hoe die klacht ingediend zou moeten worden.116 Ook onder patiënten laat kennis over het tuchtrecht dus te wensen over.117 Dit zorgt voor een paradox: aan de ene kant worden er te veel bagatelzaken ingediend en aan de andere kant houdt de ontoegankelijkheid van het tuchtrecht patiënten tegen om zaken in te dienen die juist wél in het tuchtrecht thuis horen.

111 Zie paragraaf 3.4.1.

112 Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 17. 113 Verhoef, BMJ 2015/5, p. 5.

114 Uit: gesprek met dr. P.T.M. Weijenborg (gynaecologe in het LUMC en initiatiefneemster van het Peer Support netwerk

binnen dit ziekenhuis).

115 Jaarverslag 2008 Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg en Smeehuizen, Onderzoeksrapport VU 2013, p. 5-7 en

Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 174-175.

116 Sijmons, Tweede Evaluatie Wet BIG 2013, p. 162. Zie ook: Dute, TvGR 2015/39. 117 Zie ook: Hout, NTvG 2009/153.

(30)

3.4 Juridische bijstand, opvang van de arts en de rol van de werkgever 3.4.1 Juridische bijstand rondom een tuchtrechtelijke procedure

Hoewel juridische vertegenwoordiging tijdens een tuchtrechtelijke procedure niet verplicht is, is het een arts aan te raden om een vorm van juridische hulp in te schakelen. Een jurist kan de arts bijstaan in het opstellen van een verweerschrift en kan de arts vertegenwoordigen tijdens de tuchtrechtelijke procedure.118 Veel zorginstellingen bieden bijstand door een bedrijfsjurist. Wanneer die niet beschikbaar is, kan de arts zelf een advocaat in de arm nemen, al dan niet via zijn rechtsbijstandsverzekeraar.119 Vanuit verschillende bronnen wordt het de arts aangeraden om de juridisch-technische elementen van een procedure aan een jurist over te laten. Op die manier zou een procedure minder belastend zijn. Met het oog op het voorkomen van second victims is juridische bijstand van een aangeklaagde zorgverlener dus wenselijk.120

3.4.2 Opvang op de werkvloer

Ten aanzien van medische incidenten is ‘open disclosure’ de te volgen norm; zorgverleners dienen de patiënt, familieleden, de zorginstelling en bij voorkeur ook hun collega’s op de hoogte te brengen wanneer zich een incident voordoet.121 Het is de Nederlandse zorgverlener echter niet verplicht om te melden dat tegen hem een tuchtklacht is ingediend, tenzij contract- of arbeidsvoorwaarden dit eisen. Voor een arts in loondienst kan het melden onder de bepaling van goed werknemerschap vallen (7:611 BW). Toch is het de overtuiging dat, ook indien er geen wettelijke of contractuele plicht geldt, het van belang is om een tuchtklacht te melden bij het bestuur van de zorginstelling. Dit niet alleen met het oog op een belang van de zorginstelling, maar ook omdat openheid een eerste benodigde stap is in het initiëren van bijstand vanuit de instelling.122 Er bestaan verschillende manieren waarop opvang voor second victims bewerkstelligd kan worden. Dát opvang gewenst is, blijkt uit meerdere onderzoeken.123 Zorgverleners geven aan vooral behoefte te hebben aan het bespreken van de klacht en de tuchtrechtelijke procedure met collega’s en leidinggevenden.124

118 Bruins, Meester in de Taal 2013/nr. 12, p. 79-85.

119 KNMG, Folder: Klachten over uw zorg?, p. 7 en Doppegieter, Medisch Contact 2001.

120 KNMG Artseninfolijn en Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 17-19. Zie ook: Doppegieter, Medisch Contact 2001 en Querido,

Arts in Spe 2017.

121 Smeehuizen, Onderzoeksrapport VU 2013, p. 14-16, zie ook: GOMA, De Letselschade Raad 2012 en Kahn, TvGR 2016,

paragraaf 3.

122 Leeuwenburgh-Pronk 2015, p. 15-16.

123 Zie voor deze conclusie: Bon, van, 2009, p. 31-35 en Wit, de, JMLE 2013/41 en Dekker 2013, p. 4-5, 83. 124 Smeehuizen, Onderzoeksrapport VU 2013, p. 13.

Referenties

GERELATEERDE DOCUMENTEN

Het medisch tuchtrecht staat een aantal middelen ten dienste om zijn doel, het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening, te bereiken.. Deze zijn niet

Nog een enkel woord over de hier niet gedeelde opvatting van Taat, waarin het individu telkens zozeer achtergesteld wordt bij de belangen van de `gemeenschap'.&#34; Wellicht is het

(…) Daarom brengt een redelijke uitleg van de tweede tuchtnorm en met name van de woorden “in die hoedanigheid” mee dat deze norm in dit geval waarin niet in de uitoefening van

Denken in kansen vraagt om nieuwe oplossingen voor struc- turen die nog geen ruimte bieden voor deze nieuwe benade- ring van ons werk.. Het vraagt ook om een nieuwe stijl van

In de brief van de gemeente staat waar u bezwaar kunt maken tegen het besluit.. Er staat ook een datum tot wanneer

Heeft u een klacht over het gedrag of handelen van de arts dan kunt u een tuchtklacht [interne link naar onderdeel in deze folder] indienen... Klachtprocedures tegen

In de voorgestelde tuchtregeling voor de registeraccountants komen drie catego­ rieën gedragingen voor berechting in aanmerking: 1. misslagen in de

3) In de tuchtrechtspraak voor advocaten heeft de tuchtrechter dit uitdrukkelijk erkend.. Een aantal vrije beroepen, welker beoefenaren zich met een speciale