• No results found

Europese studenten en mobiliteit : een onderzoek naar de relatie tussen de toegenomen mobiliteit van Europese studenten en de toegenomen vraag van deze studenten naar het Erasmus uitwisselingsprogramma van de Europese U

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2021

Share "Europese studenten en mobiliteit : een onderzoek naar de relatie tussen de toegenomen mobiliteit van Europese studenten en de toegenomen vraag van deze studenten naar het Erasmus uitwisselingsprogramma van de Europese U"

Copied!
47
0
0

Bezig met laden.... (Bekijk nu de volledige tekst)

Hele tekst

(1)

FACULTEIT DER MAATSCHAPPIJ- EN GEDRAGSWETENSCHAPPEN Bachelor scriptie Sociale Geografie

Europese studenten en

mobiliteit

Een onderzoek naar de relatie tussen de toegenomen mobiliteit van Europese studenten en de toegenomen vraag van deze studenten naar het Erasmus

uitwisselingsprogramma van de Europese Unie

Student: Lisa Bakker Studentnummer: 10287841

Bachelor Scriptieproject Peak Car, Augustus 2014 Docent: V. Van Acker

(2)

ABSTRACT

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de transportmogelijkheden in Europa

aanzienlijk veranderd. Deze veranderingen hebben invloed gehad op

culturele, politieke en economische systemen; de interesse in andere

culturen en omgevingen is toegenomen, de Europese wet- en regelgeving is

aanzienlijk veranderd en binnen de economische sector ligt de focus meer

op internationaal dan nationaal niveau. In dit paper ligt de focus op de

relatie tussen de Europese studenten en de toegenomen mobiliteit van de

studenten. In dit onderzoek wordt de vraag beantwoord in hoeverre de

hedendaagse transportmogelijkheden, zoals de snelle treinverbindingen,

goedkope vluchten en het grote wegennetwerk, invloed hebben gehad op de

toegenomen vraag van Europese studenten naar het Erasmus

uitwisselingsprogramma wat aangeboden wordt door de Europese Unie.

Hiervoor is onderzocht wat de redenen zijn van de studenten om het

programma te volgen en daarnaast wat de redenen zijn van de Europese

Unie om het programma aan te bieden. Dit onderzoek concludeert dat de

redenen van de studenten om het programma te volgen voornamelijk voort

komen uit culturele en sociale aspecten. Hierbij waren ‘zelfontwikkeling’ en

de invloed van de omgeving belangrijke kernconcepten. De belangrijkste

reden voor de Europese Unie om het programma aan te bieden, is om het

Europese Integratie proces te bevorderen. Uit het onderzoek is gebleken dat

de snelle en goedkope transportmiddelen echter maar een geringe rol spelen

tijdens het maken van de beslissing om het programma te volgen.

(3)

Inhoudsopgave

Inleiding p. 4

Hoofdstuk 1 Theoretisch kader p. 8

1.1 Probleemstelling p. 8

1.2 Maatschappelijke relevantie p. 9

1.3 Theorieën en concepten; operationalisering p. 10

- 1; Toegenomen Transportmogelijkheden p. 10

- 2; Mobiliteit p. 13

- 3; ‘Studying abroad’ p. 14

- 4; Europese Integratie proces p. 16

- 5; Beweegredenen van de Erasmus studenten p. 17

- 6; Beweegredenen van de Europese Unie p. 17 - 7; Benaderingen van de Europese Unie en de Erasmus studenten p. 18

1.4 Conceptueel schema p. 19

Hoofdstuk 2 Methodologie p. 23

2.1 Onderzoeksstrategie en data verzameling p. 23

Hoofdstuk 3 Resultaten p. 18

3.1 Deelvraag 1 Beweegredenen p. 29

- De beweegredenen van de Erasmus studenten p. 29

- De beweegredenen van de Europese Unie p. 34

3.3 Deelvraag 3 Oorzaken van toegenomen vraag naar de uitwisseling p. 36

- Politiek-economische perspectief p. 36

- Cultureel perspectief p. 38

Hoofdstuk 4 Conclusie p. 41

(4)

Inleiding

Op initiatief van de Europese Commissie is in 1987 het ERAMUS-programma opgericht voor het hoger onderwijs in de Europese Unie (EU). De European Community Action Scheme for the Mobility of University Students, afgekort als ERASMUS, is opgezet om de uitwisseling onder Europese studenten te stimuleren en daarmee ook integratie tussen Europese lidstaten te bevorderen. Omschreven als het “Lifelong Learning Programme” (bedoeld om de

samenwerking tussen alle lidstaten te verbeteren op onderwijsniveau), heeft het programma al velen studenten verworven om deel te nemen aan het programma; tegenwoordig zijn er al meer dan 3100 hogescholen en universiteiten aangesloten bij het ERASMUS programma, en meer dan 3 miljoen studenten hebben al mee gedaan aan het programma (Erasmus

Programma, 2014). Het programma is vernoemd naar de filosoof Desiderius Erasmus (1466-1536). Erasmus heeft op verschillende plekken in Europa gewoond en gewerkt heeft;

“in quest of the knowledge, experience and insights which contacts with other countries could bring” (European Commission, 2013).

De enorme hoeveelheid transport mogelijkheden zoals het grote aanbod trein- en busverbindingen en vluchten binnen Europa, hebben bijgedragen aan de mobiliteit van

huidige studenten. Steeds meer jong volwassenen besluiten grenzen over te steken en de eigen horizon te verbreden. Een voorbeeld hiervan zijn net afgestuurde middelbare scholieren die na het laatste jaar van de opleiding een “tussenjaar” nemen om bijvoorbeeld vrijwilligerswerk te doen of een talencursus te volgen. Deze behoefte is recentelijk ook zichtbaar bij studenten van het hoger onderwijs, die tijdens de Universitaire opleiding of het Hoger Beroeps Onderwijs voor een bepaalde periode in het buitenland studeren. Daarvoor zijn twee mogelijkheden; buiten Europa kan er gebruik worden gemaakt van het ‘Global Exchange’ programma en binnen Europa biedt het ‘Erasmus Programma’ de beurzen om in het buitenland te studeren aan. In dit paper ligt de focus op het laatste programma en zal het onderzoek zich beperken tot Amsterdamse studenten die een uitwisseling in een Europese lidstaat hebben gevolgd via het Erasmus programma.

Sinds de oprichting van de Europese Unie is de mogelijkheid om binnen Europa aan andere universiteiten te studeren ontstaan. De oprichting na de Wereld Oorlogen heeft

(5)

wetten omtrent het oversteken van grenzen (O’Dowd, 2002). Deze veranderingen hebben gevolgen gehad voor de perspectieven, houdingen en mogelijkheden van hedendaagse Europese studenten (Miles, 2000). Het Erasmus programma biedt veel voordelen voor de studenten; respondenten die deel hebben genomen aan dit onderzoek gaven aan dat het uitwisselingsprogramma heeft gezorgd voor sociale contacten met andere Erasmus studenten en de inheemse bevolking van het gastland. Het programma biedt een verdieping aan in het studie programma van de Erasmus studenten doordat studenten kunnen afwijken van het vaste studieprogramma aan de eigen universiteit.

Dit paper geeft antwoord op de vraag wat de redenen van huidige Erasmus studenten zijn om een Erasmus uitwisseling te volgen. Om het onderzoek af te bakenen is er onderzoek gedaan naar studenten van de Universiteit van Amsterdam. De bovenstaande redenen zijn er slechts een aantal die genoemd zijn tijdens de diepte interviews. Dit centrale begrip wordt door Van Dalen (2014) gedefinieerd was ‘de motieven om iets te doen’, met betrekking tot deze case; de motieven van de Erasmus studenten om het uitwisselingsprogramma te volgen. In dit onderzoek wordt antwoord gegeven op de vraag ‘welke factoren een rol hebben

gespeeld in het proces van de groeiende vraag naar de Erasmus uitwisselingen’.

Centraal in dit paper staat de vraag in hoeverre het gestegen aanbod van

transportmiddelen (zoals vliegtuigen, bussen, auto’s en treinen) en daardoor de gegroeide mobiliteit van studenten, hebben bijgedragen aan de gestegen vraag naar het Erasmus programma. De respondenten die hebben bijgedragen aan dit onderzoek zijn burgers van de Nederlandse staat tussen 21 en 24 jaar. Daarnaast studeren de respondenten aan de

Universiteit van Amsterdam. Hiervoor is ten eerste onderzocht hoe deze mobiliteit tot stand is gekomen na de oprichting van de Europese Unie (EU) en hoe zich dit ontwikkeld heeft. Daarna zal uiteen worden gezet hoe het Erasmus programma zich heeft ontwikkeld sinds haar oprichting (1987). Dit is onderzocht vanuit twee perspectieven; aan de ene kant de Europese Unie en aan de andere kant de Erasmus studenten van de Universiteit van Amsterdam. Vanuit deze perspectieven zal beschreven worden wat de achterliggende motivatie betreft van de EU om het programma aan te bieden van de studenten om het programma te volgen. De

beweegredenen van de eerst genoemde actor zijn beschreven op basis van een literatuurstudie, waarnaar de beweegredenen van de tweede genoemde actor zijn beschreven op basis van de analyse van diepte interviews met de respondenten. Met dit onderzoek wil er achter komen in welke mate het doel van de EU om het programma aan te bieden overeen komt met de

(6)

beweegredenen van de studenten om het programma te volgen. In andere woorden; heeft het Erasmus programma haar doel behaald?

In dit paper worden twee belangrijke concepten beschreven. Ten eerste het verhoogde aanbod van openbaar vervoer binnen de Europese grenzen (waardoor de mobiliteit van de hedendaagse studenten aanzienlijk toegenomen is). En daarnaast toegenomen vraag van studenten tussen 21 en 24 jaar naar het Erasmus uitwisselingsprogramma. De open grenzen hebben bijgedragen aan verandering van het reisgedrag van de Europese studenten; zij reizen niet alleen langere afstanden in vergelijking met vorige generaties, maar reizen dezelfde afstanden in minder tijd. Dit fenomeen wordt ook wel beschreven als het

tijdruimtecompressie, waarbij de verhouding tussen tijd en afstand een andere wending heeft gekregen; de relatieve afstanden nemen aanzienlijk af door de snelle en moderne

transportmogelijkheden. Deze mogelijkheid heeft bijgedragen aan de verandering van de houding van de hedendaagse studenten ten opzichte van het reisgedrag. Ook een economisch aspect heeft bijgedragen aan veranderingen ten aanzien van het reisgedrag van de studenten; goedkope vluchten laten het toe om langere of meerdere vluchten te maken en bevorderen daarmee veranderingen binnen de houding van de studenten omtrent reisgedrag. Hierbij kan weer terug geredeneerd worden naar het bovengenoemde voorbeeld van het ‘tussenjaar’ van afgestudeerde middelbare scholieren.

Uit bovenstaande alinea blijkt dat de aanwezigheid van steeds meer transport middelen invloed heeft op de keuze van de Erasmus studenten om een uitwisselingsprogramma te volgen. Het reisgedrag van de studenten wordt beïnvloedt door veranderingen binnen verschillende disciplines; ten eerste vanuit politieke een politieke discipline, waar politieke veranderingen zoals wetwijzigingen hebben bijgedragen aan het openstellen van grenzen tussen de lidstaten, ten tweede vanuit een economische discipline, waar goedkope vluchten hebben bijgedragen aan de toegenomen vraag naar vluchten binnen de lidstaten, en tot slot vanuit een culturele en sociale dimensie, waar het concept ‘mobility turn (dit begrip zal uiteen worden gezet in het theoretisch kader) een belangrijke rol in speelt; de toegenomen mobiliteit van studenten heeft geleid tot veranderingen in het denken van de jong volwassenen waar fysieke mobiliteit de praktische uitvoering van is.

Deze verandering als gevolg van toegenomen transport mogelijkheden, zijn van belang om maatschappelijke veranderingen te kunnen begrijpen, waarbij het in deze case van belang is dat veranderingen binnen de culturele gewoonten van de hedendaagse studenten begrepen en verklaard kunnen worden. Het is daarom maatschappelijk relevant om onderzoek te doen

(7)

naar de beweegredenen van de studenten en onderzoek te doen naar factoren die invloed hebben op de keuzes van hedendaagse studenten.

Om te onderzoeken of er een verband is tussen aan de ene kant de gestegen

transportmogelijkheden en het gebruik, en aan de andere kant de verhoogde vraag naar het Erasmus programma, worden in dit onderzoek een aantal deelvragen beantwoord. Deze deelvragen zullen bijdragen aan een antwoord op de centrale hoofdvraag:

“In welke mate hebben de toegenomen internationale transportmogelijkheden bijgedragen aan de toegenomen vraag van Europese studenten tussen 21 en 24 jaar naar een

uitwisselingsprogramma via Erasmus tijdens het volgen van de studie?”

Het eerste deel van het onderzoek bestaat uit de uiteenzetting van de probleemstelling, de maatschappelijke relevantie en de doelsteling. Het tweede deel van het onderzoek bevat het theoretisch kader, waarin theorieën en de achtergrond omtrent de kernconcepten beschreven wordt, daarnaast worden de kernconcepten geoperationaliseerd en in een conceptueel schema weergegeven en zal de methodologie beschreven worden. In het derde deel worden de

(8)

Hoofdstuk 1 Theoretisch kader

1.1 Probleemstelling

De hoofdvraag, genoemd in de inleiding, die centraal staat in dit paper is de onderstaande:

In welke mate hebben de toegenomen internationale transportmogelijkheden bijgedragen aan de toegenomen vraag van Europese studenten tussen 21 en 24 jaar naar een

uitwisselingsprogramma via Erasmus tijdens het volgen van de studie?

Deze hoofdvraag zal beantwoord worden aan de hand van een aantal opgestelde deelvragen die ondersteund worden door een theoretisch kader waarin de kernconcepten gedefinieerd zullen worden. Ten eerste is onderzocht hoe de transportmogelijkheden zich hebben

ontwikkeld na de Tweede Wereldoorlog. Dit is relevant omdat hier de oorsprong ligt van de technologische ontwikkelingen van de hedendaagse transportmiddelen. In het theoretische kader zal dit uiteen gezet worden.

De eerste geeft antwoord op de vraag wat de beweegredenen treffen van de twee genoemde actoren. Aan de ene kant is er onderzocht door middel van diepte interviews wat de meest voorname beweegredenen van hedendaagse Erasmus studenten zijn om een Erasmus

uitwisselingsprogramma te volgen. En aan de andere kant is onderzocht door middel van een literatuurstudie wat de motivatie is van de Europese Unie om het uitwisselingsprogramma aan te bieden:

1) Wat zijn de beweegredenen van de Erasmus studenten om een Erasmus

uitwisselingsprogramma te volgen en wat zijn de beweegredenen van de Europese Unie om het Erasmus uitwisselingsprogramma aan te bieden?

De tweede deelvraag dat in dit paper onderzocht is, betreft de vraag welke factoren binnen de disciplines (zoals genoemd in de inleiding) de meeste invloed hebben op de toegenomen vraag naar het Erasmus programma. Deze deelvraag wordt beantwoord vanuit twee

perspectieven waarbij twee benadering worden aangehaald. Deze twee benaderingen betreffen de twee centrale actoren in dit onderzoek; ten eerste de Erasmus studenten en ten tweede de Europese Unie. Deze deelvraag is opgedeeld in twee delen; als eerst worden de

(9)

politiek-economische aspecten vanuit de twee benaderingen uiteengezet en ten tweede worden de culturele aspecten vanuit de twee benaderingen uiteengezet:

2) Wat is de invloed van politiek-economische en culturele aspecten binnen de Europese Unie op de toegenomen vraag naar het Erasmus uitwisselingsprogramma?

In de conclusie uiteen gezet worden hoe de deelvragen met elkaar samenhangen en zal er tot slot een antwoord worden gegeven op de hoofd- en deelvragen. Tot slot zullen

bediscussieerbare punten omtrent het onderzoek in het laatste hoofdstuk besproken worden.

1.2 Maatschappelijke relevantie

Het doel van dit paper is om te onderzoeken of er een relatie bestaat tussen de toegenomen transportmogelijkheden aan de ene kant, en de toegenomen vraag van Europese studenten naar een uitwisselingsproject via Erasmus aan de andere kant. Door het beantwoorden van bovenstaande vragen kan onderzocht worden wat de achterliggende redenen zijn van de studenten om een Erasmus uitwisseling te volgen. Dit geldt ook voor de Europese Unie. Aan de hand van deze case kan een beeld worden geschetst van de idealen, waarden normen van de huidige Europese studenten en de doelstellingen en standpunten van de Europese Unie. Dit is interessant omdat deze case studie gebruikt zou kunnen worden wanneer een vergelijking wordt gemaakt dus de waarden van de huidige generatie studenten en vorige generaties. In andere woorden, de achterliggende gedachte van de keuzes die de huidige generatie studenten maken, is te koppelen aan de het wereldbeeld van de maatschappij waar wij in verkeren. Dit is zichtbaar in de mondiale oriëntatie van de huidige generatie studenten en jong volwassenen, die zich steeds meer richten op mondiale schaal in plaats van op regionale of nationale schaal. Dit fenomeen is ontstaan als gevolg van de groeiende mobiliteit; niet alleen fysiek maar ook internet en telefonie.

De verhouding tussen tijd en ruimte heeft daarnaast in de afgelopen decennia een andere wending gekregen. Sinds de technologische ontwikkelingen van transportmiddelen

toegenomen zijn (zoals beschreven in de inleiding), zijn de relatieve afstanden afgenomen, en krijgen huidige generaties de mogelijkheid om in kortere tijd meer afstand af te leggen. Het is daarom ook logisch vanuit dit perspectief dat de vraag van hedendaagse studenten naar

(10)

uitwisselingsprogramma’s toegenomen. Goedkope vluchten, snelle treinreizen en de enorme hoeveelheid aan wegen maakt het voor studenten gemakkelijk om de landgrenzen over te steken.

In dit onderzoek zal uiteen worden gezet hoe het begrip mobiliteit sinds de oprichting van de Europese Unie is ontwikkeld en welke invloed deze ontwikkeling op de Europese studenten heeft gehad. Deze veranderingen brengen maatschappelijke veranderingen op gang en weergeven daardoor de perspectieven van de studenten. Het is daarom maatschappelijk relevant om de opgestelde hoofdvraag dit onderzoeken.

1.3 Theorieën en concepten; operationalisering

Centraal in dit onderzoek staan de begrippen “mobiliteit” en “transport”. Daarnaast wordt er in dit paper het “Europese integratie proces” gedefinieerd, waarmee het proces van

machtsverdeling over de Europese instituties en de regel- en wetgeving wordt bedoeld. Ten derde wordt het begrip ‘studying abroad’ uiteen gezet; hier zal het Erasmus

uitwisselingsprogramma beschreven en gedefinieerd worden. Tot slot worden de

beweegredenen van aan de ene kant de EU om het programma aan te bieden uiteen gezet, en worden de beweegredenen van de studenten om het programma te volgen aan de andere kant uiteen gezet. In het volgende hoofdstuk worden de bovengenoemde concepten per sub paragraaf beschreven.

1; Toegenomen transportmogelijkheden

Verplaatsing is een natuurlijk proces waar de beginselen zichtbaar zijn in de oorsprong van de mens (Ausubel, Marchetti, Meyer, 1998). Mensen zijn territoriale wezens en proberen

instinctief hun territorium te vergroten; territorium staat namelijk gelijk aan het behalen van succes (Ausubel, Marchetti, Meyer, 1998). De evolutie van mobiliteit is begonnen met onze benen en voeten, waarmee gemiddeld 5 kilometer per dag werd afgelegd (Ausubel, Marchetti, Meyer, 1998). Na de uitvinding van het wiel werden deze vervangen door transportmiddelen; hiermee konden meer goederen dan voorheen verplaatst worden waardoor transport een nieuwe betekenis kreeg. De ontwikkeling van transportmiddelen ging vanaf dit moment heel

(11)

snel, waarnaar vandaag de dag het reizen met vliegtuigen en treinen een heel normaal fenomeen is geworden.

Als gevolg van goedkoper en sneller transport, heeft afstand een andere betekenis gekregen voor de Europese studenten. De relatie tussen tijd en ruimte, net zoals de relatie tussen kosten en afstand, heeft een andere vorm aangenomen. Dit is een gevolg van technologische

ontwikkelingen waardoor transport over land en zee sneller geworden is waarbij ook de kosten om te verplaatsen aanzienlijk gedaald zijn. Het is dus niet alleen de snelheid van transport maar ook de kosten die lager zijn geworden waardoor er in minder tijd en met minder geld dezelfde afstand afgelegd kan worden in vergelijking met transportatie vóór de technologische ontwikkelingen. De vraag die centraal in dit paper staat, is dan ook in welke mate de mogelijkheid om makkelijk en snel te verplaatsen, invloed heeft gehad op de keuzes die de hedendaagse studenten maken.

Deze transitie is ontstaan nadat landen wereldwijd zich mondiaal zijn gaan oriënteren: ofwel het proces van globalisering. De wereld lijkt steeds kleiner te worden omdat er makkelijker verplaatst kan worden. Steeds meer mensen steken grenzen over, ieder met eigen redenen. Het voortdurend veranderen van bestemming is een fenomeen dat op grote schaal zichtbaar is op mondiaal niveau; gezinnen maken steeds vaker verre reizen naar het buitenland, studenten studeren een gedeelte van de studie aan een andere universiteit en backpacken na de middelbare school is een normaal fenomeen. De uiteenlopende transportmiddelen zoals vliegtuigen, spoorwegen, boten en auto’s, maar ook internet en telefonie zorgen ervoor dat steeds grotere delen van de wereld met elkaar in verbinding komen.

De mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van deze transportmiddelen heeft geleid tot mobiliteit; steeds meer jongeren kunnen zich in korte tijd zonder hoge kosten te hebben, verplaatsen. Vliegmaatschappijen zoals Ryanair en easyJet beheren over een uitgebreid vliegnetwerk waarmee de maatschappijen voor lage prijzen passagiers kunnen vervoeren (Dobruszkes, 2006). Voor veel studenten maakt dit het dan ook makkelijk om een

uitwisseling binnen Europa te doen; uit de diepte interviews, die in een volgend hoofdstuk beschreven zullen worden, is gebleken dat de afstand tussen het thuisland en het land van bestemming geen grote rol speelt in het maken van de keuze om een uitwisseling in een andere lidstaat te volgen. Dit heeft ten eerste te maken met de snelheid waarmee de studenten zich kunnen verplaatsen en ten tweede de lage prijs van de transportkosten. Volgens de studenten is de stap om op uitwisseling te gaan dan ook aanzienlijker kleiner dan wanneer zij niet geen gebruik hadden kunnen maken van deze transportmiddelen. Uit de diepte interviews

(12)

is ook gebleken dat de lage transportkosten voor de huidige generatie Erasmusstudenten, als ‘normaal’ wordt beschouwd; op het moment dat de respondenten de mogelijkheid hadden om het Erasmus programma te volgen (namelijk sinds de respondenten begonnen zijn met

studeren), waren de kosten van transportmiddelen al laag en waren de snelle

vervoersmiddelen al aanwezig (zoals snelle en goedkope vliegroutes en treinverbindingen).

Het doel van transportatie is het overbruggen van ruimte. In dit onderzoek ligt de focus op de verplaatsing van studenten. Vanuit dit perspectief is het doel van transportatie dan ook het verplaatsen van mensen (of goederen en informatie) vanaf een plek van herkomst naar een andere bestemming (Rodrigue, 2006). Deze verplaatsingen kunnen beinvloedt worden door verschillende factoren; bijvoorbeeld door politieke factoren (aan de hand van wetten, regulaties, grenzen en tarieven) of door culturele en sociale factoren (als gevolg van de interesse in andere culturen en omgevingen) (Rodrigue, 2006).

Het gebruik van openbaar vervoer in Europa heeft zich aanzienlijk ontwikkeld. De

onderstaande tabel laat zien dat in de periode van 1995 tot 2010 het gebruik van openbaar transport en auto’s door Europese passagiers aanzienlijk toegenomen is. Hierbij is vooral de vraag naar vluchten toegenomen (in de periode van 1995-2010 zijn het aantal vluchten met 51.5% toegenomen (Europese Unie, 2014). Naar aanleiding van deze gegevens zullen de respondenten tijdens het diepte interview gevraagd worden in welke mate het aanbod van openbaar vervoer, invloed hebben gehad op de keuze om een Erasmus uitwisseling te volgen.

(13)

Figuur 1, Passenger Transport in Europa. De figuur weergeeft de percentuele toename van het gebruik van vervoersmiddelen in Europa. Bron: Europese Commissie, 2014

Vandaag de dag reist de gemiddelde reiziger niet per se langer, maar kan de reiziger in dezelfde hoeveelheid tijd meer kilometers afleggen in vergelijking met de reiziger voor de Tweede Wereldoorlogen (Urry, 2007). Het verschil zit niet in de hoeveelheid tijd dat wordt gebruikt om te reizen, maar in de afstand en snelheid waarmee gereisd wordt (Urry, 2007). ‘Reizen’ en ‘mobiel zijn’ hebben een andere betekenis gekregen; voor de hedendaagse studenten betekent dit dat er vele nieuwe deuren geopend zijn.

2; Mobiliteit

Mobiliteit wordt gedefinieerd als de verplaatsing van mensen en objecten. Volgens Urry (2007) zijn er verschillende definities van mobiliteit; ten eerste definieert Urry (2007) mobiliteit als “mobiel zijn”, waarmee Urry (2007) doelt op het vermogen om te verplaatsen. Deze verplaatsing is zichtbaar op mondiaal niveau, waarbij het oversteken van grenzen een

(14)

vanzelfsprekend fenomeen is. Een tweede definitie volgens Urry (2007) betreft de “mobility turn”, waarbij Urry (2007) doelt op een nieuwe manier van denken. Deze nieuwe manier van denken is gevormd door sociale, economische en politieke factoren. Door de snelle

communicatie verspreidt dit ‘nieuwe denken’ zich razendsnel over de hele wereld via sociale structuren. Deze sociale structuren zijn niet alleen ontstaan door de aanwezigheid van

transportmiddelen maar ook door de media.

Dit veelomvattende begrip wordt in dit onderzoek gebruikt als de mogelijkheid om te

verplaatsen; in deze case worden daarmee de Europese studenten bedoeld die door middel van de treinverbindingen, vluchten, het wegennetwerk en andere vormen van (openbaar) vervoer zich kunnen verplaatsen binnen Europa. Dit begrip is relevant voor dit onderzoek omdat de toegenomen mobiliteit heeft bijgedragen aan de groeiende vraag naar het Erasmus

programma.

3; ‘Studying abroad’

Het Erasmus programma is een uitwisselingsprogramma voor Europese studenten (Hoger Beroepsonderwijs of Universitair onderwijs) dat wordt aangeboden door de Europese Unie (Erasmus Programma, 2014). Het programma bestaat sinds 1987 en is opgesteld met het doel studenten te kunnen voorzien in de mogelijkheid om buiten het eigen land te studeren. De studenten die gebruik willen maken van de beurs, moeten Europees zijn (in andere woorden, de student moet burger zijn van een Europees lidstaat). Het programma wordt ondersteund door vele Europese lidstaten en is bedoeld om de integratie tussen lidstaten te vergroten (Erasmus Programma, 2014). De studenten hebben de mogelijkheid om tussen drie en twaalf maanden in het buitenland te studeren (European Commission, 2014). De beurs voor de studenten bedraagt per maand 200 EUR en is bedoeld als tegemoetkoming in de reiskosten en een vergoeding voor onder andere de verblijfskosten (European Commission, 2014). Aan de het Erasmusprogramma doen alle lidstaten van de EU mee, inclusief IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Turkije.

Het Erasmus programma is met het idee ontstaan om de uitwisseling van talen tussen lidstaten aan te moedigen. In totaal zijn er 927 Erasmus partners verdeeld over 37 lidstaten die

aangesloten zijn bij het programma. 25 jaar na de lancering van het Erasmus programma, bleek het uitwisselingsprogramma het meest bekende programma van Europa te zijn en daarnaast ook de meest succesvolle (European Commission, 2012). In het academisch jaar

(15)

van 2010-2011 waren er al meer dan 231000 studenten die gebruik hadden gemaakt van de Erasmus beurs. Ten opzichte van het vorige jaar was de vraag met 8,5% gestegen (European Commission, 2013). Eind 2013 leek deze hoeveelheid nog meer te zijn toegenomen; meer dan 3 miljoen studenten hadden op dat moment al gebruik gemaakt van de beurs (European Commission, 2013). Onderstaande tabel laat zien hoeveel studenten er per jaar mee hebben gedaan aan het Erasmus programma. De hoeveelheid participanten is altijd toegenomen ten opzichte van het vorige jaar (met uitzondering van het academisch jaar 1996-1997).

Figuur 2, Toegenomen vraag naar het Erasmus uitwisselingsprogramma vanaf het jaar 1987 tot 2013. Bron: European Commission (2013)

Als gevolg van de toegenomen mobiliteit van studenten, is studeren in het buitenland een groeiend fenomeen geworden. Een van de meest zichtbare aspecten van globalisering is de studenten mobiliteit. De stroming van internationale studenten is een reflectie van, aan de ene kant nationale en institutionele strategieën en aan de andere kant van een trend onder

studenten over de hele wereld. Als gevolg van politieke veranderingen, veranderingen van transportmiddelen, veranderingen binnen de economische sector en de groeiende interactie en communicatie tussen studenten, is de vraag naar uitwisselingsprogramma’s aanzienlijk toegenomen (Byman & Feng, 2006). Ten eerste de politieke veranderingen; deze hebben bijgedragen aan de toegankelijkheid tot andere lidstaten in Europa. Ten tweede de

economische veranderingen; studenten zien economisch voordeel in de toekomst door de extra kwalificaties die in het buitenland verkregen kunnen worden. En tot slot vanuit een cultureel perspectief, kan er door de studenten een cultureel kapitaal worden vergaard, zoals internationale contacten en relaties, (Byman and Feng, 2006).

(16)

4; Europese Integratie proces

De Europese Gemeenschap is een economische en politieke unie die in 1951 werd opgericht om de veiligheid binnen Europa te garanderen. ‘The European Coal and Steel Community’ (ECSC) werd opgericht om een gezamenlijke markt in te voeren. Vooral het vraagstuk van machtsverdeling speelde een belangrijke rol; hierbij werd gedoeld op de machtsverdeling tussen Europese instituties en de lidstaten (Richardson, 2006). Na de Wereldoorlogen was het van belang dat er een eerlijke wet- en regelgeving zou bestaan om de veiligheid binnen en tussen de lidstaten te garanderen (Richardson, 2006). Ook werd de relatie en de verhoudingen tussen de instituties opnieuw geanalyseerd, net zoals de rol en de macht van de

niet-gouvernementele actoren (organistaties die onafhankelijk zijn van de overheid) (Richardson, 2006). De meest fundamentele vraag was, in hoeverre de soevereiniteit van de Europese lidstaten zou reiken ten opzichte van de macht van de Unie (Richardson, 2006). Macht wordt gedefinieerd als de mogelijkheid van een bepaalde actor om het bedrag van andere actoren te beïnvloeden en te veranderen (Richardson, 2006). Het analyseren van deze vraagstukken vormden bevorderde het Europese integratie proces. In een grote lijn wordt dit proces omschreven als de ‘eenwording van de Europese lidstaten’. De ‘European Coal and Steel Community’ vormde zich om in de European Economic Community (1958), vervolgens in de European Community en tot slot in november 1993 in de Europese Unie (Coleman, 1998). Deze politieke veranderingen hebben geleid tot de hedendaagse besluitvorming van de Unie. Het Erasmus programma is daarom ook een voorbeeld van deze ‘eenwording’ is; de

belangrijkste reden om het programma aan te bieden, is om de Europese integratie te bevorderen (Coleman, 1998).

In dit paper worden drie definities omschreven van ‘de Europese integratie’. De eerste beschrijving is opgesteld door Coleman (1998) en wordt simpelweg gedefinieerd als ‘het proces van eenwording’. Een tweede definitie wordt gegeven door Richardson (2006), en betreft een meer complexe beschrijving. Hierbij spelen drie aspecten een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het proces; ten eerste worden er nieuwe gebieden in de Europese

beleidsvoering gecreëerd, ten tweede worden bevoegdheden verdeeld onder de lidstaten of overgedragen aan autonome instituties (dit wordt verticale integratie genoemd) en ten derde de vergroting van haar territorium (dit wordt horizontale integratie genoemd). Deze verticale integratie is ook gedefinieerd door Haas & Ernst (1968) en wordt als volgt beschreven; “een proces waarbij politieke actoren in de lidstaten er voor zorgen dat loyaliteiten, verwachtingen en politieke activiteiten worden verschoven naar een nieuw centrum, waar overkoepelende

(17)

instituties de jurisdictie van de lidstaten beheren. Het resultaat hiervan is een nieuwe politieke gemeenschap die over een hoger gezag bezit dan de nationale overheden”.

5; Beweegredenen van de Erasmus studenten om het uitwisselingsproject te volgen De beweegredenen van de studenten om een Erasmusuitwisseling te volgen zijn uiteengezet en gedefinieerd door Coleman (1998). Uit het onderzoek blijkt dat de voornaamste reden voor studenten om op uitwisseling te gaan, het leren van een ‘vreemde’ taal is. Daarnaast zijn belangrijke redenen om in het buitenland te studeren ten eerste “zelfontwikkeling”, ten tweede academisch studeren in een vreemd land, ten derde de mogelijkheid om een reis te maken, ook is het volgens het onderzoek van Coleman (1998) een mogelijkheid om een pauze te nemen tijdens het studeren aan de oorspronkelijke universiteit en tot slot om nieuwe leermethoden te leren kennen (Coleman, 1998). Deze beweegredenen zijn tijdens de diepte interviews met hedendaagse Erasmus studenten onderzocht. De opgestelde beweegredenen door Coleman (1998) worden als theoretisch kader gebruikt, maar blijken niet overeen te komen met de resultaten uit het onderzoek. Dit zal in het hoofdstuk ‘resultaten’ beschreven en vergeleken worden.

6; Beweegredenen van de Europese Unie om het uitwisselingsproject aan te bieden Mobiliteit is een centraal thema in de beleidsvoering van de EU, waarbij gestreefd wordt naar de vrije verplaatsing van burgers tussen de lidstaten van de EU. Dit beleid wordt ondersteund in verschillende beleidsvoeringen van de Europese Unie en komt regelmatig terug in de Europese wet- en regelgeving (Coleman, 1998). De belangrijkste reden om het Erasmus programma aan te bieden, is om het proces van de Europese integratie te bevorderen en te stimuleren (Coleman, 1998). “Youth on the move” is een kern begrip voor de “Europe 2020 strategy”, waarbij de EU haar studenten stimuleert om een ‘vreemde’ taal te leren met als doel het proces van de Europese Integratie te bevorderen (European Commission, 2012). Dit integratie proces is hierboven gedefinieerd en uiteengezet.

(18)

7; Benaderingen van de EU en de Erasmus studenten

Culturele benadering ten opzichte van de vraag naar het Erasmus uitwisselingsprogramma vanuit het perspectief van de Europese unie

De rol van de Europese Unie is om de democratie te beschermen, de wet- en regelgeving binnen de lidstaten te garanderen en daarbij de culturele diversiteit en het nationale erfgoed binnen de lidstaten, te beschermen. Ook fungeert de Europese Unie ook als een forum om onderzoek te doen naar sociale problemen binnen de Unie (Coleman, 1998). Daarnaast zet de Raad van Europa zich in voor de diversificatie en intensivering van het leren van talen om de meertaligheid te bevorderen en daarbij begrip en respect voor culturele diversiteit tussen Europese lidstaten te creëren (Coleman, 1998). Door het aanbieden van het Erasmus programma bevordert de EU deze doelstellingen; studeren in het buitenland geeft een aanleiding om de culturele diversiteit te ontdekken binnen Europa (Byman and Feng, 2006).

Culturele benadering ten opzichte van de vraag naar het Erasmus uitwisselingsprogramma vanuit het perspectief van de Erasmus studenten

Volgens Miles (2000) zijn jong volwassenen een barometer van sociale veranderingen. De toegenomen vraag naar Erasmus uitwisseling zou dan ook volgens deze stelling hieruit voort kunnen komen. Vele Europese studenten zien het uitwisselingsprogramma als een

mogelijkheid om in het buitenland voor bepaalde tijd te wonen en studeren. Onder Europese studenten is dit programma populair geworden en lijkt de uitwisseling een cultureel fenomeen te zijn. Vanuit een cultureel perspectief wordt het programma daarom ook door veel studenten gezien als een mogelijkheid om sociale contacten op te doen in het buitenland en culturele diversiteit te ervaren.

Economisch-politiek benadering omtrent stijging van vraag naar Erasmus uitwisselingsprogramma vanuit perspectief van de EU

Mobiliteit is een centraal thema binnen de beleidsvoering van het de EU: met dit begrip doelt de Europese Unie op de vrije verplaatsing van burgers binnen de Europese lidstaten. Een voorbeeld hiervan is de versoepeling van de wet- en regelgeving; legaal oversteken van grenzen is hier een voorbeeld van. Een ander voorbeeld van de wetgeving betreft de

(19)

in een andere lidstaat te werken (Coleman, 1998). Deze vorm van wetgeving draagt bij aan een grote mobiliteit onder de Europese burgers. Een effect van het Erasmusprogramma is het ontstaan van samenwerking en harmonisatie tussen universiteiten in de lidstaten (Coleman, 1998).

Deze integratie is ook vanuit een economisch perspectief te bekijken; hierbij speelt economische druk van binnen uit én buiten af een rol. Hierbij spelen de bovengenoemde factoren, zoals de toegankelijkheid van banen in het buitenland en de aanmoediging om vreemde talen te leren, niet alleen een belangrijke rol, maar ook de economische druk van “buitenaf”. Namelijk, het belang dat Europa heeft bij het behouden van haar leidinggevende positie op de globale economische markt. Hierbij wordt de mobiliteit van werkgelegenheid beschouwd als essentieel element om participatie op de internationale markt te garanderen (King & Ruiz-Gelices, 2003).

Economisch-politiek benadering omtrent stijging van vraag naar Erasmus uitwisselingsprogramma vanuit perspectief van Erasmus studenten

Zoals beschreven in bovenstaande alinea, zorgt het proces van globalisering voor sociale veranderingen. Als gevolg van de geïntegreerde markt en de participatie op de globale internationale markt, ontstaat er een groter aanbod van geschoolde werknemers. Het is dan ook van belang dat studenten zich moeten onderscheiden van andere studenten om een succesvolle kans te hebben op de internationale markt. Dit is zichtbaar in niet alleen de toegenomen behoefte naar meer en hoger onderwijs onder hedendaagse studenten, maar ook de behoefte om in de toekomst te emigreren naar het buitenland (King& Ruiz-Gelices, 2003). Voor de studenten geldt, dat de ‘buitenlandse’ ervaring die de jong volwassenen tijdens het studeren op kunnen doen, de eerste stap is naar onderscheiding tussen andere studenten.

1.5 Conceptueel schema

Onderstaand conceptueel schema weergeeft de verbanden tussen de onafhankelijke,

afhankelijke en contextuele variabelen in het onderzoek. De onafhankelijke variabele betreft transportmogelijkheden en daardoor de toegenomen mobiliteit. De afhankelijke variabele betreft de groeiende vraag van de Europese studenten tussen 21 en 24 jaar het Erasmus uitwisselingsprogramma. De contextuele variabelen betreffen de beweegredenen van de

(20)

Europese Unie (om het programma aan te bieden) en de Erasmus studenten (om het programma te volgen). Ook vallen de politieke, economische en culturele perspectieven, onder de contextuele variabelen.

Door onder andere de toegenomen internationale transportmogelijkheden is de vraag naar het Erasmus uitwisselingsprogramma door Europese studenten toegenomen. De beweegredenen van studenten om een uitwisseling te volgen zijn echter ook beïnvloed door politieke, culturele en economische aspecten. Dit zelfde geldt voor de Europese Unie die het Erasmus programma aanbiedt en de studenten stimuleert om het programma te volgen.

Een voorbeeld van een politiek aspect dat invloed heeft gehad op de toegenomen vraag naar het uitwisselingsprogramma, is het openstellen van de grenzen tussen de Europese lidstaten. Hierdoor is de mobiliteit van niet alleen de studenten, maar ook van goederen, informatie en kapitaal tussen de grenzen van Europese landen steeds meer toegenomen (O’Dowd, 2002). Na de Tweede Wereldoorlog bleek Europese integratie een belangrijk proces om een toekomstige oorlog binnen Europa te vermijden (O’Dowd, 2002). Een voorbeeld van dit integratie proces is dan ook het Erasmus programma.

Daarnaast is er ook een economisch aspect dat invloed heeft gehad op de toegenomen vraag. Het Erasmusprogramma draagt bij aan verbeteringen van het Europese Integratie beleid. De uitwisseling van studenten betekent dan ook een verbetering van het Europese economische integratie proces. Volgens de Europese Unie, bevordert dit proces de Europese welvaart (O’Dowd, 2002).

En tot slot een voorbeeld van een cultureel aspect wat van invloed is op de toegenomen vraag; de interesse in andere culturen (de normen, waarden, gewoonten, gebruiken en idealen) en ‘vreemde’ talen is voort gekomen uit interactie tussen Europese culturen. Dit is bijvoorbeeld ontstaan door het gebruik van Media, zoals internet en telefonie (Miles, 2000).

(21)

Figuur 3, Conceptueel schema. Hierin zijn de onafhankelijke, afhankelijke variabelen en de contextuele variabelen schematisch weer gegeven.

In conclusie blijkt uit het model dat de transportmogelijkheden en de mate van mobiliteit invloed hebben of de toegenomen vraag naar het Erasmus uitwisselingsprogramma door Europese studenten. Daarnaast beïnvloeden de transportmogelijkheden ook de beweegredenen van de studenten om het programma te volgen en de beweegredenen van de EU om het

programma aan te bieden. Namelijk, de aanwezigheid van transport middelen maakt het de studenten mogelijk om zich makkelijk en snel binnen Europa te verplaatsen, en aan de andere kant kan de EU alleen investeren in het programma en daarnaast het programma

aanmoedigen, wanneer er de mogelijkheid is voor de studenten om zich te verplaatsen. Immers, wanneer studenten niet de mogelijkheid hebben om zich te verplaatsen zullen zij het uitwisselingsprogramma ook niet kunnen volgen. De technologische ontwikkelingen (zoals beschreven in de subparagraaf ‘toegenomen transportmogelijkheden’ hebben de basis gelegd voor de hedendaagse vervoersmiddelen. Pas na de ontwikkelingen van deze vervoersmiddelen is het Erasmus programma opgericht (1987). De oprichting van de goedkope

vliegtuigmaatschappij RyanAir dateert uit het jaar 1985, de oprichting van de hoge snelheidstrein TGV dateert uit het jaar 1973 en de oprichting van de bus compagnie Eurolines, die busverbindingen door heel Europa heeft, dateert uit het jaar 1985. De twee genoemde actoren zijn volgens het schema niet alleen beïnvloedt maar hebben ook invloed

(22)

uitgeoefend; deze hebben geleid tot een toegenomen vraag naar het Erasmusprogramma. De redenen voor beide actoren zijn gevormd door politieke, culturele en economische invloeden; voorbeelden hiervan worden in het volgende hoofdstuk ‘methodologie’ uiteen gezet.

(23)

Hoofdstuk 2 Methodologie

In dit hoofdstuk zal een methodologische verantwoording gegeven worden voor het

onderzoek en zal de onderzoeksstrategie uiteen worden gezet. Daarna zal uiteen worden gezet hoe de data verzameld is en tot slot zal uiteen worden gezet hoe de operationalisering tot stand is gekomen.

2.1 Onderzoeksstrategie en data verzameling

Deze paragraaf zal in verschillende sub paragrafen worden verdeeld. De volgende punten zullen beschreven worden; ten eerste de onderzoeksstrategie, ten tweede de methode, ten derde de onderzoekseenheden en generaliseerbaarheid.

Onderzoeksstrategie

De algemene oriëntatie van dit paper betreft een kwalitatief onderzoek. Volgens Bryman (2012) kan een onderzoek kwalitatief worden genoemd wanneer tijdens het verzamelen en analyseren van data voornamelijk woorden worden gebruikt in plaats kwalificering. Bryman (2012) noemt daarnaast drie punten die kwalitatief onderzoek definiëren; ten eerste maakt kwalitatief onderzoek gebruik van een inductieve benadering (de conclusie levert een zekere waarschijnlijkheid op, daarnaast leiden de conclusies van dit onderzoek tot een bijdragen aan de generalisatie van bestaande theorieën; bij deductief onderzoek wordt echter een theorie getest) met betrekking tot de relatie tussen de theorieën en het onderzoek. Dit is typerend voor dit onderzoek; de resultaten van het onderzoek dragen bij aan de generalisatie van de uiteen gezette theorieën in het hoofdstuk ‘theorieën en concepten’. Ten tweede verwerpt kwalitatief onderzoek de normen van het wetenschappelijk model; kwalitatief onderzoek kijkt echter naar de manier waarop individuelen de eigen sociale wereld interpreteren. Ook dit heeft betrekking op dit onderzoek; echter zijn de resultaten gebaseerd op diepte interviews die afgenomen zijn bij 20 respondenten. Deze ‘epistemologische benadering’ (de sociale wereld wordt begrepen door onderzoek naar de interpretatie van de participanten van deze wereld), is typerend voor kwalitatief onderzoek (Bryman, 2012). Tot slot houdt kwalitatief onderzoek zich vast aan het standpunt dat de sociale realiteit een constante verandering is als gevolg van menselijk handelen (Bryman, 2012). Dit laatste argument van Bryman heeft ook betrekking op dit

(24)

onderzoek; immers weergeven de resultaten dat het reisgedrag van de respondenten (in deze case Erasmus studenten) veranderd is als gevolg van groeiende transportmogelijkheden.

Daarnaast is dit onderzoek explorerend. Dit paper beschrijft namelijk de relatie tussen de toegenomen vraag naar het Erasmus uitwisselingsprogramma en transportmogelijkheden en geeft tot slot een verklaring op de vraag door middel van kwalitatief onderzoek. Daarnaast bestaat het onderzoek uit twee delen; het contextuele kader en het praktijk onderzoek. Het contextuele kader is gefundeerd op een literatuurstudie en het praktijk onderzoek is gedaan door middel van diepte interviews. Omdat er in dit onderzoek één bepaalde ‘case’ intensief en gedetailleerd wordt onderzocht, is dit onderzoek een ‘case study’ (Bryman, 2012). Volgens Bryman (2012) wordt een ‘case’ geassocieerd met een bepaalde ‘locatie’, dit kan bijvoorbeeld een gemeenschap of een organisatie zijn. In dit onderzoek betreft de ‘case’ de Erasmus

studenten, die aan de Universiteit van Amsterdam hebben gestudeerd. De onderzoekseenheden zullen in de derde sub paragraaf beschreven worden.

Methode

Centraal in dit onderzoek staat de vraag in hoeverre de transportmogelijkheden hebben bijgedragen aan de verhoogde vraag van Europese studenten naar een Erasmus

uitwisselingsprogramma. Aan de hand van de onderzoeksmethode ‘kwalitatief interview’ is de hoofdvraag onderzocht. De nadruk ligt op het eigen perspectief van de respondenten. De interviews zijn semigestructureerd, wat inhoudt dat elke respondent antwoord moet geven op specifieke punten en opgestelde vragen, indien dat mogelijk is. Aan alle respondenten worden dezelfde vragen gesteld. Daarnaast is er een literatuurstudie gedaan om het contextuele kader te onderbouwen.

Door middel van ‘snowball sampling’, een sneeuwbal steekproef, zijn de respondenten verzameld. Dit houdt in dat de respondenten via derden bereikt zijn (als een rollende

sneeuwbal wordt via de eerste respondenten een grotere ; er is dan ook geen ‘sampling frame’ opgesteld om in contact te komen met de Erasmus studenten. De semigestructureerd diepte interviews zijn door middel van het programma ATLAS.ti (een programma om kwalitatieve complexe data, systematisch te analyseren) verwerkt. Dit programma helpt bij het

systematisch analyseren van de gevonden informatie. Door middel van coderen van

kernconcepten kan er een vergelijking worden gemaakt tussen de uitkomsten van de diepte interviews. Aan de hand van dit coderen is onderzocht in welke mate de geoperationaliseerde

(25)

kernconcepten, zoals beschreven in het theoretisch kader, overeen komen met de resultaten van de interviews. Door middel van de tool “coderen” zal de tekst begrepen worden en zullen de relevantie kernconcepten (zoals boven genoemd) uit de tekst worden geselecteerd.

Hiermee kan het belang van de kernconcepten worden geëvalueerd om relaties tussen de concepten te ondervinden. Het systematisch analyseren van de interviews is van belang om de opgestelde hoofd- en deelvragen te kunnen beantwoorden.

Een aantal centrale begrippen zijn geanalyseerd in de resultaten. Het doel van deze analyseren is het achterhalen van de redenen waarom de respondenten voor de uitwisseling hebben gekozen. Ten eerste is er gekeken naar de beweegredenen die genoemd zijn in het conceptueel kader (opgesteld door Coleman (1998) ) om een vergelijking te kunnen maken tussen de resultaten van het praktijk onderzoek en de resultaten van het literair onderzoek. Deze

beweegredenen betroffen de volgende; ten eerste het leren van een ‘vreemde’ taal, ten tweede zelfontwikkeling, ten derde de ervaring op willen doen van academisch studeren in een vreemd land, ten vierde de mogelijkheid om via het Erasmus programma het gevoel van ‘reizen’ te hebben, daarnaast om een pauze tijdens het studeren te hebben en tot slot het leren van nieuwe leermethoden (Coleman, 1998). In hoeverre deze resultaten overeen kwamen, is beschreven in het hoofdstuk ‘resultaten’.

Onderzoekseenheden en generaliseerbaarheid

De respondenten zijn benaderd via de Universiteit van Amsterdam (UvA). De doelgroep bestaat uit studenten van verschillende faculteiten met een leeftijdsklasse tussen 21 en 24 jaar. De verdeling van de respondenten over de verschillende faculteiten was als volgt; van de faculteit geesteswetenschappen deden 5 respondenten mee aan het onderzoek, waarvan vier respondenten vrouwelijk waren en één respondent mannelijk, van de faculteit Maatschappij en Gedragswetenschappen deden 7 respondenten mee aan het onderzoek, waarvan 4

respondenten vrouwelijk waren en 3 respondenten mannelijk, van de faculteit

Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica deden 3 respondent mee aan het onderzoek, waarvan er 2 vrouwelijk respondenten mee deden en één mannelijke respondent mee deed, van de faculteit Rechtsgeleerdheid deden 3 respondenten mee, waarvan alle respondenten vrouwelijk waren, en tot slot van de faculteit Economie en Bedrijfskunde deden 2

respondenten mee, waarvan respondent vrouwelijk en één respondent mannelijk was. In totaal zijn er 20 diepte-interviews afgenomen. De respondenten hebben een Erasmus

(26)

uitwisseling gevolgd en voltooid tijdens het volgen van een bachelor opleiding aan de UvA.. De centrale vraag tijdens de diepte interviews betrof de vraag wat de motieven, motivatie en beweegredenen waren om een Erasmus uitwisseling te volgen. Het interview begon met een aantal individuele vragen zoals het geslacht, het geboortejaar en de geboorteplaats. De volgende kernconcepten zijn behandeld in de diepte-interviews:

- De beweegredenen van de studenten om een uitwisseling via Erasmus te doen - De visie van de respondenten op de toegenomen vraag naar het Erasmus

uitwisselingsprogramma. Hierbij werd gevraagd naar de meest voorname oorzaken van de groeiende vraag naar het programma.

- De visie van de respondenten op de belangrijkste oorzaken van de toegenomen vraag naar Erasmus als gevolg van politiek-economische en culturele invloeden. Daarnaast werd de studenten gevraagd in welke mate deze invloeden hebben geleid tot

toegenomen mobiliteit.

- De visie van de respondenten op de achterliggende gedachte van de Europese Unie om het uitwisselingsprogramma aan te bieden?

- De visie van de respondenten op de gevolgen van de toegenomen mobiliteit en de transportmogelijkheden voor het reisgedrag van de hedendaagse studenten?

Onderstaande tabel weergeeft de bovengenoemde kernconcepten in een schema:

Kernconcept Dimensies Operationalisering

Toegenomen vraag naar het Erasmusprogramma - Politieke-economische aspecten - Europese Integratie Proces - Globalisering

- Open grenzen tussen Europese lidstaten - Europese wet- en

regelgeving Toegenomen vraag naar het

Erasmusprogramma

- Culturele aspecten - Leren van een vreemde taal - Zelfontwikkeling - Pauze tijdens het

studeren

(27)

andere culturele waarden en normen - Leren kennen van

een nieuwe omgeving

- Een nieuwe ervaring willen hebben Toegenomen

transportmogelijkheden en mobiliteit voor Europese studenten - Politiek-economische aspecten - Technologische ontwikkeling - Veranderingen omtrent wet- en regelgeving - Groeiende Europese economie

Figuur 4, Schematisch overzicht van de kernconcepten die tijdens de diepte-interviews geanalyseerd worden door de respondenten

De bovengenoemde thema’s zijn relevant voor het onderzoek; deze vragen die gesteld zijn tijdens de diepte interviews zijn het fundament van dit onderzoek. Met behulp van de verworven informatie door middel van de diepte interviews, worden de causale verbanden tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabelen ondervonden. Daarnaast worden de invloeden van de contextuele variabelen op de andere variabelen onderzocht, namelijk; in welke mate de beweegredenen van de Europese Unie en de Erasmus studenten invloed hebben op de groeiende vraag naar het uitwisselingsprogramma.

Voor dit onderzoek is de bewuste keuze gemaakt om diepte interviews met de doelgroep af te nemen. Hiervoor is gekozen omdat meer en uitgebreide data verworven kan worden. Het doel van de diepte interviews is het achterhalen van de visies van de respondenten met betrekking tot de vijf boven genoemde punten. Wanneer er enquêtes gebruikt zouden worden zou er minder gedetailleerde data verworden kunnen worden; de meerkeuze vragen van een enquête zou de respondent beperken in zijn of haar antwoorden. De deelvragen zijn gefundeerd op de opinie en visie van de respondenten, waarbij vermeden wil worden dat de respondent zijn of haar antwoorden baseert op de opgestelde antwoorden (hierdoor zijn de opinie of de visie van de respondent beïnvloedt kunnen raken door de antwoorden die verwerkt zijn in een

(28)

voorkomen worden, waardoor deze geen beperking zullen zijn tijdens het verwerven van data. Een diepte interview past daarom meer bij dit onderzoek dan een andere vorm van kwalitatief onderzoek.

De eerste deelvraag is beantwoord op grond van de resultaten van de diepte interviews en een literatuur studie (Wat zijn de beweegredenen van de Erasmus studenten om een Erasmus uitwisselingsprogramma te volgen en wat zijn de beweegredenen van de Europese Unie om het Erasmus uitwisselingsprogramma aan te bieden). De beweegredenen van de Erasmus studenten zijn gevonden door middel van de interviews (de verworven data is geanalyseerd om de vraag te kunnen beantwoorden) en de beweegredenen van de Europese Unie zijn gefundeerd op een literatuur studie. De tweede deelvraag (Wat is de invloed van politiek-economische en culturele aspecten binnen de Europese Unie op de toegenomen vraag naar het Erasmus uitwisselingsprogramma) plaatst het antwoord op de vorige deelvraag in een maatschappelijke en wetenschappelijke context. Hiermee schetst deze deelvraag een beeld van de huidige normen, waarden en idealen van de maatschappij waarin de respondenten leven. Het doel hiervan is om een antwoord te vinden op de vraag in hoeverre de huidige maatschappelijke normen en waarden, invloed hebben op de houding van de studenten (in deze case de Erasmus studenten

Hoofdstuk 3 Resultaten

(29)

Wat zijn de beweegredenen van de Erasmus studenten om een Erasmus

uitwisselingsprogramma te volgen en wat zijn de beweegredenen van de

Europese Unie om het Erasmus uitwisselingsprogramma aan te bieden?

In dit hoofdstuk worden de beweegredenen van de hedendaagse studenten om een Erasmus uitwisseling te volgen en de beweegredenen van de EU om het programma aan te bieden uiteengezet. Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden zijn er diepte interviews afgenomen bij studenten aan de Universiteit van Amsterdam van verschillende faculteiten, zoals

beschreven in het hoofdstuk ‘methodologie’. Voor het onderzoek naar de motivatie van de EU is er een literatuurstudie gedaan. Aan de hand van deze vraag zal onderzocht worden in welke mate de redenen van de Erasmus studenten en de redenen van de EU overeenkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden of de doelstellingen van de EU haar vruchten afwerpen bij de hedendaagse Erasmus studenten.

Wat zijn de beweegredenen van hedendaagse studenten om een uitwisseling via ERASMUS te doen?

De diepte interviews met de Erasmus studenten zijn uitgewerkt en vervolgens geanalyseerd om verbanden te ontdekken tussen de redenen van studenten om een uitwisseling te volgen aan de ene kant, en het grote aanbod van transportmiddelen aan de andere kant. De resultaten worden getoetst aan de concepten en theorieën uit het theoretisch kader (beschreven in het hoofdstuk ‘Theoretisch kader). Het doel hiervan is het onderzoeken in welke mate de

theorieën overeenkomen komen met de visie en opinie van de respondenten. De redenen om een Erasmusuitwisselingsprogramma te volgen zoals deze in het theoretisch kader beschreven zijn, zullen in deze paragraaf uiteen gezet worden. Dit zijn de volgende; ‘jezelf leren kennen’, ‘iets nieuws en groters willen ervaren’, ‘het leren van een onbekende taal’ en tot slot ‘een bepaalde stad in een bepaald land leren kennen’.

Hieruit bleek dat de beschreven theorieën gedeeltelijk overeen kwamen met de antwoorden van de respondenten tijdens de diepte interviews. In het eerste deel van deze paragraaf worden de opinies en visies van de Erasmus studenten ten opzichte van het uitwisselingsprogramma beschreven worden, waarnaar in het tweede deel van de paragraaf beschreven wordt in welke mate de transportmogelijkheden en dus mobiliteit van invloed zijn op de motivatie van de

(30)

Erasmusstudenten om het programma te volgen. Tot slot zal het verband tussen mobiliteit en de redenen van de respondenten uiteengezet worden.

1) “Jezelf leren kennen”

Uit de resultaten van diepte interviews bleek dat de studenten voornamelijk op Erasmus uitwisseling gaan om de reden “iets nieuws” te ontdekken. De respondenten gaven aan dat het voornamelijk van belang is dat de studenten zich op ‘jonge’ leeftijd op educatief gebied zoveel mogelijk kunnen en willen ontwikkelen. Zij gaven hierbij aan dat de uitdaging om zichzelf te onderscheiden ten op zichten van andere studenten, een motivatie is om mee te doen aan het programma. Uit de interviews bleek dat deze uitdaging nog niet als een ‘concurrentie strijd’ werd gezien tussen andere studenten, maar dat de uitwisseling kan bijdragen aan een sterkere positie op de arbeidsmarkt. Ook gaven de studenten aan dat de uitwisseling heeft bijgedragen aan de eigen persoonlijke ontwikkeling en de ontdekking van de eigen persoonlijkheid; “Tijd hebben voor persoonlijke ontwikkeling, was voor mij een

belangrijke reden om de uitwisseling te volgen. Ik wilde weg zijn van de bekende sleur in Amsterdam, en andere kanten van mijzelf leren kennen op een nieuwe plek. Dit is naar mijn idee alleen mogelijk in een hele andere omgeving”. Deze stelling is bevestigd door een onderzoek van het Europese Parlement (2010). Volgens het Europese Parlement (2010) is ‘zelf ontwikkeling’ een meer voorname reden om op Erasmus te gaan dan financiële of carrièregerichte voordelen die het programma met zich mee kan brengen op lange termijn.

Een aantal respondenten gaven ook aan dat de interactie met andere Erasmusstudenten tijdens het verblijf in het buitenland, en de interactie met de lokale bevolking heeft bijgedragen aan de persoonlijke ontwikkeling; “Doordat ik tijdens mijn uitwisseling in aanraking kwam met andere culturele normen en waarden, ontdekte ik dat ik het eigenlijk helemaal niet eens was met mijn

levensstijl in Amsterdam. Bepaalde gewoonten die ik eerst thuis had, doe ik nu ook ineens heel anders omdat dat beter bij mij past”.

2) “Iets nieuws en groters willen ervaren”

Een tweede veel voorkomende reden betreft de ‘wil’ van de studenten om iets nieuws en groters te willen ervaren. Hierbij doelden de respondenten op het ervaren van een nieuw bestaan op een andere plek; “ik wilde ontdekken hoe het leven in een grotere stad er uit zou zijn. Ik

(31)

woon namelijk al mijn hele leven in Amsterdam en dat was wel weer mooi geweest”. Aspecten die hierbij genoemd werden waren onder anderen het maken van nieuwe vriendschappen, het leren kennen van een nieuwe omgeving en het ontdekken van de leefbaarheid van een nieuwe stad.

3) “Het leren van een onbekende taal”

Een derde reden om de uitwisseling te volgen was voor veel studenten de mogelijkheid om een nieuwe taal te leren. Duits en Spaans bleken uit het onderzoek de populairste talen; deze talen bleken populair omdat deze talen in grote delen van de wereld gesproken worden. Aan de ene kant lijkt dit tegenstrijdig met de stelling van de Europese Unie waarbij de

achterliggende gedachte om het leren van Europese talen te stimuleren, voornamelijk bedoeld is om het Europese Integratie proces te bevorderen. De motivatie van de Erasmus studenten blijkt vanuit een globale in plaats van Europese bril bekeken te zijn; de Erasmus studenten blijken meer oog te hebben om een sterke positie op globale schaal te verkrijgen dan op Europese schaal. Aan de andere kant worden deze talen óók in Europa gesproken te worden en wordt de doelstelling van de EU op deze manier ook behaald.

De uitwisseling van culturen (normen, waarden, gewoonten en gebruiken) tussen de Europese lidstaten, bevordert volgens de EU het eenwordingsproces. Deze EU stimuleert deze

uitwisseling om Europa één geheel te maken. Echter blijkt hier ook een tegenstrijdig aspect; de motivatie om een ‘vreemde’ taal te leren blijkt bij de partijen te verschillen. Uit de interviews is gebleken dat het leren van een vreemde taal uit eigen belang is, namelijk om

“zichzelf op taalkundig niveau te kunnen onderscheiden van een ander”. Dit staat lijnrecht tegenover de doelstelling van de EU; hierbij gaat het juist om het creëren van eenwording (Europa als geheel) in plaats van onderscheiding (het creëren van verschillen tussen individuen).

4) “Een bepaalde stad in een bepaald land leren kennen”

Ten vierde is volgens de Erasmus studenten de locatie van de uitwisseling een reden om op het programma te volgen. Uit de interviews bleek dat dit aan de ene kant klimaat een grote rol speelt en andere de kant de levendigheid van de stad; “Ik wilde de koude winters in Amsterdam ontsnappen en studeren op een plek waar de zon wel zou schijnen”, aldus een respondent die op

(32)

uitwisseling is geweest in Barcelona. Aan de andere kant kwam het aanbod van activiteiten binnen een bepaalde stad regelmatig naar voren; “Alles wat Amsterdam in kleine mate heeft, heeft Berlijn in grote mate. Het was voor mij daarom ook een makkelijke keuze om mij aan te melden voor de Freie Universität in Berlijn. Ik wilde iets groters dan Amsterdam meemaken”.

Een groot deel van de respondenten zag het uitwisselingsprogramma als een voordeel om, in de meeste gevallen een half jaar, een andere stad te bewonen. Wederom bleken de Duitse steden (voornamelijk Berlijn) en de Spaanse steden (met name Barcelona) populair te zijn onder de Erasmus studenten. Uit de interviews bleek dat met name de Zuid-Europese steden populair waren vanwege het klimaat, en de Noord-Europese steden vanwege de levendigheid in de steden.

Welke factoren dragen bij aan de motivatie van de Erasmus studenten om een uitwisseling te volgen?

In deze paragraaf worden de factoren opgesomd die wel of niet bijdragen aan de motivatie van de Erasmus studenten om een uitwisseling te volgen. De factoren die wél bijdragen aan de motivatie, zijn de directe en indirecte omgeving van de studenten. De factoren die niet bijdragen zijn voornamelijk de aanwezigheid van de transportmiddelen. In de volgende paragraf wordt dit verder uitgewerkt.

Draagt wel bij aan de motivatie om een uitwisseling te volgen: directe en Indirecte omgeving Het overgrote deel van de respondenten bleek gemotiveerd te zijn om een uitwisseling te volgen door de directe (familie, vrienden) en indirecte (derden, Social Media) omgeving. Uit de interviews bleek dat de invloed van de directe en indirecte omgeving van de studenten groter was dan de invloed van transportmogelijkheden (zoals de mogelijkheid om snel en goedkoop van luchttransport gebruik te maken). De verklaring die hiervoor gegeven werd door de studenten slaat weer terug op de behoefte van de studenten om zich te onderscheiden ten opzichte van andere studenten. De omgeving bepaalt volgens het overgrote deel van de geïnterviewde studenten de mate waarin zij moeten “presteren” en “onderscheid moeten maken tussen andere studenten om een goede kans op de globale arbeidsmarkt te hebben”.

Deze conclusie verwerpt dan ook de hypothesen van het praktijk onderzoek; uit de diepte interviews is gebleken dat de aanwezigheid van snelle en goedkope transportmiddelen, geen

(33)

significante invloed hebben op de keuze van de Erasmus studenten om een

uitwisselingsprogramma binnen Europa te volgen. Wat wél invloed had op de keuze van de Erasmus studenten, was de directe en indirecte omgeving.

Draagt niet bij om een uitwisselingsprogramma te volgen: bereikbaarheid door middel van transportmogelijkheden

Echter bleek uit de interviews dat het verhoogde aanbod van transportmogelijkheden zoals de grote hoeveelheid vluchten, treinverbindingen en velen wegennetwerken, in geringe mate hebben bijgedragen aan de motivatie van de huidige Erasmus studenten om het programma te volgen. Uit de diepte interviews is gebleken dat het aanbod van verschillende soorten

transport geen invloed hebben of hebben gehad op het reisgedrag van de studenten. Echter heeft de aanwezigheid van transportmiddelen er wel voor gezorgd dat de studenten makkelijk en snel naar het buitenland kunnen reizen. In de volgende alinea zal deze stelling uiteengezet worden.

Als gevolg van de enorme hoeveelheid transportmiddelen, zijn andere lidstaten makkelijk en snel bereikbaar, en hebben de open grenzen geleid tot internationaal verkeer. Daarentegen worden de transportmiddelen door de ondervraagde studenten gezien als “normaal” of “logisch”. Het gevolg hiervan is dat de aanwezigheid van transportmiddelen geen invloed heeft op de keuze van de studenten om een Erasmus uitwisseling te volgen. Uit de interviews blijkt dan ook dat snel en goedkoop transport, zoals de goedkope vluchten die aangeboden worden door RyanAir of de snelle treinverbindingen tussen grote steden, niets als iets

“nieuws” wordt gezien, waardoor deze factor geen rol speelt tijdens de overweging om mee te doen aan het uitwisselingsprogramma. Een kanttekening hierbij is dat deze stelling gevormd is door de huidige generatie Erasmus studenten; de ontwikkeling en de opkomst van snelle en goedkope vervoersmiddelen zouden volgens de respondenten wel invloed gehad kunnen hebben op vorige generaties. Er bevindt zich dus een tegenstrijdigheid tussen de theorieën zoals die beschreven zijn in het theoretisch kader en de opinie en visie van de respondenten over de invloed van transportmiddelen. Namelijk, de enorme hoeveelheid vervoersmiddelen heeft invloed gehad op het reisgedrag van Europeanen; sinds de ontwikkeling en introductie van vliegtuigen, bussen, auto’s, treinen en boten heeft “verplaatsing” een andere betekenis gekregen. Niet alleen kunnen mensen zich makkelijker en sneller, maar ook verder

(34)

ontwikkeling en is “transport” geen beperkende factor om het Erasmus programma te volgen. Er kan dus geconcludeerd worden dat mobiliteit een beperkende rol heeft gespeeld voor vorige generaties, maar dat dit aspect geen bepalende factor is om een uitwisseling te volgen voor de huidige generatie Erasmus studenten:“alles is bereikbaar binnen één dag, afstand speelt

daarom ook geen rol in het maken van een keuze, het enige probleem is de prijs van een ticket”. Deze uitspraak wordt onderbouwd door een onderzoek van het Europese Parlement (2010) waarbij gesteld werd dat de grootste obstakel om in het buitenland het programma te volgen een financiële barrière betreft. In het onderzoek van het Europese Parlement (2010) werden ook anderen potentiele barrières genoemd, zoals: de angst om te weinig kennis van de vreemde taal te hebben, het feit dat studenten niet mobiel zijn als gevolg van persoonlijke relaties of familiebanden of de onwetendheid over het bestaan van het programma (Europees Parlement, 2010).

In conclusie kan er gezegd worden dat de hoge mobiliteit volgens de respondenten, geen rol speelt bij het maken van de keuze om het Erasmus uitwisselingsprogramma te volgen.

Wat zijn de beweegredenen van de Europese Unie om een uitwisseling via ERASMUS te doen?

Zoals beschreven in het theoretisch kader, kwamen zes lidstaten door middel van het

getekende verdrag van de Europese Kool en Staal gemeenschap in 1951 samen, waarnaar in 1957 de Europese Economische Gemeenschap gevormd werd. Deze gemeenschappen werden opgericht om twee belangrijke redenen; ten eerste om de politieke situatie na de

wereldoorlogen tussen Duitsland en Frankrijk te verbeteren en ten tweede als een fundament voor een sterk economisch Europa (Dinan, 2005). Voor het eerst werd een

gemeenschappelijke markt opgezet waarbij goederen, diensten, kapitaal en arbeiders vrij verplaatst konden worden over de grenzen van de Europese lidstaten (Dinan, 2005). Deze veranderingen zorgden voor veranderingen in de houding van de Unie als een geheel; vanaf nu werd de soevereiniteit van de lidstaten verdeeld over de Unie (Dinan, 2005). Volgens de EU was dit de enige manier om op lange termijn de markt integratie te garanderen; verdragen, gedeelde soevereiniteit, regel- en wetgeving en een nieuwe vorm van internationaal recht, vormden de basis van deze gedeelde soevereiniteit (Dinan, 2005).

Onderstaande figuur weergeeft in chronologische volgorde de opgestelde verdragen die voor alle lidstaten van de Unie geldig zijn. De Unie bestaat nu uit 24 lidstaten, waarbij de

(35)

uitbreiding van de Unie nog altijd hoog op de politieke agenda staat. Een voorbeeld hiervan is de aanvraag van Turkije om deel uit te kunnen maken van de EU; het begin van deze

aanvraag dateert uit 1959 (Ankara Association Agreement) (Morelli, 2013). In 1987 diende Turkije haar verzoek in om deel uit te maken van de Europese gemeenschap, waarnaar het land tot de dag van vandaag nog steeds geen lidstaat van de EU is.

Figuur 5, Bron: Dinan, (2005). "The Ever Deeper Union", opsomming van politieke en economische veranderingen sinds de oprichting van de ‘European Coal and Steel Community’.

Sinds het jaar 1985 is de Europese Unie enorm versterkt: voorbeelden hiervan zijn de succesvolle verdiepingen en verbredingen en de veranderingen van wetten en verdragen die de Unie tot een geheel hebben gevormd (Richardson, 2006). Vooral dit laatste heeft een belangrijke rol gespeeld tijdens de hervormingen van Europa; de Europese integratie is hiervan een goed voorbeeld (Richardson, 2006). Deze integratie begon met de invoering van de interne markt in 1993, waarbij elf van de vijftien lidstaten een economische en monetaire unie vormde in 1999 (Richardson, 2006). Deze eenheid werd zichtbaar door de invoering van dezelfde munteenheid (Euro) en de invoering van één centrale bank.

(36)

De belangrijkste reden van de Europese Unie om het Erasmus programma aan te bieden, is om de eenwording van de lidstaten van de EU te bevorderen. Zoals in deze paragraaf eerder beschreven is, is dit proces ontstaan om de veiligheid van de Europese lidstaten en haar inwoners en het economisch welzijn te garanderen. In het globale klimaat waarbij onderlinge afhankelijkheid en competitie steeds belangrijkere aspecten zijn geworden, is het belangrijk voor de Unie om één sterk geheel te vormen (Dinan, 2005). De interactie en verbondenheid tussen de Europese lidstaten op politiek en economisch gebied is een manier om de

democratie te beschermen en daarbij conflicten te voorkomen (Dinan, 2005)

Sinds de EU het eenwordingsproces in gang heeft gezet, is de culturele diversiteit binnen vele lidstaten sterk toegenomen; de lidstaten zijn gevormd naar deze culturele veranderingen, en ook educatie en politieke systemen zijn aanzienlijk veranderd (Faas, 2007). Deze manier van integratie is nodig om de verschillen tussen de nationale staten te verkleinen (een voorbeeld hiervan is de meertaligheid van de Unie). Een belangrijke vraag voor de EU betreft dan ook op welke wijze zij integratie kan bevorderen en daarbij ondanks de grote verschillen een eenheid kan vormen. De Unie kan op verschillende manieren hieraan werken; de invoering van het Erasmus uitwisselingsprogramma is één van de manieren om integratie te bevorderen.

3.2 Deelvraag 2

Wat is de invloed van politiek-economische en culturele aspecten binnen de

Europese Unie op de toegenomen vraag naar het Erasmus

uitwisselingsprogramma?

Wat is de invloed van politieke-economische aspecten op de toegenomen vraag?

In deze paragraaf wordt besproken in welke mate politiek-economische en culturele aspecten invloed hebben gehad op de gestegen vraag naar het Erasmus programma. Hierbij is aan de ene kant onderzoek gedaan naar de mening van de respondenten en aan de andere kant is het perspectief van de Europese Unie onderzocht.

Referenties

GERELATEERDE DOCUMENTEN

laatste twee vragen wordt wel erg veel voorgekauwd (te veel naar ons idee) door de examenmakers, vooral bij vraag 11: doe eerst dit, vervolgens dat en tenslotte … Bijna

Respondent zes zei over zijn huidige reisgedrag naar andere steden: “Ik deed dat in eerste instantie na het wegvallen van mijn OV, nog maar minder dan eens in de twee

Uit tabel 17 blijkt dat de toets niet significant is, dat betekent dat er geen verschil is tussen de kleine en grote dorpen in de mate dat woonmogelijkheden belangrijk zijn

In aanvulling op bovenstaande inventarisatie hebben we lopende onderzoekslijnen voor late (medische) effecten (bijlage 3) en organisatie van zorg (bijlage 4) geïnventariseerd onder

In interviews is wel aangegeven dat sommige grote cybercrime hacks niet altijd gemeld worden, maar die zaken zijn eerder werk voor de Landelijke Eenheid dan voor de regionale

The main differences with Chapagain and Hoekstra ( 2003 , 2004 ) are: (1) we estimated the amount of feed consumed per animal category, per production system and per country based

This interpretation of the text can be based on the way in which the cognitive concepts of hands, right hand, head and tongue are used in contrasting ways by the different

To experimentally verify the existence of an intrinsic magnonic crystal resulting in quantized helimagnons in the conical and helical phases of Cu 2 OSeO 3 , we performed