• No results found

Algemeen deel

Artikel 3.38. Herkansing centraal examen Eerste lid

Het eerste lid van dit artikel kent iedere examenkandidaat het recht toe om in het tweede tijdvak of, in bepaalde gevallen, het derde tijdvak van het centraal examen opnieuw deel te nemen aan het centraal examen of het cspe in één vak dat is betrokken bij het vaststellen van de uitslag van het eindexamen. Het eindexamen wordt gezien als één ondeelbaar geheel. Dat betekent dat een kandidaat per eindexamen recht heeft op één herkansing. Dit geldt ook voor kandidaten die in een eerder leerjaar dan het laatste examen doen. Zij kunnen meteen na het doen van het examen in een eerder jaar hun herkansingsmogelijkheid benutten, maar hebben dan in het laatste jaar geen

mogelijkheid meer tot herkansing.

De mogelijkheid tot herkansing wordt in principe geboden in het tweede tijdvak. Als een kandidaat in de gelegenheid is gesteld het centraal examen in het tweede tijdvak te voltooien, vindt de mogelijkheid tot herkansing plaats in het derde tijdvak.

154 Tweede lid

Scholen bepalen zelf het moment waarop de cspe’s worden afgenomen, binnen een door het CvTE bepaalde periode (zie artikel 3.17). Binnen die periode kunnen ze bepalen wanneer het examen plaatsvindt, wanneer dat kan worden ingehaald en wanneer het kan worden herkanst. Uit het tweede lid van artikel 3.38 volgt dat het cspe net als andere centrale examens kan worden herkanst. De herkansingen van het cspe vinden echter niet op een centraal bepaald moment plaats, maar op een moment dat door het bevoegd gezag wordt bepaald. Dit moment vindt ofwel aansluitend aan het eerste tijdvak plaats, of in het tweede tijdvak.

Derde lid

De herkansing van het cspe is in dit lid iets anders geregeld dan de herkansing van een vak van het centraal examen. Waar de herkansing van een centraal examen altijd bestaat uit het opnieuw afleggen van de gehele toets, kan de herkansing van het cspe bestaan uit het afleggen van ofwel de gehele toets, ofwel één of meer onderdelen daarvan.

Vierde en vijfde lid

In artikel 3.34, vijfde lid (voor vwo en havo) en artikel 3.35, zevende lid (voor vmbo), is bepaald dat de rector of directeur de eindcijfers en, indien mogelijk, de uitslag, zodra deze zijn vastgesteld schriftelijk aan de kandidaat bekendmaakt. Daarbij moet hij mededelen wat in dit artikel (3.38) is bepaald over de herkansing. De directeur moet bepalen wat het moment is waarop de leerling moet hebben doorgegeven dat hij gebruik wil maken van de mogelijkheid tot herkansing. De leerling moet hier schriftelijk van op de hoogte worden gebracht als de eindcijfers aan hem worden bekendgemaakt, zie artikel 3.36, eerste lid.

Zesde lid

In beginsel vormt het eindexamen een ondeelbaar geheel. Het afleggen van een eindexamen betekent het doen van een examen in het geheel van de voor het

desbetreffende eindexamen voorgeschreven vakken, ongeacht het afnamemoment van die examens. Daar bestaan echter twee uitzonderingen op. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) kunnen op grond van artikel 14 van de WEC onder meer het uitstroomprofiel vervolgonderwijs verzorgen. De school voor vso verzorgt dan één of meer van de schoolsoorten vwo, havo, vbo (bb, kb en gl) en mavo (tl) zoals geregeld in de WVO 2020. Op grond van artikel 24 van de WEC kan een deel van het vso -schoolplan worden uitgevoerd door (onder meer) een school voor voortgezet onderwijs. Op grond van artikel 47 van de WEC kan aan leerlingen die vso volgen ook gelegenheid worden gegeven om eindexamen af te leggen aan een “school voor regulier onderwijs”. In sommige gevallen hebben scholen voor vso zelf een examenlicentie vo (op grond van artikel 2.71 WVO 2020). Leerlingen die zijn ingeschreven op een school voor vso met examenlicentie, leggen op hun eigen school het eindexamen af. Leerlingen die zijn ingeschreven op een school voor vso zonder examenlicentie kunnen staatsexamens combineren met regulier onderwijs als ze examen doen in de beroepsgerichte leerwegen, of de gemengde leerweg van het vmbo; ze doen als extraneus in het reguliere vo examen in de praktijkvakken, omdat deze niet via het staatsexamen kunnen worden afgesloten. Het zesde lid van artikel 3.38 regelt dat de regels over herkansing die in de overige leden van het artikel zijn gesteld, ook gelden voor de hierboven beschreven groepen kandidaten.

Artikel 3.39. Cijfer en uitslag na herkansing

155 Eerste lid

Als de kandidaat bij de herkansing van een centraal examen een hoger cijfer haalt dan bij het in het eerste tijdvak afgelegde centraal examen, dan geldt dat hogere cijfer.

Behaalt de kandidaat bij de herkansing een ongunstiger res ultaat, dan geldt het eerder behaalde cijfer voor het betreffende vak. Dit geldt ook voor leerlingen die in één of meer vakken examen hebben gedaan in een eerder leerjaar.

Tweede lid

In artikel 2.57, tweede lid, WVO 2020 is geregeld dat de rector of directeur en de secretaris van het eindexamen de uitslag van het eindexamen vaststellen. De uitslag luidt ‘geslaagd’ of ‘afgewezen’. In artikel 3.39 is geregeld hoe deze uitslag wordt vastgesteld. Deze regels zijn van overeenkomstige toepassing o p de vaststelling van de uitslag als een leerling een herkansing heeft gedaan. Dat betekent dat de uitslag op dezelfde manier wordt vastgesteld. Als een leerling geen gebruik maakt van de

mogelijkheid tot herkansen, is de uitslag definitief zodra de eindcijfers zijn vastgesteld en schriftelijk bekend zijn gemaakt aan de examenkandidaat.

Derde lid

Als een leerling een of meer vakken in een eerder leerjaar afsluit en ook in een eerder leerjaar een herkansing doet, kan de uitslag van het gehele eindexamen nog niet worden vastgesteld. De leerling moet dan nog centrale examens maken in het laatste leerjaar. Als een examenkandidaat een herkansing doet in een eerder leerjaar, staat het eindcijfer voor het betreffende vak daarmee vast. Het vak kan immers niet in een later leerjaar opnieuw worden herkanst. Het eindcijfer dat de kandidaat heeft behaald voor het betreffende vak, moet na afloop van de herkansing schriftelijk aan de kandidaat bekendgemaakt worden.

Paragraaf 5. Cijferlijsten, diploma’s en certificaten Artikel 3.40. Cijferlijst

Eerste lid

Iedere kandidaat die het eindexamen heeft afgelegd ontvangt op grond van de definitieve uitslag een cijferlijst, waarop een aantal zaken moeten zijn vermeld, voor zover deze voor de betreffende kandidaat van toepassing zijn. De cijferlijst moet worden uitgereikt door de rector of directeur (zie artikel 2.58 van de wet). Artikel 3.40 regelt de inhoud en vorm van de cijferlijst. Op iedere cijferlijst moet de uitslag van het

eindexamen worden vermeld en moeten de cijfers en beoordelingen staan die de leerling heeft behaald voor het schoolexamen, evenals de cijfers die hij heeft behaald voor het centraal examen én de eindcijfers van de examenvakken (het rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende onderdelen), met inbegrip van de

combinatiecijfers. In artikel 3.13 is geregeld hoe de beoordeling van het schoolexamen wordt uitgedrukt. De score voor het centraal examen is geregeld in de Wet College voor toetsen en examens (artikel 2, tweede lid, onderdeel d): het CvTE stelt de

beoordelingsnormen en de daarbij behorende cijfers vast.

Onderdeel f

Het aanbieden van een maatschappelijke stage is niet van overheidswege verplicht, maar een school mag de maatschappelijke stage wel zelf verplicht stellen. Het resultaat van de maatschappelijke stage maakt dan onderdeel uit van het schoolexamen, en kan onder voorwaarden worden vermeld op de cijferlijst. Om op de cijferlijst te worden vermeld moet de afronding van de stage als ‘voldoende’ of als ‘goed’ zijn beoordeeld, en

156 moet de maatschappelijke stage ten minste 30 uur hebben geduurd. Zie voor dit laatste artikel 3.10.

Onderdeel h

Op de cijferlijst moet ook de uitslag van het eindexamen zijn vermeld. Nadat de rector of directeur en de secretaris van het eindexamen de uitslag definitief hebben vastgesteld, reikt de rector of directeur op grond daarvan aan elke voor het eindexamen geslaagde kandidaat het diploma uit. Dat geldt ook voor kandidaten die examens hebben gedaan in het derde tijdvak (bij de staatsexamencommissie); zij ontvangen hun diploma eveneens van de rector of directeur van de school waar ze zijn ingeschreven.

Tweede lid

In principe worden alle vakken die de examenkandidaat heeft afgerond op de cijferlijst vermeld, ook als ze niet zijn meegewogen in de uitslagbepaling. Als de examenkandidaat heeft aangegeven dit niet te willen, worden de extra cijfers echter niet op de cijferlijst vermeld.

Derde lid

Op de cijferlijst moet de handtekening staan van de rector of directeur en de secretaris van het eindexamen.

Vierde lid

Voor de verschillende schoolsoorten is een model van de cijferlijst te vinden in de Regeling modellen diploma’s VO.

Artikel 3.41. Cijferlijst voor vso-leerling bij eindexamen vmbo in een of meer