• No results found

Gebruik je denkkracht’

In document GEBRUIK JE DENK- KRACHT (pagina 25-34)

26 0.00-0.07 (7 minuten)

1. 2.

4. 5.

De leerling kan het begrip ‘doel’ verbinden met het symbool ‘doel’ en de vraag ‘Wat ga je leren?’.

De leerling kan het begrip ‘manier’ verbinden met het symbool ‘gereedschap’ en de vragen ‘Hoe ga je dat doen?’ en ‘Wat heb je nodig?’.

De leerling kan het begrip ‘bijsturen’ verbinden met het symbool ‘fietsstuur’ en de vraag ‘Wat kun je verbeteren?’.

De leerling kan het begrip ‘klaar’ verbinden met het symbool ‘spiegel’ en de vragen ‘Wat heb je gedaan?’, ‘Wat zou je de volgende keer anders doen?’ en ‘Ben je tevreden?’.

Advance organizer

Vertel wat je deze les met de leerlingen gaat doen door middel van een advance organizer.

In deze les gaan we leren om stap voor stap onze hersens te gebruiken. We gaan stap voor stap nadenken over hoe we leren. We gaan daarbij de Stappenmaker gebruiken: een stappenplan waar vijf denkstappen op staan.

Straks ga ik jullie uitleggen hoe de Stappenmaker er uitziet.

Daarna zal ik een voorbeeld geven over hoe je met de Stappenmaker aan het werk gaat. Ik ga namelijk een brug bouwen.

Dan mag je zelf aan de slag met de Stappenmaker. Je gaat twee opdrachten doen. Bij de eerste opdracht maak je een tekening van een mens. Bij de tweede opdracht maak je een tekening van een fiets. Ik ga je helpen om stap voor stap na te denken over wat je gaat doen.

Aan het einde van de les gaan we terugkijken op hoe het ging.

Voorkennis activeren

Activeer de voorkennis van de leerlingen. Bij alles wat we doen, gebruiken we onze hersens. Als je op school een opdracht maakt, gebruik je je hersens. Als je je thuis aankleedt, gebruik je je hersens. Wanneer gebruik je nog meer je hersens?

 

In deze les gaan we denkstappen aanleren die heel belangrijk zijn als we iets gedaan willen krijgen, bijvoorbeeld een opdracht maken op school. Deze stappen gaan we leren met de Stappenmaker.

 

Geef elke leerling een Stappenmaker (zie afbeelding 1, p.3). Vraag de kinderen om naar de plaatjes te kijken. Wat zien ze?

Vertel dat je opdrachten op school stap voor stap kunt maken met de Stappenmaker door vijf denkstappen te zetten.

ONDERDEEL A

27 Uitgewerkt voorbeeld

Geef zelf het voorbeeld. Houd het kort. Zorg ervoor dat je zelf gaat bouwen en dat je de brug zelf laat mislukken. Laat zien dat het fout mag gaan en dat je dan terug gaat naar een eerdere stap op de Stappenmaker.

Leg de vijf stappen met de vijf woorden, de plaatjes en bijbehorende vragen uit aan de leerlingen aan de hand van een uitgewerkt voorbeeld. Dit kan bijvoorbeeld op deze manier:

1. Hang de symbolen van de Stappenmaker op A4-formaat (zie materialen) aan de muur of leg ze op de grond. Zorg ervoor dat je letterlijk van de ene naar de andere stap moet lopen. Leg uit dat de stappen op de Stappenmaker denkstappen zijn.

2. Leg de blokken op een tafel neer. Loop zonder blokken naar de eerste afbeelding: het doel. Dit is de eerste denkstap. Verplaats je in het perspectief van de leerling.

“Stel, ik krijg van mijn juf of meester de opdracht om een brug te bouwen. Ik begin bij stap 1 van de Stappenmaker. Daar zie ik een doel (wijs naar het plaatje). Wat is mijn doel? Wat ga ik leren? Mijn antwoord is: “Ik ga leren om een brug te bouwen.”

3. Loop naar de volgende stap: de manier. “Ik loop naar de volgende denkstap: de manier. Ik zie het gereedschap. Ik stel mezelf de vragen: ‘Hoe kun je dat doen?’ en ‘Wat heb ik nodig?’ Mijn antwoord op de eerste vraag is: “Ik wil met blokken een brug bouwen door ze op elkaar te leggen met een gat in het midden.” Wat heb ik nodig?

Hierop geef ik als antwoord: “Ik heb blokken nodig”.

4. Loop terug naar de tafel en laat zien dat er op de Stappenmaker ook een ‘tafel’ staat: het grijze vlak. Daar staat de startvlag. Dat betekent: ‘Aan de slag!’. Je bouwt de brug, maar het gaat niet helemaal goed: de brug stort in.

5. “Als ik een tijdje bezig ben, neem ik een time-out. Dan ga ik naar de denkstap controleren. Als ik wil controleren, stel ik mezelf de vraag: ‘Lukt het nu?’ Wat vinden jullie?

Duimen omhoog betekent ‘goed’, duimen omlaag betekent ‘nog niet zo goed’. Vertel je eigen mening daarna: “Ik vind dat het nog niet zo goed gaat: mijn brug stort in.”

6. Loop naar de volgende denkstap ‘bijsturen’. “Nu ga ik naar de stap bijsturen. Ik stel mezelf de vraag: ‘Wat kun je verbeteren?’ Ik bedenk een andere manier om ervoor te zorgen dat mijn brug niet meer gaat instorten. Ik ga dus terug naar de eerdere stap manier. Ik mag altijd terug naar een eerdere stap in de Stappenmaker. [Verwoord wat je precies verandert aan de manier waarop je een brug bouwt.]”

7. “Na de time-out ga ik weer aan de slag met de opdracht.” Bouw de brug succesvol af.

8. “Als ik klaar ben met de opdracht, dan ga ik terugkijken met de spiegel. Met de spiegel kan ik immers bekijken wat er achter mij is. Ik loop naar de stap ‘Klaar’ en stel mezelf deze drie vragen: ‘Wat heb je gedaan?’ ‘Wat zou ik de volgende keer anders doen?’ ‘Ben ik tevreden?’ De eerste vraag ‘Wat heb je gedaan?’ zou ik zo

beantwoorden: ik probeerde een brug te bouwen. Het ging eerst niet zo goed, want mijn brug stortte in. Daarna heb ik de brug op een andere manier gebouwd. Dat ging beter. De vraag ‘Wat zou ik de volgende keer anders doen?’ zou ik zo beantwoorden: ik zou meteen voor mijn tweede manier kiezen, zodat de brug niet instort. De derde vraag ‘Ben je tevreden?’ Ja, ik ben redelijk tevreden. Het is me gelukt om een brug te bouwen. Het ging niet zo snel, omdat hij eerst instortte, maar uiteindelijk is het me gelukt!”

Benadruk het verschil tussen de stappen ‘controleren’ en ‘klaar’: bij ‘controleren’ vraag je je tijdens het maken van de opdracht af of het nu lukt, terwijl je bij de stap

‘klaar’ terugkijkt door te vragen hoe het is gegaan. In de spiegel kun je immers bekijken wat achter je ligt.

Benadruk ook het verschil tussen ‘bijsturen’ en ‘klaar’: bij ‘bijsturen’ stel je jezelf de vraag: “Wat kun je verbeteren?”, terwijl je bij de stap ‘klaar’ terugkijkt op de opdracht en je de vraag stelt: “Wat zou je de volgende keer anders doen?”

Middenbouw

lesplan

28 0.07-0.17 (17 minuten)

1.

2. 4.

5.

De leerling kan het begrip ‘doel’ verbinden met het symbool ‘doel’ en de vraag ‘Wat ga je leren?’.

De leerling kan het begrip ‘manier’ verbinden met het symbool ‘gereedschap’ en de vragen ‘Hoe ga je dat doen?’ en ‘Wat heb je nodig?’.

De leerling kan het begrip ‘bijsturen’ verbinden met het symbool ‘fietsstuur’ en de vraag ‘Wat kun je verbeteren?’.

De leerling kan het begrip ‘klaar’ verbinden met het symbool ‘spiegel’ en de vragen ‘Wat heb je gedaan?’, ‘Wat zou je de volgende keer anders doen?’ en ‘Ben je tevreden?’.

De toetsing bestaat uit twee onderdelen:

A. Het in goede volgorde leggen van de symbolen.

B. Quiz waarin de leerlingen plaatjes combineren met de juiste termen op de Stappenmaker.

 

Uitvoering:

A. Leg alle symbolen van de Stappenmaker door elkaar op de grond neer. Laat een leerling ze in de goede volgorde leggen. Denken alle leerlingen dat het zo klopt of moet er nog iets veranderen? Beredeneer samen met de leerlingen waarom de juiste volgorde een logische volgorde is.

B. Laat de leerlingen de volgende quizvragen beantwoorden:

  1.

Welk plaatje hoort bij de stap ‘doel’? [Antwoord: doel]

2.

Welk plaatje hoort bij de stap ‘klaar’? [Antwoord: spiegel]

3.

Welk plaatje hoort bij de stap ‘manier’? [Antwoord: gereedschap]

4. Welk plaatje hoort bij de stap ‘bijsturen’? [Antwoord: fietsstuur]

ONDERDEEL B

Blokken om een brug te bouwen.

Voor elke leerling een Stappenmaker primair onderwijs onderbouw en middenbouw.

Voor de docent een Stappenmaker primair onderwijs bovenbouw om uitleg te kunnen geven met woorden.

Symbolen van de Stappenmaker primair onderwijs.

Middenbouw

lesplan

29 5

.

Welk plaatje hoort bij de vraag ‘Wat ga je leren?’ [Antwoord: doel]

6.

Welk plaatje hoort bij de vraag ‘Wat kun je verbeteren?’ [Antwoord: fietsstuur]

7

.

Welk plaatje hoort bij de vragen ‘Hoe ga je dat doen?’ en ‘Wat heb je nodig?’ [Antwoord: gereedschap]

8.

Welk plaatje hoort bij de vragen ‘Wat heb je gedaan?’, ‘Wat zou je de volgende keer anders doen?’ en ‘Ben je tevreden?’

[Antwoord: spiegel]

Optie 1:

Leerlingen lopen of rennen naar het juiste symbool. Leg de vier symbolen ‘doel’, ‘gereedschap’, ‘fietsstuur’ en ‘spiegel’ op de grond. Deze werkvorm kun je binnen of buiten uitvoeren. Laat de leerlingen uitleggen waarom ze bij een bepaald symbool staan.

 

Optie 2:

Wanneer je geen ruimte hebt om de kinderen te laten lopen of rennen, gebruik dan ‘Powerpoint Stappenmaker primair onderwijs onderbouw’, sheet 1. Laat de leerlingen het juiste plaatje en de juiste kleur benoemen. Laat de leerlingen uitleggen waarom ze voor een bepaald antwoord kiezen.

Meet in hoeverre de leerlingen de leerdoelen behalen. Laat de leerlingen uitleggen waarom ze voor een bepaald antwoord hebben gekozen. Complimenteer ze met juiste antwoorden. Probeer aandachtspunten expliciet te maken en mee te nemen in de rest van je les. Geef bijvoorbeeld hints..

Symbolen van de Stappenmaker primair onderwijs voor aan de muur.

Symbolen van ‘doel’, ‘gereedschap’, ‘fietsstuur’ en ‘spiegel’ op de grond tijdens quiz.

Powerpoint Stappenmaker primair onderwijs middenbouw, sheet 1 (optioneel).

Probeer de leerlingen te la bewegen tijdens de les. ten

Voordelen hiervan zijn: de leerlingen ler

en sneller doordat ze meer informa

tie kunnen opnemen en bewegen is gezond.

0.17-0.24 (7 minuten) 6.

7. 8.

9.

De leerling kan een doel stellen voorafgaand aan een opdracht.

De leerling kan een strategie bepalen om het doel te behalen voorafgaand aan een opdracht.

De leerling kan onder begeleiding van de docent beoordelen in hoeverre het lukt om het doel te behalen tijdens het werken aan de opdracht.

De leerling kan onder begeleiding van de docent beoordelen of bijsturing nodig is om het doel te behalen tijdens het werken aan de opdracht. De leerling kan indien nodig teruggaan naar een eerdere stap op de Stappenmaker.

ONDERDEEL C

Middenbouw

lesplan

30 10.

11.

12.13.

De leerling kan na afloop van het werken aan een opdracht evalueren op het proces en het product door respectievelijk te verwoorden op welke manier hij/zij aan het doel heeft gewerkt en in hoeverre het doel behaald is. Daarnaast kan de leerling verwoorden wat hij/zij de volgende keer anders zou doen.

De leerling staat open om te leren: fouten maken mag.

De leerling is bereid tijdig hulp te zoeken tijdens het werken aan een opdracht wanneer hij/zij vastloopt.

De leerling is bereid om kritisch naar het eigen handelen te kijken.

Klassikale oefening: een tekening maken van een mens

 

De oefening die de leerlingen gaan doen, vindt voor een groot gedeelte klassikaal plaats. Als docent loop je letterlijk van het ene symbool naar het andere. Leerlingen werken daarnaast individueel aan een opdracht: een tekening maken van een mens.

 

Leg de ‘Symbolen Stappenmaker primair onderwijs’ in de klas op de grond of hang ze aan de muur.

Zorg ervoor dat elke leerling de Stappenmaker op zijn tafel heeft liggen.

Geef elke leerling een pion.

Laat leerlingen erop attent zijn dat ze niet meteen beginnen met tekenen, maar eerst de stappen ‘doel’ en ‘manier’ gaan zetten. De stappen loop je klassikaal door.

  1.

Doel

Voordat de leerlingen beginnen met het werken aan de opdracht, ga je eerst naar het plaatje ‘Doel’ lopen. Laat de leerlingen hun pion op hun Stappenmaker zetten op het symbool ‘doel’. Benoem de stap ‘Doel’ en stel daarna de vraag: ‘Wat ga je leren?’ Laat leerlingen het antwoord geven en corrigeer waar nodig. Ze gaan leren om een mens te tekenen.

  2.

Manier

Vervolgens loop je naar het plaatje ‘gereedschap’ van de tweede stap ‘manier’. Laat de leerlingen hun pion op de stap ‘manier’ zetten. Benoem de stap ‘Manier’ en stel daarna de vraag: ‘Hoe ga je dat doen?’ en vervolgens: ‘Wat heb je nodig?’ Laat leerlingen het antwoord geven en corrigeer waar nodig. Ze gaan een mens tekenen met een potlood en papier. Een uitgebreider antwoord zou kunnen zijn dat leerlingen nadenken over hoe een mens er uitziet en dan gaan tekenen.

Aan de slag!

Laat de leerlingen hun pion neerzetten bij de startvlag.  Op de Stappenmaker staat een grijs vlak wat lijkt op een tafel met daarin de startvlag. De startvlag betekent dat ze mogen beginnen met tekenen. De leerlingen krijgen drie minuten om de opdracht te maken. Noem dat je na één minuut een time-out aangeeft. Dan gaan we naar stap 3:

controleren.

Middenbouw

lesplan

31

3.

Controleren

Loop naar het plaatje ‘bril’ en benoem de stap ‘controleren’. Laat de leerlingen hun potlood neerleggen en hun pion neerzetten bij de bril. Stel vervolgens de vraag: ‘Lukt het nu?’ Vraag aan de leerlingen waarom het wel of niet lukt. Waarschijnlijk zullen leerlingen snel ‘ja’ zeggen. Probeer ze kritisch te laten kijken naar hun eigen werk. Zijn ze misschien iets vergeten, bijvoorbeeld wenkbrauwen of nagels? Laat ze eens bijvoorbeeld kijken bij hun buurman of buurvrouw. Heeft hun buurman of buurvrouw aan iets gedacht waar ze zelf nog niet aan hebben gedacht?

Benadruk dat fouten maken mag en geef dit ook aan in je feedback richting de leerlingen als ze fouten maken. Ze mogen altijd teruggaan naar een eerdere stap in de Stappenmaker.

4. Bijsturen

Loop naar het volgende plaatje ‘fietsstuur’ en benoem de stap ‘bijsturen’. Laat de leerlingen hun pion neerzetten bij de stap bijsturen. Stel de vraag: ‘Wat kun je verbeteren?’

Laat de leerlingen bedenken wat ze kunnen verbeteren en vul aan waar nodig. Geef aan dat ze ook ‘rechtdoor’ kunnen gaan als ze op dezelfde manier verder willen gaan. Als ze op een andere manier verder willen gaan of het doel willen bijstellen, sturen ze bij. Ze komen dan terecht op een eerdere stap van de Stappenmaker. Wanneer leerlingen er moeite mee hebben om wanneer ze vastlopen om hulp te vragen, stimuleer hen dan om hulp te vragen.

 

Leerlingen gaan verder met het maken van hun tekening.

 

5. Klaar

Als de tijd om is, loop je naar de laatste stap: ‘Klaar’ met het plaatje ‘spiegel’. Laat de leerlingen hun potlood neerleggen en hun pion neerzetten bij de laatste stap. Benoem deze stap en stel drie vragen achter elkaar, zodat de leerlingen weten welke vragen straks aan de orde komen: ‘Wat heb je gedaan?’, ‘Wat zou je de volgende keer anders doen?’ en ‘Ben je tevreden?’

Begin met de vraag ‘Wat heb je gedaan?’ Laat de leerlingen nadenken over het proces. Wat gebeurde er eerst en wat daarna? Lukte het meteen of hebben ze bijvoorbeeld hun manier veranderd?

Stel de vraag: ‘Wat zou je de volgende keer anders doen?’ Probeer de leerlingen te laten nadenken over wat ze hebben verbeterd en wat ze leren van andere leerlingen om hen heen. Wat zouden ze de volgende keer doen als ze zo’n opdracht krijgen?

Stel de vraag: ‘Ben je tevreden?’ Vraag aan de leerlingen waarom ze wel of niet tevreden zijn. Waarschijnlijk zullen veel leerlingen snel ‘ja’ zeggen. Probeer ze kritisch te laten kijken naar hun eigen werk. Complimenteer ze met de dingen die goed gingen en geef het aan als er nog aandachtspunten zijn.

Tafel voor leerlingen om aan te werken.

Papier om op te tekenen.

Potlood.

Pion of iets wat als pion kan fungeren, bijvoorbeeld een dobbelsteen.

Stappenmaker primair onderwijs onderbouw en middenbouw voor elke leerling.

Symbolen Stappenmaker primair onderwijs.

Powerpoint Stappenmaker primair onderwijs middenbouw, sheet 2.

PAUZE

Middenbouw

lesplan

32

De leerling kan een doel stellen voorafgaand aan een opdracht.

De leerling kan een strategie bepalen om het doel te behalen voorafgaand aan een opdracht.

De leerling kan onder begeleiding van de docent beoordelen in hoeverre het lukt om het doel te behalen tijdens het werken aan de opdracht.

De leerling kan onder begeleiding van de docent beoordelen of bijsturing nodig is om het doel te behalen tijdens het werken aan de opdracht. De leerling kan indien nodig teruggaan naar een eerdere stap op de Stappenmaker.

De leerling kan na afloop van het werken aan een opdracht evalueren op het proces en het product door respectievelijk te verwoorden op welke manier hij/zij aan het doel heeft gewerkt en in hoeverre het doel behaald is. Daarnaast kan de leerling verwoorden wat hij/zij de volgende keer anders zou doen.

De leerling staat open om te leren: fouten maken mag.

De leerling is bereid tijdig hulp te zoeken tijdens het werken aan een opdracht wanneer hij/zij vastloopt.

De leerling is bereid om kritisch naar het eigen handelen te kijken.

Individuele oefening: een tekening maken van een fiets

 

Zorg ervoor dat elke leerling de Stappenmaker op de tafel heeft liggen. Leerlingen krijgen de opdracht om een tekening te maken van een fiets binnen vier minuten. Dit is een individuele opdracht. Bij het maken van de opdracht maken ze gebruik van de Stappenmaker. De leerlingen moeten nog leren om de stappen op de

Stappenmaker goed te zetten en hebben daarbij begeleiding nodig van jou als docent. Daarom zijn er twee time-outs tijdens deze oefening. Geef leerlingen een totaalplaatje van de oefening. Leg de structuur uit aan de hand van tabel 2 op de volgende pagina.

 

Bij de time-outs kun je complimenteren over wat al goed gaat. Bij aandachtspunten kun je bijvoorbeeld denken aan dingen die je leerlingen vergeten zijn te tekenen. Je kunt de vraag stellen: ‘Hoe

kom je erachter dat je misschien wel iets vergeten bent?’ Je kunt bijvoorbeeld teruggaan naar de stap ‘Manier’, omdat je een voorbeeld nodig hebt van een fiets. Hebben ze gedacht aan trappers, een fietsbel en spaken? Een voorbeeld van een fiets kun

je laten zien door powerpoint sheet 3 of pak een fiets van het schoolplein.

Leerlingen zullen over het algemeen snel

‘ja’ zeggen wanneer je ze de vr

aag stelt: ging het eerst? Hebben ze bijgestuur

Hoe ging het daarna? d?

Vraag de leerlingen bij de stap ‘bijsturen’ of ze wel willen bijsturen. Misschien willen ze

op dezelfde manier verder gaan, oftewel, misschien willen ze rechtdoor gaan.

Middenbouw

lesplan

ONDERDEEL D

33

Gebruik bij de time-outs de symbolen van de Stappenmaker. Loop naar de betreffende symbolen of geef met een pijl op de powerpoint (zie sheet 2) aan bij welke stap jullie zijn. Hebben leerlingen bij de stap ‘manier’ behoefte aan een voorbeeld? Gebruik dan sheet 3 of haal een fiets van het schoolplein.

Gebruik bij de time-outs de symbolen van de Stappenmaker. Loop naar de betreffende symbolen of geef met een pijl op de powerpoint (zie sheet 2) aan bij welke stap jullie zijn. Hebben leerlingen bij de stap ‘manier’ behoefte aan een voorbeeld? Gebruik dan sheet 3 of haal een fiets van het schoolplein.

In document GEBRUIK JE DENK- KRACHT (pagina 25-34)