In dit hoofdstuk gaan wij dieper in op leven lang ontwikkelen in 2020. Tijdens de meting in 2020 had Nederland al ruim een half jaar te maken met de covid-19 crisis die een onmiskenbaar effect op de arbeidsmarkt (het wegvallen van werk en dalende vaca-tures in sommige segmenten, zie Bakens e.a. 2020) en de organisatie van het werk had. Veel werknemers moesten online of in hybride vorm hun werkzaamheden voort-zetten (Mikolajczyk 2021). Het ligt in de lijn der verwachtingen dat dit zijn uitwerking heeft gehad op de mogelijkheden van werkenden om te leren op het werk. We hebben immers in Hoofdstuk 1 gezien dat er veel geleerd wordt op het werk. Aan de ene kant kunnen nieuwe, uitdagende taken als gevolg van werken op afstand hebben geleid tot meer informeel leren. Aan de andere kant kan het thuiswerken ook hebben gezorgd voor een afname in het leren doordat er minder samenwerking en interactie met collega’s heeft plaatsgevonden. Naast het leren op het werk, kunnen ook de mogelijkheden voor cursusdeelname zijn veranderd. Geplande cursussen zijn misschien in eerste instantie uitgesteld, andere hebben digitaal plaatsgevonden. Niet iedereen is digitaal vaardig genoeg om een dergelijke cursus te volgen, of om hier evenveel van te leren dan van een fysieke cursus (OECD 2021). Ook andere aan covid-19 gerelateerde veranderingen kunnen het leergedrag hebben beïnvloed. Het sluiten van de scholen of het assisteren van kinderen bij thuisonderwijs, bijvoorbeeld, kan ervoor gezorgd hebben dat ouders zorgtaken en werk taken efficiënter moesten combineren, en wellicht minder tijd over hadden voor een cursus of zelfstudie buiten werktijd.

Reden genoeg dus om het leven lang ontwikkelen in 2020 onder de loep te nemen. In paragraaf 2.1 beschrijven we de kenmerken van cursusdeelname in 2020. Wie heeft het initiatief genomen, wie heeft de cursus betaald en was er een eigen bijdrage in termen van tijd? Ook bekijken we de inhoud van de cursus en de motieven om aan cursussen deel te nemen. We bekijken deze kenmerken van cursusdeelname apart voor verschil-lende groepen werkenden. Indien er belangrijke verschillen waargenomen worden ten opzichte van 2017, worden die uiteraard vermeld. In paragraaf 2.2 laten we de geper-cipieerde effecten van covid-19 op de leermogelijkheden zien door de bril van de werkenden. Hebben zij het gevoel meer of minder te kunnen leren door de covid-19 situatie? In paragraaf 2.3 gaan wij in op de determinanten van leren op het werk en belichten wij de verschillen t.o.v. 2017. In bijzonder zoomen wij in op de leercultuur en het HR-beleid.

20 Hoofdstuk 2 Samenvatting

• In 2020 gaf één op de drie werkenden aan nog nooit een cursus te hebben gevolgd.

• De meest opgegeven reden voor cursusdeelname is verplichting door de werkgever, hoewel ook het langer kunnen blijven werken als belangrijke motivatie wordt gezien.

• In 82 procent van de gevallen wordt werd een cursus volledig betaald door de werkgever.

• Voor zelfstandigen is het leveren van betere kwaliteit de belangrijkste leermotivatie. Zij volgen vaker een cursus in hun vrije tijd dan andere werkenden.

• Ook wanneer rekening wordt gehouden met verschillende bedrijfs- en persoonlijkheidskenmerken, blijven significante verschillen bestaan in cursusdeelname door werkenden met verschillende opleidingsori-entaties en contracttypes. Deze verschillen zijn in de LLO-meting van 2020 groter dan in de meting van 2017.

• 39 procent van de werkenden geeft aan dat de Covid-19 pandemie de mogelijkheden voor cursusdeelname heeft verslechterd. Met name onder theoretisch geschoolden en werkenden met een tijdelijk contract mét perspectief op vast zijn deze percentages nog wat hoger.

• Als het gaat om de mogelijkheden voor het leren van taken, ervaarde 25 procent van de werkenden een verslechtering door Covid-19.

• Zelfstandigen en werkenden met een migratieachtergrond geven relatief vaak aan dat hun mogelijkheden tot cursusdeelnamen en informeel leren juist zijn toegenomen.

• Zelfstandigen en werkenden met een migratieachtergrond geven relatief vaak aan dat hun mogelijkheden tot cursusdeelnamen en informeel leren juist zijn toegenomen.

• Met name door de oudere leeftijdsgroep en mensen die langer in dienst zijn bij dezelfde werkgever lijkt minder informeel te worden geleerd; deze negatieve verbanden zijn sterker dan in de LLO-meting van 2017.

• Ook wanneer we rekening houden met verschillende persoons-, persoonlijkheid-, baan-, en bedrijfskenmerken, houdt zelfstudie in 2020 het sterkst verband met een theoretische opleidingsachtergrond.

Leven Lang Ontwikkelen in 2020 21

• Informeel leren in 2020 hangt het nauwst samen met de leercultuur binnen een organisatie.

• Cursusdeelname in de twee jaar voorafgaand aan de LLO-enquête 2020 hangt het sterkst samen met bedrijfskenmerken. Met name aandacht voor functioneren en/of loopbaanontwikkeling door middel van verschillende HR-instrumenten blijkt sterk te correleren met cursusdeelname door werknemers.

• Mede gezien de grote rol van HR-instrumenten in het verklaren van leeractiviteiten door werkenden, is de significante afname in het gebruik van deze instrumenten in de LLO-enquête 2020 zorgwekkend.

2.1 Kenmerken van cursusdeelname 2020

In Figuur 2.1, een infographic, wordt een overzicht gegeven van de meest belangrijke kenmerken van cursusdeelname in 2020.21 We gaan in op de vraag wie de werk gere-lateerde cursussen heeft geïnitieerd en betaald en, wanneer de cursus heeft plaatsge-vonden. Ook laten we zien welke vaardigheden het meest geleerd zijn en wat de belang-rijkste motieven waren om deel te nemen. Ook wordt ingegaan op de intensiteit van de cursus en de vraag of de cursus is afgesloten met een diploma of certificaat. Als laatste wordt de cursusdeelname naar sector getoond.

Intensiteit en afronding cursussen

De infographic laat allereerst zien dat bijna één op de drie werkenden nog nooit een cursus gevolgd heeft. 18 procent heeft weleens een cursus gevolgd, meer dit was meer dan twee jaar voor het beantwoorden van de vragenlijst. Meer dan de helft van de werkenden (51%) heeft in de twee jaar voorafgaand aan de vragenlijst een cursus gevolgd. De rest van Hoofdstuk 2.1 gaat over deze groep. Van deze groep heeft 78 procent een cursus gevolgd die, in totaal, minder dan een volle werkweek heeft geduurd. Uit deze groep heeft 75 procent de cursus met een diploma of certificaat afgesloten. Uit de groep werkenden die hebben deelgenomen aan een cursus die meer dan een werkweek duurde (22%) heeft 83 procent deze met een diploma of certificaat afgesloten.

Cursusdeelname naar sector

De cursusdeelname is niet in alle sectoren gelijk, en kan worden verklaard door de verschillen in noodzaak tot bijscholing per sector (Nelen 2012). De sectoren waar in 2020 de cursusdeelname rond of boven de 60 procent lag zijn overheidsdiensten en open-baar bestuur, gezondheids- en welzijnszorg, en met bijna 70 procent cursusdeelname de sector onderwijs. In 2017 hoorde de sector financiële instellingen en zakelijke dienstver-lening ook tot deze groep, in 2020 is de cursusdeelname in deze sector afgenomen tot 53 procent, maar deze afname is niet significant.

Figuur 2.1 Infographic: cursusdeelname in 2020

21 Het volgen van een volledige opleiding wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.

LANDBOUW, INDUSTRIE EN ENERGIEWI BOUWNIJVERHEID HANDEL HORECA EN VERVOER FINANCIËLE INSTELLINGEN EN ZAKELIJK OVERHEIDSDIENSTEN EN OPENBAAR BE ONDERWIJS GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG CULTUUR, RECREATIE EN OVERIG

SOORT KENNIS EN VAARDIGHEDEN WAAROP DE CURSUS ZICH RICHT

WERKENDEN

LEIDING GEVEN 52%

VAKSPECIFIEKE KENNIS 10%

MENSEN BEINVLOEDEN OF OVERTUIGEN 9%

ADMINISTRATIEVE VAARDIGHEDEN 7%

COACHING 6%

MOTIVATIE VOOR HET VOLGEN VAN EEN CURSUS WERKENDEN

DE CURSUS IS VERPLICHT 39%

LANGER KUNNEN BLIJVEN WERKEN 36%

LOOPBAANDOELEN BEHALEN 33%

GEZONDER/VEILIGER WERKEN 26%

KENNIS EN ERVARING WAREN ONVOLDOENDE 25%

MOTIVATIE VOOR HET VOLGEN VAN EEN CURSUS ZELFSTANDIGEN

BETER KWALITEIT LEVEREN 75%

ANDER SOORT KLANTEN KRIJGEN 28%

MEER OMZET MAKEN 24%

WERKENDEN NAAR DUUR EN AFRONDING CURSUS (%)

GEVOLGD, NIET IN DE AFGELOPEN 2 JAAR

In document ROA Rapport. Leven lang ontwikkelen in Nederland ROA. Annemarie Künn-Nelen Henry Abbink Sabine Baumann Silke van Elferen Didier Fouarge (pagina 29-32)