Wim Buijze, Leven en werk van Georg Everhard Rumphius (1627-1702). Een natuurhistoricus in dienst van de VOC · dbnl

498  Download (0)

Hele tekst

(1)

(1627-1702). Een natuurhistoricus in dienst van de VOC

Wim Buijze

bron

Wim Buijze, Leven en werk van Georg Everhard Rumphius (1627-1702). Een natuurhistoricus in dienst van de VOC. W.Buijze, z.p. [Den Haag] 2006

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/buij015leve01_01/colofon.php

© 2017 dbnl / erven Wim Buijze

(2)

Voorwoord

In 1871 schreef P.A. Leupe in Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen nummer 12 (pp. 1-63) C.G. [Uitgave van der Post: Amsterdam:

1671] een artikel dat hij noemde: Georgius Everhardus Rumphius, Ambonsch Natuurkundige in de zeventiende eeuw.

Dit was de allereerste - en geslaagde - ‘poging’ een levensbeschrijving van Rumphius te geven. Leupe deed veel onderzoek in archieven en hetgeen hij daaruit opdiepte is de basis van veel wat later over deze grote ambonse onderzoeker geschreven werd.

In 1944 schreef G. Ballintijn het boek RUMPHIUS de blinde ziener van Ambon.

Dit boek was de eerste en tot dusver enige levensbeschrijving van Georg Everhard Rumphius (1627-1702). Rumphius vertrok in 1653 in dienst van de VOC naar Indië.

Hij werd geboren in het duitse Hessen, toen in Duitsland de Dertigjarige Oorlog in alle hevigheid woedde. Zoals zoveel van zijn landgenoten, trok hij naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Holland was in die tijd de welhaast belangrijkste natie in Europa, met een enorme culturele, wetenschappelijke en sociale uitstraling.

Via Kaap De Goede Hoop kwam hij midden 1654 op Batavia aan, vanwaar hij werd doorgestuurd naar het molukse eiland Ambon. Hij zou tot zijn dood daar blijven.

Het was dáár dat hij zich ontwikkelde tot een groot natuurhistoricus, die de nog nooit beschreven natuur van de Molukken voor het allereerst nauwkeurig bestudeerde en in kaart zou brengen.

Ballintijn beschreef Rumphius' leven maar richtte zijn aandacht ook op zijn correspondentie met anderen, waardoor een goed beeld geschetst werd van het intellectuele klimaat waarin Rumphius functioneerde. Deze biografie is nog steeds heel lezenswaardig en hierdoor kreeg de naam ‘Rumphius’ een zekere bekendheid bij het nederlandse publiek. Toch bleef het zo dat bij het grote publiek diens naam onbekend is. De prachtige verhalen van Maria Dermoût over Ambon en de Molukken hebben, in de jaren vijftig van de twintigste eeuw, Rumphius bij een groot aantal mensen onder de aandacht gebracht. Bij botanici heeft hij altijd wel de aandacht gekregen die hij verdiende. Dat Ballintijns boek nog slechts spaarzaam antiquarisch te verkrijgen is, is een groot bezwaar.

Wij zijn nu zestig jaar verder dan toen Ballintijn zijn boek schreef en in deze lange periode zijn veel, destijds nog onbekende of nog nooit gevonden en nooit

gepubliceerde zaken over Rumphius' leven en zijn werken aan het daglicht gekomen.

Het is mede hierom dat ik meende een nieuwe biografie van Rumphius te moeten schrijven.

Ik wil een beeld geven van zijn persoon, door niet zèlf te vertellen hoe hij was:

nauwkeurig, exact, een strenge Calvinist, een onvermoeibaar onderzoeker en

doorzetter, ondanks de vele tegenslagen die hij op zijn weg ontmoette. De kwalificatie

Blinde Ziener die Ballintijn hem gaf betreft het feit dat Rumphius van 1670 tot aan

zijn dood aan beide ogen blind was en niettemin zijn werk voortzette. Het woord

(3)

Ziener betekent in het hedendaagse Nederlands helaas niet iemand die gewoon concrete zaken zien kan, maar heeft betrekking op mensen die menen para-normaal begaafd te zijn en aldus dingen denken te zien die gewone mensen niet kunnen zien.

Rumphius was weliswaar zeer begaafd, maar bepaald niet para-normaal. Hij stond met beide benen op de grond. Het is hierom, dat ik Ballintijns titel Blinde Ziener - hoe aardig ook gevonden - onjuist acht.

Ik wil Rumphius zoveel mogelijk zèlf aan het woord laten en wel om twee redenen:

a. Op deze wijze krijgt men niet mijn persoonlijke interpretatie, maar kan de lezer op grond van Rumphius' teksten tot een eigen oordeel komen.

b. Rumphius schreef in het Nederlands van de 17de-eeuw. Dit Nederlands schrijft hij levendig en met zoveel verve, dat men al lezende zoveel dichter tot hem komt dan wanneer ik zijn teksten in het huidige Nederlands zou hebben overgezet. De gewoonte om teksten te ‘hertalen’ om het de lezer ‘gemakkelijk’ te maken is mijns inziens volstrekt overbodig. Het Nederlands van de tweede helft van de 17de-eeuw staat zeer dicht bij het huidige. Na lezing van enkele bladzijden wordt duidelijk dat

‘hertalen’ overbodig is. Deze biografie is geschreven voor diegenen, die de geringe moeite wel willen nemen.

Onze nu voorliggende tekst bestaat uit vier delen.

- Ten eerste een beschrijving van Rumphius' leven en zijn werk, vanaf zijn geboorte in 1627 tot zijn dood on 1702.

- Ten tweede worden de lotgevallen van zijn nalatenschap onderzocht. Dit betreft zijn manuscripten, het drukken ervan en hetgeen er gebeurde met de unieke collectie molukse naturalia en ethnografica, die hij in 1682 stuurde aan Groot-Hertog Cosimo III de Medici van Toscane.

- Ten derde wordt voor het eerst een volledige genealogie van de familie Rumphius gegeven.

- Ten vierde en ten laatste worden onder de titel Personen in Rumphius' Wereld, die onderzoekers, wetenschappers en correspondenten in Azië en in Europa behandeld, die in Rumphius' tijd relevant onderzoek verrichtten. Dezen figureerden vaak al in de beschrijving van Rumphius' leven en zijn werk. Om de Personen volledig en leesbaar te houden, komt daarin soms een passage voor, die wij al in deel 1 tegenkwamen.

W. Buijze

Verantwoording

- Monseigneur André P.C. Sol msc was meer dan een kwart eeuw Bisschop van

Ambon. In de vele jaren die hij in de Molukken doorbracht heeft hij een grote

collectie boeken, documenten, brieven, tijdschriften en rapporten - alle met

betrekking tot de Molukken en Nieuw-Guinea - verzameld. Deze bevindt zich

nu in zijn Perpustakaan Rumphius ofwel de Rumphius-

(4)

Bibliotheek. Voor mijn werk over Rumphius heeft hij mij vaak van, in dat verband onbekende, informatie voorzien. Ook in deze levensbeschrijving gebruik ik dankbaar hetgeen hij mij toezond.

- Gerhard Steinl, mein treuer Freund aus Hungen, wohnhaft in der Gegend, in der Rumpf geboren wurde, schickte mir sehr oft Material das ich nirgendwo anders finden konnte. Er fand in Archiven in Hessen manchmal - bis jetzt - unbekannte Tatsachen über das Leben des jungen Rumpfs. Er hat mich oft beraten und stimuliert. Ohne Gerhard hätte dieses Buch ganz anders ausgesehen.

Vielen Dank!

- Frau Angela Noe, Stadtarchiv Hanau, machte für mich sehr betrachtlichen Photokopien in Beziehung zu den ersten Jahrzehnten des Gymnasiums zu Hanau.

Dank diesen Documenten war es mir möglich zum ersten Mal neues Licht zu werfen auf Rumpfs wissenschaftliche Ausbildung.

- Mevrouw G.L. Balk van het Algemeen Rijks-Archief (ARA) nu Nationaal Archief (NA) te Den Haag, bezorgde mij kopieën van Rumphius' Ambonse Historie, uit het Arsip Nasional Republik Indonesia (ANRI) te Jakarta. Naar aanleiding van een aanwijzing van mij vond zij - in de nog niet gedrukte Dagh-registers van het Kasteel Batavia - hoe Rumphius' kleinzoon Hendrik om het leven kwam.

Dat is toch iets heel bijzonders.

- Drs. C.J.E.J. Hattink uit Rotterdam is een gedegen classicus met een grote eruditie. Hij hielp mij steeds met preciese vertalingen uit het Latijn als ik hem daarom vroeg. Ik dank hem daarvoor zeer.

- Met Dr. P.G.H. Schreurs uit Tilburg kan ik inhoudelijk praten over de geschiedenis van de Molukken in de 16de eeuw, ten tijde dat de Portugezen daar de dienst uitmaakten. Ook hij kent de interessante spaanse en portugese litteratuur uit die vroege tijden. Hij is de enige met wie ik daarover spreken kan.

Hij heeft mij behoed voor missers.

- De Heer R.J. Vink verstrekte gegevens betreffende de Campernoelje.

- De bioloog Dr. C.J. Heij is een goede vriend, die mij steeds helpt als ik vragen heb op plant- en dierkundig terrein. Hij maakte ook foto's op voor mij niet toegankelijke plaatsen.

- Dr. J.F. Veldkamp van het Nationaal Herbarium van de Universiteit te Leiden, hielp mij met mijn problemen rond de botanicus Paul Hermann (1646-1695).

Hij maakte mij wegwijs in de bibliotheek van zijn instituut en hij zorgde er voor dat ik daar zeer zeldzame en kostbare boeken kon raadplegen.

- Vorrei esprimere i miei ringraziamenti al Dr. Stefano Cascio Vice Dirrettore della Galleria Palatina di Palazzo Pitti in Firenze per avermi spedito l'importante articolo del Dr. Enrico Baldini sul Centone rumphiano.

- Bij de Rijks-Universiteit te Leiden vond ik niet alleen de nodige hulp in de

Dousa-kamer, maar ook bij de secties Japanologie en Sinologie.

(5)

- De Heer M.A. van Hoorn van het Teylers-museum te Haarlem was zo vriendelijk mij het zeer bijzondere en prachtige boek met tekeningen - toe geschreven aan Herbert de Jager (1636-1694) - rustig te laten bekijken en te beoordelen.

- Agradesco a Marina Tei de Davies, Kuala Lumpur, Malaisia, por su ayuda de aclararme una parte muy oscura en un texto.

- Met Drs. M.A. Loderichs - een historicus van een jongere generatie - onderhoud ik een levendig contact. Ik ben zeer tevreden dat hij zijn geslaagde bloemlezing Rumphius' Wonderwereld eindelijk heeft kunnen laten drukken.

- Dr. K. Schoeman te Trompsburg in Suid-Afrika ontmoette ik op die Nasionale Biblioteek te Kaapstad. Ook hij is actief op het gebied van de geschiedenis van de VOC. Sinds die tijd hebben wij een regelmatig contact met elkaar. Ik help hem, een andere keer helpt hij mij.

- Mit Dr. W. Berg von der Deutschen Akademie der Naturwissenschaften zu Halle an der Saale habe ich ein, nicht intensives, aber gutes Kontakt.

- Frau E. Rothkirch von der Staats-Bibliothek zu Berlin, Preussischer Kulturbesitz war mir sehr behilflich einem schwierigen Probleem zu lösen.

- Die Sächsische Landes-Bibliothek, Staats- und Universitätsbibliothek zu Dresden hat mir mit einen Microfilm eines sehr wichtigen Handschrift Rumpf's zur Verfügung gestellt. Wie sie feststellen können habe ich diese Cathalog endlich benützen können. Sehr vielen Dank!

- Penso com muita gratidão da mia recepção nas Archivos Nacionais da Torre de Tombo, Lisboa, Portugal.

- Ik heb steeds grote hulpvaardigheid ervaren bij de Koninklijke Bibliotheek (KB),

het Algemeen Rijks-Archief (ARA), het Rijksinstituut voor Kunsthistorische

Documentatie; alle te Den Haag. Dit geldt ook voor het Koninklijk Instituut

voor de Tropen (KIT) te Amsterdam, voor het Gemeente-Archief te Dordrecht

en de Bibliothèque Nationale ‘François Mittérand’ te Parijs. Ook dank ik

Mevrouw H.H. Frieling-Kemp te Pijnacker, Dr. R. van Gelder te Amsterdam

en mevrouw R. van der Vaart, Epe.

(6)

1 Rumphius' vroege jaren

Rumphius werd in de herfst van 1627 te Wölfersheim in de Wetterau, in het duitse Hessen, geboren als Georg Eberhard Rumpf. Later zou hij zijn naam vernederlandsen en zijn achternaam latiniseren en wij kennen hem nu als Georg Everhard Rumphius.

Zijn vader August Rumpf (c. 1594-1666) was een bouwkundige en toen in dienst van de Graaf Zu Solms-Greifenstein. Hij verbouwde onder andere de vestingwerken van Hanau, die tijdens de Dertigjarige-oorlog schade hadden opgelopen. August Rumpf was ook een stedebouwer, die de uitbreiding van die stad ‘die Neustadt’

volgens moderne principes opzette. Hanau ligt niet ver oostelijk van Frankfurt am Main en Wölfersheim in de Wetterau ligt zo'n 60 km ten noorden van Hanau.

Rumphius' moeder was Anna Elisabeth Keller (c. 1600-1651) die in Zeeland te Middelburg familie had. Dat was Johann Wilhelm Keller (1638-1698) die later de Republiek in Zweden zou vertegenwoordigen en daar ‘vrijheer’ werd en weer later ook nog tot Baron verheven is. Rumphius refereert aan hem in een rapport als: ‘mijn Neeff de Heer Baron Keller’

1

. Deze Keller zou later nog Ambassadeur bij de Tsaar in Moskou worden

2

. Zie voor zijn familie ook het ‘Overzicht van Familie-betrekkingen van G.E. Rumphius’ hierna in dit boek.

Lange tijd heeft er onzekerheid bestaan over de juiste plaats en ook over het jaar van Rumphius' geboorte. Het is Gerhard Steinl, die in het Fürstlich Solms-Braunfels Archiv

3

een brief aantrof die op 19 augustus 1627 te Wölfersheim geschreven was door August Rumpf aan Graaf Wilhelm I zu Solms-Greifenstein in wiens dienst August toen was. Daarin staat de volgende passage:

‘Bitte deroent Euer Gnaden gantz underthenig imbs Gotts willen die wollten nicht allein meiner sondern meiner Hausfrauen und deren leibesfrucht zu deren Entbündnis sie über 7 oder 8 wochen auf lengst nicht mehr hat, zu gnader erbarmen’.

Vergroting van het deel van de brief van August Rumpf met betrekking tot het tijdstip van de geboorte van Georg Eberhard Rumpff.

In deze brief verzocht August Rumpf om 7 of 8 weken uitstel om naar het slot van de Graaf te komen, in verband met een aanstaande bevalling van zijn vrouw. Uit de datum waarop deze brief toen geschreven werd en het gevraagde uitstel, volgt dat de geboorte van Georg Eberhard Rumphius geplaatst kan worden in october of begin november 1627. August Rumph woonde sinds 13 augustus 1625 in Wölfersheim.

1 Antwoort en Rapport pp. 19 en 30.

2 O. Schutte pp. 285-287. Zie ook Antwoort en Rapport.

3 A 23.6, II 57,4, Birstein.

(7)

Over de eerste levensjaren van Georg Eberhard is vanzelfsprekend weinig bekend.

Gerhard Steinl heeft in het Solms-Braunfels Archief een ‘garantiebrief’ uit 1627 aangetroffen van Graaf Wilhelm Zu Solms-Greifenstein waarbij zijn ‘Baumeister’

- en dat is niemand anders dan August Rumpf - zich verbond Wilhelms zonen te instrueren in het schetsen en ontwerpen van vestingen en hen te bekwamen in de mathematiek. In ieder geval staat vast dat Ernst Casimir zu Solms Greifenstein, diens neef Otto (1618-1635) en diens broer Moritz (1622-1678) - beiden uit het geslacht Zu Solms Hungen - in 1633 les kregen van August Rumpf in het hessische stadje Hungen

4

. In zijn Peregrinatio sive iter in Brasiliam verzen 19 en 21 [Buijze, Portugese Reis] schrijft Rumphius zèlf:

‘Want nadat ik mijn tedere jaren en mijn nog onvruchtbare geest had ontwikkeld door de voortreffelijke kunsten der Aoniden* leerde mij vervolgens mijn vader de mathematische wetenschap’.

* Aonië is een streek in Boeotië waar de Musenberg Helicon ligt. Vandaar dat de Muzen in de latijnse poëzie soms Aonides worden genoemd, het eerst bij Ovidius' Metamorphosen V, 333.

Rathaus Gasse no. 1, de plaats waar Rumphius geboren werd. Foto W. Buijze.

Steinl stelt dat de jonge Rumpf, die bij zijn vader in Hungen was, daar Ernst Casimir, Otto en Moritz gekend moet hebben. Zij kregen in 1633

5

les in

‘geometrisch’-schetsen

4 Steinl Überlegung, p. 1.

5 Hanauer Geschichtblätter, neue Folge nos 3-4 / Hanau 1919 p. 168. FSBA, A23.6, II 57.4 dd. 17 jan. 1633.

(8)

en ook in ‘architectuur’- schetsen, evenals in de beginselen van vestingbouw. Steinl meent dat Georg Eberhard tegelijk met deze jongens onderricht werd.

Later in de Molukken zou Rumphius herhaaldelijk gevraagd worden om advies met betrekking tot forten op Ambon, Ceram, Banda-Neira, Lontoir en Pulau Ay.

1.1 Rumphius' opleiding

Van groot belang voor zijn vorming is geweest Johann Georg Jäger (1580-1667) wiens naam ‘gelatiniseerd’ Venator was. Deze man was een eminente persoonlijkheid, die in 1599 in Marburg gestudeerd had en die tussen 1606 en 1621 in dienst was van de Heer Von Hattstein. In juni 1621 werd hij aangesteld als tweede dominee te Weckensheim waar Johann Dimpel predikte. Toen deze in 1627 overleed trad Venator aan als predikant en schoolmeester. In de jaren tot 1635 - het grote Pestjaar in Hessen - werd hij betaald door Judith Von Hattstein, wier moeder een Hugenote was. Judith sprak beter Frans dan Duits. In die jaren was Venator ook dominee te Wölfersheim en tegelijkertijd ook schoolmeester. Johann Georg Venator was een standvastige en strenge Calvinist. Hessen stond eind 16de eeuw onder Philipp Ludwig II, Graaf van Hanau Münzenberg (1576-1612), die een overtuigd Calvinist was. Ook Rumphius werd in die leer opgevoed. Dit kwam hem later nog wel van pas, toen hij dienst nam bij de VOC. Men kon in de Republiek - ondanks dat daar vrijheid van godsdienst bestond - toch maar beter Calvinist zijn om voor hogere posten in aanmerking te komen. Dat gold in mindere mate ook wel bij de VOC, daar waren vele Duitsers in dienst, die meestal Luthers waren. De calvinistische dominees in Indië achtten dat geloof toch min of meer een dwaalleer. Niettemin werden vele lutherane Duitsers bij de VOC aangenomen; de Compagnie kòn deze mensen gewoon niet missen. De bestuurders van de VOC in de Oost waren echt wel liberaler dan die in het

fundamentalistische Holland.

Van Venator leerde Rumphius - die toen tussen de 7 en 11 jaar oud was - Latijn, Grieks en ook nog Hebreeuws. Venator bezat een grote reputatie als onderwijzer.

Van diens kwaliteiten legt het vlekkeloze Latijn, waarvan Rumphius in zijn geschriften blijk geeft, getuigenis af. In die jaren gingen kinderen van goede families al heel jong naar school. Het was geen uitzondering als die al op 12-jarige leeftijd naar de Universiteit gingen. Zie bijvoorbeeld Jacob Bontius (1592-1631) arts in Leiden

6

en later op Batavia. Bontius was een groot voorganger van Rumphius voor wat betreft de Natuurlijke Historie van Azië. En ook Christiaan Huijgens (1629-1695) en Hugo de Groot (1583-1645) die al op 11-jarige leeftijd in Leiden werd ingeschreven en ook Blaise Pascal (1623-1662). In die tijd leerden kleuters al Latijn; er was toen nog in het geheel geen sprake van, dat de tere kinderziel beschermd zou moeten worden door hen alleen dàt te leren wat leuk en niet te moeilijk was. Venator kwam de verschrikkelijke Dertigjarige Oorlog goed door. Hij was tot op hoge leeftijd een

6 Zie Rumphius' Bibliotheek op Ambon, pp. 68 tot 71. Bontius was de allereerste natuurhistoricus die op Java zijn onderzoekingen, ook medische, verrichtte.

(9)

belangrijk man, die zijn stempel op vele hessische zaken heeft gedukt. Hij is 96 jaar oud geworden

7

.

1.2 Het Gymnasium te Hanau

In zijn gedicht Peregrinatio sive iter in Brasiliam [zie Rumphius' Portugese reis pp.

70-77] de verzen 23-26 schrijft Rumphius:

‘En reeds van jongsaf aan bekoorden mij de geheimen van de Natuur* / en was mijn ijverige geest leergierig / Het aan een rivier gelegen Hanau is bekend om zijn schitterend Gymnasium / hier bewees ik de Muzen en het koor van Pallas** eer’.

* Dat dit juist is blijkt uit het feit dat Rumphius èn in Portugal èn als hij op Kaap de Goede Hoop planten ziet, die hij later vergelijkt met die welke hij op Ambon zag.

** Pallas is de titel van Athene. De Romeinen noemden haar Minerva; zij is de godin van de wijsheid, de wetenschap en de kunsten.

Het Gymnasium waaraan Rumphius refereert is de Hohe Landesschule te Hanau.

Dit soort instituten werden ook wel Illustereschool of Gymnasium genoemd. Het waren geen universiteiten, omdat deze scholen geen recht tot promotie bezaten. Het waren scholen die een degelijke voorbereiding gaven tot een universitaire studie. In de 17de-eeuw bezat ook Deventer een dergelijke illustere school. Soms werden deze scholen later bevorderd tot universiteit, zoals bijvoorbeeld in het Friese Franeker.

Johan Peter Lotichius M.D., professor aan het Gymnasium illustre te Hanau.

De stichting van het hanause Gymnasium geschiedde door de al genoemde Philipp Ludwig von Hanau-Münzenberg II (1576-1612) die getrouwd was met Catharina Belgica. Hij had voor ogen een school als die welke al in Herborn bestond en die hij

7 De gegevens over Venator zijn mij door G. Steinl in een rapport verstrekt.

(10)

goed kende. Daar werden colleges gegeven in recht, filosofie en - uiteraard

calvinistische - theologie. Het gymnasium in Hanau werd gesticht op 18 juli 1607.

Voorlopig maakte men gebruik van de Hospitaalkerk om de school onder te brengen.

Er moest een nieuw gebouw komen op een plaats aan de Bangert- en Markt-straße.

Daarvoor moest eerst nog de financiering zeker gesteld worden. Dat geschiedde door belastingheffingen op landbouwproducten. Op 5 april 1612 was de eerste steenlegging.

De Graaf stierf al in hetzelfde jaar aan de typhus.

De school ontwikkelde zich tot een Gymnasium met vier klassen. In het eerste jaar leerde men latijnse grammatica en men las de fabels van AEsopus, de colloquia van Erasmus, werk van Terentius, Plautus en de Bijbel. In een volgend jaar las men Virgilius en Ovidius' Metamorphosen en de brieven van Cicero. Men kreeg er onderwijs in de Dialectiek, de Rethoriek en men leerde ook zelf latijnse teksten en verzen schrijven.

Stadsplan van Hanau uit het begin van de 17eeeuw.

In 1623 werd onder de Gravin Catharina Belgica (1578-1648) - een dochter van Willem de Zwijger (1533-1584) en Charlotte de Bourbon (1546-1582) - het

Gymnasium een Illuster Gymnasium. In 1639 werd de theoloog Pareus daar Rector.

Tussen 1636 en 1644 werkte daar Johann Peter Lotichius als hoogleraar in de

medicijnen. Het is zeer waarschijnlijk dat Rumphius in die jaren lessen bij hem

(11)

volgde. Medicijnen en botanie waren destijds onverbrekelijk met elkaar verbonden diciplines. Het is heel goed mogelijk dat deze man Rumphius op het spoor van de plantkunde gezet heeft. En dit is in ons geval interessant en van betekenis.

Hanau werd in april 1945, vlak voor de capitulatie van Duitsland, zwaar

gebombardeerd door de geallieerden ondanks het feit dat daar geen militaire, noch industriële doelen waren. Aldus is de bibliotheek verbrand, alsook ook de oude administratie. In het bijzonder is het treurig dat ook het Album verloren ging waarin genoteerd werd welke studenten in de verschillende studiejaren ingeschreven werden.

In 1912 was er ook al brand in het Gymnasium geweest en het kan zijn dat toen al het betrokken Album verloren ging. Het is niet meer na te gaan wanneer Rumphius daar was ingeschreven. Dàt hij daar studeerde zegt hij zelf. Een taxatie is dat hij daar van 1639 tot 1643 of 1644 gestudeerd heeft. Dàt hij daar studeerde gestudeerd heeft, zegt hij zelf.

8

Er moet worden opgemerkt dat bouwmeester August Rumpf op 28 augustus 1663 nog belast werd met het maken van ontwerp- en uitvoerings-tekeningen voor de nieuwbouw van het Gymnasium of de Hohe-Landseschule in Hanau. In 1664 was dit gebouw bijna gereed en practisch in gebruik. Het bleef tot 1912 intact totdat, zoals al gezegd, daar brand uitbrak. Op 8 april 1666 stierf August. Hij heeft het nieuwe onderdak voor de school waaraan Georg Eberhard studeerde nog net kunnen zien.

1.3 Vader August Rumpff als architect en vestingbouwer

Het is opmerkelijk dat August Rumpff, toen hij de vesting Hanau versterkte, ook als stedebouwer in de moderne betekenis, actief was bij de nieuwe uitbreiding van de stad naar het noorden. Hij projecteerde de nieuwe uitleg geheel in de zin zoals Simon Stevin (1548-1620) die had opgezet in zijn Van de huysoirdening.

9

Dat wil zeggen dat hij Stevins strakke meetkundige opbouw volgde met een strenge rechthoekige structuur, waarin rechte straten gelijkvormige terreinen creëren en waarop

huizenblokken konden worden gebouwd. Daarbij hield Stevin rekening met de drassige hollandse bodem, waartoe hij in die vestingsteden niet alleen straten aanlegde, maar ook grachten. Deze laatste ontbraken in Hanau omdat de grond daar niet drassig is.

Het is zeer waarschijnlijk dat August Rumpff het werk van Stevin gekend heeft.

Deze in Brugge geboren Ingenieur en Theoretisch Natuurkundige is een van die grote universele mensen, die een stempel drukten op hun tijd. Zo schreef hij in 1594 een boek De Sterctenbouwing, dat August als Festungsbaumeister zeker gekend zal hebben. Stevin zette de Statica op een nieuwe basis, door krachten als vectoren te behandelen. Hij bestudeerde met experimenten de Dynamica door in Delft valproeven te doen, tezamen met de vader van de beroemde Internationaal-Rechtsgeleerde Hugo Grotius (1583-1645). Stevin was de eerste, sinds Archimedes (287vC-212vC), die in de Hydrostatica vooruitgang boekte. Hij schreef een boek De Thiende over het

8 De gegevens over het Gymnasium kan men vinden in Abschnitt 1. pp. 9-71 van het boek door Carl Heiler uit 1925 dat Frau Angela Noe zo vriendelijk was mij toe te sturen uit de Stadtbibliothek Hanau.

9 Zie Stevin, p. 131.

(12)

gebruik van tiendelige breuken, die hij nota bene geïntroduceerd wist te krijgen. De natuurkundige wet met betrekking tot de alzijdigheid van de druk in vloeistof of hydrostatische paradox, die wij aan Pascal (1623-1662) toeschrijven, werd door Stevin al in zijn Waterwichtdaet, lang voordat Pascal geboren werd, geformuleerd.

Zijn grootheid werd erkend door Prins Maurits (1567-1625), die een Ingenieursschool stichtte, verbonden aan de Universiteit te Leiden en die De Duijtsche Mathematique werd genoemd. Dit instituut bestond van 1600 tot 1679.

Het ideale stedebouwplan van Simon Stevin.

Plattegrond van de stad Batavia in de 17eeeuw.

Als wij de plattegrond van Oud-Batavia bezien - bijvoorbeeld die uit 1635 - valt

het ook op hoe nauwgezet de stadsaanleg daar in overeenstemming was met de

gedachten, die Stevin zich had gevormd over hoe een stad als geheel gebouwd moest

worden. In

(13)

de huidige Kota van Jakarta, ofwel de benedenstad, is dit patroon zonder veel moeite nog steeds te herkennen. Wie de stadskaart van Batavia uit 1635 beziet, valt het onmiddelijk op hoe zeer die kaart gelijkt op het voorbeeld dat Stevin voor ogen had.

Zelfs de grachten, die in de sompige Bataviaanse aarde waren gegraven, stemden hiermee overeen. Nu zijn die grachten veelal gedempt, doch het patroon bleef bewaard.

Dat August Rumpf wist van de ontwerpen van de Belgisch-Nederlandse Simon Stevin is niet zo vreemd. Naar het calvinistische Hessen waren zeer vele Nederlanders en Zuidnederlanders om geloofsredenen uitgeweken. Velen hadden zich in Hanau gevestigd en niet in het grotere Frankfurt-am-Main dat luthers was. Nog steeds staat er in Hanau de oude kerk die uit die tijd stamt. Opmerkelijk is dat deze kerk uit twee delen bestaat: één deel waar in het Nederlands gepredikt werd en een ander deel waarin dat in het Frans gebeurde, om de nederlandse en waalse uitwijkelingen te bedienen. Wij zagen trouwens hierboven al dat zelfs een dochter van Willem de Zwijger in Hanau woonde. Ook Graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen (1604-1679) had banden met het calvinistische Holland. Hij bestuurde van januari 1637 tot mei 1644 voor de West-Indische Compagnie het Noord-Oostelijke deel van Brazilië. Hij was een achterneef van Prins Frederik Hendrik (1584-1647). Amalia zu

Solms-Braunsfeld (1602-1675) - de vrouw van Frederik Hendrik - kwam ook al uit de streek waar Rumphius geboren werd. De moeder van de beroemde tekenares Maria Sibylla Merian (1647-1717) - die later de illustraties bij Rumphius'

D'Amboinsche Rariteitkamer (ARK) zou vervaardigen - was Johanna Sibylla Heim;

zij kwam uit een waals predicantengezin dat naar Hanau was uitgeweken. Ook veel waalse schilders vestigden zich daar, zoals Jacob Marrel (1614-1681) en Abraham Mignon (1640-1679), waardoor wij zelfs kunnen spreken van een hanause

schildersschool. Wij zullen overigens hieronder nog uitvoerig laten zien hoeveel contacten zelfs de familie van Rumphius, vooral via zijn moeder Anna Elisabeth Keller (ca 1600-1651), met verwanten in Nederland had.

1.4 Rumphius als jonge man

Hoe lang Rumphius aan het hanause Gymnasium studeerde weten wij niet en zullen wij wel nooit precies weten. Een ding is zeker, hij heeft daar geen doctorstitel verkregen want de school bezat - zoals wij zagen - geen ‘jus promovendi’. Op het titelblad van zijn Amboinsche Kruidboek (AKB) staat Rumphius vermeld als ‘Med.

Doct. Hanavensis’. Dit heeft Joan Burman, de bezorger van Rumphius' Kruidboek, ten onrechte daar geschreven. Gelet op zijn geboortejaar zou het heel goed kunnen zijn dat hij in 1638 of 1639 begonnen is aan zijn studie op de Landes-Hochschule of Gymnasium te Hanau. Hij zou die studie dan ongeveer in 1644 hebben kunnen afsluiten. Over zijn studie zegt Rumphius [AKB, Lib. I, voorreden]:

‘nog wil ik den Lezer waarschouwen, dat het [Kruidboek] van geen geleerd

Medicus, Physicus of die van zijn professie van die konst maackt, maar

allenelijk van een liefhebber der natuurlijke wetenschap voortgebracht is,

dog die zig een matige kennisse van de Kruidkunde toeschrijft, en onder

(14)
(15)

Het is duidelijk dat Rumphius zich niet met veren tooide die hij niet bezat.

Wat hij gedaan heeft nadat hij de hanause Landesschule verliet zal wel altijd onbekend blijven. Misschien heeft hij zijn vader geassisteerd bij een van diens bouwkundige werkzaamheden als ‘Baumeister’ in dienst van een of andere vorst.

In zijn autobiografische gedicht

10

dat hij in het Latijn schreef, toen hij in Portugal was over de reis waarbij hij uiteindelijk daar terecht kwam, lezen wij:

‘Ik had als jongen bij twee maal vier, tien jaar gevoegd [hij was toen 18 jaar], toen ik besloot [voor mij] onbekende streken van de wereld te bezoeken. Mij trok allang de glans en de zeer zwaarwegende roem van Italië en de hoop dat te bezoeken was groot in mij’. [de verzen 27-30]

Italië is voor velen altijd een land geweest met een grote aantrekkingskracht. Deze beslissing nam hij dus in 1645 toen hij 18 jaar werd. Dit was voor zijn leven een beslissend jaar. Men moet weten, dat op 23 juni 1645 de Turken Kreta binnenvielen met 50.000 soldaten en in de kortste keren dit eiland - dat onder venetiaans bestuur stond - geheel bezetten. In geheel Europa werden toen soldaten geronseld om de strijd tegen de Turken op te nemen en dienst te doen bij de Venetianen; Christenen tegen Moslims. Rumphius refereert hieraan in zijn autobiografisch gedicht op de volgende wijze:

‘Toen een Graaf* geboren uit het edele geslacht van Solms / en hij de jongste van de drie broers uit de Nederlanden komende zijn / Duitse geboortegrond weer opzocht / zijn [oudste] broer had de scepter van het Greifensteinsche huis in handen / beweerde hij dat hij de functie van overste in het Venetiaansche leger bekleedde / en dat hij voor de Venetianen voorbereidingen trof voor een oorlog / Door dergelijke woorden

aangevuurd waagde ik het weldra / mij bij hem te voegen: hij bedotte mijn vader met fraaie gelogen woorden / Hij beloofde standvastige hulp en de liefde [als] van een vader / zo ontroofde die trouweloze man een vader zijn zoon’ [verzen 32-42].

* De Graaf die hier bedoeld wordt is de jongste zoon van Graaf Wilhelm I zu Solms Greifenstein (1570-1635). Wilhelm I trouwde in 1600 met Amalia zu Nassau Dillenburg (1582-1635) een verwante van Willem de Zwijger. Hun zonen waren Johann Conrad (1603-1635), Wilhelm II (1609-1676), Ludwig (1614-1676) en Ernst Casimir. Wilhelm II is degene die de scepter van het Greifensteiner Huis in handen hield. Men ziet dat vader, moeder en de oudste zoon allen in 1635 stierven. Dat was het grote Pest-jaar. Ook Wölfersheim ontsnapte toen niet aan het noodlot van die plaag. De bevolking van het plaatsje werd meer dan gedecimeerd.

Over Ernst Casimir - in Rumphius' ogen een grote boosdoener - spreekt Rumphius zich krachtig uit [verzen 42-46 van zijn gedicht]:

‘Ik zag Uw ogen onechte tranen storten / O Graaf, geboren uit

krokodillenbloed. Nadat hij door deze schrandere list / scharen bijeen had

10 Voor dit gedicht wordt verwezen naar Rumphius' reis naar Portugal door W. Buijze en C.

Hattink.

(16)
(17)

naar de Nederlanden: want hij had gezegd / dat wij vandaar naar de Adriatische zee zouden worden overgebracht’.

+++++++ De handelsweg van Duitsland naar Amsterdam, via Nijmegen, Dordrecht, Rotterdam, Gouda, over de rivieren Aar en Spaarne.

De Schenkenschans in het midden van de 17e eeuw (Stad Kleve).

(18)

Vers 58. Het dorp Schenkenschans. Rumphius voer van rechts naar links op wat toen de Waal was.

Vanaf deze plaats zag hij aan zijn rechterhand ‘nobile Schenkii Opus’ liggen (foto W. Buijze).

Daarna vervolgt Rumphius met te vertellen dat de gehele groep (vermoedelijk ca.

300 man) naar Wesel aan de Rijn ging. Hoe zij bij Wesel kwamen zegt hij niet. De tocht tussen Hessen en Wesel zou over land hebben kunnen geschieden langs de rivier de Lahn naar Ems en vandaar langs de Rijn en Köln naar Wesel - totaal zo'n 240 km. Als zij 20 km per dag aflegden zouden zij die tocht in een twee weken hebben kunnen maken. Hoe het met onderdak en voeding voor zo'n grote groep gesteld was blijft ons te raden over. Het was in Wesel dat de groep zich inscheepte in zes vaartuigen (verzen 49-51). Hun tocht voerde langs de Schenkenschans waar de Boven-Rijn zich - destijds - splitste in de Neder-Rijn en in de Waal. Zij voeren over de Waal langs Nijmegen, Gorkum en Dordrecht naar Rotterdam, waar zij werden overgeladen in zes andere binnenvaartschepen. Er was veel gemor, want de groep was nog in het geheel niet aangemonsterd en het hun toegezegde maandgeld hadden zij nog helemaal niet gezien. Het is waarschijnlijk dat Ernst Casimir zich in Rotterdam van de groep heeft afgescheiden. Rumphius vermeldt diens naam verder niet. De mensen voelden dat ze bedrogen werden maar lieten zich toch paaien door de schippers van de zes schuiten. De begeleiders susten hun bezwaren met te zeggen:

‘“O Makkers” zeiden zij al maar, laten wij de Amstelmuren opzoeken, daar zullen zij U monsteren en het verschuldigde geld geven. Wij geloofden hen: ondertussen hesen zij met touwen de zeilen, en terwijl het schip er langs voer aanschouwden wij de steden. Ach welk een lust! welk een in vrede wonend volk! Hier is altijd rust en het goede leven bloeit hier. Het was mijn grootste genot geweest deze welvarende steden te bezoeken:

maar het schip was een

(19)

obstakel voor mijn voeten. En toch had de trouweloze man mij tevoren beloofd dat elke weg die ik zou willen inslaan, altijd voor mij zou openstaan’ [verzen 71-79]. ‘Zo verlieten wij ontevreden de steden der Nederlanders, en de streek Torcaria

11

, drassig van weiden. Nadat wij de Haarlemse bocht doorgevaren waren nam het edele Sparendam ons op in zijn haven’[verzen 85-88].

Zij voeren langs de Hollandse IJssel via Gouda naar Alphen aan de Rijn en vandaar via de rivier de Aar naar het Haarlemmermeer. Zij vermeden Haarlem en voeren via het water De Moeijen Hel naar Sparendam. De schepen van Gouda naar Amsterdam moesten altijd over Sparendam varen om daar tol te betalen. De inkomsten daarvan werden gebruikt om de waterwegen, de sluizen en ook de gewone landwegen te verbeteren

12

. In Sparendam werden zij gesluisd naar de uitloper van de Zuiderzee - het IJ - dat zich toen ver naar het westen uitstrekte. Rumphius zal destijds nog nimmer een sluis gezien hebben. Op het IJ richtten de schepen zich naar Amsterdam, waar de bemanningen hoopten eindelijk te zullen worden aangemonsterd en uitbetaald.

[Men leze in dit verband de tekst van Rumphius' gedicht in Rumphius' reis naar Portugal. [verzen 91-96].

‘Eindelijk gleden wij met onze voorstevens naar de Amstelstad, hier zagen wij dat wij bedrogen mannen waren. Want enerzijds werden wij niet gemonsterd, anderzijds werd wat lang beloofd was ons onthouden. De schepen voeren er voorbij, alsof er helemaal geen stad was. Wat nu te doen? Wij zullen alles geduldig verdragen: Duitsers waren wij: nu zijn wij een verloren troep’.

Nadat zij Amsterdam voorbij gevaren waren bleven zij een nacht voor Enkhuizen liggen - in verband met de zandbanken en ondieptes - alvorens zij naar Texel doorvoeren [vs 104]. Daar vonden zij een grote groep Fransen:

‘die de Venetiaanse Doge moesten bijstaan [vers 104]. Wij werden bij deze gevoegd en door een wachtpost van Nederlandse soldaten bewaakt, allen tegelijk voor de Reede van Texel’ [verzen 107-108].

Zij moeten zijn aangekomen voor de Reede van Oudeschild, want daar was het dat de schepen van de VOC en de West-Indische Compagnie zich verzamelden in afwachting van een gunstige wind. Na drie weken vertrokken de schepen [vers 109]

waarbij zich nog drie koopvaarders voegden (vermoedelijk bij de kusten van Zeeland).

Rumphius werd ingescheept op het jacht de Swarte Raef. Het bleek toen dat zij in het geheel niet naar Venetië zouden gaan, maar ingescheept waren op schepen die in dienst waren van de West-Indische Compagnie. Zij zouden varen naar Recife in Pernambuco in het Noord-Oosten van Brasil. De Swarte Raef was een schip dat al vele malen een dergelijke reis gemaakt had. Lange tijd heeft men niets geweten van dit schip, het leek er wel op dat het een soort Vliegende Hollander was. Ik keek in

11 Met Torcaria bedoelt Rumphius de rivier de Aar die zich slingerend, door het Hollandse land kronkelt. Het latijnse woord “torquere” betekent draaien of slingeren.

12 Rijpma, p. 145.

(20)
(21)

terug.

13

. Het is vreemd dat nooit iemand vóór mij de moeite nam in de WIC-archieven te kijken.

Het stroomgebied van de Aar.

13 ARA 1.05.01.01 inv. 55, documenten 56, 66 en 80.

(22)

Vers 86. De ‘drassige’ weiden van de Aarpolder (foto W. Buijze).

Het dorp Ter Aar aan de rivier de Aar (foto W. Buijze).

(23)

De uitmonding van het Spaarne in het IJ.

Vers 88. De kleine sluis te Sparendam (foto W. Buijze).

(24)

Noord-Oost Brasil was vanaf 1636 tot mei 1644 bestuurd geweest door Graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen (1604-1671). In 1643 werd hij teruggeroepen naar Nederland door de WIC. Na zijn vertrek werd de situatie zeer ernstig en men had daar een grote behoefte aan europese soldaten en voedsel om de belegering door Portugezen en Moradores (afstammelingen van Portugezen en locale indiaanse vrouwen) te doorbreken. Recife was toen geheel ingesloten. Rumphius en zijn makkers zouden daar in actie hebben moeten komen.

Johan Maurits van Nassau-Siegen was een zeer ontwikkelde man, die in zijn gevolg de botanicus Willem Piso (1611-1678) meenam en de schilders Frans Post

(1612-1680) en Albert Eckhout (1610-1666) en ook de universele wiskundige, natuurhistoricus en astronoom Georg Marcgraf (1610-1644), die in Recife het eerste sterrekundige observatorium stichtte op het zuidelijk halfrond. Tot op de dag van vandaag bestaat er in Brasil nog een grote bewondering voor Johan Maurits vanwege zijn culturele belangstelling; maar zeker ook om het feit dat hij in Recife voor het eerst uit de bevolking een representatieve raad creëerde, waarin alle verkozenen gelijke inspraak hadden. Soms zegt men daar: ‘waren de Flamengos daar maar gebleven’. De Hollanders werden daar Vlamingen genoemd.

14

Den Helder met het Marsdiep en rechts de kust van Texel. Tekening van Willem van de Velde de Jongere (1633-1707). Collectie W. Buijze.

In het najaar van 1645 werd in Holland en Zeeland een Secoursvloot samengesteld om Recife te bevoorraden en te ontzetten. De vijf schepen van de vloot waarmee Rumphius uitvoer waren een voorhoede, de allereerste schepen die uitvoeren. Niet zodra die schepen vertrokken waren viel in Nederland een zeer strenge winter in. Al

14 Tempo dos Flamengos, José Antonio Gonsalves de Mello: Recife, 1978.

(25)

heel vlug waren alle binnenwateren bevroren door de koude Oostewind. Toen Rumphius uitvoer was de wind via het noorden naar het oosten gedraaid, maar het vroor toen nog net niet. Rumphius schrijft in zijn gedicht [verzen 121-128]:

‘Elk zeil werd vervolgens aan de onbetrouwbare bries toevertrouwd en het holle schip vertrok, het wijde zeevlak op. Weldra hees de Swarte Raef zijn zeilen, de volle zee op, vloog weg: het dierbare land verdween uit het gezicht. Vaarwel, dierbaar land, vaak zal ik wensen je te mogen bereiken, het zal zwaar vallen lange tijd op dit schip te varen. Toch verzinnen wij zelf vaak troost voor ons en ijdele hoop maakt de zee minder vijandig’.

Nederlands Brazilië.

Dan refereert Rumphius aan Brazilië [verzen 133-146]]:

‘Want nooit zouden onze schepen Italiaanse kusten bereikt hebben; noch vroegen de Doges van Venetië om òns. Maar onze voet had moeten betreden een land dat aan een heel andere kant gelegen is zoals de gang van zaken zelf heeft bewezen. Onder zuidelijke sterrebeelden en de hitte van de Equator ligt een land ver van de Wereld van de Adriatische zee.

De mensen van de nieuwe tijd noemen het Brazilië, en onlangs ontdekt

15

zond het onbekende

15 In 1500 door Àlvares Cabral.

(26)

schatten van overzee naar ons. Oorlog is evenwel aan de gang tussen twee volken, om wie de heerschappij zal bezitten, beiden beschouwen de velden als tot het eigen land behorende. Portugese soldaten eisen het zuidelijk deel voor zich op, de dorre zetel van het gezag is Paragui

16

. De Nederlander heeft zich gevestigd naar het lauwe Noorden toe, schuilend in de veilige burcht van Phernambocca’.

Men ziet dat Rumphius heel goed wist waarheen hij gevoerd werd. Hierna vertelt Rumphius iets over de situatie aan boord van de Swarte Raef:

‘Op het eerste gezicht was Neptunus mij niet goed gezind, want de wind is schadelijk voor de nieuwe gasten van Tethys

17

. Zo werd mijn lichaam aangetast door de bries waaraan het niet gewend was en slapheid stond niet toe dat het zijn gebruikelijke krachten had. De mond had geen eetlust, en de voorgezette spijzen wekten walging op en de maag kende zijn eigen taak niet. Ondertussen richtte het schip zijn ruisende zeilen op en zocht, door de wind aangedreven, de bekende wegen. Reeds vele jaren zwierf het over de wateren, reeds was de Raef Neptunus goed bekend’ [verzen 151-162].

De Swarte Raef was een snel schip, een jacht, want Rumphius schrijft [verzen 165-173]:

‘En omdat het zijn gezellen door vogelvlugge vaart kon overtreffen, werd het vaak gedwongen tegen zijn zin niet verder te varen. Want zodra de gunstige noordenwinden de zeilen hadden gevuld, verliet de vloot onverwijld de Nederlandse wateren. Links zag deze Vlaanderen achter zich en het aangrenzende Brabant: Maar wat voor blinkend witte kusten ziet zij rechts? Zie ik witte burchten of blinkend witte forten? Of

bergkammen die schuil gaan onder wintersneeuw? Nee: krijtrotsen, waardoor Anglia omgeven is!’

Iets verder schrijft hij:

‘Het schip droeg zoveel leeftocht en scheepsvoedsel mee als iemand kan verlangen, mits die gezond is. Nooit ontbrak gort en beschuit, stokvis, bier, Boter, gezouten ham, bonen*. Evenwel was de zeewind zeer schadelijk voor allen en een slome slapte hield alle ledematen bevangen.

Misselijkheid en veelvuldig braken en met buikloop gepaard gaande, verzwakte alle lichamen der mannen in sterke mate. Daarbij kwam een vergiftiging van de tong en ook Scelotyrbe**, het laatste een pest in de benen, het eerste een bittere ziekte in de mond. Wee mij! Hoe erg was deze toestand en het leven beklagenswaardig: niemand hoopte op land of enig heil’ [verzen 179-190].

16 Dit is een vergissing van Rumphius. Het Portugese oppergezag berustte in Bahía en niet in Paraguay.

17 Tethys is een zeegodin, vrouw en zuster van Oceanus.

(27)

Rumphius' reis naar Portugal.

(28)

** Pieter van Foreest of Petrus Forestus (1522-1597) was de meest geleerde, internationaal beroemde arts in Nederland. Hij was stadsarts in Delft en lijfarts van Willem van Oranje. Hij stelde zijn ervaringen te boek in de reeks Observationum et curationum Libri 1-31, uitgegeven tussen 1584 en 1610. In Lib. XX, observatio 11 (pp. 255-287) behandelde hij ook de scheurbuik of Scorbutum, waarbij hij ook de term scelotyrbe gebruikt. Hiermee wordt een soort verlamming aan de benen bedoeld, waardoor men niet meer rechtuit kon lopen en ook met zijn benen sleepte. Scheurbuik is het gevolg van een vitamine-C deficiëntie die veel aan boord van schepen

voorkwam maar toch ook op het vasteland en daar vooral in de wintermaanden huishield, als gevolg van onvoldoend gevarieerde voeding

18

. Dit boek van Van Foreest werd in Frankfurt am Main gedrukt. Het lijkt mij helemaal niet onwaarschijnlijk dat Rumphius dit boek leerde kennen toen hij de lessen botanie en medicijnen volgde bij Johann Peter Lotichius aan de Hohe Landesschule, ofwel het Gymnasium te Hanau.

Voor een uitgebreidere behandeling van deze ziekten wordt verwezen naar Rumphius' reis naar Portugal [pp. 100-102].

Rumphius' gedicht verder volgende lezen wij [verzen 191-210]:

‘Deze kroop op handen en voeten, die hing in de touwen: die schreeuwde jammerlijk: die viel van boven. Deze klaagde weer over honger, toch duwde hij een voorgezet brok weg: want dit voedel was niet geschikt voor zieken. Als iemand (maar slechts een enkeling) nog een poosje energie had werd hij, voor zieken zorgend, ook snel zelf ziek. Er is een vreselijke ziekte, waarbij de tong in vuur en vlam staat, en een gelige aanblik geeft en weldra verdwijnt het vermogen te spreken. Als men niet behandeld wordt in de tijd dat de hemel om zijn as draait (24h, wb), komt de dood snel. Maar velen, wegkwijnende door een slecht behandelde, sluipende slapte gingen naar het schimmige huis van de Styx*. Een dode werd onverwijld in de gezwollen golven geworpen en een luid donderend krijgswerktuig (kanon, wb) zorgde voor de uitvaart. Duizend wilde dieren van de Oceaan dromden samen en met gulzig gehemelte verscheurden zij midden in de wateren het rotte lijk. De tubere (haai, wb) met de dreigende tanden en de Carcharus**, ruig van haar en de grote monsters die in de uitgestrekte zee leven, waren in de voorhoede achter de achtersteven, hopend op buit, en zij schepten er vermaak in spierbundels uiteen te rijten’.

* Dit is de rivier naar de onderwereld. Een van de ziekten aan boord zal - gelet op de verschijnselen - vermoedelijk de Typhus exantematicus ofwel ‘vlektyphus’ zijn geweest.

** De Carcharus is vermoedelijk de Carcharias glaucus ofwel ‘Blauwe Haai’

geweest. Dit is een haaiensoort, die zeer groot kan worden: een meter of 8 lang. Hij is zeer gevreesd en ziet er heel eng uit.

De laatste verzen van Rumphius' gedicht zijn verzen 215-218. Daarin schrijft hij:

18 Zie in dit verband het artikel van G.J.R. Maat (pp. 117-123) in Kennis en Compagnie.

(29)

‘Maar zodra de vloot de Spaanse kust bereikt had en de streek waar de Galicische bergtop Doris (een zeegodin ofwel de zee, wb) ziet, liet Aeolus terstond andere winden los, de voorsteven werd plotseling getroffen door een snelle zuidenwind’.

Hier houdt het gedicht jammer genoeg op. Uit later werk van Rumphius weten wij dat de Swarte Raef de bemanning in Portugal aan land gezet heeft bij de monding van de Rio Minho de grensrivier tussen Galicia en Portugal. Over de reden van dit aan land zetten weten wij niets met zekerheid. Het kan averij geweest zijn, of de gezondheidstoestand aan boord of zelfs muiterij. Het is duidelijk dat de situatie aan boord erg slecht was. Toen daar nog tegenwind uit het zuiden bijkwam was dat wellicht de druppel die de emmer deed overlopen. Het steeds moeten wachten op de langzamere schepen in het convooi, zal de stemming zeker niet positief beïnvloed hebben.

1.5 Rumphius in Portugal

Rumphius moet eind 1645 of begin januari 1646 in Portugal zijn aangekomen, ontscheept met de groep duitse soldaten waarvan hij deel uitmaakte. Het is mijn taxatie dat zij niet ver van Caminha bij Moledo do Minho op het strand gezet zijn;

zie hieronder.

Portugal kende strenge eisen ten aanzien van schepen die vertrokken waren uit havens in landen waar bemettelijke ziekten heersten; de schepen moesten ‘uma carta de saúde’ (een verklaring van gezondheid) hebben. Zoniet, dan gingen zij in

quarantaine op hun schip. In dit geval werd zijn groep geïnterneerd op het, in de monding van de Rio Minho liggende, eilandje Ínsua do Minho waarop een portugees fort lag en nog ligt. Dit wijst er wellicht op, dat de Swarte Raef in het ongerede was geraakt, of dat er aan boord iets anders gebeurd was. Wij weten het niet.

1.5.1 Oorlog tussen Spanje en Portugal

Toen Rumphius in Portugal voet aan wal zette, was het land in oorlog met Spanje.

Wij moeten hier iets zeggen over de geschiedenis daarvan.

Tot 1580 was Portugal altijd een onafhankelijke natie geweest. De grote

bloeiperiode was de 16de eeuw, toen de Portugezen zich overal in Afrika, Azië en Brazilië vertoonden. Het was - net als Nederland - een volk van twee miljoen mensen;

zij domineerden grote delen van de wereld. Het was een tijd van wetenschappelijke en culturele ontplooïng, met de mathemaat Pedro Nunes (1502-1579), die zich bezig hield met boldriehoeksmeting en de uitvinder was van de naar hem genoemde

‘nonius’, die men nu nog op iedere schuifmaat aantreft. Nunes was hofmathemaat en werd in 1529 ‘cosmógrafo’ van koning Dom João III (1502-1557). Hij hield zich bezig met het probleem om afbeeldingen op een bol oppervlak, op een plat vlak te representeren. De kortste weg op een bol tussen twee punten A en B is steeds de

‘grote-cirkel’ door die punten. Maar op kaarten wordt die lijn niet afgebeeld als een

rechte. Nunes leerde dat zeelieden de kortste weg niet moesten verwarren met wegen

(30)
(31)

langs zo'n loxodroom is weliswaar iets langer dan de kortste weg langs een grootcirkel daartussen, maar is voor stuurlieden veel gemakkelijker met een kompas te vinden.

De stuurman moet slechts de hoek tussen de meridiaan en kompasrichting steeds dezelfde houden. Ook een loxodroom was op de kaarten destijds geen rechte. Het is pas op de kaarten met de projectie van Gerard Mercator (1512-1594) dat de

loxodromen tussen A en B rechte lijnen worden

19

. Het is de predicant, aardrijks-, zeevaart- en sterrekundige Petrus Plancius (1552-1622) die in Amsterdam de zeevaarders bekendmaakte met dit soort zaken, die hij beschreef in zijn Corte onderrichtinge, belanghende de kunst van de zeevaart: Amsterdam, 1600.

De ligging van een loxodroom.

Daarnaast kende Portugal de plantkundige Garcia da Orta (1498/1500-1568) die de eerste was die systematisch en nauwkeurig zich bezig hield met de beschrijving van de toen bijna volledig onbekende flora in Azië. Deze Da Orta schreef daar een boek over dat voor Rumphius een groot voorbeeld was, toen hij zich in dienst van de VOC op het molukse eiland Ambon vestigde. Da Orta was een pionier voor wat betreft de beschrijving van aziatische Natuurlijke Historie. De leidse medicus Jacob Bontius (1592-1631) kwam in 1627 op Batavia aan als lijfarts van de Gouverneur Generaal Jan Pieterszoon Coen (1586-1629). In de vier jaren tot zijn dood heeft hij verbazend veel grensverleggend werk verricht. Rumphius zag ook Bontius als een groot voorbeeld.

Portugal kende de grote historicus João de Barros (1496-1540), de schilder Vasco Fernandes of Grão Vasco (ca 1475-ca 1542), die zich kon meten met schilders destijds in Noord-Europa. Belangrijk waren Damião de Góis (1502-1574) vrijdenker, diplomaat, humanist, latinist en schrijver en Gil Vicente (ca 1465-ca 1536) een aanhanger van Erasmus (1467-1536), grondlegger van het portugese toneel en bestrijder van het obscurantisme van de clerus en verdediger van de Joden. Wij kunnen ook niet voorbij gaan aan de grote dichter Luís de Camões (1524-1580) met diens indrukwekkende Os Lusíadas en diens gedichten Líricas, die tot de dag van vandaag nog steeds het tragische levensgevoel verwoorden, dat velen herkennen en ook onze dichter Jan Slauerhoff (1898-1936) zo inspireerde.

In 1578 sneuvelde bij El Ksar-El Kebir in Marokko de jonge Portugese Koning Dom Sebastião (1550-1578) in een strijd tegen de ‘moren’. De troon viel toe aan Kardinaal

19 Zie Rijk, H. De. Zenit, tijdschrift voor weer- en sterrekunde en ruimteonderzoek: maart 2001, pp. 132-135.

(32)

Henrique I (1512-1580), die tijdens Sebastião's jeugd, het regentschap had waargenomen. Met de dood van Henrique kwam er een eind aan de dynastie van Aviz en direct maakte de spaanse Koning Felipe II (1527-1598) - dit is onze Filips de Tweede - gebruik van zijn recht de vacante troon te claimen. Hij deed dit omdat zijn moeder een portugese Prinses was. In 1580 trok de spaanse Ducque De Alba (1508-1582) Portugal binnen. Deze was de in onze streken zo beruchte Hertog van Alva. Het land werd bezet en men vormde een ‘Personele Unie’ van beide staten.

Omdat de Republiek der Verenigde Provinciën in oorlog was met Spanje kwam deze nu ook in oorlog met Portugal. In Vlaanderen en Nederland vertoonden zich nu ook portugese soldaten.

De ontwikkelingen leidden er toe dat de Nederlanders, als vrachtvaarders van Europa, die altijd op Lissabon gevaren hadden om daar de specerijen op te halen, daar nu geen toegang meer hadden. Het was hierom, dat in de jaren 90 van de 16de-eeuw nederlandse vloten werden uitgerust om die specerijen daar te gaan halen waar zij gekweekt werden.

Deze vóór-compagniën werden in 1602 bijeen gebracht binnen de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Het was de grote rotterdamse staatsman Johan van Oldenbarneveld (1547-1618), die dit strategisch zo belangrijke initiatief nam.

Voor de Portugezen was het vernederend te zijn teruggebracht tot een provincie van Spanje en niet meer dan dat. De neergang van Portugal, dat een wingewest was voor Spanje, was een feit.

In 1640 riep de Duque de Bragança zich uit tot Koning Dom João IV (1604-1656) van een onafhankelijk Portugal. Toen begon een periode van herstel van de

onafhankelijkheid ofwel de ‘Restauração’. Rumphius kwam in januari 1646 in Portugal en al snel na aankomst moet hij tezamen met zijn lotgenoten in dienst getreden zijn bij het portugese leger als ‘huursoldaat’ om de spaanse vijand te verdrijven. Nu was het zo dat de Tachtigjarige Oorlog voor Spanje op zijn einde liep;

het land was oorlogsmoe en bezat niet meer de middelen nòch de manschappen om op korte termijn ook nog eens veel troepen tegen de Portugezen in het veld te brengen.

Portugal sloot vrede met de Republiek, hetgeen voor de VOC, die in Azië al veel gebieden, waar de Portugezen ooit de scepter gezwaaid hadden en op hen hadden veroverd, niet zo aangenaam was. Zij was niet geneigd al deze gebieden zomaar op te geven. Ook de WIC, die in Afrika en Brazilië de Portugezen verjaagd had, voelde er ook niet zoveel voor Pernambuco zonder slag of stoot terug te geven. De vrede gold eigenlijk alleen in Europa en nergens elders. Het bleven moeilijke tijden voor het uitgeputte Portugal dat te lijden had gehad van vele epidemiën en hongersnoden.

In de lente van 1644 - dus vier jaar na de afscheiding - concentreerden zich bij

Badajoz, niet ver van de spaans-portugese grens, 3000 ruiters en 3000 soldaten en

artillerie. De Portugezen brachten bij hun vestingstad Elvas, ook bij die grens, 6000

soldaten en 1000 ruiters in het veld. Oliveira Martins schildert op zijn onnavolgbare

wijze een apocalyptisch beeld van het samenraapsel van huurlingen, geronselde

recruten zonder dicipline en zonder enig commando. Aan alles was een tekort. Dom

João was genoodzaakt franse soldaten te huren, en in alle landen waarmee Spanje in

oorlog was

(33)

huurlingen te ronselen: Engelsen, Duitsers, Scandinaviërs en Hollanders

20

[Oliv.

Mart. p. 318]. Omdat eigenlijk geheel Noord-Europa protestants was kwamen er vele huursoldaten die in Portugal beschouwd werden als ketters. Dat was de Inquisitie een doorn in het oog. Doch men kon hen niet missen. Dom João probeerde overigens ook in Ierland en Napels goed katholieke soldaten te ronselen.

Portugal. Van de onderstreepte plaatsen staat vast dat Rumphius er gelegerd was.

Op 26 mei 1644 trokken de Portugezen de spaanse provincie Estremadura binnen.

Zij vermeden een aanval op Badajoz. Tot ieders verbazing werden de Spanjaarden, ondanks een bijna gelijke sterkte, bij Montijo volledig in de pan gehakt. Het zou hierna nog vele jaren duren voordat het opnieuw tot een zo groot treffen zou komen.

De Vrede van Münster - gesloten in mei 1648 - maakte een eind aan zowel de Tachtigjarige Oorlog als aan de Dertigjarige Oorlog. In dat jaar, of begin 1649 keerde Rumphius terug naar Duitsland. Tot vèr na zijn vertrek kwamen er geen grote

20 Oliveira Martins p. 319.

(34)

veldslagen voor. Al de tijd dat hij in Portugal verbleef deden zich bij de grenzen tussen Spanje en Portugal, slechts kleine en onbelangrijke schermutselingen voor.

Rumphius heeft het geluk gehad dat hij niet in Recife aan wal behoefde te stappen;

daar zou hij een zeer grote kans hebben gelopen te sneuvelen. In Portugal was zijn verblijf niet gemakkelijk, maar niet zeer levensbedreigend. Tussen januari 1646 en eind 1648 was daar weinig wapengekletter te horen.

Wij betreuren het dat Rumphius zijn gedicht Itinerario sive iter Brasilia - dat hij in Portugal over zijn reis schreef - ophoudt zodra hij Portugal bereikte. Voor hetgeen hij in Portugal zoal meemaakte, zijn wij aangewezen op de weinige passages in zijn Amboinsch Kruid-boek (AKB) en zijn D'Amboinsche Rariteitkamer (ARK), waarin hij daar iets over zegt en naast, wat hij in de maar schaars overgebleven brieven daarover schrijft.

1.5.2 Insua do Minho

In zijn AKB [Lib. 11, Cap. 49, pp. 166-167] schrijft Rumphius over de Crithmus Indicus en zegt:

‘Om nu den Lezer het onderscheid te toonen tussen den regten Crithmus, en de Indisse Zee-Porcelijn, hoewel ze in 't Portugees eenderlei namen hebben, zoo zal ik hier bij voegen een korte beschrijvinge, en afteekeninge van den regten Crithmus, gelijk ik hem gezien hebbe op een kleen Eiland, voor de monding van de Rivier Minius, op de Noorder frontier van Portugal gelegen, en gelijk men hem op de Zeeklippen, en aan de oude muuren, langs de kusten van Vrankrijk, Spangien, Portugal, en Engeland aantreft’.

Op Plaat LXXII (bij p. 167) geeft hij van beide soorten* een afbeelding.

* Uit het feit dat hij een nauwkeurige afbeelding geeft van de portugese Crithmus kunnen wij besluiten, dat hij daarvan in Portugal al een tekening gemaakt moet hebben.

Over de plaats van voorkomen op het kleine eiland zegt hij:

‘Het wast aan de Zeeklippen van de bovengemelde kuste, dewelke boven 't water altijd uitsteeken, waarvan het voorschreeve Eiland gans omringt is en geduurig met de geweldige baaren der Zee bespat werden, maar boven op hebben ze een weinig aarde waarop dit “Perexil de mar”

(zee-peterselie, wb) groeit. Het wast ook uit de oude muren van 't Kasteel

(fort, wb) deszelven Eilands, gemaakt van grauw en brokkelige Zeeklippen,

zonder kalk of met klei en kalk op malkander gelegt. Dit was zo ziltig van

smaak niet als 't geene [dat] op de Zeeklippen groeide, en daarom wilde

de Commandant deszelven Kasteels dit voor zich alleen bewaart hebben,

maar het ander dat op de Zeeklippen groeide, stont een ieder vrij te

plukken’.

(35)

Insua do Minho.

Commentaar: Het is duidelijk dat Rumphius hier spreekt over het eiland Ínsua do Minho in de monding van de Rio Minho en dat hij op dat eiland, maar ook in dat fort was.

In zijn AKB Lib. 11, Cap. 55, p. 179-180 schrijft Rumphius over een bij Ambon voorkomend zeegras dat hij het Haair der Nymphen* noemt. Hij zegt daar:

‘Plaats. Het wast (op Ambon, wb) op zoodanige vlakke stranden, daar het grof zandig is.

In Portugal heb ik dit gras ook veel gevonden in de rivier de Minius, die Portugal en Galicien van malkander scheid, en stil water voert, daarinne het zo periculeus te baden is, dat verscheide van onze Duitsche** Soldaten verdronken zijn, die dit gras maar om de benen kreegen, daardoor ondergetrokken wierden, zonderlijk als op een welzand (drijfzand, wb).

De

(36)

Portugeesen maakten ons wijs, dat daar een Watergod of Waterduivel woonde, dien zij zeiden dikwils boven water gezien te hebben, die de badende onder trok’.

* De naam die Rumphius aan dit zeegras gaf, zal te maken hebben met een passage die hij bij Ovidius las. In Metamorphosen [II, verzen 11 en 12] staat:

‘Doris en al haar nymphendochters, die je daar ziet zwemmen of op een zandbank zitten om hun zeegroen haar te drogen’.

Doris is de godin van de zee. Opmerkelijk is, dat in de monding van de Rio Minho en in de zee daar, heel veel zandbanken liggen. Hij zal bij zijn naamgeving voor dat groene wier aan Ovidius gedacht hebben. Overigens heb ik vastgesteld dat het zand in de monding van de Rio Minho ook daar, net als op Ambon erg grof is.

** Met Duitse Soldaten bedoeld Rumphius soldaten die uit Duitsland kwamen.

Soldaten uit de Nederlanden waren in feite ‘Neder-duijtsche’ soldaten, of ook wel

‘Duijtsche’ genoemd, hetgeen wel eens verwarring kan geven.

1.5.3 Valença do Minho

Andere informatie over een verblijfplaats van Rumphius in Portugal kunnen wij ontlenen aan een brief die hij op 18 augustus 1682 schreef aan Andreas Cleyer (c.

1634-1696) die op Batavia de Medicijn-winkel van de VOC beheerde. Deze brief vinden wij in Valentini's Natur-und Materialien-Kammer [als No. X. op pp. 51-54].

Het is een brief over vele onderwerpen waarvan een er is, dat hij zich beklaagt dat hij op Ambon niet beschikt over een ‘Portugees Woordenboek’. Een ander onderwerp is de Flos Susanna: ‘die elk jaar uitgaat en dan weer opkomt, zij groeit niet in modderige grond maar op droge berg-aarde’ zegt hij. Maar er staat ook een aardige passage in over zijn verblijf in Portugal. De brief is gesteld in het Duits. De passage luidt:

‘Dieses aber weiß ich wohl, das ich das rechte Sium in Portugal habe wachsen sehen, und zwar allezeit an feuchten wässerichten Örtern, also, daß das Würßelgen selbst im Wasser gestanden. Sie nenneten es allda Peroxil de Agoa, das ist, Wasser-Peterselien, und ist in solchem Werth gehalten, daß ein jeweder Plaß da es grünet, seinen eigenen Besißer hat, und also nicht einem jeden frey stehet solches abzupflücken; wie wolen wir als Soldaten dasselbige zuweilen zu Salat und Mues abgeknippet haben, ohnerachtet der Schleudersteine, die wir öfters an die Köpffe bekommen haben’.

In het Nederlands wordt dit:

‘Ik weet zeker / dat ik het echte Sium in Portugal heb zien groeien / en

wel steeds op vochtige waterrijke plaatsen / zodanig dat de worteltjes zelf

in het water stonden. Zij noemden die daar “Peroxil de Agua” / dat is

(37)

staat daar af te plukken; zoals wij soldaten als wij het soms afknipten /

voor sla of

(38)

moes dat deden zonder acht te slaan op de steenen / die ons naar het hoofd geslingerd werden’.

Dit is ‘den Revier Minius... [die] een stil water voert, daarinne het zoo periculeus te baden is.’ AKB Lib. 11, cap. 55, p. 180 over ‘Het haair der Nymphen.’ Foto W. Buijze.

Noot. Tot dusverre was het onbekend waar Rumphius en zijn kornuiten met stenen bekogeld werden en wij wisten ook niet waar hij die ‘waterpieterselie’ (‘Sium of ook wel ‘Eppe’) heeft gezien. In zijn AKB [Lib. 9, Cap. 69, p. 455] schrijft Rumphius over de ‘Paarde-voet’ waarvan hij zegt:

‘In 't Portugees van Batavia noemen ze het Folha Rabasso, 't welk eigenlijk in Spanje de water-Eppe is’. Op p. 456 [op. cit.] zegt hij: ‘waarom het Portugees Rabaco, dat is water-Eppe, of Syon (sic!) noemt, kan ik niet bedenken dewijl ik de Rabaco met een andere gedaante in Portugaal, omtrent de stad Valentia, op wateragtige plaatsen heb zien groejen’.

Opmerking: Rumphius schrijft Rabasso of Rabaco, hetgeen eigenlijk in het Portugees geschreven wordt als Rabaço en daar wordt uitgesproken als ‘Rabássoe’. Portugal kent geen stad Valentia; bedoeld wordt ‘Valença’. Er zijn twee steden met die naam, dat is Valença do Douro en Valença do Minho; uit te spreken als ‘Valensa doe Dôroe’

resp. ‘Valensa doe Minhoe’. Deze laatste plaats ligt aan de grensrivier de Minho

tussen het spaanse Galicia en Portugal, tegenover de spaanse stad Tuy. Dit is ongeveer

35 km stroomopwaarts van de monding van de Minho [zie p. 106 van Rumphius'

reis naar Portugal]. Het was bij dat Valença - een sterke vestingstad - waar hij de

portugese grens moest bewaken en het was daar dat hij zijn ‘waterpieterselie’ plukte

en waar hij met stenen begooid werd. Dat wij dat nu weten is te danken aan een

(39)

zorgvuldig lezen van alles wat Rumphius heeft opgeschreven en dan de juiste weg vinden.

1.5.4 Elvas

In zijn AKB [Lib. 6, Cap. 76, pp. 135-136] behandelt Rumphius de Rode Aardbesiestruik. Wij nemen hieruit een stuk over:

‘Dit is een kleine heester, met een dunne stam, en ranke takken

opschietende, verdeelt in twee zoorten, rode en zwarte, na de couleur van de vrugten, dog haar verschil is te groot om in een Hoofdstuk te begrijpen.

De rode zoort heeft een enkelde stam, schaars een arm dik met weinige taye en regte takken, en een ydel lof.

De bladeren staan tegen malkander, dog weinig in 't getal en gelijken 't ijser van een kleine piek, ofte die van spitse Weegbree, drie en vier duimen lang, twee vingeren breet, ongezaagt, van onderen wat ruig in 't aantasten, alsof ze met korte hairtjes bezet waren in de lengte met vijf zenuwen doortrokken, waar van de kleinste digt tegen de kanten leggen, de tusschenspatie is met dwers-aders doorregen, gelijk aan 't bovenstaande Salay, waardoor zij de bladeren van een Arbutus gelijken. De bloempjes bestaan uit vijf ronde en witte blaatjes, die van aardbijen zeer gelijk, als ook de vrugten en besien, want dezelve zijn ront, wat kleinder dan aardbesien, en harder van vleesch, buiten met veele pukkeltjes, als doorntjes bezet. Aan de eene zijde zijn ze wit, en aan de andere root of purper, gelijk de gemaakte aardbesien van was, aan 't kloostergoet*, met een klein kroontje bovenop. Binnen hebben ze een wit en zappig vleesch, wat krakende in 't eten, en wat korlig zoet of een weinig rynsch van smaak, dog wat naar look trekkende, zij komen overeen met de Madronho of Manecylis dat is de vrugt van de lage Arbutus, gelijk ik ze in Portugal gezien en gegeten heb omtrent de stadt Elvas, dog de Amboinsche na mijn onthout zijn lieffelijker van smaak dan de Elvaze, die van binnen geel en drogkorlig vleesch hadden’.

* wat met ‘kloostergoed’ bedoeld wordt zijn ‘klederen voor monniken’;

wat dit te maken heeft met ‘aardbeien van was’ is voor mij niet duidelijk.

Mij zijn geen publicaties bekend, waarin Elvas ooit genoemd werd als een oord waar Rumphius enige tijd geweest is. De door mij gevonden passage is blijkbaar velen steeds ontgaan.

Elvas is een belangrijke vestingstad in de provincie Alentejo, vlak bij de spaanse

grens en niet ver van Badajoz. De stad ligt boven op een heuvel en wordt omringd

door imposante fortificaties met meerdere rijen wallen en puntige bastions. Zoals

vaak in Portugal zijn er nog bouwsels uit de tijden van de Moren, die daar van 714

tot 1230 een versterkt kasteel hadden. Wie de stad nadert vanuit het Westen, ziet

allereerst het ‘Aqueduto da Amoreira’. Met de bouw van dat aquaduct werd in het

begin van de 16de eeuw begonnen. Het is ontworpen door de bouwmeester Francisco

(40)

Dit

(41)

zelfde zal ook gegolden hebben voor de vestingwerken, die de stad beschermen. Hij had daar kijk op, zijn vader was onder andere betrokken bij de bouw van de

vestingwerken van Hanau, zoals wij hiervoor al zagen. Het is waarschijnlijk dat Rumphius daar enige tijd in garnizoen lag. Het was een zeer strategisch gelegen plaats, die een grote rol gespeeld heeft in de Portugese strijd voor het onafhankelijk zijn van Spanje. In 1659 - Rumphius zat toen al hoog en breed op Ambon - werden daar bij de slag van de Linhas de Elvas de Spanjaarden opnieuw verslagen; dit zou pas in 1669 uitmonden in een vrede tussen beide landen.

Elvas. Aqueduto da Amoreira uit 1622 (foto W. Buijze).

Voor wat betreft de Madronho moet worden gezegd, dat dit geschreven moet worden als Medronho en de struik heet Medronheiro. Toen ik door Elvas liep langs de wegen die Rumphius zo vaak bewandeld zal hebben, had ik een kopie van Plaat LXXI uit het AKB [Lib. 6, Cap. 76, bij p. 136] bij mij. Bij navraag toonde ik deze plaat om te weten of deze herkend werd. Zonder dralen werd deze ambonse struik gezien als een Medronheiro. Men vertelde mij zelfs erbij dat het eten ervan bij kinderen tot een zekere versuffing kon leiden. Men was verbaasd te horen dat de getoonde afbeelding er een was van een plant die voorkomt in de Molukken.

De Medronheiro wordt niet gekweekt, maar groeit in het vrije veld, in het bijzonder

in de ‘Serra da Estrela’ zuid-oost van Viseu. Maar zij komt op vele andere plaatsen

ook wel voor. Men destilleert er een zeer sterke Aguardente van.

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :