(1)Masterscriptie Effectiviteit van The Incredible Years op de mate van ouderlijke sensitiviteit tijdens ouder- kind interacties

21  Download (0)

Full text

(1)

Masterscriptie

Effectiviteit van The Incredible Years op de mate van ouderlijke sensitiviteit tijdens ouder- kind interacties.

Masterscriptie Orthopedagogiek Pedagogische en Onderwijskundige Wetenschappen Universiteit van Amsterdam Paula Reis Jordao Schreuder (12800554) Begeleidster: D. van der Giessen 2de beoordelaar: A. van Dijk Amsterdam, juli 2021

(2)

Abstract

This pilot study measures the effect of the parent intervention The Incredible Years on the degree of parental sensitivity in parent-child interactions. Parents were expected to show a higher degree of sensitivity after following the training. For this study 40 participants were randomly selected from an existing data set (N=40), 21 of whom belong to the intervention group and 19 to the control group. The children were between 4 and 8 years old at baseline (M=6.05; SD=1.26; 50% boys). The parents were between 23 and 51 years old at baseline (M=37.95, SD=5.03; 95% mothers). Structured parent-child interactions were coded using the Emotional Availability (EA) scales. Here we looked at the difference in sensitivity between the before and after measurement and at the difference in sensitivity between the

intervention and control group. The results show that no differences were found in parental sensitivity between the control and intervention groups. This implies that the IY training has no effect on the level of sensitivity of parents and that other interventions that have been shown to be effective should be considered for this purpose. However, these results should be interpreted with caution and further research is needed.

(3)

Samenvatting

Deze pilot studie meet het effect van de ouderinterventie The Incredible Years op de mate van ouderlijke sensitiviteit in de ouder kind interacties. Verwacht werd dat ouders na het volgen van de training een hogere mate van sensitiviteit laten zien. Uit een bestaande data set zijn gerandomiseerd 40 deelnemers geselecteerd (N=40) waarvan er 21 tot de

interventiegroep behoren en 19 tot de controlegroep. De kinderen waren tussen de 4 en 8 jaar oud bij baseline (M=6.05; SD= 1.26; 50% jongens). De ouders waren tussen de 23 en 51 jaar oud bij baseline (M=37.95, SD=5.03; 95% moeders). Met behulp van de Emotional availability (EA) schalen zijn gestructureerde ouder-kind interacties gecodeerd. Vervolgens is gekeken naar het verschil in sensitiviteit tussen voor en nameting en naar verschil in

sensitiviteit tussen de interventie en controle groep. Uit de resultaten blijkt dat geen verschillen zijn gevonden in de sensitiviteit van ouders tussen de controle- en interventiegroep. Dit impliceert dat de IY training geen effect heeft op de mate van

sensitiviteit van ouders en er voor dit doeleinde gekeken moet worden naar andere effectief gebleken interventies. Wel moeten deze resultaten met voorzichtigheid worden

geïnterpreteerd en is vervolg onderzoek nodig.

(4)

Inhoud

Inleiding………..….5

Hechting en ouderlijke sensitiviteit in de opvoeding………...….6

Sensitiviteit en externaliserende problematiek……….7

Ouderlijke sensitiviteit vergroten door middel van interventies………..8

Huidig onderzoek………...9

Methode………..…….9

Participanten………..…….9

Procedure……….….10

Interventie: The Incredible Years………...10

Observatie maten………...……..11

Data-analyse……….12

Resultaten………..13

Beschrijvende statistieken………..13

Toetsende statistieken……….13

Discussie……….14

Mogelijke verklaringen……….14

Sterke punten en beperkingen van het onderzoek……….16

Conclusie………...17

(5)

Effectiviteit van The Incredible Years op de mate van ouderlijke sensitiviteit tijdens ouder- kind interacties.

Inleiding

Ouderinterventies lijken een effectief middel te zijn om gedragsproblemen bij kinderen te verminderen en de sterkste effecten worden gezien bij kinderen met ernstigere gedragsproblemen (Menting et al., 2013; McCart et al., 2006; Nowak & Heinrichs, 2008). De Incredible Years (IY) is een ouderinterventie die in eerste instantie zich richtte op gezinnen met kinderen van 3 tot 8 jaar met klinische gedragsproblemen en later steeds meer

preventief werd ingezet bij gezinnen met een verhoogd risico op deze problemen om zo probleemgedrag te voorkomen. Dit gebeurt door ouders 14 weken lang een sessie van 2 uur per week te bieden in een groep met 10 tot 12 andere ouders. Ouders leren in deze sessie spel- en geweldloze opvoedvaardigheden (zoals bijvoorbeeld een time-out en logische consequenties) en probleemoplossende strategieën. Dit door middel van videobeelden, discussies en rollenspellen.

De effectiviteit van IY is de afgelopen jaren in meerdere studies onderzocht, met veelal positieve resultaten. Zo blijkt dat IY een positief effect heeft op het verminderen van disruptief gedrag en het vergroten van pro-sociaal gedrag bij kinderen (Menting et al., 2013).

Daarnaast is IY, op basis van zelfrapportage van ouders, succesvol in het verminderen van externaliserend gedrag van het kind en het verminderen van negatief opvoedgedrag. Op basis van zowel zelfrapportage als observatie is ook gebleken dat IY effectief is voor het vergroten van positief opvoedgedrag van ouders (Weeland et al., 2017). Wel is het effect op positief opvoedgedrag alleen te zien tijden de posttest en niet meer bij de follow up. Dit positieve opvoedgedrag werd gekenmerkt door onder andere het prijzen van het kind bij een prestatie, vragen stellen die waardering uiten naar het kind, het aanmoedigen, het uiten van zichtbare/hoorbare uitingen van plezier naar het kind en het hebben van een neutrale of positieve lichaamshouding. Hieruit blijkt dat IY ervoor kan zorgen dat ouders hun (opvoed) gedrag veranderen, maar onduidelijk is dit gedrag ook sensitief is naar het kind.

Er is nog weinig kennis over het effect van de IY op de mate van ouderlijke

sensitiviteit bij ouders van kinderen tussen de 3 en 8 jaar, terwijl sensitiviteit een belangrijk element is in de opvoeding. Een sensitieve ouder kan de emotionele signalen van het kind goed lezen en adequaat regeren. Daarnaast kan de ouder zich afstemmen op de behoefte van het kind, zich flexibel en creatief opstellen in spel. Hierbij is belangrijk dat het gedrag, de toon en lichaamshouding van de ouder congruent zijn naar het kind (Biringen &

Easterbrooks, 2012). Sensitiviteit speelt niet alleen een rol in de kwaliteit van de hechting van het kind (Ainsworth.,1978) maar wordt ook gerelateerd aan externaliserend gedrag bij kinderen (Miner & Clarke-Stewart, 2008; Olson et al., 2000; Reuben et al., 2015; Wright et al., 2018). Dit maakt het belangrijk om bij ouders de sensitiviteit te vergroten in de opvoeding

(6)

door middel van ouderinterventies. Huidig onderzoek zal zich richten op het effect van IY op ouderlijke sensitiviteit in ouder-kind interacties.

Hechting en ouderlijke sensitiviteit in de opvoeding

Een goede hechting is belangrijk voor de sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen (Bowlby, 1969). Bij een veilige hechting dient de ouder als veilige haven voor het kind in tijden waar het kind bescherming nodig heeft. Deze ervaringen maken dat het kind zijn of haar omgeving kan ontdekken met de ouder als veilige basis op de achtergrond. Bij een onveilige hechting, waarin de ouder niet de rol van veilige basis en veilige haven kan bieden, kan het kind niet goed leren wanneer het afstand of nabijheid kan zoeken bij zijn of haar hechtingsfiguur (Ainsworth,1978). Door de ervaringen die jonge kinderen hebben met hun primaire hechtingsfiguur, ontwikkelen zij interne werkmodellen van hechting. Deze interne werkmodellen van hechting beïnvloeden de wijze waarop kinderen hun eigen gedrag en het gedrag van anderen interpreteren zowel in het heden als in latere sociale situaties (Bowlby, 1969). Zo zullen kinderen die positieve hechtingservaringen hebben deze

emotieregulatiestrategieën internaliseren en ontwikkelen zij vertrouwen in de hulpvaardigheid van anderen als deze nodig is. Aan de andere kant zullen kinderen die negatieve

hechtingservaringen hebben kan het kind het gevoel krijgen dat zijn of haar leed onredelijk, ongerechtvaardigd of overweldigend is wat een verwrongen gevoel van zelfredzaamheid en emotionele kracht kan geven (Cloitre et al., 2008). Niet goed ontwikkelde hechting wordt als kern gevonden voor het ontwikkelen van persoonlijkheidsstoornissen (Hessels et al., 2008).

De mate van ouderlijke sensitiviteit speelt een cruciale rol in de hechting van het kind.

Zo wordt gevonden dat kinderen die meer sensitiviteit in de opvoeding hebben gehad vaker veilig gehecht zijn en kinderen met minder sensitiviteit in de opvoeding juist vaker een

onveilige hechting laten zien (Ziv et al., 2000; Carter et al., 2001). Ainsworth’s (1978) definitie van een sensitieve ouder is dat deze goed afgestemd is op de signalen van het kind, in staat is deze signalen correct te interpreteren en op gepaste wijze te reageren om zo tegemoet te komen aan de behoefte van het kind. De theorie van Biringen en Easterbrooks (2012) legt meer de nadruk op het hebben van een emotionele band als basis voor de sensitiviteit. Hier wordt sensitiviteit gezien als een dyadisch construct, waarin verzorger en kind elkaar

emotioneel over en weer beïnvloeden. Zo zijn positief emotionele uitingen van een kind net zo bevredigend voor het kind zelf als de verzorger. Deze krijgt op deze manier feedback van het kind en dit kan de verzorger het gevoel geven dat er een emotionele band ontstaat. Dit zal weer effect hebben op de emotionele uitingen van de verzorger naar het kind wat de emotionele band kan versterken. Ouderlijke sensitiviteit wordt in deze theorie gezien als de mate waarin een ouder een rustige, warme en emotionele aanwezigheid heeft gedurende ouder-kind interacties. Daarnaast wordt er gekeken in hoeverre de ouder de emotionele signalen van het kind juist kan lezen en adequaat kan regeren, zich kan afstemmen op de

(7)

behoefte van het kind, zich flexibel en creatief kan opstellen in spel. Hierbij is van belang dat de mate waarin het gedrag, de toon en lichaamshouding van de ouder congruent is naar het kind. Dit zijn kenmerken die zich richten op het interpreteren en tonen van (warme) emotie en minder specifiek op gedrag.

Sensitiviteit en externaliserende problematiek

Uit onderzoek blijkt dat verminderde ouderlijke sensitiviteit in de opvoeding gerelateerd is aan externaliserend gedrag bij kinderen op latere leeftijd. Zo laat een

longitudinaal onderzoek zien dat een lage mate van geobserveerde ouderlijke sensitiviteit in ouder- kind spel interacties op de leeftijd van 1,2,3,4 en 7 jaar gerelateerd is aan meer externaliserend gedrag bij kinderen. Deze resultaten werden gevonden wanneer er gekeken werd naar rapportages van zowel ouders als docenten (Miner & Clarke-Stewart, 2008).

Vergelijkbare resultaten zijn ook gevonden bij een ander longitudinaal onderzoek. Dit onderzoek heeft ouder- kind interacties geobserveerd bij kinderen van 5,13 en 24 maanden en hun ouders en heeft de mate van ouderlijke sensitiviteit in verband gebracht met

externaliserend gedrag op latere leeftijd. Allereerst bleek dat bij kinderen waar op 13 en 24 maanden een lage mate van ouderlijke sensitiviteit werd geobserveerd in de ouder-kind interacties, zij op 7,8 en 10-jarige leeftijd meer externaliserend gedrag vertoonden in de vorm van hyperactiviteit en agressie. Deze bevindingen werden gedaan op basis van rapportages van docenten. Daarnaast rapporteerden ouders zelf meer agressie bij hun 17-jarige kinderen als er op 6 maanden een verminderde mate van ouderlijke sensitiviteit zichtbaar was

geweest tijdens de interacties. Ook de 17-jarige jongeren rapporteerden zelf een hogere mate van agressie ten opzichte van andere leeftijdsgenoten als er op zowel 6,13 en 24 maanden een verminderde ouderlijke sensitiviteit te zien was geweest in de ouder-kind interacties (Olson et al., 2000).

Verder is gebleken uit een longitudinale studie onder 225 kinderen, dat bij de kinderen waar op een leeftijd van 27 maanden een warme sensitieve opvoeding werd gerapporteerd door ouders zij op de leeftijd van 6-7 jaar op school lagere mate van externaliserend gedrag lieten zien. Deze resultaten werden gevonden in rapportages van docenten over het externaliserend gedrag van de kinderen (Reuben et al., 2015). Uit een ander onderzoek (Wright et al., 2018) naar het effect van de sensitiviteit van de moeder op de Callous-unemotional (CU) traits van kinderen tussen de 2,5 en 5 jaar, is gebleken dat een hogere mate van sensitiviteit van moeders geassocieerd wordt met vermindering van de CU traits. Deze CU bestaan uit een temperament dimensie die gekenmerkt wordt door lage empathie, interpersoonlijke ongevoeligheid, beperkt affect en ongevoeligheid voor prestaties, wat kenmerken zijn van psychopathologie bij jongeren en tot probleemgedrag leidt. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de mate van sensitiviteit in de opvoeding een voorspeller kan

(8)

zijn voor externaliserend gedrag en van belang is om de kans op psychopathologie te verkleinen op latere leeftijd.

Ouderlijke sensitiviteit vergroten door middel van interventies

Ouderlijke sensitiviteit is dus een belangrijk element in de opvoeding om externaliserend gedrag bij kinderen te voorkomen. Hierdoor is het belangrijk om de sensitiviteit van ouders in de opvoeding te vergroten door middel van ouderinterventies.

Hieronder worden interventies toegelicht die effectief zijn in het vergroten van sensitiviteit bij ouders. Als eerste is het ouderprogramma ‘Video Feedback Intervention for promoting Positive Parenting and Sensitive Discipline (VIPP-SD) bedoeld voor ouders met kinderen tussen de 1 en 3 jaar met een verhoogd risico op externaliserend gedrag en bestaat uit 4 tot 6 (individuele) sessies van 90 min. Tijdens deze sessie wordt theorie besproken en

opgenomen interacties gebruikt om ouders te leren de signalen van hun kinderen te

herkennen, te interpreteren en adequaat te reageren (Juffer et al., 2008). Deze interventie is uit verschillende onderzoeken effectief gebleken in het vergroten van de sensitiviteit van verzorgers/ouder in interactie met de (pleeg)kinderen (Velderman et al., 2006; Kalinauskiene et al., 2009; Cassibba et al., 2014). Een andere interventie die positief effect laat zien op het versterken van ouderlijke sensitiviteit is het Attachment and Biobehavioral Catch-up program (ABC). Dit programma bestaat uit 10 sessies van een uur en vindt plaats in de thuissituatie waar coaches de verzorgers in het moment feedback geven op ouderlijk gedrag om zo het regulatieve vermogen van het kind te stimuleren. (Bick & Dozier, 2013; Yarger et al., 2016).

Ondanks dat de IY zich niet specifiek richt op het vergroten van ouderlijke sensitiviteit is er wel onderzoek naar gedaan. Hier is gekeken naar het effect van de IY (peuterprogramma voor ouders met kinderen van 1 tot 3 jaar) op de sensitiviteit van moeders met baby’s tussen de 2 en 16 weken oud. Gevonden is dat de sensitiviteit van deze moeders na het deelnemen aan ouderprogramma was toegenomen (Jones et al., 2016).

Het bewijs dat IY de ouderlijke sensitiviteit vergroot is met maar één onderzoek bij alleen ouders van baby’s nog zwak te noemen en zal nog moeten worden gerepliceerd. Toch zijn er redenen om aan te nemen dat dit wel het geval is. IY richt zich op het aanleren van vaardigheden bij ouders die de relatie met hun kind positief beïnvloed, zoals samen spelen, waardering uiten en het prijzen van het kind. Om deze vaardigheden toe te passen moet een ouder gericht naar het kind gaan kijken. Dit kan er voor zorgen dat ouders eerder signalen van hun kind gaan zien (Webster-Stratton, 2001). Het herkennen van signalen is een onderdeel van sensitiviteit. Daarnaast wordt door deze vaardigheden een positieve relatie gestimuleerd tussen ouder en kind. Vanuit de theorie wordt sensitiviteit gezien als een dyadisch en emotioneel construct waarin kind en ouder elkaar emotioneel beïnvloeden (Biringen & Easterbrooks.,2012). Het lijkt er op dat IY ouders de basisvoorwaarden aanleert om sensitiviteit te vergroten. Verder is gebleken dat ouderinterventies met beperkte

(9)

hoeveelheid sessies (onder de 16) het meest effectief zijn in het vergroten van ouderlijke sensitiviteit (Bakermans-Kranenburg et al. 2003), wat mogelijk ook bij IY het geval is.

De bovenstaande interventies richten zich op ouders van jonge kinderen en daarnaast zijn zowel de VIPP-D en de ABC interventie individuele interventies. Er is nog weinig bekend of ouderlijke sensitiviteit te vergroten is door middel van een groepsinterventie en ook of dit ook effectief is voor ouders van oudere kinderen (ouder dan 3 jaar) en bij

kinderen met verhoogd risico op externaliserend gedrag. Dit maakt het interessant om het effect van IY op ouderlijke sensitiviteit te onderzoeken bij het programma voor ouders van 4 tot 8 jaar oud.

Huidig onderzoek

Het huidig onderzoek gaat kijken of er een verandering is in ouderlijke sensitiviteit tussen de voormeting (T1) en nameting (T2) na het volgen van IY interventie. Hier wordt verwacht dat er een toename zal zijn in ouderlijke sensitiviteit bij de nameting (T2). Bij het eerder

genoemde onderzoek (Weeland et al., 2017) naar het effect van IY op positief opvoedgedrag was er een toename te zien bij de nameting, wat doet geloven dat de IY ook effect zou kunnen hebben op de mate van sensitiviteit van ouders.

Methode Participanten

Dit onderzoek gebruikt het onderzoeksdesign en data (N=387) die eerder is verzameld bij het onderzoek van Weeland et al ( 2017) naar de effectiviteit van de

oudertraining The Incredible Years. Uit deze bestaande data zijn voor een pilotstudie naar het gebruik van EA codeersysteem, 40 ouder-kind dyade door middel van randomisatie geselecteerd voor het huidig onderzoek. Hiervan behoorde 19 tot de controlegroep en 21 tot de interventiegroep. De deelnemende kinderen waren tussen de 4 en 8 jaar oud bij baseline (M=6.05; SD= 1.26) en zijn allemaal in Nederland geboren. De helft van deze kinderen waren jongens (50%). De deelnemende ouders (95% moeders) waren tussen de 23 en 51 jaar oud bij base line (M=37.95, SD=5.03) en 67.5% van deze ouders zijn in Europa

geboren. 42,5% van de ouders hebben de middelbare school als hoogst genoten opleiding en 22,5% heeft een hogere opleiding voltooid (d.w.z. hoger beroepsonderwijs of universitair niveau). Door middel van een T- toets is er gekeken naar significante verschillen tussen de groep (N=387) van het eerdere onderzoek van Weeland et al (2017) en groep van dit huidig onderzoek (N=40). Uit deze analyse blijkt dat de groep van het huidig onderzoek (N=40) niet significant verschilt van de gehele groep (N=387) op de gemiddelde leeftijden van zowel ouders als kinderen, op etnische achtergrond, in de verhouding jongens/meisjes en vaders/moeders. Wel is er een significant verschil gevonden in opleidingsniveau van de deelnemende ouders. Bij de gehele groep had 50% van de ouders een hogere opleiding afgerond versus 22,5% van de N=40 groep.

(10)

Procedure

Er is gekozen voor een gerandomiseerd experimenteel onderzoeksdesign (RCT). De participanten zijn benaderd door gebruik te maken van contactgegevens van twee

Nederlandse gezondheidsorganisaties. Alle gezinnen met kinderen in de leeftijden van 4 tot 8 jaar ontvingen een gepersonaliseerde informatiebrief, toestemmingsformulier en de screeningsvragenlijst (d.w.z. Eyberg Child Gedragsinventarisatie [ECBI]; Eyberg &

Pincus,1999). Gezinnen die de vragenlijst ingevuld en teruggestuurd hadden binnen twee weken ontvingen een vergoeding van 7,50 euro. In totaal zijn er 5867 ingevulde vragenlijsten teruggestuurd. De kinderen die op of boven het 75ste percentiel scoorden op de vragenlijst, kwamen in aanmerking om mee te doen aan dit onderzoek. Per familie werd één ouder-kind dyade (N= 1393) uitgenodigd deel te nemen aan het onderzoek. Hierin werd geen

onderscheid gemaakt tussen gezinnen met verschillende etnische afkomst of gezinnen met ouders van hetzelfde geslacht. De gezinnen die in aanmerking kwamen ontvingen een brief waarin zij werden uitgenodigd deel te nemen aan het onderzoek. Een week later werden ouders benaderd door een onderzoeker of opgeleide onderzoeksassistent die het gehele onderzoeksproces nader kon toelichten.

Het is gelukt om met 61% van de gezinnen in contact te komen (N=850) waarvan 46% instemde deel te nemen aan het onderzoek. In totaal hebben 387 ouder-kind dyade met kinderen tussen de 4 en de 8 jaar in de baseline deelgenomen. De participanten zijn

willekeurig ingedeeld in twee groepen: de interventie groep en de controle groep.

Randomisatie naar een controle- of experimentele conditie (1: 1) vond plaats na de pretest en de toestemming voor deelname. Hierin trok een onafhankelijke onderzoeker een kaartje (waarop ofwel de controle of de experimentele toestand stond) dit kaartje werd vervolgens teruggelegd. De interventiegroep nam deel aan de IY- oudertraining tussen de pretest en de posttest. De controlegroep nam geen deel aan de IY- oudertraining maar was vrij om zelf te zoeken naar andere vromen van zorg (d.w.z. ‘care as usual’). Er is gebruik gemaakt van drie meetmomenten een pre test, post test (4 maanden na de pre test) en een follow up ( 8 maanden na de pre test en 4 maanden na de post test). Voor het huidig onderzoek is er alleen gekeken naar de pre en posttest.

Interventie: The Incredible Years

De oudertraining IY (Webster-Stratton, 2001b) is een programma dat bestaat uit 15 wekelijkse sessies . Het programma richt zich eerst op positieve ouderschap strategieën zoals spelen, prijzen om daarna strategieën te behandelen die leren om te gaan met ongewenst gedrag zoals het negeren van gedrag of time-out strategieën. Gedurende het programma krijgen ouders videobeelden te zien van ouder-kind interacties, worden er rollenspellen gedaan en kunnen ouders ervaringen delen met elkaar. Ouders krijgen

huiswerk mee in de vorm van opdrachten en het lezen van informatie. Daarnaast krijgen de

(11)

ouders een ‘buddy’ (dit is een andere ouder van dezelfde groep) in de training, met wie zij wekelijks contact hebben om de voortgang en moeilijkheden te bespreken van de

aangeleerde strategieën. De trainers nemen een faciliterende rol in gedurende de training, en stimuleren ouders elkaar te helpen bij het oplossen van problemen.

In totaal hebben veertien IY interventiegroepen meegedaan bestaande uit 8 tot 15 ouders, verspreid over verschillende gemeenten. De groepen hadden 14 wekelijkse sessies van 2 uur en één ‘boost’ sessie een maand na afronding van de training. Elke groep had twee groepsleiders die de drie daagse opleiding had gevolgd. Ook hadden de groepsleiders een achtergrond in klinische kinderpsychologie en ruime ervaring in het geven van de IY training. Ouders vulden na elke sessie een vragenlijst in waarin zij hun specifieke leerdoelen konden opschrijven. Gedurende de boost sessie was kinderopvang geregeld voor de ouders die dit nodig hadden. Ook konden ouders compensatie ontvangen voor de reiskosten.

Daarnaast ontvingen alle ouders bij start een programma boek en een IY magneet. De groepsleiders voorzagen de bijeenkomsten van koffie, thee en snacks. Ook konden ouders bij elke sessie een beloning kiezen voor hun actieve deelname in de vorm van snoep of stickers. Tijdens de laatste sessie ontvingen ouders een certificaat, een persoonlijk felicitatie praatje en een plant.

Observatie maten

Voor elk meetmoment zijn er huisbezoeken afgelegd waarin ouder-kind interacties gefilmd zijn tijdens een gestructureerd spelmoment. Er is gebruik gemaakt van wijze van observeren die behoort tot de Dyadic Parent-Child Interaction Coding System (DPICS) (Robinson & Eyberg, 1981). Hier werden spelmomenten geobserveerd die in totaal 20 minuten in beslag namen met een vaste set aan speelgoed en bestaande uit vier delen met verschillende instructies. Zo stond het eerste deel in teken van het vrij spelen om ouders en kinderen te laten wennen aan het filmen. Na vijf minuten ging het spel over in kindgericht spelen waarin het kind mocht kiezen waarmee werd gespeeld en de ouder het kind moest volgen, ook dit duurde vijf minuten. Daarna ging het spel over in ouder geregisseerd spel, waarin de ouder het spel mocht leiden. En als laatste spelvorm: het opruimen, waarin de ouder het kind moest laten opruimen. De deelnemende gezinnen ontvingen een vergoeding van 20 euro voor de eerste twee huisbezoeken en 40 euro voor de derde.

De gefilmde ouder-kind interacties zijn in zijn geheel gecodeerd, waarin de eerste vijf minuten niet zijn meegenomen voor de codering. Voor het coderen is gebruik gemaakt van de Emotional availability (EA) schalen (Biringen, 2008). De EA richt zich op onderdelen van een emotionele gezonde relatie in een dyade, en meet dit met schalen die zowel het gedrag van het kind als de verzorger meten. De vier componenten bij de verzorger die de EA meet zijn: sensitiviteit, structurering, niet-opdringerigheid en niet-vijandigheid. De componenten bij

(12)

het kind die worden gemeten zijn: het reactievermogen van het kind op de verzorger en de betrokkenheid van het kind.

Dit huidig onderzoek richtte zich vooral op de mate van sensitiviteit van ouders. Om dit te kunnen onderzoeken is alleen de schaal sensitiviteit gebruikt (Biringen, 2008). Hiervoor is gebruikt gemaakt van de directe score van sensitiviteit die de globale mate van sensitiviteit van de ouder meet. Dit gebeurde op een schaal van 1 (extreem niet sensitief) tot 7 (heel sensitief). De scoren 1 en 2 staan voor zeer niet sensitief. De scores 2,5 tot 3,5 staan voor een interactie die afstandelijk, niets sensitief en niet warm is. De scores tussen de 4 en de 5 staan voor interacties die wel warm zijn maar niet sensitief. De ouder lijkt sensitief of is inconsistent in de mate van sensitiviteit. Een score tussen de 5,5 en 6 betekent een matige, wat neutrale sensitiviteit en een score van 6,5 of 7 betekent een hoge mate van sensitiviteit, waarin de ouder warm is in het contact en plezier heeft in de interactie.

Naast de directe score is de sensitiviteit schaal onderverdeeld in zeven subschalen:

affect, clarity of perceptions and appropriate adult responsiveness, awareness of timing, flexibility varierty and creativity in modes of play and interavtion, adult acceptence, amount of interaction en conflict situations. De subschalen affect en clarity of perceptions and

appropriate adult responsivness worden gescoord op een schaal van 1 tot en met 7, waarin een 1 een lage mate en een 7 een hoge mate van affect of gepaste responsiviteit betekent.

De andere schalen zijn gescoord op een schaal van 1 tot en met 3 (Biringen, 2008), waarbij de totaalscore sensitiviteit de som is van de scores op alle subschalen van de schaal sensitiviteit. Een hoge totaalscore betekent dus ook een hoge score op de subschalen en een hogere mate van sensitiviteit. Voor het huidig onderzoek is er gekeken naar verschillen in de directe score en de totaalscore van sensitiviteit. Het coderen is gedaan door vijf verschillende codeurs. Alle vijf codeurs hebben de EA training zelf online gevolgd. Er is niet gekeken naar de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid voor deze pilotstudie.

Data-analyse

Voor de data-analyse is het programma SPSS gebruikt. Als eerst is er gekeken naar missende en foutieve data. Daarnaast is ook gekeken naar mogelijke uitschieters in de data die het gevonden effect konden beïnvloeden. Er is gebruik gemaakt van herhaalde metingen ANOVA waarmee tussen-subject (conditie) en within-subject (tijd) factoren wordt gekeken.

Met deze analyse is gekeken naar het verschil in sensitiviteit tussen voor- en nameting en naar verschil in sensitiviteit tussen de interventie- en controlegroep. Vanwege de relatief kleine steekproef en kleine power is aanvullend gekeken naar de significantie in het

gemiddelde verschil in de directe score van sensitiviteit tussen de voor- en nameting binnen de twee condities door middel van een gepaarde T- toets.

(13)

Resultaten Beschrijvende statistieken

Allereerst is de data zorgvuldig geïnspecteerd op foutieve en missende waarden. Hier bleek geen sprake van te zijn. Verder zijn er geen uitschieters gevonden en kon worden aangenomen dat de data normaal verdeeld was. In totaal zijn voor 40 deelnemende dyade de analyse uitgevoerd. De beschrijvende resultaten zijn in tabel 1 weergegeven. Hierin zijn de gemiddelde scores op de schaal directe score en de totaalscore van sensitiviteit van zowel de interventie als de controlegroep weergegeven.

Tabel 1.

Beschrijvende resultaten van interventie en controlegroep op de directe score en totaal score van Sensitiviteit.

Interventiegroep N=21

Controlegroep N=19

M SD M SD

Directe Score T1 4.59 1.45 4.76 1.36

T2 5.07 1.49 4.74 1.40

Totaal Score T1 21.38 5.25 21.34 5.12

T2 22.55 5.51 21.34 5.50

Toetsende statistieken

Met een repeated measured analysis of variance (ANOVA) is er gekeken of er hoofdeffecten zijn in de mate van sensitiviteit in tijd en tussen de condities en of er sprake is van een interactie-effect tussen meetmoment en conditie. Op de directe scores van

sensitiviteit is er geen hoofdeffect van tijd gevonden. Er is geen significante verandering tussen de voormeting en nameting gezien op de directe score (F (1) =1.16, p=.29).

Daarnaast is er ook geen hoofdeffect aanwezig van de conditie. Dit betekent dat tussen de interventie en de controlegroep er geen significant gemiddeld verschil gevonden is in de directe score van sensitiviteit. (F (1) =.04, p=.84). Verder blijkt uit de resultaten dat voor de directe scores van sensitiviteit geen significante interactie-effecten aanwezig zijn tussen meetmoment en conditie (F (1) =1.45, p=.24). Hieruit wordt geconcludeerd dat de verandering tussen voor- en nameting in de directe scores niet verschilt tussen de interventie- en controlegroep

Ondanks dat er geen interactie-effect van tijd en conditie is gevonden, lijkt uit tabel 1 wel dat er in de interventiegroep een aanzienlijke toename is in de directe score van

(14)

sensitiviteit. Omdat er sprake is van een relatief kleine steekproef en er daarmee sprake is van een kleine power, is post hoc gekozen om door middel van een gepaarde T-toets nog te kijken naar het gemiddeld verschil van de directe score op sensitiviteit binnen de condities.

Hieruit is gebleken, dat het gemiddelde verschil in de directe score (M= -.48; SD= 1.39) bij de interventiegroep tussen de voor- en na meting niet significant was. (t (20)= -1.58, p= .13).

Ook het gemiddelde verschil (M= .03; SD= 1.24) op de directe score tussen de voor- en na meting bij de controlegroep was niet significant (t (18)= .09, p=.93).

Daarnaast is aan de hand van een repeated measured analysis of variance (ANOVA) op de totaalscore van sensitiviteit ook geen hoofdeffect van tijd gevonden. Dit betekent dat er geen significant verschil is tussen de voormeting en de nameting op de totaalscore (F (1)

=.60; p=.44). Ook op de totaalscore van sensitiviteit is geen hoofeffect gevonden van de conditie (F (1) =.17, p=.68). Er is geen significant verschil gevonden tussen de interventie- en controlegroep op de totaalscore van sensitiviteit. Dit betekent dat ouders die de interventie hebben gevolgd gemiddeld niet hogere scores behalen op de subschalen van sensitiviteit dan ouders die de interventie niet hebben gevolgd. Daarnaast is er ook geen significant interactie-effect gevonden tussen het meetmoment en conditie ( F (1) = .60, p=.44). Hieruit wordt geconcludeerd dat verschillen in de totaalscore op sensitiviteit in de voor- en nameting niet afhangt van de conditie waar ouders onder vallen.

Discussie

Doel van deze pilotstudie was om in kaart te brengen of de IY training effect heeft op de mate van ouderlijke sensitiviteit tijdens ouder-kind interacties. Hierbij is gebruik gemaakt van de Emotional availability (EA) schalen (Biringen, 2008) en is een deel van de bestaande data gebruikt uit eerder onderzoek (Weeland et al., 2017). Uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat zowel op de directe scores als de totaalscores van sensitiviteit er geen verschillen zijn gevonden in de sensitiviteit van ouders tussen de controle- en

interventiegroep. Dit betekent dat in tegenstelling tot de verwachtingen, de IY training niet heeft geleid tot een verandering in sensitiviteit van ouders tijdens ouder- kind interacties.

Mogelijke verklaringen

Eerder onderzoek naar de effectiviteit van de IY is gericht geweest op het effect op externaliserend gedrag van het kind en het opvoedgedrag van ouders. De IY is een training die zich allereerst richt op positieve ouderschapsstrategieën zoals spelen, prijzen om daarna strategieën te behandelen die leren om te gaan met ongewenst gedrag zoals het negeren van gedrag of time-out strategieën (Webster-Stratton, 2001b). Een mogelijke verklaring voor het feit dat er geen verandering in sensitiviteit is gevonden bij ouders die de IY training hebben gevolgd, kan dan ook zijn dat deze interventie die gericht is op het gedrag van ouders niet passend is om ‘emotionele’ verandering te weeg te brengen in de ouder- kind interactie. Vanuit de literatuur wordt sensitiviteit gezien als een dyadisch construct waarin het

(15)

kind en de ouder elkaar emotioneel over en weer beïnvloeden door middel van interactie, waar de ouder een rustige, emotionele aanwezigheid heeft, de signalen van het kind juist kan interpreteren en adequaat kan reageren (Biringen & Easterbrooks, 2012). Daar waar de IY ouders leert om bijvoorbeeld complimenten te geven, wordt bij een sensitieve ouder verwacht dat de ouder deze complimenten kan geven als het kind er behoefte aan heeft en het compliment congruent is met lichaamstaal en intonatie zodat deze oprecht overkomt (Biringen, 2008). Mogelijk zijn interventies die zich specifiek richten op het interpreteren van de kind signalen hier effectiever in (Bakermans-Kranenburg et al., 2003b). De

ouderinterventies die wel effectief zijn gebleken op sensitiviteit (Juffer et al., 2008; Bick &

Dozier, 2013; Yarger et al., 2016) vinden plaatst in de thuissituatie en zijn over het algemeen één op één interventies waarin de ouder direct feedback krijgt gedurende of na een

interactie. Ook wordt de interactie opgenomen en teruggekeken met ouders waardoor zij de interactie vanuit een ander perspectief zien. Echter is de IY training een training zonder deze directe vorm van feedback. Wel maakt het gebruik van rollenspellen, maar mogelijk is het nodig om feedback gericht op de echte ouder-kind interactie te krijgen en middels video- opname dit terug te kunnen zien om tot verandering in sensitiviteit te komen.

Hierop aansluitend kan het mogelijk zijn dat ouders meer tijd nodig hebben om vanuit de geleerde positieve opvoedvaardigheden de emotionele relatie te versterken die nodig is voor sensitiviteit. In het huidig onderzoek is alleen gekeken naar het verschil in sensitiviteit tussen de voor- en nameting. In tabel 1 is zichtbaar dat er bij de interventiegroep er

toenames zijn in de directe- en totaalscores daar waar deze helemaal niet te zien zijn bij de controlegroep. Dit wekt de suggestie dat de IY mogelijk wel iets te weeg brengt in de mate van sensitiviteit maar dit bij de nameting nog niet significant hoog is. De follow up is niet in dit onderzoek meegenomen, maar mogelijk zouden er bij een later meetmoment wel significante toenames in sensitiviteit kunnen zijn.

Ook de kleine steekproef en de daarbij behorende kleine power van het onderzoek zou mogelijk een verklaring kunnen zijn dat er geen significante verschillen tussen de groepen zijn gevonden in de mate van sensitiviteit. Bij een kleine steekproef is de kans op een Type II fout groter. Een Type II fout houdt in dat er geen significante verschillen zijn gevonden terwijl deze er wel zijn (Streiner, 2013). Mogelijk zou er met een grotere steekproef wel een duidelijkere verandering zichtbaar in de mate van sensitiviteit.

Een andere mogelijke verklaring kan zijn dat de gekozen observatiemethode van de DPICS niet passend genoeg is om met de EA schalen sensitiviteit goed in kaart te kunnen brengen. De EA schalen suggereren dat vrij spel de beste interactie is om te gebruiken voor observaties. De DPICS methode (Robinson & Eyberg, 1981) gebruikt een vrij

gestructureerde interactie, waarin ouders iedere vijf minuten een andere instructie krijgen.

Het zou goed mogelijk kunnen zijn dat ouders veel waarde hechten aan de filminstructies en

(16)

die graag willen blijven volgen en daarbij minder oog hebben voor hun kind. Daardoor kan een ouder minder sensitief zijn naar de behoeftes van het kind tijdens de opname, maar is dit niet representatief voor de mate van sensitiviteit van de ouder in het dagelijks leven. Volgens de EA schalen is een observatie van minimaal 15 tot 20 minuten nodig om sensitiviteit te kunnen meten. Maar vanuit onderzoek wordt gezien dat langere observaties van minimaal 45 minuten beter zijn om sensitiviteit te kunnen meten (Biringen et al., 2005). Een reden hiervoor kan zijn dat een ouder op korte termijn wel sensitief kan ogen maar dat er bij langere observaties verveling of ongeduld kan optreden bij de ouder, wat een ander beeld van de mate van sensitiviteit kan geven. De totale lengte van de observaties van het huidig onderzoek waren rond 20 minuten, sommigen zaten daar ook onder. Daarnaast bestonden deze uit drie verschillende instructies van ieder vijf minuten. Het zou goed kunnen dat om sensitiviteit met de EA schalen goed te kunnen meten er minimaal 20 tot 45 minuten vrij spel geobserveerd moet kunnen worden. Daar voldoen de gebruikte observaties voor dit huidig onderzoek nu niet aan. Ook zij de taken die nu zijn geobserveerd in een rustige omgeving en zijn deze relatief stress vrij. Gezien stress invloed kan hebben op de mate van sensitiviteit in de opvoeding (Belsky, 1984) kan het zijn dat dat er andere resultaten gevonden worden bij interacties momenten die stressvol zijn zoals de avond routine. Stressvolle taken doen meer een beroep op zowel opvoedvaardigheden als de sensitiviteit van ouders en zijn dienen misschien daarom beter voor het meten van (verschil) in sensitiviteit

Sterke punten en beperkingen van het onderzoek

Een sterk punt van dit onderzoek is dat het gebruik maakt van een groot en goed databestand van een eerder onderzoek. De kwaliteit van de opnames zijn goed waardoor deze goed gecodeerd kunnen worden. Daarnaast is de deelnemende groep (N=40) vergelijkbaar met de gehele groep (N=387) van het onderzoek van Weeland (2017), waardoor er geen reden is om aan te nemen dat de gevonden resultaten komen door verschillen in de groepen. Een ander sterk aspect van dit onderzoek is dat het

gerandomiseerd experimenteel onderzoeksdesign heeft. Er is gebruik gemaakt van een controle- en interventiegroep en de deelnemers zijn door middel van randomisatie aan de conditie toegewezen. Mede hierdoor en door het gebruiken van een voor- en nameting kan er goed gekeken worden naar het effect van de interventie. Het gebruiken van

observatieonderzoek kan gezien worden als een sterk aspect van het onderzoek.

Observatieonderzoek is effectief gebleken bij het meten van gedragsverandering bij ouders na een interventie (Aspland & Gardner, 2003). Ook heeft observatieonderzoek een hogere voorspellingswaarde dan zelfrapportage (Patterson & Forgatch, 1995). Daarnaast kan ook het meetinstrument gezien worden als een sterk punt van het onderzoek. De EA schalen blijken uit onderzoek over het algemeen goede interbeoordelaarsbeteouwbaarheid en test

(17)

hertest betrouwbaarheid te hebben. Ook zijn de EA schalen gevoelig gebleken in het meten van verandering bij interventie en preventieonderzoek (Biringen, 2008).

Bij het interpreteren van de resultaten moet rekening gehouden worden met

mogelijke beperkingen van dit pilotonderzoek. Allereerst valt te zeggen dat alle deelnemende kinderen in Nederland zijn geboren en dat het grootste deel van de deelnemende ouders moeders waren. Dit is van invloed op de generaliseerbaarheid van de resultaten naar andere culturen en kan er weinig worden gezegd over het effect van de IY op de mate van

sensitiviteit bij vaders. Een andere beperking is dat door een beperking in tijd het niet mogelijk geweest is om aandacht te besteden aan de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (IBB) van de codeurs. De IBB geeft de mate van overeenstemming weer tussen meerdere codeurs. Deze wordt meestal berekend om zicht te hebben op de betrouwbaarheid van het coderen (Bakeman & Goodman, 2020). Bij deze studie is hier niks over bekend en hierom moeten de resultaten met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Wel is de EA een instrument die over het algemeen een goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid heeft en gezien alle codeurs wel de officiële training hebben gevolgd.

Deze pilotstudie leent zich goed als basis voor vervolgonderzoek. Zoals eerder aangegeven zou het raadzaam zijn om dit onderzoek voort te zetten met een grotere steekproef. Nu zijn er 40 participanten van de 387 van het onderzoek van Weeland (2017) geselecteerd voor het huidig onderzoek. Vervolgonderzoek zou gedaan kunnen worden met de gehele steekproef. Ook zou het wenselijk zijn dat vervolgonderzoek kijkt naar de

sensitiviteit van ouders bij de follow up omdat het wellicht langer duurt voordat er zichtbare veranderingen in sensitiviteit te zien bij ouders. In het huidig onderzoek is de follow up niet meegenomen.

Conclusie

Voor de praktijk kan uit dit onderzoek worden meegenomen dat een interventie die effectief is gebleken in het verbeteren van het opvoedgedrag van ouders niet gelijk ook leidt tot het vergroten van de sensitiviteit van ouders. Uit de literatuur weten we dat sensitiviteit erg belangrijk is in de opvoeding en een gebrek hieraan kan leiden tot externaliserend gedrag van kinderen (Miner & Clarke-Stewart, 2008; Olson et al., 2000). Het alleen aanleren van opvoedvaardigheden is niet genoeg om de ouderlijke sensitiviteit te verbeteren. Voor gezinnen waar het verbeteren van de sensitiviteit van ouders wenselijk is zou gekeken moeten worden naar andere interventies die wel al effectief gebleken zijn.

Geconcludeerd kan worden dat de resultaten van deze pilotstudie met voorzichtigheid moet worden geïnterpreteerd. Uit de resultaten blijkt er geen significant effect van de

interventie IY zichtbaar op ouderlijke sensitiviteit in ouder- kind interacties. Vervolgonderzoek zal moeten plaatsvinden om daadwerkelijk tot duidelijke conclusies te kunnen komen over de effectiviteit van de IY op de mate van ouderlijke sensitiviteit.

(18)

Literatuurlijst

Ainsworth, M. D. S., Blehar, M. C., Waters, E., & Wall, S. (1978). Patterns of attachment. A psychological study of the strange situation. Hillsdale, NJ: Lawrence Erlbaum

Associates.

Aspland, H., & Gardner, F. (2003). Observational Measures of Parent-Child Interaction: An Introductory Review. Child and Adolescent Mental Health, 8(3), 136–143.

https://doi.org/10.1111/1475-3588.00061

Bakeman, R., & Goodman, S. H. (2020). Interobserver reliability in clinical research: Current issues and discussion of how to establish best practices. Journal of Abnormal

Psychology, 129(1), 5–13. https://doi.org/10.1037/abn0000487

Bakermans-Kranenburg, M. J., Van IJzendoorn, M. H., & Juffer, F. (2003b). Less is more:

Meta-analyses of sensitivity and attachment interventions in early childhood.

Psychological Bulletin, 129(2), 195–215. https://doi.org/10.1037/0033-2909.129.2.195 Belsky, J. (1984). The Determinants of Parenting: A Process Model. Child Development,

55(1), 83. https://doi.org/10.2307/1129836

Biringen, Z., Damon, J., Grigg, W., Mone, J., Pipp-Siegel, S., Skillern, S., & Stratton, J.

(2005). Emotional availability: Differential predictions to infant attachment and

kindergarten adjustment based on observation time and context. Infant Mental Health Journal, 26(4), 295–308. https://doi.org/10.1002/imhj.20054

Biringen, Z. (2008). Emtional availability (EA) scales manual (4de ed., Vol. 2008).

emotionalavailabilty.com, PO Box.

Biringen, Z., Derscheid, D., Vliegen, N., Closson, L., & Easterbrooks, M. A. (2014).

Bakermans-Kranenburg, M. J., van IJzendoorn, M. H., & Juffer, F. (2003). Less is more: Meta-analyses of sensitivity and attachment interventions in early childhood.

Psychological Bulletin, 129(2), 195–215. https://doi.org/10.1037/0033-2909.129.2.195 Bick, J., & Dozier, M. (2013). The Effectiveness of an Attachment-Based Intervention in

Promoting Foster Mothers’ Sensitivity toward Foster Infants. Infant Mental Health Journal, 34(2), 95–103. https://doi.org/10.1002/imhj.21373

Bowlby, J. (1969). Attachment and loss: Vol. 1. Attachment (rev. ed.). Harmondsworth, England: Penguin.

Carter, A. S., Garrity-Rokous, F. E., Chazan-Cohen, R., Little, C., & Briggs-Gowan, M. J.

(2001). Maternal Depression and Comorbidity: Predicting Early Parenting, Attachment Security, and Toddler Social-Emotional Problems and Competencies. Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 40(1), 18–26.

https://doi.org/10.1097/00004583-200101000-00012

Cassibba, R., Castoro, G., Costantino, E., Sette, G., & Van Ijzendoorn, M. H. (2014).

(19)

Enhancing maternal sensitivity and infant attachment security with video feedback: an exploratory study in Italy. Infant Mental Health Journal, 36(1), 53–61.

https://doi.org/10.1002/imhj.21486

Cloitre, M., Stovall-McClough, C., Zorbas, P., & Charuvastra, A. (2008). Attachment

organization, emotion regulation, and expectations of support in a clinical sample of women with childhood abuse histories. Journal of Traumatic Stress, 21(3), 282–289.

https://doi.org/10.1002/jts.20339

de Wolff, M. S., & van IJzendoorn, M. H. (1997). Sensitivity and Attachment: A Meta-Analysis on Parental Antecedents of Infant Attachment. Child Development, 68(4), 571.

https://doi.org/10.2307/1132107

Juffer, F., Bakermans-Kranenburg, M. J., & van IJzendoorn, M. H. (2008). Promoting Positive Parenting: An Attachment-Based Intervention. New York:Taylor & Francis.

Hessels, C. J., van Aken, M. A. G., & de Castro, B. O. (2008). Persoonlijkheidspathologie bij adolescenten. Kind en Adolescent, 29(4), 194–207

https://doi.org/10.1007/bf03076762

Emotional availability (EA): Theoretical background, empirical research using the EA Scales, and clinical applications. Developmental Review, 34(2), 114–167.

https://doi.org/10.1016/j.dr.2014.01.002

Fagot, B. I. (1997). Attachment, parenting, and peer interactions of toddler children.

Developmental Psychology, 33(3), 489–499.

https://doi.org/10.1037/0012-1649.33.3.489

Jones, C. H., Erjavec, M., Viktor, S., & Hutchings, J. (2016). Outcomes of a Comparison Study into a Group-Based Infant Parenting Programme. Journal of Child and Family Studies, 25(11), 3309–3321. https://doi.org/10.1007/s10826-016-0489-3

Kalinauskiene, L., Cekuoliene, D., Van IJzendoorn, M. H., Bakermans-Kranenburg, M. J., Juffer, F., & Kusakovskaja, I. (2009). Supporting insensitive mothers: the Vilnius randomized control trial of video-feedback intervention to promote maternal sensitivity and infant attachment security. Child: Care, Health and Development, 35(5), 613–

623. https://doi.org/10.1111/j.1365-2214.2009.00962.x

McCart, M. R., Priester, P. E., Davies, W. H., & Azen, R. (2006). Differential Effectiveness of Behavioral Parent-Training and Cognitive-Behavioral Therapy for Antisocial Youth: A Meta-Analysis. Journal of Abnormal Child Psychology, 34(4), 525–541.

https://doi.org/10.1007/s10802-006-9031-1

Menting, A. T. A., Orobio de Castro, B., & Matthys, W. (2013). Effectiveness of the Incredible Years parent training to modify disruptive and prosocial child behavior: A meta-

analytic review. Clinical Psychology Review, 33(8), 901–913.

https://doi.org/10.1016/j.cpr.2013.07.006

(20)

Mesman, J., Minter, T., & Angnged, A. (2016). Received sensitivity: adapting Ainsworth’s scale to capture sensitivity in a multiple-caregiver context. Attachment & Human Development, 18(2), 101–114. https://doi.org/10.1080/14616734.2015.1133681 Miner, J. L., & Clarke-Stewart, K. A. (2008). Trajectories of externalizing behavior from age 2

to age 9: Relations with gender, temperament, ethnicity, parenting, and rater.

Developmental Psychology, 44(3), 771–786. https://doi.org/10.1037/0012- 1649.44.3.771

Olson, S. L., Bates, J. E., Sandy, J. M., & Lanthier, R. (2000). Early Developmental

Precursors of Externalizing Behavior in Middle Childhood and Adolescence. Journal of Abnormal Child Psychology, 28(2), 119–133.

https://doi.org/10.1023/a:1005166629744

Patterson, G. R., & Forgatch, M. S. (1995). Predicting future clinical adjustment from

treatment outcome and process variables. Psychological Assessment, 7(3), 275–285.

https://doi.org/10.1037/1040-3590.7.3.275

Reuben, J. D., Shaw, D. S., Neiderhiser, J. M., Natsuaki, M. N., Reiss, D., & Leve, L. D.

(2015). Warm Parenting and Effortful Control in Toddlerhood: Independent and Interactive Predictors of School-Age Externalizing Behavior. Journal of Abnormal Child Psychology, 44(6), 1083–1096. https://doi.org/10.1007/s10802-015-0096-6 Robinson, E. A., & Eyberg, S. M. (1981). The dyadic parent–child interaction coding system:

Standardization and validation. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 49(2), 245–250. https://doi.org/10.1037/0022-006x.49.2.245

Streiner, D. L. (2013). A Guide for the Statistically Perplexed. Amsterdam University Press.

Velderman, M., Bakermans-Kranenburg, M. J., Juffer, F., & van IJzendoorn, M. H. (2006).

Effects of attachment-based interventions on maternal sensitivity and infant attachment: Differential susceptibility of highly reactive infants. Journal of Family Psychology, 20(2), 266–274. https://doi.org/10.1037/0893-3200.20.2.266

Webster-Stratton, C. (2001). The Incredible Years: Parents, Teachers, and Children Training Series. Residential Treatment for Children & Youth, 18(3), 31–45.

https://doi.org/10.1300/j007v18n03_04

Weeland, J., Chhangur, R., van der Giessen, D., Matthys, W., de Castro, B. O., & Overbeek, G. (2017). Intervention Effectiveness of The Incredible Years: New Insights Into Sociodemographic and Intervention-Based Moderators. Behavior Therapy, 48(1), 1–

18. https://doi.org/10.1016/j.beth.2016.08.002

Wright, N., Hill, J., Sharp, H., & Pickles, A. (2018). Maternal sensitivity to distress, attachment and the development of callous-unemotional traits in young children. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 59(7), 790–800. https://doi.org/10.1111/jcpp.12867 Yarger, H. A., Hoye, J. R., & Dozier, M. (2016). Trajectories of change in attachment and

(21)

biobehavioral catch-up among high-risk mothers: A randomized clinical trial. Infant Mental Health Journal, 37(5), 525–536. https://doi.org/10.1002/imhj.21585

Ziv, Y., Aviezer, O., Gini, M., Sagi, A., & Karie, N. K. (2000). Emotional availability in the mother–infant dyad as related to the quality of infant–mother attachment relationship.

Attachment & Human Development, 2(2), 149–169.

https://doi.org/10.1080/14616730050085536

Figure

Updating...

References

Related subjects :