UvA-DARE (Digital Academic Repository)

Download (0)

Hele tekst

(1)

UvA-DARE (Digital Academic Repository)

Neurophysiological correlates of the pathway to the early stages of psychosis

van Tricht, M.J.

Publication date 2013

Link to publication

Citation for published version (APA):

van Tricht, M. J. (2013). Neurophysiological correlates of the pathway to the early stages of psychosis.

General rights

It is not permitted to download or to forward/distribute the text or part of it without the consent of the author(s) and/or copyright holder(s), other than for strictly personal, individual use, unless the work is under an open content license (like Creative Commons).

Disclaimer/Complaints regulations

If you believe that digital publication of certain material infringes any of your rights or (privacy) interests, please let the Library know, stating your reasons. In case of a legitimate complaint, the Library will make the material inaccessible and/or remove it from the website. Please Ask the Library: https://uba.uva.nl/en/contact, or a letter to: Library of the University of Amsterdam, Secretariat, Singel 425, 1012 WP Amsterdam, The Netherlands. You will be contacted as soon as possible.

(2)

&

NEDERLANDSE SAMENVATTING

NEDERLANDSE SAMENVATTING

1. INLEIDING

1.1 PSYCHOSE EN SCHIZOFRENIE

Een psychose is een psychiatrisch toestandsbeeld waarbij het contact met de werkelijkheid vaak ernstig verstoord is. Psychotische verschijnselen worden gezien bij diverse psychiatrische ziektebeelden, waaronder drugsmisbruik of een bipolaire stoornis, maar kunnen ook ontstaan in het kader van schizofrenie. Schizofrenie is een ernstige en chronische aandoening die voorkomt bij ongeveer 1% van de wereldbevolking, en gekenmerkt wordt door een heterogeen beloop en een variëteit aan symptomen in het merendeel van de patiënten. In het psychiatrisch handboek DSM-IV worden de volgende vier symptoomcategorieën beschreven: i) positieve symptomen, zoals hallucinaties en wanen, ii) negatieve symptomen van schizofrenie, zoals initiatiefverlies of sociale isolatie (American Psychiatric Association, 2000), iii) cognitieve symptomen, zoals geheugenstoornissen, of aandachts- en geheugenproblemen en iv) affectieve symptomen, zoals een sombere of vlakke stemming. Hoewel cognitieve stoornissen momenteel niet vereist zijn om de diagnose schizofrenie te stellen, wordt wereldwijd steeds meer erkend dat deze stoornissen een essentieel kenmerk zijn van de ziekte (Elvevåg & Goldberg, 2000). De cognitieve stoornissen gaan vaak gepaard met ernstige beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren. Ondanks diverse interventies, waaronder medicatie en cognitieve gedragstherapie, is de prognose bij een groot deel van de schizofreniepatiënten slecht. Schizofrenie wordt geassocieerd met een duidelijk verhoogd suïciderisico (Dutta, 2010) en hangt samen met een kortere levensverwachting, mede door co-morbide overgewicht en rookgedrag (Insel, 2010).

1.2 PREDICTIE VAN PSYCHOSE 1.2.1. Prodromale fase

Een effectieve behandeling van schizofrenie is nog steeds een belangrijke uitdaging in de psychiatrie (Ruhrmann et al., 2012). Op dit moment is er een wereldwijde zoektocht gaande om patiënten met een hoog risico voor een eerste psychose op te sporen. In eerder wetenschappelijk onderzoek is namelijk aangetoond dat een langere duur van een onbehandelde psychose een slechter ziektebeloop kan voorspellen (Marshall, 2005) en dat cognitieve gedragstherapie de kans op een eerste psychose in hoog risico patiënten kan halveren (van der Gaag et al., 2012, 2013). De focus van schizofrenieonderzoek is gedurende de afgelopen jaren dan ook verschoven naar de prodromale fase, oftewel de periode die voorafgaat aan de eerste psychose waarin al psychiatrische klachten en een achteruitgang in het niveau van functioneren worden gezien (Nieman et al., 2007;

Yung et al., 2003). Naast de mogelijkheden tot vroege interventie, kan het onderzoek bij patiënten in de prodromale fase ook helpen bij het vaststellen van cognitieve of neurobiologische risicomarkers van de ziekte.

(3)

NEDERLANDSE SAMENVATTING

&

1.2.2 De ‘Ultra High Risk’ benadering

Een in de afgelopen decennia veel toegepaste methode om patiënten te identificeren die mogelijk in de prodromale fase van schizofrenie verkeren, en waarbij dus sprake is van een verhoogd risico op een eerste psychose, is de ‘Ultra High Risk’ (UHR) benadering.

Deze methode is ontwikkeld door onderzoekers van het ‘Early Psychosis Prevention and Intervention Centre’ in Melbourne, Australië (McGorry et al., 2003; Yung et al., 2007) en verwijst naar een klinisch syndroom dat als een risicofactor voor het ontwikkelen van een psychose binnen een jaar beschouwd kan worden. Psychose is echter niet onvermijdelijk. De UHR-benadering bestaat uit drie klinische criteria: 1) patiënten die zelf een schizotypische persoonlijkheidsstoornis of een eerstegraads familielid met een psychose hebben en waarbij sprake is van een achteruitgang in het dagelijks functioneren; 2) patiënten met subklinische (milde) psychotische symptomen of 3) patiënten die een kortdurende psychose hebben doorgemaakt, waarbij de symptomen niet langer dan één week aanwezig waren en spontaan verdwenen.

Binnen groepen met patiënten die volgens bovenstaande criteria worden geïncludeerd, wordt een grote variatie gezien in het percentage patiënten dat uiteindelijk een psychose doormaakt, variërend van 13 tot 50% (Olsen & Rosenbaum, 2006; Ruhrmann et al., 2010). Het onterecht vaststellen van een UHR zou kunnen leiden tot onnodige angst, stigmatisering en onjuiste behandelingen (Nelson & Yung, 2010;Yung et al., 2007). Er is dan ook nog steeds veel behoefte aan meetinstrumenten die kunnen bijdragen aan het onderscheiden van UHR-patiënten die uiteindelijk wel of geen psychose zullen ontwikkelen, oftewel karakteristieken die een werkelijk risico op een psychose signaleren. Hoewel er de afgelopen jaren al met verschillende meetmethoden, waaronder neuro-imaging (Job et al., 2003; Pantelis et al., 2007;

Takahashi et al., 2009), neuropsychologisch (Brewer et al., 2005; Niendam et al., 2007) en neurofysiologisch (Bramon et al., 2008; Frommann et al., 2008; Ozgürdal et al., 2008;

van der Stelt et al., 2005) onderzoek is aangetoond dat UHR- patiënten verschillen van gezonde controles, zijn er nog weinig studies verricht om te onderzoeken of deze maten ook kunnen bijdragen aan de voorspelling van een eerste psychose binnen een UHR- groep. Meer specifiek, ondanks de veelvuldig gerepliceerde bevinding dat bepaalde neurofysiologische maten betrouwbare markers van schizofrenie zijn, is tot op heden nog niet onderzocht of deze maten kunnen bijdragen aan het voorspellen van een eerste psychose. Evenmin is in kaart gebracht wat het beloop is van deze markers vanaf de prodromale fase tot na de eerste psychotische episode.

1.3 NEUROFYSIOLOGISCHE PARADIGMA’S

Stoornissen in de informatieverwerking, waaronder aandachtsproblemen of problemen met het ‘filteren’ van stimuli, komen veel voor bij schizofreniepatiënten. Ook zijn er aanwijzingen dat deze problemen samenhangen met de klinische symptomen van schizofrenie en het niveau van functioneren in het dagelijks leven (Hermens et al., 2009; Jahshan et al., 2012; Turetsky et al., 2009; Rissling et al., 2012). De verwerking van omgevingsstimuli omvat verschillende stadia, variërend van automatische pre-attentieve

(4)

NEDERLANDSE SAMENVATTING

&

verwerking tot hogere orde, cognitieve verwerking. Met behulp van verschillende neurofysiologische meetmethoden kan worden gekeken naar de neurobiologische mechanismen van de informatieverwerking. Met het elektro-encefalogram (EEG) kan bijvoorbeeld de elektrische hersen-activiteit na de aanbieding van bepaalde stimuli over de verschillende stadia van de informatieverwerking worden gemeten. Verder kan met het oogbewegingsonderzoek meer informatie verkregen worden over de problemen in de verwerking van visuele stimuli en de onderliggende hersenafwijkingen.

2. DOEL VAN DIT PROEFSCHRIFT

Het doel van de studies die zijn opgenomen in dit proefschrift was het ontwikkelen van een integratief, multisysteem model van neurofysiologische afwijkingen gerelateerd aan een eerste psychose. De specifieke doelen waren: 1) het identificeren van neurofysiologische markers van schizofrenie en bestuderen of deze markers kunnen bijdragen aan de voorspelling van een eerste psychose binnen een UHR-groep, en 2) het onderzoeken van het beloop van neurofysiologische afwijkingen, in de periode voorafgaand tot kort na een eerste psychotische episode.

3. RESULTATEN

DOEL 1: het identificeren van neurofysiologische markers van schizofrenie en bestuderen of deze markers kunnen bijdragen aan de voorspelling van een eerste psychose binnen een UHR-groep.

In hoofdstuk 1 werd een korte achtergrond van de ziekte schizofrenie en het UHR- concept gegeven. Verder werden in dit hoofdstuk de verschillende neurofysiologische methodieken die in dit onderzoek werden gebruikt besproken en werden de doelen van dit proefschrift geformuleerd.

In hoofdstuk 2 werd een overzicht gegeven van neurofysiologische afwijkingen die zijn gevonden bij schizofreniepatiënten. Verder werden potentiële neurofysiologische endofenotypes, oftewel meetbare, aan de aandoening gerelateerde en genetisch bepaalde kenmerken, van schizofrenie besproken. De review van studies die zich hebben gericht op de vroege informatieverwerking liet zien dat schizofreniepatiënten vaak problemen hebben met het filteren van onbelangrijke stimuli, zoals gemeten met sensorische of sensoro-motorische gatingparadigma’s. Ook werd geconcludeerd dat er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de betrouwbaarheid van enkele maten die verondersteld worden de pre-attentieve informatieverwerking te meten. Wat betreft de componenten die gerelateerd zijn aan de hogere cognitieve informatieverwerking, werd geconcludeerd dat de P300, een positieve hersengolf die gemiddeld 300 msec na het aanbieden van een belangrijke stimulus optreedt, een betrouwbare biomarker van schizofrenie zou kunnen zijn. Ook laten schizofreniepatiënten vaak afwijkingen in de oogbewegingen zien, onder andere op taken die de gladde oogvolgbewegingen meten, maar ook op een oogbewegingstaak waarmee een beroep gedaan wordt op de uitvoerende functies, waaronder het kunnen onderdrukken van een ongewenste respons (d.w.z. de antisaccade test). Hoewel sommige maten die in dit hoofdstuk

(5)

NEDERLANDSE SAMENVATTING

&

werden besproken zouden kunnen helpen om het ‘gat’ tussen de klinische presentatie en de onderliggende genen op te vullen (endofenotype), zijn er nog meer studies nodig om de betrouwbaarheid en stabiliteit van deze markers te testen.

Hoofdstuk 3 richtte zich op de prestatie van UHR-patiënten op een taak van de gladde oogvolgbewegingen. Er werd aangetoond dat UHR-patiënten meer correctieve en non-correctieve saccades maken dan een groep gezonde controles. We vonden echter geen verschillen in de ‘gain’, oftewel de verhouding tussen de snelheid van het oog en de snelheid van de stimulus (een rode stip). Het toegenomen aantal saccades hing samen met de ernst van positieve (sub)psychotische symptomen. Deze bevindingen tonen aan dat er bij UHR-patiënten al afwijkingen zijn in de oogvolgbewegingen voorafgaand aan een eerste psychose.

In hoofdstuk 4 werd een studie beschreven waarin is onderzocht of er afwijkingen te zien zijn in de P300 of andere Event Related Potentials (ERPs) bij een groep UHR- patiënten en of deze ERPs kunnen bijdragen aan het voorspellen van een eerste psychose. De resultaten lieten zien dat aan het begin van de studie, UHR-patiënten die later een transitie naar een psychose doormaken kleinere P300 amplitudes op pariëtale elektrode posities vertoonden dan een groep gezonde controles en een groep UHR- patiënten zonder transitie naar psychose. Tevens bleken de pariëtale P300 amplitudes onafhankelijke voorspellers te zijn van een toekomstige psychose. De correlatieanalyses toonden aan dat afgenomen P300 amplitudes samen kunnen hangen met anhedonie en sociaal terugtrekgedrag.

In hoofdstuk 5 werden de bevindingen van een multicentre studie gepresenteerd, waarin werd onderzocht of kwantitatieve EEG maten kunnen bijdragen aan het voorspellen van klinische en functionele uitkomst in een relatief grote UHR-groep. De resultaten toonden aan dat toegenomen theta- en deltapower en een kleinere alpha piek frequentie (APF) kunnen bijdragen aan de voorspelling van een eerste psychose. Verder bleken bepaalde EEG-maten mogelijk ook te kunnen bijdragen aan de voorspelling van functionele uitkomst, waaronder het niveau van sociaal functioneren en het vermogen de wereld en anderen te begrijpen. Er werd dan ook geconcludeerd dat, in combinatie met klinische meetschalen, EEG-parameters nuttig zijn voor risicoclassificatie maar ook om het algemene niveau van functioneren te kunnen voorspellen.

In het laatste hoofdstuk van het eerste deel van dit proefschrift (hoofdstuk 6) werd onderzoek gedaan naar mogelijke effecten van cannabis op de informatieverwerkingscapaciteiten. Hiertoe werden ERPs gemeten in UHR-patiënten en een groep verder gezonde controles met of zonder cannabisgebruik. Gezonde cannabisgebruikers en UHR-patiënten lieten vergelijkbare afwijkingen in P300 amplitudes zien. Verder werden in de groep cannabisgebruikers langere ERP- latentietijden geobserveerd, wijzend op een tragere informatieverwerking. Ernstigere ERP-afwijkingen bleken samen te hangen met ernstigere (sub)klinische UHR- symptomen. Op basis van deze bevindingen werd betoogd dat adolescenten zouden moeten worden geïnformeerd over de risico’s van cannabisgebruik.

(6)

NEDERLANDSE SAMENVATTING

&

DOEL II Het onderzoeken van het beloop van neurofysiologische afwijkingen in de periode voor tot kort na een eerste psychotische episode

In hoofdstuk 7 werd het longitudinale beloop van auditieve ERP-componenten onderzocht in UHR- patiënten in de periode voor tot kort na een eerste psychose. In deze studie werd onder meer gevonden dat de afwijkingen in de P300 amplitudes stabiel zijn van de prodromale fase tot na de eerste psychotische episode. Echter, de N100 amplitudes, die in verband worden gebracht met de vroege auditieve verwerking, bleken significant kleiner na de psychose vergeleken met de prodromale fase. Deze bevindingen suggereren dat ERP-componenten zich verschillend ontwikkelen gedurende de verschillende fases van de ziekte.

Hoofdstuk 8 richtte zich op het beloop van afwijkingen in de sensorische gating in de periode voor tot kort na een eerste psychose. De resultaten lieten zien dat de N100 verschilscore, oftewel de N100 amplitude na een eerste klik minus de N100 amplitude na een hier kort op volgende tweede klik, mogelijk kan bijdragen aan de voorspelling van een eerste psychotische episode. Echter, er waren ook fluctuaties zichtbaar in N100 en P200 amplitudes van de prodromale fase tot na de eerste psychose. Deze resultaten wijzen er op dat veranderingen in N100 en P200 amplitudes samenhangen met de transitie naar een floride psychotische episode.

In het laatste hoofdstuk van dit proefschrift (hoofdstuk 9) werd geprobeerd een neurofysiologisch profiel van informatieverwerkingsproblemen op te stellen bij UHR- patiënten en een groep patiënten met een eerste psychose. Er werd geconcludeerd dat afwijkingen in hogere orde, feedbackafhankelijke maten, waaronder P300 en antisaccadeparameters, stabiel zijn van de prodromale fase tot na de eerste psychose en dus mogelijk stabiele markers van de ziekte zijn. In tegenstelling tot deze bevindingen, vonden we dat maten die gerelateerd worden aan vroegere, automatische verwerking, zoals de N100 amplitudes, samenhangen met de aanvang van de eerste psychose en mogelijk gezien kunnen worden als toestandsmarker van de ziekte.

4. CONCLUSIES

Het doel van de studies die zijn opgenomen in dit proefschrift was tweeledig. Ten eerste werden neurofysiologische markers van schizofrenie geïdentificeerd en werd onderzocht of deze maten kunnen bijdragen aan de voorspelling van een eerste psychotische episode. Ten tweede werd het beloop van neurofysiologische markers van de prodromale fase tot kort na de eerste psychose in beeld gebracht. Hiertoe werden diverse neurofysiologische onderzoeken afgenomen bij een groep patiënten met een UHR voor een eerste psychotische episode. Deze groep werd gemeten voor en na het begin van een eerste floride psychose. Als vergelijkingsgroepen werden ook gezonde controles en een groep patiënten met een eerste psychotische episode gemeten.

Verder werden associaties tussen informatieverwerkingscapaciteiten, (sub)psychotische verschijnselen en functionele uitkomstmaten bestudeerd, waarmee gepoogd werd meer inzicht te verkrijgen in de relatie tussen neurofysiologische maten en het niveau van functioneren in het dagelijks leven. De belangrijkste conclusies van dit proefschrift zijn:

(7)

NEDERLANDSE SAMENVATTING

&

1. UHR-patiënten maken op een taak van de gladde oogvolgbewegingen gemiddeld meer saccades dan een groep gezonde controles. Een hoger aantal saccades werd gerelateerd aan ernstigere positieve UHR-symptomen.

2. Kleinere pariëtale P300 amplitudes kunnen bijdragen aan de korte termijn voorspelling van een toekomstige psychotische episode in UHR-patiënten.

3. Er is een relatie tussen de aanwezigheid van kleinere P300 amplitudes en toegenomen anhedonie en sociaal terugtrekgedrag.

4. Kwantitatieve EEG-parameters, waaronder toegenomen power in theta- en deltabanden en een kleinere alpha piek frequentie, kunnen bijdragen aan de voorspelling van een eerste psychose. Ook kunnen bepaalde EEG-maten, waaronder alpha- en thetapower, mogelijk bijdragen aan het voorspellen van het algemeen niveau van functioneren.

5. Gezonde cannabisgebruikers en UHR-patiënten laten vergelijkbare afwijkingen zien in P300 amplitudes. Echter, een vertraagde informatieverwerking, zoals blijkt uit langere ERP- latentietijden, wordt alleen gevonden bij cannabisgebruikers en niet bij UHR-patiënten zonder cannabisgebruik.

6. Bij UHR-patiënten en gezonde cannabisgebruikers is er een relatie tussen de ernst van de informatieverwerkingsproblemen en de ernst van de UHR-symptomen.

7. Afwijkingen in hogere orde, feedbackafhankelijke maten, waaronder P300 en antisaccade parameters, zijn stabiel van de prodromale fase tot na de eerste psychose. Echter, maten die de vroegere, automatische verwerking meten, zoals de N100 amplitudes, hangen samen met de aanvang van de eerste psychose en kunnen mogelijk gezien worden als toestandsmarker van de ziekte.

Concluderend kan gesteld worden dat onze resultaten aantonen dat enkele neurofysiologische maten, waaronder de P300 amplitudes en power in bepaalde frequenties van het EEG in rust, kunnen bijdragen aan het onderscheiden van UHR-patiënten die in de toekomst wel of geen psychose zullen doormaken. In neurofysiologische maten die de vroege fases van de informatieverwerking meten werden echter fluctuaties gezien van de prodromale fase tot na de eerste psychose. Deze bevindingen suggereren dat verschillende ERP-componenten zich anders ontwikkelen over de verschillende fases van de ziekte. De in dit proefschrift gerapporteerde associaties tussen neurofysiologische maten en zowel de ernst van de UHR-symptomen als het algemene niveau van functioneren verschaffen meer inzicht in de relatie tussen informatieverwerkingsproblemen en het niveau van klinisch en algemeen functioneren.

(8)

NEDERLANDSE SAMENVATTING

&

REFERENCE LIST

Bramon,E., Shaikh,M., Broome,M., Lappin,J., Bergé,D., Day,F., Woolley,J., Tabraham,P., Madre,M., Johns,L., Howes,O., Valmaggia,L., Pérez,V., Sham,P., Murray,R.M. and McGuire,P., 2008. Abnormal P300 in people with high risk of developing psychosis.

Neuroimage 41, 553-560.

Brewer,W.J., Francey,S.M., Wood,S.J., Jackson,H.J., Pantelis,C., Phillips,L.J., Yung,A.R., Anderson,V.A. and McGorry,P.D., 2005. Memory Impairments Identified in People at Ultra-High Risk for Psychosis Who Later Develop First-Episode Psychosis. Am J Psychiatry 162, 71-78.

Dutta,R., 2010. Reassessing the long-term risk of suicide after a first episode of psychosis.

Arch Gen Psychiatry 67, 1230-1237.

Elvevåg,B. and Goldberg,T.E., 2000. Cognitive impairment in schizophrenia is the core of the disorder. Crit rev Neurobiol 14, 1-21.

Frommann,I., Brinkmeyer,J., Ruhrmann,S., Hack,E., Brockhaus-Dumke,A., Bechdolf,A., Wölwer,W., Klosterkötter,J., Maier,W.

and Wagner,M., 2008. Auditory P300 in individuals clinically at risk for psychosis.

Int J Psychophysiol 70, 192-205.

Hermens DF, Ward PB, Hodge MA, Kaur M, Naismith SL, Hickie IB, 2010.

Impaired MMN/P3a complex in first- episode psychosis: cognitive and psychosocial associations. Prog Neuropsychopharmacol Biol Psychiatry 34, 822-9.

Insel,T.R., 2010. Rethinking schizophrenia.

Nature 468, 187-193.

Jahshan,C., Wynn,J.K., Mathis,K.I., Altshuler,L.L., Glahn,D.C. and Green,M.F., 2012. Cross- diagnostic comparison of duration mismatch negativity and P3a in bipolar disorder and schizophrenia. Bipolar Disorders 14, 239-248.

Job,D.E., Whalley,H.C., McConnell,S., Glabus,M., Johnstone,E.C. and Lawrie,S.M., 2003.

Voxel-based morphometry of grey matter densities in subjects at high risk of schizophrenia. Schizophr Res 64, 1-13.

Marshall,M., 2005. Association between duration of untreated psychosis and outcome in cohorts of first-episode patients: A systematic review. Arch Gen Psychiatry 62, 975-983.

McGorry,P.D., Yung,A.R. and Phillips,L.J., 2003. The

“Close-in” or Ultra High-Risk Model: A Safe and Effective Strategy for Research and Clinical Intervention in Prepsychotic Mental Disorder. Schizophr Bull 29, 771-790.

Nelson,B. and Yung,A.R., 2010. Can clinicians predict psychosis in an ultra high risk group? Aust NZ J Psychiatry 44, 625-630.

Nieman,D., Becker,H., van de Fliert,R., Plat,N., Bour,L., Koelman,H., Klaassen,M., Dingemans,P., Niessen,M. and Linszen,D., 2007. Antisaccade task performance in patients at ultra high risk for developing psychosis. Schizophrenia Research 95, 54-60.

Niendam,T.A., Bearden,C.E., Zinberg,J., Johnson,J.K., O’Brien,M. and Cannon,T.D., 2007. The Course of Neurocognition and Social Functioning in Individuals at Ultra High Risk for Psychosis. Schizophr Bull. 33, 772-781.

Olsen,K.A. and Rosenbaum,B., 2006. Prospective investigations of the prodromal state of schizophrenia: review of studies. Acta Psychiatr Scand 113, 247-272.

Ozgürdal,S., Gudlowski,Y., Witthaus,H., Kawohl,W., Uhl,I., Hauser,M., Gorynia,I., Gallinat,J., Heinze,M., Heinz,A. and Juckel,G., 2008. Reduction of auditory event-related P300 amplitude in subjects with at-risk mental state for schizophrenia.

Schizophr Res 105, 272-278.

Pantelis,C., Velakoulis,D., Wood,S.J., Yung,A.R., Phillips,L.J., Sun,D.Q. and Mcgorry,P.D., 2007. Neuroimaging and emerging psychotic disorders: The Melbourne ultra- high risk studies. Int Rev Psychiatry 19, 371-379.

Rissling, A.J., Braff, D.L., Swerdlow, N.R., Hellemann, G., Rassovsky, Y., Sprock, J., Pela, M., Light, G.A., 2012. Disentangling early sensory information processing deficits in schizophrenia. Clin Neurophysiol 123, 1942-9.

Ruhrmann,S., Schultze-Lutter,F. and

Klosterkötter,J., 2010. Probably at-risk, but certainly ill. Advocating the introduction of a psychosis spectrum disorder in DSM- V. Schizophr Res 120, 23-37.

Ruhrmann,S., Klosterkötter,J., Bodatsch,M., Nikolaides,A., Julkowski,D., Hilboll,D. and Schultz-Lutter,F., 2012. Chances and risks of

(9)

predicting psychosis. Eur Arch Psychiatry clin neurosci 262 Suppl 2, 85-90.

Takahashi,T., Wood,S.J., Yung,A.R., Phillips,L.J., Soulsby,B., McGorry,P.D., Tanino,R., Zhou,S.Y., Suzuki,M., Velakoulis,D. and Pantelis,C., 2009. Insular cortex gray matter changes in individuals at ultra- high-risk of developing psychosis.

Schizophr Res 111, 94-102.

Turetsky, B.I., Bilker, W.B., Siegel, S.J., Kohler, C.G., Gur, R.E., 2009. Profile of auditory information-processing deficits in schizophrenia. P3a/P3b abnormalities were associated with avolition, attentional disturbances and delusions: Psychiatry Res 30, 127-37.

van der Gaag M, Nieman DH, Rietdijk J, Dragt S, Ising HK, Klaassen RM, Koeter M, Cuijpers P, Wunderink L, Linszen DH,

2012. Cognitive Behavioral Therapy for Subjects at Ultra high Risk for Developing Psychosis: A Randomized Controlled Clinical Trial. Schizophr Bull 38, 1288-96.

Van der Gaag M, Nieman DH, Van den Berg D, 2013. CBT for those at risk for a fist episode psychosis: Evidence based psychotherapy for people with an ‘At Risk Mental State’.

Oxford, UK: Routledge.

van der Stelt,O., Lieberman,J.A. and Belger,A., 2005. Auditory P300 in high-risk, recent- onset and chronic schizophrenia.

Schizophr Res 77, 309-320.

Yung,A.R., Phillips,L.J., Yuen,H.P., Francey,S.M., McFarlane,C.A., Hallgren,M. and McGorry,P.D., 2003. Psychosis prediction:

12-month follow up of a high-risk (“prodromal”) group. Schizophr Res 60, 21-32.

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :