Contractbundel Spelling KIJKER 7. Interview met Priya! Naam Klas

Hele tekst

(1)

5

KIJKER 7 Contractbundel Spelling

Naam ____________________________________ Klas ________

Interview met Priya!

(2)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 1

Ik vul aan met een passend stoffelijk bijvoeglijk naamwoord.

_____________________ oorbellen een _____________________ tuinhuis

_____________________ schoenen een _____________________ muur

_____________________deuren een _____________________ lepel

_____________________dozen een _____________________ trui

_____________________beelden een _____________________ dopje

Oefening 2

Ik markeer de onderstreepte woorden in de juiste kleur.

De stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden markeer ik met geel.

De overige bijvoeglijke naamwoorden markeer ik met blauw.

In de gang van het grote hotel ligt een wollen tapijt op de vloer.

In het beroemde restaurant hangen er oude koperen potten aan de muur.

Woon je in een ruim stenen huis of in een klein houten hutje?

Oma en opa vieren hun gouden bruiloft met een vrolijk feest.

Die zilveren ketting heb ik van mijn lieve tante gekregen.

Die zware houten balken kan ik niet alleen verplaatsen hoor.

Is het een plastic les of is het er een van glas?

Oefening 3

Ik maak zelf zinnen met de opgegeven soorten woorden.

zelfstandig naamwoord / werkwoord / stoffelijk bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord

_________________________________________________________________________

bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord / werkwoord / zelfstandig naamwoord

_________________________________________________________________________

stoffelijk bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord / werkwoord / zelfstandig naamwoord

_________________________________________________________________________

De juffrouw koopt een gouden ring.

gouden leren houten kartonnen marmeren

houten stenen zilveren

wollen plastic

Die oude tafel weegt zeker 100 kilo.

Mijn wollen trui mag niet in de droogkast.

bv.

bv.

(3)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 4

Ik schrijf de woorden op de juiste plaats.

Ik schrijf de passende vorm van het woord.

diamantboor – bioscoopzaal – reageren – oceaanbodem – speciaal – indianenstam –

spion – schaakkampioen – vioolbouwer – voetbalstadion – miauwen – materiaal – loempia – bibliotheek

- Iedere week gaan we naar de ____________________________________ om nieuwe boeken en strips te ontlenen.

- Met een _________________________________ geraak je ook door de hardste gesteenten.

- Op het einde van de ilm was het muisstil in de ____________________________________.

- Om te kunnen ilmen op de ___________________

moesten de onderzoekers een

______________________ duikboot met camera laten maken.

- Mijn ouders houden niet van exotisch eten, maar ik ben gek op een lekkere ______________! - De wetenschapper ging in Zuid-Amerika op zoek naar _______________________________

die nog nooit een Europeaan gezien hadden.

- Ik hou van spannende ilms over _____________________ die op een geheime missie gaan.

- Het nieuwe ___________________________

is echt indrukwekkend. Het is ook afgewerkt met de mooiste

_____________________________.

- In onze straat woont een ____________________________________. Die maakt zijn instrumenten nog volledig met de hand!

- De ____________________________________ beseft dat hij schaakmat staat maar

________________________________ erg rustig en schudt de hand van zijn tegenstander.

- Als hun moeder even weg is, ___________________________ de kleine poesjes onophoudelijk.

bibliotheek diamantboor

bioscoopzaal oceaanbodem

speciale

loempia indianenstammen spionnen

voetbalstadion

materialen

vioolbouwer schaakkampioen

reageert

miauwen

(4)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 5

Ik maak samenstellingen en aleidingen.

Ik kleur de woorden die samen horen in dezelfde kleur. Ik schrijf de woorden over.

lawine motor openlucht citroen

poppen bas liter theater

horizon deci gevaar taal

benzine museum gitaar sap

__________________________________ __________________________________

__________________________________ __________________________________

__________________________________ __________________________________

__________________________________ __________________________________

Oefening 6

Ik vul de maanden van het jaar aan.

____________________ ____________________ maart

____________________ mei ____________________

____________________ ____________________ september

____________________ november ____________________

Oefening 7

Ik vul aan met i of ie.

fam____l____kwest____s kraamkl____n____k asp____r____ntje fel____c____tat____s elektr____c____teitsnet m____n____sterraad amb____t____s hel____kopterp____loot

lawinegevaar poppentheater

horizontaal benzinemotor

januari februari

april juni

juli augustus

i i i

i ie ie ie i ie i i i i i i ie i ie

oktober december

basgitaar openluchtmuseum

deciliter citroensap

lawine motor openlucht citroen

poppen bas liter theater

horizon deci gevaar taal

benzine museum gitaar sap

(5)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 8

Ik schrijf de tegenwoordige tijd of de ‘ik heb’- of ‘ik ben’-vorm van het werkwoord.

Interview met Priya uit Nepal (deel 1)

Leerkracht: Welkom in onze klas, Priya. We zijn erg blij dat je onze uitnodiging hebt (aannemen) ____________________. De kinderen hebben enkele vraagjes (voorbereiden) ________________, dus ik laat hen meteen van wal steken, als je dat goed (vinden) ___________________?

Priya: Met alle plezier! Ik (zijn) ______________ zelf ook erg benieuwd. Vraag maar raak!

Leerling: Dag Priya. (kloppen) ____________________ het dat je in Nepal geboren bent?

Hoe ben je dan in België (terechtkomen) _______________________________? Priya: Dat klopt! Ik ben geboren in de hoofdstad van Nepal, Kathmandu. Ik heb daar

tot mijn 7 jaar (wonen) ____________________. Toen zijn we naar Engeland (verhuizen) ____________________ omdat mijn papa daar een jobaanbieding had (krijgen) _____________________. Na 10 jaar verhuisde het werk van mijn papa van Londen naar Brussel, dus toen zijn wij ook in België komen wonen.

Leerling: Welke talen (spreken) ________________________ jullie dan allemaal?

Priya: Mijn moedertaal is het Nepalees, de taal van Nepal. Ik spreek ook Engels, want ik heb natuurlijk lang school (lopen) _______________________ in Engeland. Mijn Nederlands is ook vrij goed, al (vinden) ____________________ ik het wel een heel lastige taal om te leren. Mijn papa (verstaan) ________________________

wel Nederlands, maar spreken lukt hem niet altijd zo goed, hij spreekt liever Engels.

Mijn mama (praten) __________________ wel een behoorlijk mondje Nederlands.

Leerling: Woon je graag in België? Mis je Nepal soms?

Priya: O ja, ik woon heel graag in België! Toen we pas naar Engeland waren

(trekken) __________________ miste ik mijn vriendjes in Nepal wel heel erg, maar ik heb gelukkig snel nieuwe vrienden (maken) _________________________

in Londen. We vlogen ook regelmatig terug naar Nepal om onze familie ginds te bezoeken. Dat doe ik nu nog, maar niet meer zo vaak. Ik heb nu natuurlijk mijn eigen gezin hier. Mijn mama (vinden) _________________ het altijd zalig om terug in Nepal te zijn. Ze woont ook heel graag in België, maar ze

(missen) ______________ de Nepalese natuur wel. Die besneeuwde bergtoppen, die (vinden) ______________ je natuurlijk niet in België.

aangenomen

voorbereid

vindt ben

Klopt

gewoond verhuisd

gekregen

spreken

gelopen

vind verstaat

praat

getrokken

gemaakt

vindt mist vindt

terechtgekomen

(6)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 9

Ik schrijf de tegenwoordige tijd en de ‘ik heb’- of ‘ik ben’-vorm van het werkwoord.

verdelen hij ______________________ hij heeft ________________________

stoppen je ______________________ je bent _________________________

proiteren ik ______________________ ik heb __________________________

dirigeren hij ______________________ hij heeft ________________________

miauwen poezen ___________________ ze hebben _______________________

ontdekken hij ______________________ hij heeft _________________________

drinken jij ______________________ jij hebt __________________________

beloven hij ______________________ hij heeft _________________________

halen ik ______________________ ik heb ___________________________

kraken jij ______________________ jij hebt __________________________

Oefening 10

Ik schrijf de verleden tijd en de ‘ik heb’- of ‘ik ben’-vorm van het werkwoord.

nemen hij ______________________ hij heeft ________________________

starten je ______________________ je bent _________________________

proberen ik ______________________ ik heb __________________________

werken hij ______________________ hij heeft ________________________

blaffen de honden ________________ ze hebben _______________________

feliciteren hij ______________________ hij heeft _________________________

eten jij ______________________ jij hebt __________________________

winnen hij ______________________ hij heeft _________________________

slapen ik ______________________ ik heb ___________________________

laten jij ______________________ jij hebt __________________________

startte nam probeerde

werkte blaften feliciteerde

won at sliep

liet

genomen gestart geprobeerd

gewerkt geblaft gefeliciteerd

gegeten gewonnen

geslapen gelaten verdeeld

gestopt geprofiteerd

gedirigeerd gemiauwd

ontdekt gedronken

beloofd gehaald gekraakt verdeelt

stopt profiteer dirigeert miauwen ontdekt

drinkt belooft

kraakt haal

(7)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 11

Ik schrijf de woorden op de juiste plaats in de tekst.

Ik schrijf de woorden in de juiste vorm.

India – olifant – lawine – steen – prima – februari – activiteit – holifeest – familie – politieagent – goud – brons – risico

Interview met Priya uit Nepal (deel 2)

Leerling: Zijn er een bepaalde herinneringen uit Nepal die je altijd zullen bijblijven?

Priya: O ja, zeker! Mijn leukste herinneringen zijn die aan het kleurrijke

_____________________. Dat feest wordt niet enkel in ___________________

maar dus ook in Nepal uitbundig gevierd, meestal in de maand

______________________. Ik herinner me nog hoe we met alle kinderen van de _______________________ met ballonnen met gekleurd water door de straten liepen. Op het einde van de dag was iedereen net een regenboog!

Er was in onze buurt ook altijd een stoet, waarin er vrolijk opgemaakte

______________________ meeliepen. Wist je trouwens dat Holi ook in Londen duchtig gevierd wordt? Er wonen heel veel hindoes in Londen en die willen hun leukste feest natuurlijk niet zomaar stilletjes laten passeren. Er staan die dag altijd heel wat leuke ________________________ gepland. De niet-hindoes in Londen keken in het begin vast vreemd op, maar ondertussen vinden de meesten het wel

________________. De __________________________ die alles in goede banen moeten leiden zien er na het feest ook telkens erg vrolijk uit!

Leerling: Kun je nog iets meer vertellen over Kathmandu, de stad waar je woonde in Nepal?

Priya: Ja hoor. Kathmandu is de grootste stad van Nepal. Er wonen bijna anderhalf miljoen mensen, dus het is best wel een drukke stad. Er zijn veel oude tempels en paleizen die het bezoeken zeker waard zijn, met eeuwenoude _________________ muren, glanzende ___________________ koepels en ___________________ beelden.

Leerling: In Nepal vind je ook de hoogste berg ter wereld, de Mount Everest. Heb je die ooit beklommen?

Priya: O nee hoor, dat durf ik niet! Het is een gevaarlijke berg om te beklimmen en je hebt er altijd _____________________ op ________________________. Neen, dat is niets voor mij.

holifeest India

februari

olifanten

activiteiten

politieagenten prima

stenen

gouden koperen

risico lawines

familie

(8)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 12

Ik vul het kruiswoordraadsel in.

1 2

3 4 5

6

7

8

9 10 11

12 13

14

Horizontaal

5. plaats waar proefjes uitgevoerd worden 6. ander woord voor ziekenhuis

7. vrouw aan het hoofd van een school 8. houten stokje om vuur mee te maken 12. iets om te doen

14. ander woord voor appelsien

Verticaal

1. een tiende van een meter 2. gevuld chocolaatje 3. langs

4. na januari 9. wereldzee 10. een man uit Italië

11. ander woord voor cinema 13. niet horizontaal maar …

p d e

r c

v f l a b o r a t o r i u m

k l i n i e k l m

a b d i r e c t r i c e

r n t

l u c i f e r e

a r

o r i b

a c t i v i t e i t

e e a o

a r l s

a t i c

n i a o

c a o

a n p

s i n a a s a p p e l a

(9)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 13

Ik schrijf de verleden tijd of de ‘ik heb’- of ‘ik ben’-vorm van het werkwoord.

Interview met Priya uit Nepal (deel 3)

Leerling: Priya, toen je uit Londen naar Brussel (verhuizen) _____________________, was je toen niet verdrietig? Je (moeten) ________________________ waarschijnlijk opnieuw heel wat vrienden achterlaten?

Priya: Ja, dat klopt wel. Dat (zijn) _________________ een heel moeilijke tijd voor mij.

Ik had al eens al mijn vrienden moeten achterlaten, maar toen was ik nog een stuk jonger. Toen we (weggaan) _____________________________ uit Londen was ik er kapot van, ik (denken) ___________________ dat ik mijn vriendinnen nooit meer zou zien. Dat (blijken) ____________________ gelukkig wel mee te vallen:

ik ben de eerste jaren na de verhuis heel vaak met de Eurostar-trein van Brussel naar Londen (rijden) __________________. In minder dan 2 uur

(staan) _________________ ik dan terug in hartje Londen.

Dan (blijven) _________________ ik een weekend bij één van mijn vriendinnen slapen en keerde ik op zondagavond terug.

Ondertussen (maken) __________________ ik natuurlijk ook nieuwe vrienden in België. Op school was iedereen echt

ongelofelijk vriendelijk voor mij, dat heeft mij enorm (helpen) _____________________.

Ik (voelen) ____________________ me veel sneller dan verwacht thuis in België.

Oefening 14

Ik maak zinnen met de woorden. Ik schrijf de werkwoorden in de verleden tijd.

vliegen – de president van Amerika – helikopter – kliniek

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

sluipen – spion – museum – diamant

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

speciaal – uitzending – radio – reactie

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

verhuisde

was

dacht bleek

gereden stond

bleef

maakte

geholpen voelde

weggingen moest

De president van Amerika vloog met een helikopter naar de kliniek.

De spion sloop ongezien het museum uit met de diamant in haar zakken.

Er kwamen heel wat reacties op de speciale uitzending op de radio.

bv.

(10)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 15

Ik schrijf de verleden tijd van de werkwoorden. Ik schrijf ze in de juiste kolom.

snuiten – landen – zuchten – juichen – stelen – krijgen – drinken – walgen – bijten – reizen – gieten – laten – starten – rijden – laden – glijden – twijfelen – winnen – dulden – harken

met klankverandering zonder klankverandering

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

ik _________________________________

Oefening 16

Ik schrijf de woorden op de juiste plaats in de tekst.

muzikante – piano – viool – sinaasappel – vitamine – praline – sigaret

Interview met Priya uit Nepal (deel 4)

Leerling: Priya, kun je ons nog enkele feitjes over jezelf vertellen?

Priya: Ja hoor. Eens denken … Ik ben _________________, ik speel _________ en ________. Ik geef les aan de muziekschool. Ik hou erg van ___________________,

die zijn lekker en zitten ook boordevol _________________. Ik ben ook gek op

________________ en andere chocolaatjes, maar die zijn natuurlijk wat minder gezond. Ik heb een hekel aan ____________________, die stinken verschrikkelijk en zijn erg slecht voor je gezondheid!

Leerkracht: Ok, ik denk dat we hier kunnen afronden. Heel erg bedankt om te komen, Priya!

snoot kreeg stal dronk goot beet reed liet gleed

won

landde zuchtte

juichte walgde

reisde startte laadde twijfelde

duldde harkte

muzikante sinaasappels

vitamines pralines

sigaretten

piano viool

(11)

5 CONTRACTBUNDEL KIJKER 7

Oefening 17

Ik schrijf een interview met iemand die in een ander land geboren is. Ik mag fantasie gebruiken.

Ik gebruik daarbij minstens

- twee stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden,

- drie woorden met een j of w die ik hoor maar niet schrijf, - drie woorden met i als ie,

- vijf werkwoorden in de verleden tijd,

- vijf werkwoorden in de ‘ik heb-‘ of ‘ik ben-vorm’.

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

_________________________________________________________________________

(12)

Auteur Bert Wynsberghe - Illustraties Shutterstock Eerste druk 2018-2017/292 - Bestelnummer 60 1021 492 ISBN 978 90 4863 115 5 - KB D/2018/0147/80 - NUR 191

Vandaag is het zover! We gaan een vrouw interviewen die in het buitenland geboren is.

Haar naam is Priya. Ze is geboren in Nepal en heeft ook al in Londen gewoond.

We hebben onze vragen goed voorbereid. Nu zijn we natuurlijk benieuwd naar de antwoorden.

Kom, laten we er snel aan beginnen!

woorden met een j of w die ik niet schrijf

stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden

woorden met i als ie

werkwoordspelling

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :