SLO-analyse Tijdstip - Noordhoff

12  Download (0)

Full text

(1)

SLO-analyse Tijdstip - Noordhoff

© Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede

Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder voorafgaande toestemming van de uitgever deze uitgave geheel of gedeeltelijk te kopiëren dan wel op andere wijze te verveelvoudigen.

(2)

1. Registratiedeel

Titel Tijdstip

Volledige titel Tijdstip - Geschiedenis voor de basisschool Auteurs Siemensma, F.; Weeber, F.; Hoekstra, K.; e.a.

Noordhoff BV Postbus 342 3990 CG HOUTEN Tel: 030 - 6383 441 Fax: 050 - 5226 449 E-mail: bao@noordhoff.nl Uitgever

Website: www.noordhoff.nl Jaar van uitgave 2004 - 2005

Omschrijving Tijdstip is een geschiedenismethode voor groep 1 t/m 8. De methode sluit aan bij de tien tijdvakken zoals deze door de Commissie De Rooy zijn onderscheiden. In de groepen 1 t/m 5 is de leerstof thematisch opgebouwd. Vanaf groep 6 is de opbouw van de leerstof chronlogisch. De methode legt de nadruk op de geschiedenis van Nederland. Deze wordt echter telkens in een Europese en mondiale context geplaatst.

Samenstelling De methode bestaat voor leerjaar 1 en 2 uit een activiteitenboek, een platenboek en een kopieerboek. Voor de leerjaren 3 en 4 zijn per leerjaar beschikbaar: een leerlingenboek, een handleiding en een kopieerboek. Voor de leerjaren 5 t/m 8 zijn per leerjaar beschikbaar: een leerlingenboek, een werkboek, een handleiding, een antwoordenboek, een kopieerboek en een tijdbalk. Op de website

www.wijzer.wolters.nl verschijnen vanaf 2006 extra ‘Tijdstip’-pagina’s bij elk van de tien tijdvakken. Ook zullen hierin worden opgenomen: extra beeldmateriaal, aanvullende opdrachten, links naar andere websites met historische informatie, lessuggesties en kopieerbladen.

Doelstellingen en uitgangspunten

Tijdstip probeert aan te sluiten bij de verschillen die er bestaan tussen leerlingen ten aanzien van leerstijlen, belangstelling, vaardigheden en cognitieve vermogens.

De auteurs hebben bewust gekozen voor een variëteit aan werkvormen; hierdoor komen alle leerlingen tot hun recht, ongeacht de wijze waarop zij het snelst de leerstof in zich opnemen (door luisteren, door doen, door lezen, door kijken). De methode onderscheidt zich, volgens de auteurs, van andere methoden door het gebruik van een rijk aanbod aan functioneel beeldmateriaal: “Geschiedenis is bij uitstek een vak dat je moet beleven, en de grote illustraties in de leerlingenboeken helpen de kinderen zich te verplaatsen in het verleden.”

De methode voldoet volgens de auteurs aan de nieuwste kerndoelen. De methode volgt de voorgeschreven indeling in tijdvakken (de tien tijdvakken van Commissie De Rooy).

Per les worden ook specifieke doelstellingen gegeven, bijv.: “De leerlingen kunnen een jaartijdlint met belangrijke feestdagen maken’ (leerjaar 5, les 4).

ICT De methode bevat (momenteel) geen ICT-componenten. Wel worden in de

docentenhandleiding websites genoemd die leerlingen kunnen raadplegen voor het verkrijgen van additionele informatie.

Kostenplaatje Het kostenplaatje geeft een indicatie van de kosten, uitgaande van acht groepen met 25 leerlingen per groep. ‘Kosten eerste aanschaf’ betreft het gebruiks- en verbruiksmateriaal bij de aanschaf van de volledige methode in het eerste jaar.

‘Jaarlijkse kosten’ betreft de kosten van de verbruiksmaterialen in de volgende jaren. Niet doorberekend zijn eventuele kopieerkosten. ‘Additioneel materiaal’

(3)

Titel Tijdstip

betreft de kosten van extra materialen.

Peildatum voor dit kostenplaatje is november 2005.

Voor een overzicht van de kosten van de methode zie www.leermiddelenplein.nl of kijk op de website van de uitgever www.noordhoff.nl.

Naam methode Tijdstip

Kosten eerste aanschaf

Jaarlijkse kosten Additioneel materiaal 25 leerlingen € 4.382,05 € 510,75 n.v.t.

2. In hoeverre wordt aan de kerndoelen (versie herziening 2006) voldaan?

Toelichting op de nieuwe kerndoelen

Bij het analyseren van de methoden Geschiedenis op de kerndoelen is door het projectteam van de Gids voor onderwijsmethoden uitgegaan van de versie herziening kerndoelen 2005. De herziene kerndoelen zijn in de Tweede Kamer behandeld, maar nog niet vastgesteld. In de herziene kerndoelen 2005 wordt gesproken over het leergebied ’Oriëntatie op jezelf en de wereld’, kennisgebied ’tijd’.

Bij de vorming van een wereldbeeld in tijd gaat het om het ontwikkelen van een historisch

wereldbeeld. Dat betekent dat leerlingen kennis hebben van historische verschijnselen in delen van de wereld en van chronologie. Leerlingen leren hun wereldbeeld (over henzelf en de wereld), aan de hand van actuele onderwerpen voortdurend ’bij de tijd’ te brengen. Dit alles waar mogelijk in

samenhang met andere onderwijsinhouden binnen het leergebied ’Oriëntatie op jezelf en de wereld’

en inhouden uit andere leergebieden. Omdat onze staatsinrichting moeilijk los te zien is van haar wordingsgeschiedenis en omdat ’historisch’ gezien de staatsinrichting altijd een onderdeel is geweest van geschiedenismethodes, is dit kerndoel ook meegenomen bij kerndoelanalyse. Het verschil met de kerndoelen van 1998 is in de eerste plaats het aantal kerndoelen, daarnaast zijn de kerndoelen algemener geformuleerd.

Kerndoelen Oriëntatie op jezelf en de wereld - onderdeel tijd

Voor het leergebied ’Oriëntatie op jezelf en de wereld – Tijd’ de volgende kerndoelen geformuleerd:

(51) De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdindeling te hanteren.

(52) De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken:

• Grieken en Romeinen

• Monniken en ridders

• Steden en staten

• Ontdekkers en hervormers

• Regenten en Vorsten

• Pruiken en revoluties

• Burgers en stoommachines

• Wereldoorlogen

• Televisie en computer

(53) De leerlingen leren over de belangrijkste historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die voorbeeldmatig verbinden met de wereldgeschiedenis.

Analyseresultaten kerndoelen

Met betrekking tot de kerndoelen voldoet de methode Tijdstip aan alle kerndoelen.

(4)

3. In welke kerninhouden worden de kerndoelen in de methode uitgewerkt?

Toelichting

Om aan te kunnen geven op welke wijze methoden de kerndoelen concretiseren is door SLO een nadere uitwerking van de kerndoelen in kerninhouden (indicatoren en specificaties) gemaakt. Bij de uitwerking is ook de tekst van de karakteristiek bij het vakgebied meegenomen. Er is getracht de kerninhouden zo zorgvuldig mogelijk te formuleren. Deze uitwerking is gemaakt in overleg met de Inspectie van het Onderwijs.

Overzicht van aangetroffen kerninhouden

De methode Tijdstip voldoet aan alle, door SLO uitgewerkte kerndoelen in kerninhouden (indicatoren en specificaties). In de scoretabel is aangegeven welke kerninhouden en specificaties in Tijdstip aan de orde komen.

Kerndoel Specificaties Score

51.1 leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen

51. De leerlingen leren gebruik te maken

van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren.

51.2 leren hanteren van tijd en tijdsaanduidingen

52.1 jagers en boeren

52.2 Grieken en Romeinen

52.3 monniken en ridders

52.4 steden en staten

52.5 ontdekkers en hervormers

52.6 regenten en vorsten

52.7 pruiken en revoluties

52.8 burgers en stoommachines

52.9 wereldoorlogen

52. De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken:

52.10 televisie en computer

53.1 leren over belangrijke historische personen uit de Nederlandse geschiedenis

53. De leerlingen leren over de belangrijke

historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die voorbeeldmatig verbinden met de wereldgeschiedenis.

53.2 leren over belangrijke historische gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis

4. Welke tijdvakken en thema's komen aan bod, op welke manier gebeurt dat en is er samenhang?

Groep 1-2

In deze leerjaren ligt het accent op 'de ontmoeting met het verleden'. In de acht thema's komen (o.a.) aan bod: (biologisch) tijdbesef, chronologie van gebeurtenissen, tijdsordeningen. Dit alles vanuit voor de leerlingen herkenbare situaties. De thema's zijn: 'Ik en mijn familie' (over familiegeschiedenis, gezinsleven en onderwijs), 'Iedereen gaat naar school' (over sociale organisatie), 'Van de ene naar de andere plek' (over migratie), 'Als ik later groot ben' (over middelen van bestaan), 'Dat heb ik nodig' (over economische ontwikkeling), 'Mooie dingen maken me blij' (over kunst en cultuur) en 'Soms ben ik stout' (over zingeving, normen en waarden).

Groep 3-4

In deze leerjaren komen dezelfde thema's aan bod als in leerjaar 1-2. Het accent ligt hier op verkenning. De leeractiviteiten richten zich daarbij op zoeken naar en vergelijken/ordenen van

(5)

gebeurtenissen in heden en verleden. Het gaat daarbij o.a. om het leren kennen en toepassen van diverse tijdsbegrippen.

Groep 5

In dit leerjaar worden diverse thema’s behandeld vanuit een historisch perspectief. Dit gebeurt vanuit verschillende invalshoeken (zie hieronder).

Groep 6-8

In deze leerjaren worden de tien tijdvakken in een aantal lessencycli behandeld. Bij elke les wordt het tijdvak vanuit één van de (hieronder genoemde) invalshoeken benaderd.

Leerjaar 6: 'Tijd van de jagers en boeren’, ‘Tijd van de Grieken en Romeinen’, ‘Tijd van de monniken en ridders’, ‘Tijd van de steden en staten’

Leerjaar 7: 'Tijd van ontdekkers en hervormers'; 'Tijd van regenten en vorsten'; 'Tijd van pruiken en revoluties'

Leerjaar 8: ‘Tijd van burgers en stoommachines’, ‘Tijd van de wereldoorlogen’, ‘Tijd van televisie en computer’.

Op welke manier gebeurt dat?

Tijdstip benadert de geschiedenis vanuit een aantal invalshoeken die corresponderen met actuele thema’s die een belangrijke rol spelen in de (hedendaagse) samenleving. Het betreft de volgende invalshoeken:

• Middelen van bestaan

• Hulpmiddelen, techniek en uitvindingen

• Economische ontwikkeling

• Sociale organisatie

• Familiegeschiedenis, gezinsleven en onderwijs

• Migratie

• Staatkundige ontwikkeling

• Kunst en cultuur

• Zingeving, normen en waarden.

Is er sprake van samenhang?

In de methode Tijdstip zijn raakvlakken met andere leergebieden, zoals oriëntatie op de samenleving, aardrijkskunde, natuur- en techniek, Nederlandse taal en rekenen/wiskunde.

De methode geeft suggesties om aan te sluiten bij actuele gebeurtenissen.

Legenda:

■ = aanwezig

◘ = gedeeltelijk aanwezig

□ = niet aanwezig

n.v.t. = niet van toepassing

1. De methode werkt aan het ontwikkelen van een historisch denken:

1.1 ontmoeten en beleven

1.2 het oproepen van voorkennis, beelden, oordelen en vooroordelen, door aan te sluiten bij wat leerlingen al weten, denken, willen, voelen en doen

1.3 waarnemen, benoemen en beschrijven

1.4 verklaren

1.5 herkennen en toepassen

1.6 betekenis verlenen

(6)

2. Er wordt een relatie gelegd met andere leergebieden:

2.1 oriëntatie op samenleving

2.2 oriëntatie op ruimte

2.3 oriëntatie op natuur en techniek

2.4 kunstzinnige oriëntatie

2.5 Nederlandse taal

2.6 rekenen/wiskunde

2.7 educaties

3. Er wordt een relatie gelegd met de actualiteit:

3.1 methode geeft suggesties

3.2 er wordt verwezen naar een methodesite

5. Hoe is de leerstof geordend?

Groep 1-4

In groep 1 tot en met 4 is de methode thematisch-concentrisch. In leerjaar 1-2 worden acht thema’s behandeld die elk zijn opgebouwd uit drie subthema’s (zie bij inhoud voor een opsomming van de thema's). Bij elk subthema hoort een plaat uit het platenboek. In de lessen voor de leerjaren 3 en 4 komen deze thema’s terug. Per thema zijn twee lessen gereserveerd zodat er per leerjaar 16 lessen zijn.

Groep 5

In groep 5 wordt van thematisch naar chronologisch gewerkt.

Het leerlingenboek bestaat uit 24 kernlessen en 6 toetslessen van ca. 50 minuten. Elk blok van vier kernlessen wordt afgesloten met een toetsles.

Groep 6-8

Voor groep 6 tot en met 8 is de methode chronologisch opgezet en ingedeeld volgens de tien

tijdvakken van de nieuwe kerndoelen. Elk tijdvak wordt behandeld in één of twee blokken van elk vier lessen. Elk blok wordt afgesloten met een toets. In leerjaar 6 komen de eerste vier tijdvakken aan de orde (periode 3000 voor christus tot 1500 na christus). In leerjaar 7 worden drie tijdvakken behandeld (periode 1500 tot 1800). En in leerjaar 8 passeren drie tijdvakken de revue (periode 1800 – heden).

De invalshoeken van waaruit de tijdvakken benaderd worden komen echter in elk leerjaar weer terug (zie boven bij ‘inhoud’)

In de leerjaren 7 en 8 wordt een serie (kern- en toets)lessen over een bepaald tijdvak afgesloten met een zgn. ‘Tijdstiples’. In deze lessen wordt een actueel thema gerelateerd aan het verleden. (bijv. in Tijdstiples 2, leerjaar 7 wordt multiculturaliteit in een historisch perspectief geplaatst).

1. De ordening van de onderwijsinhouden over de leerjaren heen is:

1.1 aan de hand van thema's

1.2 aan de hand van de tien tijdvakken

1.3 anders

2. De gekozen onderwijsinhouden komen over de leerjaren heen:

2.1 eenmalig aan bod

2.2 meerdere keren aan bod

2.3 elk leerjaar aan bod

(7)

3. De gekozen onderwijsinhouden worden over de leerjaren heen behandeld van:

3.1 dichtbij naar veraf in de tijd (van heden naar verleden) 3.2. veraf naar dichtbij in de tijd (van verleden naar heden) 3.3 nabij naar verder weg in plaats (van nabij naar verder weg) 3.4 verder weg naar nabij in plaats (van verder weg naar nabij) 4. De gekozen onderwijsinhouden zijn binnen een hoofdstuk geordend van:

4.1 algemeen naar bijzonder

4.2 bijzonder naar algemeen

4.3 dichtbij naar veraf in tijd: van heden naar verleden

4.4 dichtbij naar veraf in plaats: van nabij naar verder weg 6. Hoe vindt instructie plaats?

Opbouw van een les/hoofdstuk

Een hoofdstuk kan in één les behandeld worden. De les bestaat uit een introductie van ca. vijf

minuten, een leskern (40 min.) en een afsluiting (5 min.). De les bestaat uit leerkrachtgebonden delen en delen die zelfstandig door de leerlingen kunnen worden uitgevoerd. In combinatiegroepen kunnen de lessen zo georganiseerd worden dat de ene groep bezig is met leerkrachtgebonden deel en de andere groep met zelfstandig werken. Elke les begint met een twee pagina’s grote introductieplaat (‘Kijken en praten’). Naar aanleiding van die plaat worden een vijftal vragen gesteld. Deze moeten de leerlingen prikkelen om zaken vanuit een historische context te bezien of er worden begrippen

geïntroduceerd vanuit voor leerlingen herkenbare situaties. De introductie is soms leerkrachtgebonden en soms hoort bij de introductieplaat een corresponderende opdracht in het werkboek die zelfstandig kan worden uitgevoerd. Bij de controle van de opdracht kan de leerling gebruik maken van het antwoordenboek. De leskern bestaat uit twee delen die, afwisselend, leerkrachtgebonden zijn of zelfstandig door de leerlingen kunnen worden uitgevoerd. Bij zelfstandig werken kunnen de leerlingen alleen of in tweetallen werken aan de opdrachten in het werkboek. De manier waarop het

leerkrachtgebonden deel vormgegeven kan worden staat beschreven in de handleiding. Het betreft bijv. het klassikaal bespreken van de introductieplaat, het bespreken van de gemaakte opdrachten, het voorlezen van een verhaal, het geven van additionele informatie of het stellen van aanvullende vragen. Ook de ‘afsluiting’ is, om en om, leerkrachtgebonden of zelfstandig werken.

In het werkboek (leerjaar 5 t/m 8) zijn per les/hoofdstuk acht opdrachten opgenomen. Het kopieerboek bevat bij elke les: een lijst met ‘moeilijke woorden’ (incl. bijbehorende verklaring) en een

‘Plusopdracht’. Verder wordt er per blok van vier lessen een samenvatting (‘Dit moet je weten’) gegeven. Deze is o.a. bedoeld om leerlingen zich voor te kunnen bereiden op de toets. Per blok van vier lessen is er een toets opgenomen.

1. De methode hanteert het volgende model voor instructie:

1.1 directe instructie

1.2 probleemgestuurde instructie

1.3 ontdekkend leren

2. De methode:

2.1 geeft aanwijzingen voor het variëren van de instructie

2.2 is geschikt voor combinatie groepen

2.3 kent leerkrachtafhankelijke en leerkrachtonafhankelijke lessen 3. De methode hanteert de volgende groeperingsvorm:

3.1 klassikaal leren

3.2 samenwerkend leren

(8)

7. Hoe vindt verwerking plaats?

Er is een nauwe relatie tussen het leerlingenboek en het bijbehorende werkboek. De leerling kan de opdrachten zelfstandig of met een medeleerling maken. De opdrachten zijn gevarieerd. Naast gesloten opdrachten zijn er ook opdrachten met een meer open karakter. Elk les bevat een opdracht

‘Even kijken’ die gemaakt moet worden met behulp van de plaat in het leerlingenboek. Opdrachten die bedoeld zijn voor klassikale behandeling zijn als zodanig gemarkeerd (‘Samen doen’). Het zijn

opdrachten die moeilijker zijn dan de andere. Soorten oefeningen: invuloefeningen (bijv. naar aanleiding van een tekst in het leerlingenboek), anachronismen opsporen op een afbeelding, gebeurtenissen in de juiste chronologische volgorde zetten, goed/fout opdrachten, etc. Ook zijn er opdrachten waarin leerlingen uitgedaagd worden een mening te formuleren.

1. De methode kent binnen de subdomeinen variatie in type opdrachten:

1.1 open opdrachten

1.2 gesloten opdrachten

1.3 invulopdrachten

1.4 rubriceeropdrachten

1.5 combinatieopdrachten

1.6 analyseopdrachten

1.7 associatieopdrachten

1.8 dramatische werkvormen

1.9 gespreksvormen

1.10 beeldende werkvormen

2. De methode gebruikt de volgende type informatiedragers:

2.1 verhalen

2.2 leerteksten

2.3 kaarten

2.4 tekeningen

2.5 foto's

2.6 schema's

2.7 tabellen

2.8 multimedia

3. De methode hanteert de volgende groeperingsvorm:

3.1 klassikaal leren

3.2 samenwerkend leren

3.3 zelfstandig leren

8. Zijn er aanwijzingen voor het gebruik van combinatieklassen?

Elke les bestaat uit verschillende lesonderdelen. In combinatiegroepen kunnen de lessen zo georganiseerd worden dat de ene groep bezig is met een leerkrachtgebonden lesonderdeel en de andere groep met zelfstandig werken. In een combinatiegroep 5/6 kan de leerkracht voor de ene groep de introductie klassikaal behandelen, terwijl de andere groep de introductie van de les doet door middel van het zelfstandig uitvoeren van opdrachten die in het werkboek staan. Ook de andere

lesonderdelen (kern en afsluiting) zijn op een dergelijke wijze ‘gespiegeld’.

(9)

1. De methode:

1.1 geeft aanwijzingen voor het variëren van de instructie

1.2 is geschikt voor combinatiegroepen

1.3 kent leerkrachtafhankelijke en leerkrachtonafhankelijke lessen 2. De methode hanteert de volgende groeperingsvorm(en):

2.1 klassikaal leren

2.2 samenwerkend leren

2.3 zelfstandig leren

9. Op welke wijze vindt evaluatie plaats?

In de leerlingboekjes voor de leerjaren 3 t/m 8 volgt na elk blok van vier lessen een toets. Deze toets is te vinden in de kopieerboeken. De toetsen bestaan telkens uit tien vragen, waarvan de eerste zeven vooral de kennis toetsen. De toetsvragen betreffen: invuloefeningen, meerkeuzevragen, ‘matching’- oefeningen. Bij vraag 8 moet de leerling de vraag ‘Wat vertelt dit plaatje jou over vroeger?’

beantwoorden aan de hand van een getoonde afbeelding. Vraag 9 is een inzichtvraag en bij vraag 10 moet de leerling een mening onder woorden brengen. Achter in de docentenhandleiding staat welke materialen er bij de toets gebruikt moeten worden. Tevens staan daar de antwoorden op de

toetsvragen.

1. Toetsing van de door de methode geformuleerde doelen vindt plaats door:

1.1 schriftelijk

1.2. mondeling

1.3 anders

2. Frequentie van toetsing is:

2.1 na elk hoofdstuk of blok

2.2 twee of drie keer per jaar

2.3 anders

3. De volgende type vragen worden gehanteerd bij de toetsing van de behandelde leerstof:

3.1 kennisvragen

3.2 inzichtvragen

3.3 toepassingsvragen

3.4 vaardigheden

4. De toetsen sluiten aan bij de behandelde leerstof:

4.1 ja

4.2 nee, niet alle leerstof wordt getoetst

4.3 nee, er wordt ook niet behandelde leerstof getoetst

5. De verrijkingstof wordt ook getoetst.

6. De toetsresultaten zijn aanleiding om te differentiëren in:

6.1 aanbod/inhoud

6.2 doelen

6.3 instructie

6.4 verwerking

7. De methode biedt hulp bij het registreren van de toetsresultaten.

(10)

10. Hoe wordt er rekening gehouden met verschillen tussen leerlingen?

De methode komt op verschillende manier tegemoet aan de verschillen die er tussen leerlingen kunnen bestaan. Minder taalvaardige leerlingen kunnen gebruikmaken van het kopieerblad met

‘Moeilijke woorden’. Hierin worden moeilijke woorden en begrippen die tijdens de les aan de orde komen verklaard. Verder probeert de methode door gevarieerde werkvormen aan te bieden aan te sluiten bij de verschillen in leerstijl, belangstelling en vaardigheden tussen leerlingen. Elke les bevat in het werkboek een extra opdracht, die met name is bedoeld voor de snellere leerling. Ook in de ‘Plus’- opdracht uit het kopieerboek is als extra opdracht te gebruiken. Ook de ‘Tijdstiplessen’ bieden gelegenheid tot differentiatie: het zijn extra lessen die niet tot de basisstof behoren.

Bij elke les staat in de handleiding voor de leerkracht nog een ‘Extra lessuggestie’.

1. De methode biedt mogelijkheden voor zwakkere leerlingen om goed met het leerstofaanbod om te kunnen gaan.

2. Er is variatie in aanbod en/of inhoud:

2.1 er wordt verrijkingsstof aangeboden

2.2 er zijn verrijkingsvragen

3. Er zijn aanvullende doelen bij de verrijking geformuleerd:

3.1 Er zijn aanvullende doelen bij de verrijking geformuleerd, per leerjaar 3.2 Er zijn aanvullende doelen bij de verrijking geformuleerd, per hoofdstuk/ blok 4. De methode geeft aanwijzingen voor het variëren van de instructie. 5. Er is variatie in de verwerking van de leerstof:

5.1 verschil in soorten verwerkingsopdrachten

5.2 verschil in niveau van de verwerkingsopdrachten

5.3 verschil in tempo waarin de opdrachten worden gemaakt

5.4 verschil in het aantal opdrachten

6. De verrijkingstof wordt ook getoetst.

7. De toetsresultaten zijn aanleiding om te differentiëren in:

7.1 aanbod/inhoud

7.2 doelen

7.3 instructie

7.4 verwerking

(11)

11. Hoe ziet de methode eruit?

Materiaal Formaat (b x h) Uitvoering Presentatie leerkracht

handleiding 25,5 x 24 cm Slappe kaft, spiraal Buitenzijde in kleur. Voorzien van illustratie die correspondeert met leerlingenboek en werkboek en kopieerboek. (per leerjaar verschillend).

Binnenzijde: in kleur.

kopieerboek 26 x 32 cm Harde kaft, ringband voor A4- formaat kopieerbladen

Buitenzijde in kleur Voorzien van illustratie die correspondeert met leerlingenboek en werkboek en handleiding. (per leerjaar verschillend).

Binnenzijde: geïllustreerd met afbeeldingen in zwart/wit.

Materiaal Formaat (b x h) Uitvoering Presentatie leerling

leerlingenboek 1-2 leerlingenboek 3-8

21,5 x 30 cm (A4) 24,5 x 24,5 cm

Harde kaft, gebonden Buitenzijde in kleur. Voorzien van illustratie die correspondeert met kopieerboek en werkboek en handleiding. (per leerjaar verschillend).

Binnenzijde: in kleur.

Geïllustreerd met tekeningen en foto’s.

Met verwijzingen naar werkboek.

werkboek en antwoordenboek

24,5 x 24,5 cm Slappe kaft, geniet Buitenzijde: driekleurendruk Binnenzijde: driekleurendruk.

Geïllustreerd met voornamelijk tekeningen.

12. Welke informatie staat er in de handleiding?

Voor elk leerjaar is er een afzonderlijke handleiding voor de leerkracht.

De handleiding bevat:

• Algemene handleiding (‘Tijdstip in het kort’)

• Beschrijving van het vakgebied Geschiedenis

• Beschrijving van de opbouw van de methode (met aandacht voor: planning, gebruik in combinatiegroepen, invalshoeken van waaruit de geschiedenis benaderd wordt, rol van de leerkracht, zelfstandig werken)

• Beschrijving van de manier waarop omgegaan kan worden met verschillen tussen leerlingen

• Beschrijving van het gebruik van toetsen.

Daarnaast wordt er aandacht besteed aan het gebruik van de methode in het betreffende leerjaar.

Aan de orde komen: lesverloop, de functie en inhoud van de verschillende onderdelen (leerlingenboek, werkboek, tijdbalk etc.), relatie verplichte stof/verrijkingsstof. Ook is er een

‘leerstofoverzicht’. Dit wordt gegeven in de vorm van een tabel waarin per les staat vermeld: De titel van de les, de invalshoek vanwaaruit de leerstof benaderd wordt, de inhoud van de les, het tijdvak dat

(12)

Na het ‘algemene’ gedeelte van de handleiding volgen lesbeschrijvingen. In deze lesbeschrijvingen zijn dezelfde pagina’s opgenomen als in het leerlingenboek. Naast elke bladzijde staat de tekst voor de docent. Deze bestaat uit de volgende onderdelen:

• Beschrijving van de lesinhoud

• Beschrijving van de invalshoek die aan de orde is

• Overzicht van de materialen die gebruikt kunnen worden bij de les

• Overzicht van de na te streven lesdoelen

• Overzicht begrippen

• Een extra lessuggestie

• Beschrijving van het lesverloop

• Inhoudelijke achtergrondinformatie bij de aangeboden leerstof

• Voorleesverhaal

• Een verrijkingsopdracht, de zgn. ‘Plusopdracht’.

Het laatste deel van de handleiding bestaat uit de antwoorden bij de toetsen.

13. In hoeverre is er aandacht voor multiculturele thema's?

In de handleiding bij de (thematische) deeltjes voor de onderbouw staan bij elke les suggesties over de manier waarop de leerkracht kan inspelen op verschillen in culturele achtergrond. Op afbeeldingen in deze deeltjes zijn kinderen van verschillende culturen te herkennen. In de deeltjes voor de

bovenbouw is die aandacht minder structureel.

In sommige lessen heeft multiculturaliteit een expliciet karakter, bijv. in de les over ‘Nieuwe buren’

(leerjaar 3), in de tijdstiples ‘Veelkleurig Nederland’ (leerjaar 7) en in de tijdstiples ‘Verschillend maar ook gelijk’ (leerjaar 8).

In sommige lessen maken de leerlingen kennis met de verschillen in culturen die tussen Nederlanders en andere volken kunnen bestaan.

14. In hoeverre is er aandacht voor de rolverdeling tussen mannen en vrouwen?

Met name in de lessen waarin de invalshoek ‘sociale organisatie’ centraal staat is soms expliciet aandacht voor de veranderende rolverdeling tussen man en vrouw. De tijdstiples ‘Verschillend maar ook gelijk’ besteedt aandacht aan fenomenen als discriminatie, emancipatie, vooroordelen en gelijke rechten. Op afbeeldingen zijn meestal de traditionele rolpatronen aan de orde. Er komen echter ook afbeeldingen voor die dit patroon doorbreken, bijv. de vrouwelijke burgermeester in les 23 (over landsbestuur)(leerjaar 8).

Figure

Updating...

References

Related subjects :