Ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht binnenstebuiten? Een onderzoek naar de argumenten voor en tegen een samensmelting van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht tot één nieuwe schulduitsluitingsgrond

62  Download (0)

Full text

(1)

Ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht binnenstebuiten?

Een onderzoek naar de argumenten voor en tegen een samensmelting van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht tot één nieuwe

schulduitsluitingsgrond Masterscriptie Strafrecht

Naam: J.E. (Judith) Stevers Studentnummer: 5966337

Emailadres: j.e.stevers@students.uu.nl Begeleider: prof. dr. F. de Jong

Tweede lezer: mr. R. ter Haar Woordenaantal: 22.478

Datum: 29 juli 2022

(2)

Inhoudsopgave

Lijst van afkortingen...3

1. Inleiding...5

1.1 Introductie...5

1.2 Plaatsbepaling...5

1.3 Probleemstelling en centrale onderzoeksvraag...7

1.4 Relevantie...8

1.5 Opzet...9

1.6 Onderzoeksmethode...9

2. Ontoerekeningsvatbaarheid...11

2.1 Ontstaansgeschiedenis...11

2.2 Ontwikkeling in de dogmatiek en rechtspraak...13

2.2.1 Ontoerekeningsvatbaarheid ex artikel 39 Sr: ontwikkeling...13

2.2.2 Ontoerekeningsvatbaarheid: criterium...14

2.3 Rol van de stoornis in de Nederlandse feitenrechtspraak...17

2.3.1 Selectie van zaken...17

2.3.2 Feitenrechtspraak...18

2.3.3 Evaluatie...21

2.4 De huidige toepassing in verhouding tot de ontstaansgeschiedenis...22

3. Psychische overmacht...23

3.1 Ontstaansgeschiedenis...23

3.2 Ontwikkeling in de dogmatiek en rechtspraak...26

3.2.1 (Psychische) overmacht ex artikel 40 Sr: ontwikkeling...26

3.2.2 Psychische overmacht: criterium...28

3.3 Rol van de stoornis in de Nederlandse feitenrechtspraak...34

3.3.1 Selectie van zaken...34

3.3.2 Feitenrechtspraak...35

3.3.3 Evaluatie...37

3.4 De huidige toepassing in verhouding tot de ontstaansgeschiedenis...38

4. De verhouding tussen ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht...39

4.1 Verschillen...39

4.2 Overeenkomsten...40

4.3 Evaluatie...41

5. Wenselijkheid van een samensmelting...42

(3)

5.1 Interne versus externe oorzaken...42

5.1.1 Bedoeling van de wetgever...42

5.1.2 Rol van de stoornis...42

5.2 Praktische uitwerking en toepassing...44

5.2.1 Tbs...44

5.2.2 Gradaties van verwijtbaarheid...45

5.2.3 Garantenstellung en culpa in causa...45

5.2.4 Belang van gedragsdeskundig onderzoek...46

5.3 Mogelijke gevolgen...48

5.3.1 Rechtsbescherming...48

5.3.2 Rechtszekerheid en rechtseenheid...49

5.4 Afweging...50

6. Conclusie...51

6.1 Evaluatie en beantwoording onderzoeksvraag...51

6.2 Tenslotte...54

Bronnenlijst...55

Literatuur...55

Jurisprudentie...59

Parlementaire stukken en wetgeving...61

Overige bronnen...61

(4)

Lijst van afkortingen

AA Ars Aequi

aant. aantekening

afl. aflevering

A-G Advocaat-Generaal

avas afwezigheid van alle schuld

bijv. bijvoorbeeld

CP Code Pénal

DD Delikt en Delinkwent

diss. dissertatie

DSM Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorder ECLI European Case Law Identifier

HMG Hoog Militair Gerechtshof

Hof Gerechtshof

HR Hoge Raad der Nederlanden

hs. Hoofdstuk

i.h.k.v. in het kader van

jo. juncto

JS Judith Stevers

KU Katholieke Universiteit Leuven

Ktg. kantongerecht

m.nt. met annotatie van m.u.v. met uitzondering van MvT Memorie van Toelichting

NIFP Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie NJ Nederlandse Jurisprudentie

NJB Nederlands Juristenblad

NVvP Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

o.a. onder andere

ORO oorspronkelijk regeringsontwerp Wetboek van Strafrecht o.v.n. onder verwijzing naar

o.v.v. onder vermelding van

p. pagina

par. paragraaf

PHR Parket bij de Hoge Raad r.o. rechtsoverweging

Rb. rechtbank

s.n. sine nomine

Sr Wetboek van Strafrecht

Stb. Staatsblad

Sv Wetboek van Strafvordering

tbr terbeschikkingstelling van de regering tbs terbeschikkingstelling

TPWS Tijdschrift Praktijkwijzer Strafrecht UvA Universiteit van Amsterdam

(5)

vgl. vergelijk

VU Vrije Universiteit Amsterdam

(6)

1. Inleiding

1.1 Introductie

Een moeder die haar éénjarige kind van vierhoog over de balustrade van de Bijenkorf gooit.1 Een jonge man die in twee verschillende natuurgebieden drie mensen op brute wijze van het leven berooft.2 Een vrouw die haar vriend dodelijk neersteekt in een ogenschijnlijk niet- bedreigende situatie.3 Enkele voorbeelden van gebeurtenissen die de gemiddelde mens verwerpelijk vindt en waar op het eerste gezicht niet anders op kan worden gereageerd dan met een stevige bestraffing. Verdiept men zich evenwel in zaken zoals deze, dan wordt al gauw duidelijk dat de realiteit niet zo zwart-wit is. Benauwende, beangstigende en bedreigende situaties doen zich voor waarvan mensen niet goed weten hoe ze daarmee om moeten gaan. Of er is sprake van een stoornis waardoor iemand niet op een bepaalde situatie kan reageren zoals de meeste anderen dat wel zouden doen. Als iemand in één van bovenstaande situaties vervolgens overgaat tot het plegen van een strafbaar feit, is het maar de vraag of dit altijd (volledig) aan de schuld van die persoon te wijten is.

1.2 Plaatsbepaling

De significantie van bovenstaande overdenkingen is gelegen in de karakterisering van het Nederlandse strafrecht als een schuldstrafrecht. Dit wordt gekenmerkt door het bekende adagium ‘geen straf zonder schuld’.4 Iemand kan enkel worden veroordeeld voor een strafbaar feit als hij daar ook daadwerkelijk schuld aan heeft. Het strafrecht kent een grote verscheidenheid aan betekenissen van het begrip ‘schuld’. In de onderhavige context gaat het om het meest fundamentele schuldbegrip: schuld in de zin van verwijtbaarheid.5 Van verwijtbaarheid is slechts sprake indien de verdachte, in het licht van de omstandigheden van het geval, anders kon en had moeten handelen dan hij heeft gedaan.6 Pompe spreekt over verwijtbaarheid als vermijdbaarheid van de normoverschrijdende gedraging.7 Verwijtbaarheid is dus afhankelijk van wat naar sociaal-ethische normen van iemand kan worden verwacht.

Derhalve is de notie van verwijtbaarheid algemeen van aard.8 Dat maakt schuld in de zin van verwijtbaarheid, schuld in de meest fundamentele zin van het woord.

Schuld is, naast wederrechtelijkheid, een kernvoorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.9 In die zin speelt schuld een hoofdrol bij de derde materiële hoofdvraag van artikel 350 Sv, waarbij de rechter de strafbaarheid van de verdachte dient te beoordelen.

Als een delictsomschrijving is vervuld, worden schuld en wederrechtelijkheid, indien niet

1 Hof Amsterdam 17 september 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7345.

2 Hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:868.

3 Rb. Groningen 2 maart 2006, ECLI:NL:RBGRO:2006:AV3055.

4 Kelk/De Jong 2019, p. 239.

5 Waar ‘schuld’ of ‘verwijtbaarheid’ wordt geschreven, wordt gedoeld op schuld in de zin van verwijtbaarheid.

6 Kelk/De Jong 2019, p. 241-242.

7 Kelk/De Jong 2019, p. 242; Pompe 1950, p. 129.

8 Kelk/De Jong 2019, p. 242.

9 Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.1.1.

(7)

opgenomen als bestanddeel, als element van het strafbare feit aanwezig verondersteld.10 Het is aan de verdediging om het tegendeel aannemelijk te maken indien zij deze veronderstelling onjuist acht. Dit kan middels een beroep op een strafuitsluitingsgrond.

Strafuitsluitingsgronden kunnen worden onderverdeeld in rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. Hoewel de wetgever niet heeft beoogd een dergelijk onderscheid te maken, is dat in de dogmatiek en rechtspraak wel zo ontwikkeld. Met de invoering van strafuitsluitingsgronden bood de wetgever in buitengewone omstandigheden de mogelijkheid van straffeloosheid.11 Een stelsel van algemene excepties werd echter niet beoogd, zoals onder meer blijkt uit de afzonderlijke beschouwing van de artikelen. Gelet op de betrachte zorgvuldigheid bij de redactie van de verschillende excepties heeft de wetgever wél bedoeld die limitatief op te sommen.12 Over de dogmatische grondslag werd evenwel met geen woord gerept. De wettekst stelde enkel dat hij die aan de betreffende exceptie voldoet, niet strafbaar is. Hoewel deze formulering lijkt te neigen naar schulduitsluiting, heeft de wetgever zich bewust niet uitgelaten over de betekenis van de noties ‘schuld’ en ‘wederrechtelijkheid’ in relatie tot uitsluiting van de strafbaarheid. Dat werd overgelaten aan rechters en rechtswetenschappers.13 Beïnvloed door ontwikkelingen in de Duitse rechtswetenschappen werden schuld en wederrechtelijkheid desalniettemin ook in de Nederlandse dogmatiek erkend als elementen van het strafbare feit en daarmee als basisvoorwaarden voor strafbaarheid.14 Verwijtbaarheid en wederrechtelijkheid werden zo onlosmakelijk onderdeel van de structuur van het strafbare feit.15 Dit werd bevestigd door de Hoge Raad met twee baanbrekende arresten: Melk en Water en Huizense Veearts, waarin de buitenwettelijke strafuitsluitingsgronden ‘afwezigheid van alle schuld’ respectievelijk ‘ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid’ werden geïntroduceerd.16 Daarmee werd de limitatieve opsomming van strafuitsluitingsgronden opengebroken.17 Nu de Hoge Raad met de introductie van de buitenwettelijke strafuitsluitingsgronden verwijtbaarheid en wederrechtelijkheid als voorwaarden voor strafbaarheid had bevestigd, en het ontbreken van één van die twee dus leidt tot straffeloosheid, konden ook de wettelijke strafuitsluitingsgronden aan die elementen van het strafbare feit worden gerelateerd.18 Zodoende zijn strafuitsluitingsgronden mettertijd onderverdeeld in rechtvaardigingsgronden, die de wederrechtelijkheid wegnemen, en schulduitsluitingsgronden, die de verwijtbaarheid opheffen.

Dit onderzoek richt zich enkel op schulduitsluitingsgronden. De toepassing van een schulduitsluitingsgrond neemt de verwijtbaarheid van de verdachte en derhalve diens schuld aan de gedraging weg. De rechter is dan op grond van artikel 352 lid 2 Sv geboden over te gaan tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid van de verdachte. Indien

10 Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.1.3.

11 Het gaat om uitzonderlijke omstandigheden waarvan de rechter mag aannemen dat zij zich niet hebben voorgedaan zolang het tegendeel niet aannemelijk is geworden; Van Veen 1986, p. 352.

12 Van Veen 1986, p. 351.

13 Van Veen 1986, p. 350.

14 Van Veen 1986, p. 352-353; De Jong 2004, p. 6.

15 Van Veen 1986, p. 354.

16 Kelk/De Jong 2019, p. 325; HR 14 februari 1916, NJ 1916/81; HR 20 februari 1933, NJ 1933/918.

17 Kelk/De Jong 2019, p. 323-324; Dolman 2006, p. 330.

18 Van Veen 1986, p. 353-354; Kelk/De Jong 2019, p. 325; Dolman 2006, p. 45-47.

(8)

sprake is van een culpoos delict en verwijtbaarheid in die zin als aspect van het bestanddeel culpa fungeert, moet vrijspraak volgen nu toepassing van de schulduitsluitingsgrond ervoor zorgt dat niet aan de delictsomschrijving wordt voldaan en het feit zodoende niet bewezenverklaard kan worden.19

Opmerking verdient tenslotte dat de veronderstelde aanwezigheid van schuld als element van een voltooide delictsomschrijving voortkomt uit de indeterministische grondslag van het Wetboek van Strafrecht:

“Het ontwerp gaat uit van het beginsel dat de mensch de heerschappij over zijn wil steeds behouden kan en moet”.20

Uitgangspunt is dus dat iemand controle heeft over, en zodoende verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen.21 Indien dat handelen een strafbaar feit constitueert, kan dat diegene ook worden verweten. De toepassing van een schulduitsluitingsgrond kan deze verwijtbaarheid wegnemen, wat leidt tot straffeloosheid.

1.3 Probleemstelling en centrale onderzoeksvraag

Dit onderzoek ziet op de verhouding tussen twee van die (wettelijke) schulduitsluitingsgronden, te weten ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht.

Ontoerekeningsvatbaarheid is neergelegd in artikel 39 Sr. Deze bepaling vereist een psychische stoornis bij de verdachte ten tijde van het gepleegde delict. Daarentegen is dit bij psychische overmacht niet vereist: zowel de wettekst van artikel 40 Sr als de rechtspraak hieromtrent ontberen een dergelijk stoornisvereiste. Psychische overmacht vereist “een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden”.22 Het zwaartepunt van dit leerstuk is derhalve gelegen in een externe factor. Het stoornisvereiste van ontoerekeningsvatbaarheid is daarentegen bij uitstek een intrinsieke kwestie.23 Een stoornis heeft immers invloed op het gevoelsleven en/of de belevingswereld van een persoon. In een onderzoek uit 2020 concludeerde De Rade echter dat de stoornis tegenwoordig ook in toenemende mate een rol speelt bij psychische overmacht.

De stoornis wordt dan betrokken bij het redelijk te vergen weerstandsvermogen van de verdachte.24 Psychische overmacht en ontoerekeningsvatbaarheid lijken daardoor feitelijk steeds verder naar elkaar toe te groeien. Uit het onderzoek van De Rade blijkt echter tevens dat de stoornis bij de beoordeling van psychische overmacht niet de voornaamste factor mag zijn.25 Volgens hem “beschermt [dit] (…) tegen een fusie van beide schulduitsluitingsgronden” en is daarmee een “waarborg tegen samensmelting geboden”.26

19 Kelk/De Jong 2019, p. 72.

20 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 116.

21 Kelk/De Jong 2019, p. 246.

22 HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2067, NJ 2005/94 m.nt. Mevis, r.o. 3.5.

23 De Rade, DD 2020/32, p. 422.

24 De Rade, DD 2020/32, p. 448; Zie ook Beukers 2017, p. 201-202.

25 De Rade, DD 2020/32, p. 445, 448; Conclusie A-G W.H. Vellinga, ECLI:NL:PHR:2012:BX6734, punt 8.

26 De Rade, DD 2020/32, p. 447-448.

(9)

In deze bewoordingen lijkt te liggen besloten dat een samensmelting van psychische overmacht en ontoerekeningsvatbaarheid per definitie ongewenst zou zijn. Het valt te bezien of dit daadwerkelijk zo is. Beukers pleitte eerder al voor “één algemene schulduitsluitingsgrond, waarin het onvermogen van de verdachte de centrale notie is”

[cursivering JS].27 Dit geeft stof tot nadenken over de vraag of een samensmelting van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht tot één schulduitsluitingsgrond wenselijk zou zijn. Naar aanleiding daarvan is de volgende onderzoeksvraag geformuleerd:

“Wat zijn de argumenten voor en tegen een mogelijke samensmelting van

ontoerekeningsvatbaarheid ex artikel 39 Sr en psychische overmacht ex artikel 40 Sr tot één schulduitsluitingsgrond, naar aanleiding van de verhouding die tussen beide is ontstaan door de rol van de stoornis bij de toepassing ervan in de Nederlandse rechtspraak, bezien in het licht van de ontstaansgeschiedenis van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht

en de mogelijke gevolgen van een samensmelting?”

Deze onderzoeksvraag betreft de analyse en waardering van de verhouding tussen twee verwante juridische leerstukken en is daarmee evaluerend van aard. Onder

‘ontstaansgeschiedenis’ wordt de bedoeling van de wetgever bij de invoering in het Wetboek van Strafrecht verstaan, alsmede de achtergronden daarbij en de daaruit volgende ratio en strekking. De invulling van het stoornisbegrip wordt verderop in het onderzoek besproken.

1.4 Relevantie

De maatschappelijke relevantie van de bovenstaande onderzoeksvraag is gelegen in de mogelijke inzichten en/of aanbevelingen voor de wetgever of beleidsmakers die voortkomen uit het onderzoek naar de voor- en tegenargumenten voor een samensmelting. De resultaten van dit onderzoek zijn mogelijk tevens relevant voor justitiabelen en hun raadslieden die een beroep willen doen op een van de schulduitsluitingsgronden die in dit onderzoek worden behandeld. Ten eerste geeft het onderzoek inzicht in de manier waarop dergelijke beroepen momenteel worden beoordeeld. Daarnaast zou een samensmelting mogelijk van invloed kunnen zijn op hun rechtspositie en de kansen van een geslaagd schulduitsluitingsverweer. Wat betreft de wetenschappelijke relevantie: De Rade lijkt zoals gezegd te concluderen dat samensmelting van psychische overmacht en ontoerekeningsvatbaarheid ongewenst zou zijn.

Naar de (on)wenselijkheid van een dergelijke samensmelting, en dus ook de argumenten ervoor en ertegen, is voor zover mij bekend evenwel nog geen (uitgebreid) onderzoek gedaan.28 Beantwoording van de centrale onderzoeksvraag draagt zodoende bij aan de invulling van een wetenschappelijke kennislacune en aanscherping van twee juridische leerstukken.

27 Beukers, DD 2019/26, p. 361; Zie ook Beukers 2017, p. 218-219.

28 M.u.v. Beukers (2017 & DD 2019/26) die daaraan enkele overwegingen wijdt, doch niet als focus van zijn onderzoek.

(10)

1.5 Opzet

Hoofdstuk 1 verschaft een algemene inleiding op het onderwerp van schulduitsluitingsgronden en de aanleiding voor dit onderzoek. Dit hoofdstuk dient verder ter verduidelijking van de opzet en de gehanteerde onderzoeksmethode.

In hoofdstuk 2 en 3 wordt het theoretisch kader van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht geschetst. Daarbij worden deelvraag één en twee beantwoord:

‘Wat is de ontstaansgeschiedenis van ontoerekeningsvatbaarheid ex artikel 39 Sr/psychische overmacht ex artikel 40 Sr en welke rol speelt de stoornis in de huidige toepassing ervan in de Nederlandse rechtspraak?’. Hoofdstuk 2 ziet op ontoerekeningsvatbaarheid en hoofdstuk 3 op psychische overmacht. Beide hoofdstukken hebben dezelfde opbouw. Paragraaf 1 behandelt de ontstaansgeschiedenis van het leerstuk, in paragraaf 2 wordt de ontwikkeling in de rechtspraak en dogmatiek en het huidige criterium van het betreffende leerstuk uiteengezet en paragraaf 3 onderzoekt welke rol de stoornis speelt in de meest recente toepassingspraktijk van de Nederlandse rechtspraak. In paragraaf 4 wordt vervolgens beschreven hoe die huidige toepassing in verhouding staat tot de ontstaansgeschiedenis.

Hoofdstuk 4 beantwoordt de derde deelvraag ‘Hoe verhouden ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht zich tot elkaar?’ door de bevindingen uit hoofdstuk 2 en 3 tegen elkaar af te zetten. Deze vergelijking maakt duidelijk waarin de overeenkomsten en verschillen van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht liggen.

De kern van dit onderzoek ligt in hoofdstuk 5, waarin de vierde deelvraag wordt beantwoord:

‘Is samensmelting van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht tot één schulduitsluitingsgrond wenselijk in het licht van de ontstaansgeschiedenis van beide leerstukken en de mogelijke gevolgen van een samensmelting?’. Voor beantwoording van die vraag worden op basis van de bevindingen uit de voorgaande hoofdstukken verschillende overwegingen besproken ten aanzien van de wenselijkheid van een samensmelting.

In hoofdstuk 6 kom ik tot een conclusie, en daarmee tot een beantwoording van de centrale onderzoeksvraag. Daarnaast wordt kort ingegaan op de implicaties van deze conclusie. Het is een te groot streven een sluitend oordeel te vellen over de wenselijkheid van een samensmelting van ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht. Wel wordt het belang van aanhoudende kritische beschouwingen van de gevestigde stelsels en normen onderstreept, zodat deze optimaal blijven voor de aldoor veranderende maatschappij waarin zij toepassing vinden.

1.6 Onderzoeksmethode

Het uit te voeren onderzoek is juridisch-dogmatisch van aard, aangezien het ziet op twee leerstukken uit het geldende positieve recht. Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van literatuur- en jurisprudentieonderzoek.

Het theoretisch kader van zowel ontoerekeningsvatbaarheid als psychische overmacht wordt uiteengezet aan de hand van de wetsgeschiedenis en relevante literatuur. Middels literatuur-

(11)

en jurisprudentieonderzoek wordt onderzocht welke criteria momenteel gelden voor de betreffende leerstukken en hoe de toepassing ervan in de hedendaagse rechtspraktijk eruit ziet, in het bijzonder met betrekking tot de rol van de stoornis. De selectiecriteria van het jurisprudentieonderzoek worden uiteengezet in paragraaf 2.3.1 en 3.3.1. Aan de hand van eigen bevindingen uit de voorgaande hoofdstukken wordt de verhouding tussen psychische overmacht en ontoerekeningsvatbaarheid besproken. Mede door deze verhouding duidelijk te maken, wordt beoogd een kader te creëren waaraan voor- en tegenargumenten voor een samensmelting kunnen worden ontleend. Voor dat kader is verder hetgeen in de voorgaande hoofdstukken is behandeld relevant. De overwegingen omtrent de wenselijkheid van een samensmelting worden ontleend aan eigen inzichten en relevante literatuur. Aan de hand van die overwegingen worden in de conclusie de voor- en nadelen gedestilleerd en afgewogen, op basis waarvan de onderzoeksvraag wordt beantwoord.

Het verzamelde materiaal bestaat uit juridisch-wetenschappelijke literatuur, (hand)boeken materieel strafrecht, jurisprudentie, annotaties, wetgeving, parlementaire stukken en overige bronnen. Online werken zijn verzameld via o.a. Kluwer Navigator, Rechtsorde, rechtspraak.nl, wetten.nl, overheid.nl en officielebekendmakingen.nl. De (hand)boeken zijn reeds in eigen bezit of geleend bij de universiteitsbibliotheek.

(12)

2. Ontoerekeningsvatbaarheid

2.1 Ontstaansgeschiedenis

De wetgever van 1880 stelde in de MvT dat geen sprake kan zijn van strafbaarheid als het feit niet kan worden toegerekend aan de dader. Zodanige toerekenbaarheid was volgens de wetgever onmogelijk “waar hetzij de vrijheid van handelen, de keus tusschen het doen of het laten van hetgeen de wet verbiedt of gebiedt is uitgesloten, hetzij de dader in zodanigen toestand verkeert, dat hij het ongeoorloofde zijner handeling niet kan beseffen en hare gevolgen niet kan berekenen.”.29 Anders gezegd: voor niet-toerekening van de daad moet ofwel de gedraging niet in volledige wilsvrijheid zijn begaan, ofwel de verdachte bij het plegen van die daad niet hebben kunnen inzien dat hetgeen hij deed strijdig was met de wet.

Andersom betekent dit dat toerekenbaarheid vereist dat de verdachte wilsvrijheid had ten aanzien van het begaan van het feit en inzicht in de wederrechtelijkheid daarvan; een volitieve en cognitieve component.30 De wetgever doelt in deze context op toerekenen in de algemene zin van ‘aanrekenen’, niet de meer technische betekenis die daaraan ook wel wordt gegeven in het kader van (het huidige) artikel 39 Sr.31 Bij het beschrijven van de verschillende strafuitsluitingsgronden differentieerde de wetgever zoals gezegd niet tussen rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. Dat onderscheid is geconstrueerd in de dogmatiek en rechtspraak.32 Een onderscheid dat de wetgever wél maakte, was dat tussen inwendige en uitwendige oorzaken van ontoerekenbaarheid.33 Uitwendige oorzaken komen in hoofdstuk 3 aan bod. Inwendige oorzaken zijn in de verdachte zelf aanwezig. Hieronder werd onder meer verstaan de abnormale toestand van de geestvermogens.34 Aanvankelijk was de abnormale geestestoestand (oftewel ontoerekeningsvatbaarheid) opgenomen in artikel 47 ORO.35 Bij de vaststelling van het wetboek werd dat artikel 37.36 Tegenwoordig is het artikel 39 Sr.

Aan de abnormale geestestoestand als reden voor uitsluiting van strafbaarheid wordt in de MvT een aantal woorden gewijd. De strafwet is gericht tot normaal ontwikkelde mensen:

mensen die bewust handelen, vrij zijn om anders te handelen en in staat zijn hun eigen wil te bepalen ten aanzien van hun handelen.37 De wetgever meende dat bestaande bepalingen in de CP, de Belgische strafwet en eerdere Nederlandse ontwerpen in gebreke bleven, mede doordat daarin enkel krankzinnigheid als algemene oorzaak van ontoerekeningsvatbaarheid werd genoemd. Daarmee werd geen rekenschap gegeven aan andere mogelijke relevante oorzaken,

29 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 63.

30 Vgl. par. 2.1.1, 2.2.2.

31 Kelk/De Jong 2019, p. 324; Dolman 2006, p. 41; Omwille van de duidelijkheid wordt in het vervolg de term

‘(on)toerekenbaarheid’ aangehouden voor aanrekenen in algemene zin en ‘(on)toerekeningsvatbaarheid’ voor toerekening in de zin van artikel 39 Sr.

32 Zie par. 1.2

33 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 63, 65.

34 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 63; De jeugdige leeftijd van de verdachte is later geherformuleerd als vervolgingsuitsluitingsgrond in artikel 77a Sr.

35 Kamerstukken II 1878/79, 110, 2, p. 4.

36 Stb. 1881, 35; Stb. 1886, 64.

37 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 63.

(13)

zoals bewusteloosheid of een gebrekkige ontwikkeling dan wel storing der geestvermogens.

Bovendien leken die bestaande bepalingen het verband tussen het concrete gepleegde feit en de abnormale toestand van de geestvermogens niet in ogenschouw te nemen. De bredere uitleg die aan ‘abnormale toestand van de geestvermogens’ moest worden gegeven, resulteerde zodoende erin dat aan voornoemd verband meer belang moest worden gehecht bij de beoordeling van ontoerekeningsvatbaarheid. Dat maakte de eerdere bepalingen en ontwerpen achterhaald en ongeschikt.38

In de MvT wordt vrij uitgebreid stilgestaan bij bewusteloosheid als oorzaak van ontoerekeningsvatbaarheid. Beargumenteerd wordt dat iemand die zich geenszins bewust is van wat hij doet, niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de materiële handelingen die hij in die bewusteloze toestand verricht.39 Bewusteloosheid werd evenwel later door de Kamer geschrapt, omdat in een bewusteloze toestand geen sprake zou kunnen zijn van wilsvorming en daardoor niet van een strafrechtelijke gedraging. Bovendien wilde men geen vrijbrief verschaffen aan middelenmisbruikers.40 Desalniettemin laat de argumentatie van de wetgever wel duidelijk zien dat strafuitsluiting gegrond is in het idee dat iemand verantwoordelijk moeten kunnen worden gehouden voor zijn daden om hem daarvoor te kunnen straffen.41 In aanvulling op bewusteloosheid worden in de MvT ook de gebrekkige ontwikkeling en de ziekelijke stoornis van de geestvermogens genoemd als oorzaken van ontoerekeningsvatbaarheid. Deze oorzaken leiden enkel tot ontoerekeningsvatbaarheid

“inzooverre de dader daarvan buiten staat was ten aanzien van het gepleegde feit zijn wil te bepalen” [cursivering JS].42 Dit sluit volledig aan bij het idee dat de mens in beginsel wordt geacht controle te hebben over zijn eigen doen en laten, en zijn wil hieromtrent te kunnen bepalen. Soms kan deze wilsvrijheid ontbreken. In die gevallen vervalt de verantwoordelijkheid en kan dus geen sprake zijn van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Zoals aan het begin van deze paragraaf aan de orde kwam, kan van strafrechtelijke verantwoordelijkheid immers geen sprake zijn als het feit niet kan worden toegerekend.

Hieruit volgt dat de door de wetgever beoogde ratio van ontoerekeningsvatbaarheid als strafuitsluitingsgrond is het voorkomen dat mensen worden gestraft voor feiten die hen eigenlijk niet te verwijten vallen doordat zij vanwege buitengewone interne omstandigheden niet het vermogen hadden controle uit te oefenen over hun gedragingen, of zich niet bewust zijn geweest van de onwenselijkheid daarvan.43 Dat zou namelijk indruisen tegen de notie

‘geen straf zonder schuld’.

2.2 Ontwikkeling in de dogmatiek en rechtspraak

2.2.1 Ontoerekeningsvatbaarheid ex artikel 39 Sr: ontwikkeling

38 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 63.

39 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 63.

40 Kelk/De Jong 2019, p. 343.

41 Par. 1.2.

42 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 64.

43 Vgl. Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.4.1, Kelk/De Jong 2019, p. 326 en Van Veen 1986, p. 358.

(14)

Ontoerekeningsvatbaarheid is bij uitstek een schulduitsluitingsgrond.44 Ons strafrecht is zoals gezegd gestoeld op de notie dat ieder mens in beginsel verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen. Die verantwoordelijkheid komt voort uit de bij ‘normale’ mensen veronderstelde cognitieve en volitieve competentie.45 Cognitieve competentie is het vermogen inzicht te hebben in de wederrechtelijkheid van een gedraging. Volitieve competentie ziet op de wilsvrijheid conform dat inzicht te handelen.46 Indien de cognitieve of volitieve competentie ontbreekt doordat die wordt aangetast door een stoornis, kan iemand niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daad. Zonder ‘responsible agent’ is gerechtvaardigde bestraffing niet mogelijk.47 Daarin is de tegenwoordige ratio van ontoerekeningsvatbaarheid gelegen.

Mijns inziens sluit dit naadloos aan op de ratio van ontoerekeningsvatbaarheid zoals de wetgever deze bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht heeft bedoeld.

In 1886 bestonden enkel algehele toerekeningsvatbaarheid en ontoerekeningsvatbaarheid.

Nuance was daarin niet mogelijk. Volledige toerekeningsvatbaarheid leidde tot strafoplegging, volledige ontoerekeningsvatbaarheid tot uitsluiting van de strafbaarheid en eventueel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.48 Door het gebrek aan nuance kwamen (gestoorde) delinquenten veelal niet op de juiste plek terecht.49 Verdachten waren wel ‘gek’, maar niet gek genoeg voor ontoerekeningsvatbaarheid en kwamen zodoende onbehandeld in de gevangenis terecht. Anderzijds werden verdachten waarvan de stoornis niet heel ernstig was soms toch ontoerekeningsvatbaar verklaard, en bezetten zij de inrichtingen. De opkomst van de Moderne Richting resulteerde in de zogenaamde psychopatenwetgeving (1928) waarin tbs50 en verminderde toerekeningsvatbaarheid werden geïntroduceerd. De tbs-maatregel kon dan ook aan zowel volledig ontoerekeningsvatbare als verminderd toerekeningsvatbare verdachten worden opgelegd en maakte het in de praktijk voor rechters mogelijk daders trapsgewijs verantwoordelijk te stellen. Door die meer genuanceerde praktijk ontstonden vijf niveaus van toerekeningsvatbaarheid, ondertussen teruggebracht naar drie:

ontoerekeningsvatbaarheid, verminderde toerekeningsvatbaarheid en algehele toerekeningsvatbaarheid.51 De mate van verwijtbaarheid is dus niet te vangen in een zwart- witte tweedeling. Als gedragingen immers niet volledig onder invloed van een stoornis zijn veroorzaakt, kan die stoornis niet volledig iemands verwijtbaarheid wegnemen. Zodoende is het mogelijk dat iemand wél een stoornis heeft en die stoornis ook heeft bijgedragen aan het delict, maar dat die persoon toch niet volledig ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard, doch mogelijk wel verminderd toerekeningsvatbaar.52 Dit onderscheid kan relevant zijn voor de sanctietoemetingsbeslissing.

Het is de eigen verantwoordelijkheid van rechters de mate van toerekeningsvatbaarheid vast te stellen indien deze ter discussie staat. Die vaststelling gaat echter in grote mate gepaard met

44 Kelk/De Jong 2019, p. 328.

45 Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.4.1; Vgl. Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 63.

46 Beukers DD 2019/26, p. 361.

47 Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.4.1; Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 63.

48 Het nu vervallen artikel 37 Sr.

49 Kelk/De Jong 2019, p. 330.

50 Tot de herziening in 1988 (Stb. 1986, 587) aangeduid als tbr.

51 NVvP 2013, p. 65; Bijlsma & Meynen, NJB 2017/262, p. 305; Van Oploo 2021, p. 51-52.

52 Voor een tweetal treffende voorbeelden, zie Bijlsma 2016, p. 64-65.

(15)

de vraag of iemand lijdt aan een stoornis en zo ja, of en in welke mate die stoornis van invloed is geweest op de gedragingen van die persoon. Aangezien rechters vanuit hun eigen wetenschap hiervoor niet de benodigde deskundigheid hebben, wordt doorgaans de hulp van forensische gedragsdeskundigen ingeschakeld die een pro Justitia-advies uitbrengen.53 Dit advies volgt uit het onderzoek dat de gedragskundige verricht aan de hand van een standaardvraagstelling, die drie kernelementen heeft. Allereerst moet de aanwezigheid van een stoornis ten tijde van het tenlastegelegde worden beoordeeld, waarbij een diagnostische omschrijving wordt gevraagd. Daarnaast moet de onderzoeker aangeven hoezeer de stoornis heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde en welk toerekeningsvatbaarheidsniveau zijns inziens daaruit volgt. Het laatste kernelement ziet op het sanctie- en/of behandeladvies, mede in het kader van het recidiverisico.54 Opmerking verdient dat op grond van artikel 37a lid 3 Sr het onderzoek door minstens twee verschillende soorten deskundigen moet zijn uitgevoerd, waaronder één psychiater, wil de rechter tbs kunnen opleggen. De rechter kan het pro Justitia- rapport zowel gebruiken bij het toerekeningsvatbaarheidsoordeel als bij de sanctietoemetingsbeslissing.55 Belangrijk is het woord kan. De beoordeling blijft immers de rechterlijke verantwoordelijkheid. Van gebondenheid aan de deskundigenadviezen is dan ook geen sprake.56 Desalniettemin nemen rechters de deskundigenadviezen veelal direct over, middels korte standaardformuleringen als “welke conclusie de rechtbank overneemt en tot de hare maakt”.57 Pro Justitia-onderzoek is daarom van evident belang voor het uiteindelijke toerekeningsvatbaarheidoordeel. De vraag is langs welk criterium de rechter de lat precies moet leggen.

2.2.2 Ontoerekeningsvatbaarheid: criterium Het huidige artikel 39 Sr luidt:

“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend”.58

De tekst van deze bepaling is recentelijk gewijzigd van ‘gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens’ naar de huidige formulering.59 Deze terminologische wijziging is niet doorgevoerd vanuit de wens het stoornisbegrip inhoudelijk te wijzigen, maar om meer aansluiting te zoeken bij de psychiatrische terminologie in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders.60 De beoogde ratio en reikwijdte van de wetgever blijven zodoende onveranderd. Opvallend is dat uit de tekst van artikel 39 niet precies kan worden opgemaakt wanneer een strafbaar feit wel of niet kan worden toegerekend. Evident is dat een stoornis vereist is en ‘wegens’ impliceert een

53 Kelk/De Jong 2019, p. 332; Van Oploo 2021, p. 50-51.

54 Van Oploo 2021, p. 53-54; NIFP, brief van 15 juli 2015, bijlage 1.

55 Van Oploo 2021, p. 51.

56 Bijlsma 2016, p. 16; HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5355, NJ 2013/466, m.nt. Keulen, r.o.

3.4; Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.4; Conclusie A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2013:895, punt 4.4-4.5.

57 Van Oploo, Strafblad 2017/82, p. 537; Van Oploo 2021, p. 147, 206.

58 Omwille van de leesbaarheid van de tekst wordt in het vervolg gesproken van een ‘stoornis’.

59 Stb. 2018, 37.

60 Kamerstukken II 2009/10, 32 399, 3, p. 11 (MvT).

(16)

causaliteitsvereiste.61 Een vast juridisch criterium voor ontoerekeningsvatbaarheid ontbreekt evenwel. In de rechtspraak is evenmin één uniforme maatstaf aangelegd.62 Dat feitenrechters hierdoor veelal verschillende en soms zelfs incorrecte criteria hanteren is schadelijk voor de rechtszekerheid en rechtseenheid. Tevens komt de rechtsbescherming van de verdachte in het geding, doordat het ontbreken van een eenduidig criterium het bepalen van een effectieve verdedigingsstrategie ten aanzien van onder andere de pro Justitia-rapportage bemoeilijkt.63 Internationaal gezien is het uitblijven van een ontoerekeningsvatbaarheidscriterium een uitzondering op de regel, nu vele landen over de hele wereld sterk overeenkomende – Angelsaksisch georiënteerde – toetsingskaders hanteren.64

Over de noodzaak van een ontoerekeningsvatbaarheidscriterium en de vormgeving daarvan is in de literatuur het nodige gezegd. Bijlsma komt na een uitgebreide vergelijking van verschillende criteria uit de Amerikaanse rechtspraktijk met de Nederlandse wetshistorie en rechtspraak tot een drieledig criterium:

“[O]ntoerekenbaarheid moet worden aangenomen als de verdachte als gevolg van een stoornis niet kon begrijpen dat het feit wederrechtelijk was, óf onvoldoende in staat was in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het feit te handelen”.65

Bijlsma vereist dus allereerst een stoornis. Daarnaast moet een causaal verband bestaan met die stoornis, wat volgens Bijlsma niet zozeer enkel betrekking heeft op het begaan van het concrete feit.66 Het ziet bovenal op de vraag of een stoornis heeft gezorgd voor het ontbreken van ofwel iemands cognitieve competentie de wederrechtelijkheid van het feit in te zien, ofwel iemands volitieve competentie in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid te handelen. Zowel feitelijke als mentale causaliteit moeten bestaan.67 Ook Ter Haar en Meijer sluiten zich aan bij een beoordeling van de invloed van de stoornis op de cognitieve en volitieve competentie.68 De Hoge Raad vereist voor de vaststelling van een stoornis niet dat een op de DSM gebaseerde diagnose kan worden gesteld. Andersom leidt het voldoen aan de DSM-criteria voor een bepaalde stoornis evengoed niet automatisch tot de gevolgtrekking dat sprake is van een stoornis.69 Een ruim stoornisbegrip wordt gehanteerd.

Hevige gemoedsbewegingen – ofwel ‘het affect’ – kunnen niet worden aangemerkt als stoornis in de zin van artikel 39 Sr. Als dat wel zo zou zijn, zou de persoon die handelt uit noodweerexces moeten worden gelijkgesteld met een ontoerekeningsvatbare verdachte.70 Over het causale verband zijn Ter Haar en Meijer in overeenstemming met Bijlsma van mening dat een conditio sine qua non-verband tussen stoornis en delict geldt als minimumvoorwaarde, maar op zichzelf niet volstaat. De stoornis moet in causaal verband

61 Vgl. Bijlsma, Ligthart & Nauta, NJB 2022/1135, p. 1470; De Hoge Raad heeft het causaliteitsvereiste expliciet bevestigd in het Kraggenburg-arrest, zie HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311, NJ 2008/193, m.nt. Reijntjes, r.o. 4.4.2.

62 Bijlsma 2016, p. 49-56.

63 Bijlsma 2016, p. 56, 263.

64 Beukers 2017, p. 194.

65 Bijlsma 2016, p. 264.

66 Bijlsma 2016, p. 200.

67 Bijlsma 2016, p. 210.

68 Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.4.2.

69 HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5355, NJ 2013/466, m.nt. Keulen.

70 Vgl. HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8330, NJ 2007/245, m.nt. Keijzer, r.o. 22-24.

(17)

staan met de aantasting van de cognitieve of volitieve competentie van de verdachte.71 In de zaak Bart van U. heeft het Hof Den Haag eveneens gepoogd een toetsingskader te creëren.

Daarbij werd een extra causaliteitseis gehanteerd: het gedrag mag niet zijn ingegeven “door reële, niet pathologische motieven”.72 Het wederrechtelijke gedrag moet volledig voortvloeien uit een stoornis.73 (Gestoord) gedrag is echter ‘multifactorieel bepaald’ en ontstaat dus veelal mede vanuit niet-pathologische factoren. Hierdoor strookt deze strenge causaliteitseis niet met hoe stoornissen in de realiteit doorwerken op gedrag.74 Afgezien van deze strenge causaliteitseis sluit het Haagse toetsingskader grotendeels aan bij het criterium zoals door Bijlsma en Ter Haar en Meijer geformuleerd. Ook hier gaat het om de vraag of sprake was van een stoornis ten tijde van de feiten en of een (feitelijk) causaal verband bestaat met die feiten. Bij een bevestigend antwoord moet het bestaan van een (mentale) causale relatie tussen stoornis en de cognitieve of volitieve competentie van de verdachte worden onderzocht.75 Beukers stelt een ‘samengesteld criterium’ voor dat aansluit op dezelfde cognitieve en volitieve competenties als hierboven beschreven, die hij aanduidt als ‘inschattingsvermogen’

en ‘sturingsvermogen’. Een groot verschil is dat hij het stoornisvereiste loslaat en een meer holistische ‘competentietoetsing’ voorstelt die niet noodzakelijkerwijs is verbonden met psychopathologie.76 Alle bovenstaande versies van het ontoerekeningsvatbaarheidscriterium lijken te zijn geïnspireerd door de Amerikaanse Model Penal Code test:

“A person is not responsible for criminal conduct if at the time of such conduct as a result of mental disease or defect he lacks substantial capacity either to appreciate the criminality (wrongfulness) of his conduct or to conform his conduct to the requirements of the law.

[cursivering JS]”.77

De interpretatie van de term ‘wrongfulness’ is aan discussie onderhevig. Ligthart, Kooijmans en Meynen pleiten voor een ruime, morele benadering.78 Bijlsma, Ter Haar en Meijer en het Hof Den Haag kiezen daarentegen de (beperktere) juridische uitleg door het gebruik van de term ‘wederrechtelijkheid’.79 Beukers lijkt met de formulering ‘begrip of besef van wat hij doet of van het wederrechtelijke daarvan’ te differentiëren tussen twee mogelijkheden, wat wellicht duidt op een ruimere opvatting van ‘wrongfulness’. Desalniettemin wordt in zijn latere werk bevestigt dat hij daadwerkelijk doelt op (het begrip van) de wederrechtelijkheid en zodoende ook de juridische uitleg aanhangt.80 Aangezien de vraag naar ontoerekeningsvatbaarheid uiteindelijk een normatief-juridische vraag is die de rechter moet beantwoorden, sluit ik me aan bij de juridische insteek. Een en ander wordt versterkt doordat de wetgever blijkens de MvT veronderstelde dat “normale” verdachten bij machte zijn het

71 Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.4.2.

72 Hof Den Haag 16 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:684.

73 Ligthart, Kooijmans & Meynen, DD 2018/9, p. 104.

74 Ligthart, Kooijmans & Meynen, DD 2018/9, p. 106-107.

75 Hof Den Haag 16 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:684.

76 Beukers 2017, p. 222-223; Zie verder hs. 5.

77 Ligthart, Kooijmans & Meynen, DD 2018/9, p. 107.

78 Ligthart, Kooijmans & Meynen, DD 2018/9, p. 107-108.

79 Bijlsma 2016, p. 245, 247; Ter Haar & Meijer 2018, par. 4.4.2; Hof Den Haag 16 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:684.

80 Beukers 2017, p. 232; Beukers 2019, DD 2019/26, p. 361, 369.

(18)

criminele karakter – de wederrechtelijkheid – van hun handelen te begrijpen.81 Dit uitgangspunt is van belang om het strafrechtelijk relevante onderscheid tussen “normale” en psychisch gestoorde verdachten mogelijk te maken, dat dient ter rechtvaardiging van de bijzondere positie die psychisch gestoorde verdachten als gevolg van schulduitsluiting krijgen toebedeeld ten aanzien van algemeen geldende regels.

Welbeschouwd is over een mogelijk ontoerekeningsvatbaarheidscriterium en de invulling daarvan in de literatuur het nodige gezegd. De neuzen lijken redelijk dezelfde kant op te staan.82 Toch is tot op heden noch door de wetgever noch in de rechtspraak een vast toetsingskader gerealiseerd. Bijlsma concludeerde in 2016 al dat feitenrechters veel verschillende criteria hanteren, als ze zich daarover al expliciet uitlieten.83 In enkele zaken waarin dat wel het geval was, werden bijvoorbeeld de stoornis op zichzelf of de causale relatie tussen stoornis en delict expliciet als criterium voor ontoerekeningsvatbaarheid genoemd.84 In het kader van dit onderzoek is het van belang te bekijken op welke wijze de stoornis een rol speelt in de beoordeling van ontoerekeningsvatbaarheid in de meest recente feitenrechtspraak.

2.3 Rol van de stoornis in de Nederlandse feitenrechtspraak

2.3.1 Selectie van zaken

Alle uitspraken die zijn geanalyseerd voor het onderzoek naar de rol van de stoornis bij de beoordeling van ontoerekeningsvatbaarheid in de huidige feitenrechtspraak zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Het onderzoek strekt zich uit over de periode vanaf 1 januari 2020 tot 1 mei 2022. Deze keuze is gebaseerd op de overweging dat het gaat om de huidige praktijk, waarvoor de meeste recente stand van zaken relevant is. Bovendien illustreert het onderzoek van De Rade reeds de situatie tot 2020 voor psychische overmacht. Mijn onderzoek richt zich zodoende op de periode daarna. Om de vergelijking tussen ontoerekeningsvatbaarheid en psychische overmacht zo zuiver mogelijk te houden, is voor ontoerekeningsvatbaarheid dezelfde onderzoeksperiode aangehouden. Enkel uitspraken van de <gerechtshoven> en

<rechtbanken> zijn bestudeerd. Op rechtspraak.nl is de zoekterm <ontoerekeningsvatbaar>

ingevoerd. Die resultaten omvatten tevens de resultaten behorend bij

<ontoerekeningsvatbaarheid>. De zoekopdracht is verder beperkt tot het rechtsgebied

<strafrecht>. De combinatie van bovenstaande parameters levert 352 resultaten op. De zoekterm <ontoerekenbaar> is buiten de analyse gelaten, omdat deze – met dezelfde parameters – slechts 23 resultaten oplevert, waarvan het overgrote deel samenvalt met de resultaten van <ontoerekeningsvatbaar> en het andere deel niet relevant is voor de analyse.

Ook de zoekterm <toerekeningsvatbaar> wordt buiten het onderzoek gelaten (1379 resultaten op basis van dezelfde parameters). Naar verwachting bestrijkt die term een groot aantal uitspraken die irrelevant zijn voor de analyse, aangezien ‘toerekeningsvatbaarheid’

voornamelijk wordt gebruikt in het kader van gedragswetenschappelijke rapportages waarin gradaties van toerekeningsvatbaarheid worden onderscheiden. Oordelen omtrent verminderde

81 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 64; Bijlsma 2016, p. 232.

82 Vgl. Beukers 2017, p. 211.

83 Bijlsma 2016, p. 56.

84 Bijlsma 2016, p. 50, 55-56.

(19)

toerekeningsvatbaarheid zien niet op uitsluiting van de strafbaarheid (enkel op de sanctietoemeting) en zijn daarom niet relevant.

Voor de analyse zijn slechts die uitspraken relevant waarvan de rechterlijke motivering omtrent de strafbaarheid van de verdachte een materieel ontoerekeningsvatbaarheidsoordeel bevat. Een materiële beoordeling impliceert de toepassing van een criterium. Uitspraken waarin de gedragswetenschappelijke conclusies zonder nadere toelichting worden overgenomen voldoen niet aan dit selectiecriterium. Het is dan onduidelijk of de rechter zich tevens verenigt met de aan die conclusies ten grondslag liggende argumentatie, c.q. waarom de rechter deze conclusies tot de zijne maakt. Bovendien worden gedragskundige rapportages veelal zeer summier weergegeven en is vaak ook sprake van meerdere rapporterende deskundigen. Het is niet ondenkbaar dat zij op verschillende gronden tot dezelfde conclusies komen. Door de beperkte weergave van de rapportages kan hun volledige redenering echter vaak niet compleet worden nagegaan. Zonder nadere toelichting van de rechter is het ook hierom moeilijk te identificeren op welke gronden de deskundigenconclusies precies worden overgenomen. Uitspraken of overwegingen die enkel zien op culpa in causa worden buiten beschouwing gelaten, aangezien het onderzoek daar niet over gaat.85 Mogelijk zijn enkele relevante uitspraken niet in de zoekresultaten verschenen. Dit is niet problematisch omdat het doel van de analyse niet is een volmaakt overzicht, maar een representatief beeld te verkrijgen. Op basis van bovenstaande selectiecriteria zijn 121 geselecteerde uitspraken onderzocht op het door de rechter gebruikte criterium bij de materiële beoordeling van ontoerekeningsvatbaarheid. Daarbij worden (voor zover mogelijk) de categorieën aangehouden die Bijlsma in zijn proefschrift heeft onderscheiden.86 Van die categorieën zijn er in de geselecteerde uitspraken acht naar voren gekomen,87 welke in de volgende paragraaf achtereenvolgens worden behandeld. In sommige uitspraken spelen meerdere criteria een rol.

Het totaal van de geselecteerde uitspraken en de som van hoe vaak elk criterium aan bod komt, is daarom niet geheel gelijk.

2.3.2 Feitenrechtspraak

1. In 48 uitspraken werd ontoerekeningsvatbaarheid aangenomen op basis van de enkele vaststelling van een stoornis. In het overgrote deel van die gevallen ging de rechter zelfs niet in op de specifieke stoornis van het geval. Simpelweg werd volstaan met zinsneden als

‘wegens de ziekelijke/psychische stoornis (van de geestvermogens)’.88 Vaak werd in deze zaken uit de gedragsdeskundige rapportage(s) wel duidelijk welke stoornis(sen) het betrof, maar kwam dit in de materiële rechterlijke beoordeling niet naar voren. Enkele uitspraken bevatten wel een referentie aan de specifieke stoornis. Zo werden verdachten

85 Culpa in causa is het leerstuk van de eigen schuld. Wanneer iemand zichzelf bijvoorbeeld in een dronken toestand brengt, staat dit in de weg aan ontoerekeningsvatbaarheid. Kelk/De Jong 2019, p. 343-344.

86 Zie Bijlsma 2016, p. 49-56.

87 (1) De enkele vaststelling van een stoornis, (2) weloverwogen handelen, (3) inzicht in de reikwijdte van de gedragingen, (4) realiteitsbesef, (5) motief, (6) vrije wil, (7) ORO-criterium en (8) causaliteit.

88 Bijv. Rb. Gelderland 9 juli 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:3428.

(20)

ontoerekeningsvatbaar geacht vanwege een verstandelijke beperking,89 psychotische stoornis,90 maniforme toestand en bipolaire stoornis,91 of waanstoornis.92 Verdere expliciteringen van stoornissen komen enkel voor in overwegingen aangaande verminderde toerekeningsvatbaarheid in relatie tot de sanctietoemeting.93 Doordat de rechterlijke motiveringen in de geselecteerde uitspraken niet duidelijk maken of louter de stoornis beslissend is geweest en nadere bespiegelingen daaromtrent achterwege blijven, wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de enkele vaststelling van een stoornis volstaat.94

2. In vier zaken leidt het weloverwogen of bewust handelen van de verdachte ertoe dat hij niet ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard. Het Hof Den Haag stelt dat een berekenende en planmatig handelende verdachte niet geheel ontoerekeningsvatbaar kan zijn.95 De Rechtbank Midden-Nederland vindt onder meer “berekenende componenten” in het gedrag van de verdachte reden hem niet te ontslaan van alle rechtsvervolging.96 De psychotisch ontregelde verdachte die “de bewuste keuze heeft gemaakt” een wapen te kopen was daardoor evenmin ontoerekeningsvatbaar.97

3. In acht gevallen wordt ontoerekeningsvatbaarheid beoordeeld aan de hand van het inzicht in de reikwijdte van de gedragingen. De Rechtbank Midden-Nederland stelt zelfs expliciet dat van ontoerekeningsvatbaarheid pas sprake is “indien de verdachte geen enkel inzicht zou hebben gehad in de reikwijdte van zijn handelen”.98 Het gebruik van dit inzichtcriterium in de context van ontoerekeningsvatbaarheid is opmerkelijk, aangezien het in de sfeer van bewijsoverwegingen thuishoort. Het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte van de gedragingen en mogelijke gevolgen daarvan staat volgens de Hoge Raad namelijk in de weg aan opzettelijk handelen en leidt ex artikel 352 lid 1 Sv bij doleuze delicten zodoende tot vrijspraak.99 Is hiervan sprake, dan komt de strafbaarheid van de verdachte niet meer aan bod.

A contrario betekent het oordeel dat iemand opzettelijk heeft gehandeld altijd dat hij in enige mate inzicht heeft gehad in de reikwijdte van zijn gedragingen. Het aannemen van ontoerekeningsvatbaarheid wegens het ontbreken van ieder inzicht is dan onmogelijk. Bij de bewijsvraag is immers net geoordeeld dat dat inzicht wél heeft bestaan. Derhalve is het inzichtcriterium als toets voor ontoerekeningsvatbaarheid feitelijk betekenisloos.

4. Tweemaal werd de verdachte ontoerekeningsvatbaar verklaard op basis van het realiteitsbesef. De verdachte uit wiens gedrag bleek dat hij vanwege zijn psychose overtuigd

89 Rb. Overijssel 31 mei 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:2152; Rb. Rotterdam 28 oktober 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10776.

90 Rb. Zeeland-West-Brabant 25 februari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:788; Rb. Rotterdam 28 oktober 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10776; Rb. Amsterdam 28 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7944.

91 Rb. Amsterdam 2 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:378.

92 Rb. Amsterdam 12 februari 2021, ECLI:NLRBAMS:2021:563.

93 Bijv. Hof Den Haag 22 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2181.

94 Bijlsma 2016, p. 49; uit het woord ‘wegens’ in artikel 39 Sr blijkt immers een causaliteitsvereiste.

95 Hof Den Haag 1 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2618; Hof Den Haag 22 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2181.

96 Rb. Midden-Nederland 8 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2895.

97 Rb. Gelderland 21 oktober 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:5743.

98 Rb. Midden-Nederland 12 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:51.

99 HR 9 juni 1981, NJ 1983/412, m.nt. Van Veen, r.o. 6.

(21)

was van een complot tegen hem, was daardoor ontoerekeningsvatbaar.100 Een andere verdachte werd ontoerekeningsvatbaar verklaard, gebaseerd op zijn verwrongen realiteitszin.101

5. In drie uitspraken werd bij de beoordeling het motief van de verdachte meegewogen. De Rechtbank Amsterdam oordeelde tweemaal dat het (mogelijke) bestaan van reële, niet uit de stoornis voortkomende motieven zoals krenking of honger, in de weg staat aan volledige ontoerekeningsvatbaarheid.102 In gelijke zin lijkt de Rechtbank Limburg het ontbreken van een reëel motief juist te zien als argument voor ontoerekeningsvatbaarheid, omdat daaruit blijkt dat de strafbare gedraging is ingegeven door een stoornis.103

6. Veertien uitspraken bevatten als (mede)criterium voor ontoerekeningsvatbaarheid de vrije wil. Op basis van de mate van keuzevrijheid104 of wilsvrijheid105 die verdachten in het licht van hun stoornis hadden ten tijde van het tenlastegelegde, werden zij al dan niet ontoerekeningsvatbaar verklaard.

7. In zeven gevallen werden variaties van het ORO-criterium gebruikt. Dit criterium wordt ontleend aan de overwegingen omtrent ontoerekeningsvatbaarheid van de wetgever van 1880.106 Kortgezegd is de verdachte ontoerekeningsvatbaar als hij door een stoornis zijn wil niet vrij kan bepalen ten aanzien van het feit of de ongeoorloofdheid van zijn handelingen niet kan inzien.107 Eenmaal werd enkel het inzicht in de wederrechtelijkheid/laakbaarheid van het gedrag aangehaald in de beoordeling.108 Zesmaal werd een combinatie van inzicht in de wederrechtelijkheid en het vermogen overeenkomstig dat inzicht te handelen als criterium gehanteerd. Noemenswaardig zijn de twee zeer recente uitspraken die dit criterium onomwonden expliciteren als het criterium voor ontoerekeningsvatbaarheid. De Rechtbank Oost-Brabant stelt:

“Immers, alleen als de stoornis van de verdachte tot gevolg heeft dat hij de wederrechtelijkheid (…) van het feit niet kan begrijpen of, als hij die wederrechtelijkheid (…) wél begrijpt maar niet in overeenstemming met dat besef kán handelen, kan ontoerekeningsvatbaarheid aan de orde zijn”.109 Het Hof ’s-Hertogenbosch zet in de Brunssummerheide-moordzaak dit toetsingskader voor ontoerekeningsvatbaarheid tevens uitgebreid uiteen. Uit de doctrine en rechtspraak kan het

100 Rb. Zeeland-West-Brabant 24 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3300.

101 Hof Den Haag 11 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:856.

102 Rb. Amsterdam 23 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6643; Rb. Amsterdam 5 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6306.

103 Rb. Limburg 28 maart 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:2418.

104 Rb. Amsterdam 7 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2272; Rb. Amsterdam 24 april 2020,

ECLI:NL:RBAMS:2020:2593; Hof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2020, ECLI:GHSHE:2020:3990; Rb. Amsterdam 12 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3912; Rb. Amsterdam 22 september 2020,

ECLI:NL:RBAMS:2020:4640; Rb. Limburg 20 oktober 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:8072; Rb. Overijssel 3 november 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:3608; Rb. Zeeland-West-Brabant 25 januari 2021,

ECLI:NL:RBZWB:2021:268; Rb. Amsterdam 29 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:263; Hof Den Haag 11 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:856; Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6669.

105 Rb. Zeeland-West-Brabant 25 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:268; Hof Den Haag 1 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:312; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2969.

106 Par. 2.1.

107 Bijlsma 2016, p. 31.

108 Rb. Amsterdam 26 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2610.

109 Rb. Oost-Brabant 22 maart 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1026.

(22)

Hof afleiden dat het criterium voor ontoerekeningsvatbaarheid is “of de verdachte door een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling de strekking, de wettelijke (…) ongeoorloofdheid en/of de context van zijn gedraging(en) niet heeft (kunnen) begrijpen, dan wel niet in staat was om overeenkomstig dat begrip zijn wil te vormen.”110 Het Hof staat daarbij eveneens expliciet stil bij de betekenis van het cognitieve en volitieve element van deze beoordelingsstandaard.

8. Maar liefst 62 keer werd de causaliteit tussen stoornis en delict aangewend als maatstaf.

Ontoerekeningsvatbaarheid werd bijvoorbeeld aangenomen doordat het gedrag van de verdachte door de stoornis was bepaald,111 gedreven,112 of in bepalende, overheersende of volledige mate was beïnvloed.113 Ook werd overwogen dat het causaal verband tussen de feiten en de stoornis voldoende aannemelijk was.114

2.3.3 Evaluatie

Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat nog altijd een grote verscheidenheid aan ontoerekeningsvatbaarheidscriteria passeert in de feitenrechtspraak. Allereerst is opmerkelijk dat tamelijk veel van de geselecteerde uitspraken foutieve criteria bevatten.115 Zo werd in acht uitspraken een bewijscriterium gebruikt ter beoordeling van ontoerekeningsvatbaarheid. Dat in maar liefst 48 zaken de enkele aanwezigheid van een stoornis het argument was voor aanvaarding van ontoerekeningsvatbaarheid is dubieus, nu alleen al uit het woord ‘wegens’ in de tekst van artikel 39 Sr ook een causaliteitsvereiste blijkt.116 Ondanks de grote verscheidenheid aan criteria is de elementaire rol van de stoornis voor ontoerekeningsvatbaarheid wel zonneklaar. De causale relatie tussen de stoornis en het feit heeft echter duidelijk de overhand. De stoornis moet dus op enigerlei wijze hebben bijgedragen aan of geleid tot het concrete delict. De enkele constatering van een causale relatie schiet desalniettemin ogenschijnlijk ook tekort voor aanvaarding van ontoerekeningsvatbaarheid. Daarvoor moet eveneens duidelijk worden op wélke manier die doorwerking heeft plaatsgevonden.117 Noemenswaardig zijn de criteria die zich richten op de invloed van de stoornis op het inzicht in de wederrechtelijkheid en het vermogen naar dat inzicht te handelen. De expliciete, zeer uitvoerige uiteenzetting van het Hof ‘s-Hertogenbosch uit 2022 lijkt een nieuwe, voorzichtige poging een toetsingskader te creëren dat aansluit bij de in de literatuur overheersende opvatting dat voor ontoerekeningsvatbaarheid van belang is welke invloed de stoornis heeft gehad op iemands cognitieve en/of volitieve competentie in overeenstemming met het recht te handelen.

110 Hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:868.

111 Rb. Gelderland 19 januari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:318.

112 Hof Arnhem-Leeuwarden 8 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3624.

113 Hof Den Haag 2 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1846; Rb. Amsterdam 5 maart 2021,

ECLI:NL:RBAMS:2021:112; Rb. Den Haag 25 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6509; Rb. Noord-Holland 12 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3770; Rb. Amsterdam, 4 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:823.

114 Rb. Midden-Nederland 21 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4525.

115 Vgl. Bijlsma 2016, p. 56.

116 Zie verder par. 4.1.

117 Vgl. par. 2.1, 2.2.2.

(23)

2.4 De huidige toepassing in verhouding tot de ontstaansgeschiedenis

Gebleken is dat het doel van de wetgever met de invoering van strafuitsluitingsgronden was te voorkomen dat mensen wiens delinquente gedrag hen niet te verwijten valt voor dat gedrag worden gestraft. Verwijtbaar gedrag was volgens de wetgever enkel mogelijk indien het feit in wilsvrijheid was begaan en de verdachte inzicht had in de wederrechtelijkheid ervan.118 Hierin zijn reeds de elementen te zien die tegenwoordig worden aangeduid als cognitieve en volitieve competentie. Bij ontoerekeningsvatbaarheid staan inwendige oorzaken in de weg aan verwijtbaarheid. De wetgever ging ervan uit dat “normale” mensen bewust en in wilsvrijheid handelen en bovendien inzicht hebben in het strafbare karakter van hun gedragingen. Dat impliceert dat “abnormale” mensen, oftewel mensen die in een abnormale geestestoestand verkeren, niet over die competentie beschikken. De wetgever benoemt het hebben van een stoornis expliciet als oorzaak van een abnormale geestestoestand. Het belang van wilsvrijheid wordt benadrukt door de overweging dat een stoornis enkel tot ontoerekeningsvatbaarheid kan leiden voor zover verdachte “buiten staat was ten aanzien van het gepleegde feit zijn wil te bepalen”.119 Ook hieruit blijkt dat de wetgever het ontbreken van wilsvrijheid ten aanzien van. de strafbare gedraging voor ogen had als voorwaarde voor ontoerekeningsvatbaarheid.

De wetgever zag de stoornis als grond voor ontoerekeningsvatbaarheid en stelde die zodoende centraal. Voor ontoerekeningsvatbaarheid is het derhalve noodzakelijk dat de stoornis heeft veroorzaakt dat de verdachte geen inzicht had in de wederrechtelijkheid van zijn handelen of geen vrije wil had ten aanzien van dat handelen.

Kijkend naar de criteria in de feitenrechtspraak, valt op dat in bovenstaande overwegingen een viertal van die criteria passen. Allereerst de vaststelling van een stoornis, die zoals reeds opgemerkt niet volstaat voor aanvaarding van ontoerekeningsvatbaarheid. Dit blijkt sterk uit de hierboven aangehaalde overwegingen van de wetgever. Daarnaast is het causaliteitsvereiste te herkennen in de expliciete benoeming van de stoornis als oorzaak van een abnormale geestestoestand. Ook het wilsvrijheidscriterium is duidelijk te onderscheiden. Net als de vaststelling van de stoornis en het causaliteitsvereiste, beslaat dit op zichzelf echter maar een deel van de benodigde beoordeling. Tenslotte zijn de uitspraken die onder “ORO-criterium”

zijn verzameld in hun geheel het meest overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Zij combineren de voornoemde drie criteria en voegen daaraan de elementen volitieve en cognitieve competentie toe. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is de uitspraak in de Brunssummerheide-moordzaak.

Opmerkelijk is dat de meeste aangetroffen criteria niet of slechts deels aansluiten bij de bedoeling van de wetgever. Het feit dat steeds vaker toch wel expliciet de invloed van de stoornis op de cognitieve en volitieve competentie wordt onderzocht en dat deze beoordelingswijze zeer recent expliciet onder de aandacht is gebracht, wekt de voorzichtige verwachting dat deze beoordelingsstandaard in de toekomst meer navolging gaat krijgen.

Bovendien biedt het recente arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch de Hoge Raad de mogelijkheid eindelijk duidelijkheid te verschaffen over de ontoerekeningsvatbaarheid.120

118 Par. 2.1.

119 Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, p. 64.

120 Vgl. Bijlsma, Ligthart & Nauta, NJB 2022/1135, p. 1471.

Figure

Updating...

References

Related subjects :