0013 6802

228  Download (6)

Hele tekst

(1)
(2)

BIBLIOTHEEK KITLV

0013 6802

(3)
(4)
(5)

VAN

REGLEMENTEN! EN KEUREN VAN POLITIE

EN VERSCHILLENDE ANDERE

P O L I T I E B E P A H H U E N

ƒ

YOOU D E

RESIDENTIE SOERABAIA

VERZAMELD DOOK

W . F. ENGELBERT VAN BEVERVOORDE, ASSISTETTT-BESIDEftT VAN SOERABAÏA.

o f i K * ^

B A T A Y I A

A L B K E C H T & Co.

1898

\

(6)
(7)

VERZAMELING

VAN

REGLEMENTEN EN KEUREN VAN POLITIE

EN VERSCHILLENDE ANDERE

POLITIEBEPALINGEN

VOOR DE

RESIDENTIE SOEROAIA

VERZAMELD DOOR

W. F. ENGELBERT VAN BEVERVOORDE,

ASSISTENT-RESIDENT VAN SOERABAIA.

B A T A V I A

A L B R E C H T & Co.

1898

(8)
(9)

De bestaande „Verzameling van reglementen en keuren van politie benevens verschillende andere positiebepalingen voor de Eesidentie Soerabaia" in 1889 door de firma Albrecht & Busche te Batavia uitgegeven, voldoet in het geheel niet meer aan de behoefte, want er is bijna geen enkele der daarin opgenomen bepalingen, die niet sedert dat jaar gewijzigd, vervangen of vervallen is.

Dat het vooral voor mij, die dagelijks met die bepalingen te maken had en ze moest toepassen, erg lastig was dat boekje te gebruiken, behoeft zeker geen betoog en daarom kwam reeds dadelijk bij mijn optreden alhier als Assistent-Besident het denkbeeld bij mij op eene nieuwe verzameling samen te stellen en die door en voor rekening van de vroegere uitgevers te doen drukken en uitgeven.

Tal van bepalingen moesten echter nog vooraf worden herzien en zelfs nu nog zijn een drietal verouderde keuren in omwer- king, maar ik vermeende niet langer te moeten wachten, omdat deze keuren t. z. t. als supplement zullen kunnen worden uit- gegeven, daar de tijd van hunne arresteering nog niet met ze- kerheid is aan te geven.

Het kwam mij verder gewenscht voor, in navolging vaneene dergelijke algemeene politieverordening voor Amsterdam, om eenige meerdere algemeene politioneele bepalingen in eene af- zonderlijke afdeeling IV (dl. II) op te nemen, n. 1. bepalingen, waarmede de Hoofden van Plaatselijk Bestuur en de voorzitters der residentiegerechten herhaaldelijk te maken hebben, waardoor deze verzameling grooter van omvang is geworden dan de vorige, maar daardoor ook voor meerderen haar nut kan hebben.

De overtredingen der pachtvoorwaarden en de bepalingen be- treffende huiszoeking heb ik echter opzettelijk hierin niet opge- nomen, omdat vooreerst daardoor het werkje een te grooten om- vang zou erlangen en tweedens terzake reeds een zeer practisch boekje bestaat van F . Schnijder, uitgegeven a°. 1886 te Sema- rang bij Gebroeders Jansz, hetwelk, mits behoorlijk bijgehouden, voldoende in de behoefte terzake voorziet.

Ik heb verder de indeeling der bepalingen volgens de bestaande verzameling eenigszins gewijzigd, zoodat thans nauwkeurig in afdeelingen zijn gesplitst de werkelijke gewestelijke keuren, Besidentsbesluiten en ordonnantiën. Ook heb ik de verzameling in twee deelen gesplitst, afzonderlijk verkrijgbaar, bevattende

(10)

4

het l e deel alles wat speciaal op de residentie Soerabaia betrek- king heeft en het 2e deel alle overige algemeene politiebepa- lingen.

Tevens heb ik ten behoeve van de inlandsche ambtenaren en de hoofden van vreemde oosterlingen van de voornaamste plaatselijke bepalingen eene maleische vertaling bijgevoegd, -waardoor deze verzameling ook voor hen waarde heeft, temeer, nu velen hunner reeds de Nederlandsche taal voldoende machtig zijn om zelf den tekst der bepalingen te lezen en te begrijpen.

Soerabaia, 31 December 1897.

W . F . ENGELBERT VAN BEVERVOORDE, Assistent-Resident.

Bijgewerkt tot ultimo April 1898 en Staatsblad 1898 No. 93.

N. B. Waar in dit wert verwezen wordt b. v. naar No. A 2, CH enz., worden de verordeningen enz. opgenomen in deel I I bedoeld.

Uitgevers.

(11)

van kettingen of trossen aan de corps- morts voor den ingang van het bassin van het Marine Etablissement te Soerabaia (1).

Op verbeurte eener boete van vijftien gulden is het verboden, om kettingen of trossen vast te maken aan de corps-morts voor den ingang van het bassin van het Marine-Etablissement te Soerabaia, met uitzondering nogtans ten behoeve van schepen of vaartuigen, welke in of uit dat bassin moeten verhalen.

Verordening van den Resident van Soerabaia van 3 December 1859 (Javasehe Gourant van 28 December 1859 No. 104).

K E U R . (verordening) voor schepen en vaartuigen bij het ankeren ter reede van Soerabaia (2).

Gezagvoerders van schepen en vaartuigen, ankerende ter reede van Soerabaia op korter afstand dan vier kabellengten benoor- den de buitenboeien van het Marine Etablissement, moeten zorg dragen de keel van het bassin geheel vrij te laten, met dien verstande, dat zij, rondzwaaiende, niet binnen het verlengde der hoofden komen.

Evenmin zal het hun geoorloofd zijn hunne ankerplaats te kiezen bezuiden de buitenboeien, wanneer zij zich op minder afstand dan twee kabellengten beoosten of bewesten het ver- lengde der hoofden bevinden.

Schepen of vaartuigen binnen de hierboven aangegeven grenzen verankerd wordende, zal de gezagvoerder, of indien zulks op last van den loods is geschied, de loods eene boete van f 25.—

tot ƒ 100.— verbeuren en zal dergelijk schip of vaartuig op aanzegging van wege den kommandant van Hr. Ms. wachtschip onmiddellijk buiten de aangegeven grenzen moeten verhaald worden.

Bij niet voldoening hieraan zal den gezagvoerder eene boete van f 25.— tot f 100.— worden opgelegd en zal het schip op

(1) üeze keur is gesaneticmneerd door het bepaalde bij ten 2e yan Staats- blad 1885 No. 87, zie No. AS.

(2) Deze keur is gesanctionneerd door bet bepaalde bij ten 2e van Staats- blad 1885 No. 87, zie No. A2.

(12)

f;

kosten van den schipper, verhaalbaar op het schip, buiten de aangegeven grenzen worden verhaald.

Verordening van den Resident van Soerabaia van 17 Mei 1882 (Jiwasche Courant van 2 Juni 1882 No. 44).

R E G E L I N G v a n h e t toezicht in de R e s i d e n t i e S o e r a b a i a op de s t o o m v a a r t u i g e n v a n m i n d e r d a n 25 M3 n e t t o i n h o u d (1).

ART. 1. Het is niet geoorloofd in de Residentie Soerabaia met stoomvaartuigen van minder dan 25 Ms netto inhoud personen en goederen te vervoeren of sleepdiensten te verrichten, zonder dat de stoomschepen voorzien zijn van eene vergunning van den Resident van dat gewest.

ART. 2. Bij het verzoek om de bovenbedoelde vergunning moet worden overgelegd eene verklaring van den havenmeester te Soerabaia, betreffende :

a. de zeewaardigheid van het vaartuig voor het zeegebied, dat verzocht wordt te bevaren,

b. de inrichting en uitrusting van dat vaartuig, c. het opvarend personeel dat aan boord noodig is,

d. het maximum aantal passagiers, dat met het oog op de beschikbare ruimte en de stabiliteit zonder gevaar kan worden overgevoerd.

ART. 3. De vergunning vermeldt : a. het te bevaren zeegebied, b. de voorgeschreven bemanning,

c. het maximum passagiers dat mag worden overgevoerd.

ART. 4. De vergunning moet in het stoomvaartuig opgehangen worden en blijven op eene in het oog vallende en door den haven- meester te Soerabaia aan te wijzen plaats.

ART. 5. De vergunning is geldig voor den tijd van één jaar, ten- zij die tusschentijds door den Resident wordt ingetrokken, hetgeen op advies van den havenmeester te Soerabaia geschieden kan, indien deze van oordeel is dat het stoomvaartuig niet langer voldoende zeewaardig is te achten voor het vervoer van personen en goederen of voor het verrichten van sleepdiensten.

(1) Deze keur is een uitvloeisel van het bepaalde bij art 23 van Staatsblad 1890 No. 161, gehandhaafd bij art. 20 van Staatsblad 1894 No 278, zie DO. C4.

(13)

7

ART. 6. De havenmeester te Soerabaia heeft ten allen tijde het recht te onderzoeken of de zeewaardigheid van het schip en de aan boord aanwezige inrichtingen en uitrusting in voldoenden staat verkeeren, zijnde de schipper verplicht hem dat onderzoek mogelijk te maken.

ART. 7. De schippers moeten voorzien zijn van een getuigschrift van bekwaamheid voor hunne betrekking, af te geven door den havenmeester te Soerabaia.

ART. 8. Alle verklaringen, vergunningen of andere bescheiden, benoodigd voor het hierbij geregelde toezicht, worden, waar ver- eischt, op zegel, doch overigens kosteloos afgegeven.

ART. 9. Het vervoeren van personen en goederen of het verrich- ten van sleepdiensten met stoomschepen in deze regeling bedoeld, zonder eene vergunning van den Kesident als hierboven omschreven, of gevoerd door een schipper niet voorzien van een getuigschrift als in art. 7 vermeld, alsmede het vervoeren van meer passagiers dan het maximum, waartoe vergunning is verleend, het varen zonder de voorgeschreven bemanning en het belemmeren van het onderzoek in art. 6 genoemd, wordt gestraft met eene geld- boete van hoogstens f 100. (Een honderd gulden).

Voor deze boete i's aansprakelijk de schipper van het stoom- vaartuig of die hem vervangt.

ART. 10, Deze regeling treedt in werking op den 1™ Februari 1893.

Verordening van den Resident van Soerabaia dd. 27 December 1892. Javasche Courant dd. 10 Februari 1893 No. 12 en gewijzigd bij verordening van den Resident van Soerabaia dd. 23 Augustus 1893. Javasche Courant dd. 5 October 1893 No. 79.

R E G L E M E N T op h e t g e b r u i k v a n alle v a a r t u i g e n , n i e t g e r a n g s c h i k t w o r d e n d e o n d e r z e e s c h e p e n (vide art. 1. v a n Staats- b l a d 1874 No. 113 1) b e s t e m d tot v e r v o e r v a n p e r s o n e n , goederen, water, en de v i s c h v a n g s t , v a n , n a a r en ter reede v a n S o e r a b a i a en daar- b u i t e n , z o o m e d e op de v a a r t op de r i v i e r e n u i t m o n d e n d e i n de residen- tie S o e r a b a i a . (Gewijzigd bij k e u r dd. 9 A p r i l 1898).

ART. 1. Alle vaartuigen bestemd tot vervoer van personen en 1) Zie No. H4.

(14)

8

goederen, visschersvaartuigen, zoomede die uitsluitend ingericht tot vervoer van water, van en naar de reede van Soerabaia en daar- buiten, moeten vóór hunne indienststelling door den eigenaar ten kantore van den havenmeester aangegeven en aldaar geregistreerd worden.

Afschrift.

De Resident ean Soerabaia.

[Voor het Land]

Overwegende dat de noodzakelijkheid is gebleken tot wijziging van het „Reglement op het gebruik van alle vaartuigen, niet gerangschikt wordende onder zeeschepen [vide artikel 1 van Staatsblad 1874 No. 113] bestemd tot vervoer van personen, goederen, water en de vischvangst, van, naar en ter reede van Soerabaia en daarbuiten, zoomede op de vaart op de rivieren uitmondende in de residentie Soerabaia.

Gelet op artikel 72 van het Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandseh-Indië en op Staatsblad 1858 No. 78.

Maakt aan de ingezetenen van dit gewest bekend, dat door hem is vastgesteld de navolgende verordening:

In het opschrift en in artikel 1 van het Reglement op het gebruik van alle vaartuigen niet gerangschikt wordende onder zeeschepen enz., vastgesteld bij de verordening van den Resident van Soerabaia ddo. 3 Augustus 1894, afgekondigd in de Java- sche Courant van 1 September 1894 No. 70 vervallen de woorden: „en daarbuiten."

In artikel 11 ibidem vervallen de woorden : „helder brandende lantaarn" en worden vervangen door de woorden: „wit licht, als omschreven in artikel 11, Ie lid, van Staatsblad 1897 No. 188.

En opdat niemand, wien zulks aangaat, hiervan onwetendheid voorwende, zal deze in het officieel nieuwsblad worden geplaatst, en voorzooveel noodig, in de Inlandsche en chineesche talen worden aangeplakt.

Gedaan te Soerabaia, den 9<;n April 1898.

De wd. Resident van Soerabaia,

(w. g.) VAN BEVERVOORDE.

De Secretaris,

(W. g . ) OvERDUIJN.

De minute dezer is door den Resident gearresteerd.

ART. 2. De in art. 1 bedoelde aangifte en registratie moeten mede geschieden, wanneer vaartuigen van eigenaar veranderen of buiten de vaart geraken.

De aangifte daarvan geschiedt binnen 8 dagen na den eigen- domsovergang of het buiten de vaart geraken.

De eigendomsovergang wordt door den kooper aangegeven.

ART. 3. Bij de aangifte der nog in de vaart gebruikt wordende

(15)

vaartuigen, worden deze door den Havenmeester gekeurd ter constateering van den zeewaardigen staat en van de geschiktheid tot het doel, waarvoor men die wil bezigen.

De eventueele kosten der keuring komen voor rekening van den eigenaar van het vaartuig.

ART. 4. De registratie der vaartuigen geschiedt onder een doorloopend nummer, op vertoon van de acte van eigendom of het bewijs, dat het vaartuig wanneer zulks in verband met de grootte gevorderd wordt, is in- of overgeschreven in de daartoe bestemde openbare registers.

AKT. 5. Na de registratie der nog in de vaart gebruikt wordende vaartuigen wordt den eigenaar voor elk hem toebehoorend vaar- tuig door den Havenmeester kosteloos een certificaat van aangifte uitgereikt.

De eigenaar bekomt daarbij tevens eene verklaring van zee- waardigheid, die jaarlijks vernieuwd behoort te worden.

De schipper zorgt, dat het certificaat van aangifte, zoowel als de verklaring van zeewaardigheid steeds aan boord van het vaartuig aanwezig zijn.

ART. 6. De eigenaar van het vaartuig is verplicht te zorgen, dat het nummer waaronder dit is geregistreerd, san den voorsteven op een in het oog vallende plaats en op duidelijke wijze wordt aangebracht en wel bij vaartuigen ter grootte van meer dan 4 koyangs of 12 M3 in cijfers van ten minste 5 c M. bij kleinere vaartuigen, in cijfers van ten minste 2 c. M. hoogte.

ART. 7. De schipper is verplicht de in art. 5 bedoelde stukken op eerste aanvrage te vertoonen aan den Havenmeester of de amb- tenaren belast met de waterpolitie en die belast met het toezicht op de Strandposten.

Indien de schipper aan boord van het vaartuig niet voorzien is van deze stukken kan het vaartuig worden aangehouden, totdat de vereischte stukken kunnen worden vertoond.

AKT. 8. De eigenaar van het vaartuig is verplicht het uit te rusten in zeewaardigen en in verband met de goederen, waarmede zij doorgaans beladen worden, zindelijken staat te houden, overeen- komstig de aanwijzingen door den Havenmeester gegeven, on- verminderd de bevoegdheid van dezen om het vaartuig bij eventueel ongeschikt worden buiten dienst te stellen, totdat het zal zijn hersteld, dan wel het voor verder gebruik af te keuren.

ART. 9. Van het tijdstip, dat met het laden een aanvang wordt gemaakt tot aan het tijdstip, dat het lossen geëindigd is, mag de schipper het vaartuig niet verlaten.

(16)

10

ART. 10. De schippers moeten hunne vaartuigen, zoolang deze in de rivier stil liggen, in geregelde orde en onder bewaking, met de riemen en de tot roer dienende lange riemen binnen boord, langs de oevers meeren en wel de vaartuigen boven de 15 koyangs, als volgt :

a. van af de zoogenaamde roode brug tot aan de noordelijke grens van het emplacement der douane-gebouwen langs den westelijken oever drie rijen naast elkaar; langs de overzijde, zoover de huizen van de Panggoeng aan de kali uitkomende, is slechts een vrije ligplaats bij vergunning van den Controleur der in- en uitvoerrechten en accijnsen en dan nog op één rij;

h. langs beide oevers van af de in sub a genoemde grens- punten tot aan de noordelijke merkpalen bij de petroleum pak- huizen twee rijen;

c. van af de in sub b genoemde grens tot aan den kleinen boom langs beide oevers één rij, verderop tot aan zee twee en aan den westelijken oever tegen de bank zooveel dat een be- hoorlijke ruime doortocht voor 2 groote prauwen blijft bestaan.

LaDgs het havenkantoor blijft de oever vrij.

In geval van laag water, wijzigt het bovenstaande zich zoo- danig, dat steeds een ruime doortocht langs de geheele rivier voor 2 groote prauwen blijft bestaan.

De schipper is verplicht te zorgen dat zich aan boord van iedere laadboot of prauw, geen tambangan zijnde, minstens één waker bevindt, terwijl 5 tambangans te zamen door één man mogen worden bewaakt.

ART. 11. Het is den schipper verboden op de rivier zeil te voe- ren. Hij is verplicht zijn vaartuig, zoowel varende als ten anker of gemeerd liggende, gedurende den nacht in den top of aan den boeg te voorzien van een helder brandenden lantaarn.

ART. 12. Vaartuigen van meer dan 4 koyangs of 12 Ms inhoud mogen bij sterken stroom of bandjir de rivier slechts afzakken met een krabbend anker.

Stoomvaartuigen mogen in de rivier slechts langzaam aan- stoomen en moeten, stroomafwaarts varende, aan den achter- steven een anker met ketting of tros gereed hebben.

De schipper van het vaartuig is verantwoordelijk voor de naleving der in dit artikel gegeven voorschriften.

ART. 13. De schippers van zeeschepen van meer dan 200 M3 netto inhoud mogen daarmede slechts met bijzondere ver- gunning van den Havenmeester de rivier opvaren en aldaar tijdelijk vertoeven.

ART. 14. Indien een vaartuig belangrijke reparation moet on- dergaan, is de eigenaar daarvan verplicht de verklaring van zeewaardigheid bij den Havenmeester in te leveren om na afloop der reparatie door eene nieuwe te worden vervangen.

(17)

ART. 15. Overtredingen van de bepalingen dezer verordening door den eigenaar of den schipper worden gestraft met een geldboete van een tot vijftig gulden.

ART. 16. De verordening treedt in werking op den eersten September 1894.

Op dien datum vervalt:

Het Eeglement op het gebruik van laadbooten en andere vaar- tuigen tot vervoer van personen en goederen te Soerabaia van en naar de reede en daarbuiten en op de vaart in de haven en rivieren aldaar van 12 Februari 1874 (Javasche Courant No. 15) met de daarin bij de verordening van 22 April 1874 (Javasche Courant No. 35), 31 Juli 1874 [Javasche Courant No. 64] en 17 Mei 1879 [Javasche Courant No. 45] gebrachte wijzigingen.

Verordening van den Resident van Soerabaia d.d. 3 Augustus 1894 [Javasche Courant dd. 4 September 1894 No. 71].

Dit reglement is een uitvloeisel, zoowel van het bepaalde bij ten 2e van Staatsblad 1885 no. 87 (Zie No. As) als van het bepaalde bij Staatsblad 1874 no. 152, welk laatste Staatsblad evenwel voorzoover Java en Madoera betreft is ingetrokken bij en vervangen door Staatsblad 1895 no. 254 (Zie No. J4) .

Feitelijk is dit reglement dus in strijd met laatstgemeld Staatsblad en moet herzien worden.

K A N D J E N G T O E W A N R E S I D E N T D l S O E R A B A I A membrie taoe kapada segala orang di dalem karesidenan Soe- rabaia, jang Kandjeng Toewan Kesident soeda tetepken atoeran, seperti terseboet di bawah:

' V T Ö E I t AVIV n a l mempakée praoe, jang tiada teritoeng ka- pal laoetan (menoeroet fatsal 1 dari staatsblad

1874 n«. 113) boewat pindahken orang-orang, barang-barang, aer, oetawa boewat ambil ikan, pergi ka pelaboean Soerabaia, oetawa dari pe- laboean Soerabaia, oetawa jang ada di pela- boean Soerabaia, oetawa boewat di djalanken di kali-kali, jang djatoehken aernja di laoetan karesidenan Soerabaia.

Fatsal 1. Segala praoe-praoe boewat pindahken orang-orang dan barang-barang dan praoe boewat ambil ikan, dan djoega praoe boewat pindahken aer, jang dateng dari pelaboean Soera- baia, oetawa pergi ka pelaboean Soerabaia dan di loearnja pe- laboean, j a itoe jang ampoenja, sabeloonja praoe terseboet di djalanken, lebih doeloe misti kasi taoe di kantornja toewan Commandoer laoet aken di masoeken di dalem boekoe daftar,

(18)

12

h J L « t l À- DJlkal<>e praoe Sa n t l Ja nS ampoenja oetawa di brentiken di pakee, djoega misti di kasi taoe dan di masoeken boekoe, seperti terseboet di dalem fatsal 1.

Itoe pembrian taoe misti terbikin di dalem 8 hari, sa-soedanja ganti jang ampoenja oetawa di brentiken di pakée. Jang belie ja itoe jang misti kasi taoe hal ganti jang ampoenja.

Fatsal 3 Djikaloe ada pembrian taoe dari praoe iang ter- pakee, lebih doeloe misti di priksa oleh toewan commandoer laoet, apa praoe koewat dan boleh terpakée seperti kaniatanja

jang ampoenja. J

Onkos-onkosnja papriksaän terpikoel oleh orang jang ampoenja.

Fatsal 4. Praoe di masoeken di dalem boekoe daftar dengen pakee nommer troesan, dengen lebih doeloe misti di kasi toen- djoek soerat eigendom oetawa soerat katrangan, betoel praoe menoeroet besarnja soeda termasoek di boekoe daftar kantor.

Fatsal 5. _ Sasoedanja praoe jang di djalanken termasoek boe- Koe dattar, j a itoe jang ampoenja trima dari toewan commandoer laoet satoe soerat pembrian taoe dari satoe-satoenja praoe, dengen

tida pakee onkos. ° Dan jang ampoenja praoe djoega trima satoe soerat peniataän,

praoe ada koewat, dan ini soerat saben tahoen misti di salin.

Djoeragan praoe misti djaga, itoe soerat pembrian taoe dan soerat penjataan praoe ada koewat, slamanja ada di dalem praoe.

Faisal 6. Jang ampoenja praoe misti djaga, nommernia praoe, jang termasoek di boekoe daftar, di taroek di haloewanja praoe, di tempat jang gampang kliatan orang, dan djikaloe praoe besarnja 4 kojan oetawa 12 meter koebiek, angka misti sedikit- sedikitnja besar 5 deem, dan praoenja jang ketjilan, angka se- dikit-sedikitnja besar 2 deem.

Fatsal 7. Djoeragan praoe misti djaga djikaloe soerat-soerat terseboet dl dalem fatsal 5, di minta oleh toewan commandoer laoet, oetawa ambtenaar-ambtenaar poelisie aer, dan iana; dia°-a pesisir lantas misti di kasi liat.

Djikaloe djoeragan praoe tida ada soerat-soerat terseboet di dalem praoenja, praoe boleh di tahan, sampée soerat-soerat di kasi liat.

Fatsal _ 8. Jang ampoenja praoe misti djaga, praoe slama- nja sampee koewat, dengen radjien, aken moewat barang-barang menoeroet pertoendjoekannja toewan commandoer laoet, dan toewan commandoer laoet ada koewasa, djikaloe praoe koerang koewat, boleh di brentiken djalan, sampée di betoelken lagi, oetawa di brentiken sama sekali.

(19)

Fatsal 9. Dari moelai moewat barang-barang sampée barang- barang di bongkar, j a itoe djoeragan praoe tida boleh pigi-pigi dari praoe.

Fatsal 10. Djoeragan praoe misti djaga, djikaloe praoe brenti ada di kali, praoe di atoer betoel dengen di toenggoe orang, dengen dajoeng-dajoeng dan dajoeng pandjang, jang terpakéè boewat kemoedi tersimpen dalem praoe, dengen praoe di tjantjang pinggir kali; dan praoe-praoe lebih dari 15 kojan, di atoer seperti di bawah inie:

«. moelai dari djembatan merah, sampée wangkit jang lor dari boom, di pinggir koelon, tiga djèdjèr baris, di seblah wetan, pinggirnja roemah-roemah di Panggoeng, djikaloe di idini oleh toewan controlioer boom, satoe djèdjèr baris sadja.

b. moelai dari wangkit terseboet di atas «, di seblah wetan dan koelonja kali, sampée wangkitnja goedang petroleum doewa djèdjèr baris.

c. moelai dari wangkit terseboet di atas b, sampée di boom di oedjoeng seblah wetan koelonnja kali satoe djèdjèr baris, dan dajanja sampée di laoet, dan di pinggir koelon kali di daratan, ja itoe saboleh-bolehnja tetapi misti ada tinggal djalanan boewat doewa praoe besar.

Di pinggir kali kantornja toewan commandoer laoet tida boleh brenti praoe.

Djikaloe aer ketjil, ja itoe atoeran di brobah tetapi troes misti ada tinggal djalanan tjoekoep boewat doewa praoe besar.

Djoeragan praoe misti djaga, di dalem satoe praoe, jang tida teritoeng tambangan, misti di djaga oleh satoe orang, dan tam- bangan lima boleh di djaga oleh satoe orang sadja.

Fatsal 11. Di larang pada djoeragan praoe berlajar ada di kali.

Djikaloe praoe djalan oetawa brenti, djoeragan praoe misti djaga, waktoe malem saben ada panerangan poetih, seperti terseboet dalem fatsal 11, bab kasatoe dari Staatsblad 1897 no. 188.

Fatsal 12. Praoe besarnja lebih dari 4 kojan oetawa 12 meter koebiek, djikaloe haroes kras oetawa bandjir, tida boleh milir djikaloe tida pakée djangkar bersangkal.

Kapal api tjoema boleh djalanken plan-plan sadja ada di kali, dan djikaloe milir misti djaga ada djangkar dengen rantée oetawa tali besar di blakang kapal.

Djoeragan praoe jang tanggoeng, inie atoeran di toeroet.

Fatsal 13. Djoeragan dari kapal lebih dari 200 meter koe- biek bersi, tjoema boleh djalanken kapal oetawa brentiken kapal ada di kali, dengen idinja toewan commandoer laoet.

Fatsal 14. Djikaloe praoe misti di betoelken, sebab banjak roesak, ja-itoe jang ampoenja misti kasi soerat penjataän praoe

(20)

14-

ada koewat, kapada toewan commandoer laoet, dan djikaloe praoe soeda betoel, dapet satoe soerat baroe hal penjataän praoe ada koewat.

Fatsal 15. Pelanggaran dari inie atoeran oleh orang jang ampoenja praoe oetawa djoeragan praoe di hoekoem dengen denda dari satoe roepiah sampée lima poeloeh roepiah.

Fatsal 16. Inie atoeran di djalanken moelai dari tanggal satoe September 1894.

Dan moelai dari tanggal satoe September 1894 di brentiken : Atoeran hal mempakée praoe-praoe moewatan dan praoe-praoe lain aken pindahken orang-orang dan barang-barang di Soera- baia, dari pelaboean oetawa ka pelaboean dan loewarnja pela- boean, dan di kali-kali Soerabaia, dari tanggal 12 Februari 1874 (Java coran no. 15) dengen berobahan, terseboet di dalem atoe- ran dari tanggal 22e April 1874 (Java coran no. 35) 31 Juli 1874 (Java coran no. 64) dan 17 Mei 1879 (Java coran no. 44).

Terbikin di Soerabaia pada tanggal 3 Augustus 1894.

Dengan besluitnja Kandjeng Resident Soerabaia tanggal 9 April 1898 soedah di tentoeken perobahan, jang soeda di moe- watken djoega dalem ini peratoeran (reglement).

R E G L E M E N T v a n politie op de v a a r t door de s c h u t s l u i z e n Melirip en G e d e k (re- sidentie S o e r a b a i a ) .

ART. 1. Ieder vaartuig wordt naar de orde van aankomst op zijne beurt doorgelaten.

Echter wordt voorrang verleend :

a. aan vaartuigen, beladen met buskruit, vuurwerken of petroleum, welke dadelijk en vóór alle andere vaartuigen of houtvlotten worden doorgelaten;

b. aan vaartuigen beladen met landsgoederen ;

c. aan vaartuigen of vlotten met aan bederf onderhevige eetwaren, vruchten, enz.;

d. vaartuigen met passagiers, militairen en transporten van bannelingen, welke zoo mogelijk ook bij nacht onmiddellijk wor- den doorgelaten.

De houtvlotten zijn het laatst aan de beurt.

Wanneer van beide zijden vaartuigen komen, worden die, komende van boven, het eerst doorgelaten.

ART. 2. De djoeragans of bevelvoerders mogen hunne vaar- tuigen of' houtvlotten niet vast maken, ankeren of doen stilliggen

(21)

in of voor de mondingen der sluis, en zijn verplicht hunne vaartui- gen of houtvlotten op last van den sluiswachter te verhalen, op de door hem aan te wijzen plaats te leggen en behoorlijk vast te maken aan de daarvoor bestemde meerpalen.

ART. 3. Ieder vaartuig, dat zich in den schutkolk of in de nabij- heid der sluis bevindt, moet behoorlijk met sterke touwen of ket- tingen aan beide einden gemeerd zijn.

De djoeragans of bevelvoerders moeten zich naar de aanwij- zing, die hen hierin door den sluiswachter worden gegeven, gedragen.

Gedurende de schutting of doorvaart moeten ten minste drie man der opvarenden zich aan boord bevinden.

ART. 4. Het is verboden met haken, boomen of andere voorwer- pen in het hout of metselwerk der sluis of andere kunstwerken te steken of op de sluis uit of in te halen ; dit laatste mag alleen geschieden in de haalijzers of de ringen en aan de daartoe te stellen palen en ducdalven.

Eveneens is het niet geoorloofd vaartuigen of vlotten vast te leggen of te meeren aan beschoeiïngen, kribben of dergelijke, doch uitsluitend aan de hiervoor bestemde meerpalen.

ART. 5. De djoeragans of bevelvoerders mogen hunne vaartui- gen nimmer langer in den schutkolk doen vertoeven dan voor doorschutting of doorvaart noodig is.

ART. 6. Het is verboden in den schutkolk of in een ander gedeelte der sluis iets te werpen of te laten vallen, dat den doortocht van vaartuigen kan belemmeren of beletten of schade aan de sluis kan aanbrengen.

ART. 7. De doorvaart geschiedt door viering aan een uitge- brachte lijn en bijaldien eenig vaartuig mocht vast- of aan den grond geraken, wordt onmiddellijk op last van den sluiswachter het beletsel opgeruimd of de gevorderde lichting door den djoeragan of bevelvoerder gedaan.

Bij nalatigheid geschiedt dit vanwege den sluiswachter, ten koste van den eigenaar van het vaartuig.

ART. 8. Het schutten of doorvaren van een vaartuig, hetwelk naar het oordeel van den sluiswachter aan gevaar van zinking bloot staat, wordt niet toegelaten ; wanneer hij zoodanig vaartuig in de nabijheid van de sluis ontdekt, gelast hij den djoeragan of bevelvoerder om het onverwijld naar een plaats te brengen, alwaar de doortocht er niet door belemmerd kan worden.

ART. 9. Wanneer een djoeragan of bevelvoerder in het geval, bedoeld bij het vorige artikel, of eenig ander geval, weigert zijn vaartuig of houtvlot te bewegen of te verplaatsen naar de aanwij-

(22)

16

zing van den sluiswachter, is deze bevoegd daaraan ten koste van den onwillige, des noods ondersteund door den sterken arm, gevolg te geven.

ART. 10. Bijaldien aan de sluis of daarbij behoorende werken eenige schade wordt toegebracht, wordt deze door den sluiswachter bij procesverbaal geconstateerd; voor het bedrag der schade wordt voordat het vertrek van het vaartuig wordt toegestaan door den djoeragan of bevelvoerder of door den eigenaar borg gesteld ter genoege van den sluiswachter.

ART. 11. Bij hooge waterstanden, wanneer voor het doen rijzen der schipdeuren te Lengkong door den Hoofd-Ingenieur der B. O.

W. in de residentie Soerabaia of den opzicht hebbenden ambtenaar aldaar wordt noodig geacht den schutkolk voor korteren of län- geren tijd geopend te houden, wordt het schutten tijdelijk ge- staakt, evenals gedurende de geregelde spuiïngen ter opruiming van het zich in de schutkamer nederzettende zand en slib, hetwelk de regelmatige beweging der waaierdeur zoude be- moeielijken.

ART. 12. De schutting en alle daartoe strekkende verrichtingen, benevens de regeling der in- en uitvaart, alsmede de plaatsing dei- vaartuigen in den schutkolk mogen alleen door den sluiswachter of de daartoe aangestelde bedienden bij de sluis geschieden.

De bevelen van den sluiswachter, uit krachte van dit reglement gegeven wordende voor de goede orde in de doorvaart, moeten door een ieder dadelijk worden opgevolgd.

ART. 13. Ingeval van klachten tegen den sluiswachter terzake van de toepassing of uitlegging der bedoelingen van dit reglement, worden ze door den djoeragan of bevelvoerder of eigenaar van het vaartuig onderworpen aan het oordeel van den Resident en door dezen beslist.

ART. 14. Ingeval van overtreding der bepalingen van dit reglement of van verzet, wordt daarvan door den sluiswachter, op den eed bij den aanvang zijner bediening afgelegd, het vereisehte procesverbaal opgemaakt, hetwelk ter vervolging aan de bevoegde autoriteit wordt toegezonden.

ART. 15. Overtredingen van dit reglement worden, wanneer zij begaan zijn door Europeanen of met hen gelijkgestelden, gestraft met geldboete van één tot vijftien gulden of gevangenisstraf van een of twee dagen en wanneer zij begaan zijn door Inlanders of met hen gelijkgestelden, met gelijke boeten als boven of ge- vangenisstraf van één tot zes dagen.

Ingeval van herhaling van dezelfde overtreding binnen het jaar kunnen de straffen verhoogd worden: ten aanzien der eerst-

genoemden tot eene geldboete van ten hoogste f 25.—- of tot gevangenisstraf van ten langste vier dagen, en ten aanzien der

(23)

laatstgenoemden tot eene geldboete van ƒ 25.— of tot gevange- nisstraf van ten hoogste acht dagen.

Verzet tegen de bevelen van den sluiswachter wordt, voor zoover dit niet valt in de bepalingen van het strafwetboek voor Europeanen of van dat voor Inlanders, gestraft, zoo het gepleegd wordt door Europeanen of met hen gelijkgestelden, met geldboete van f 16.— tot f 25.— of gevangenisstraf van drie of vier da- gen, en zoo het gepleegd wordt door Inlanders of met hen ge- lijkgestelden met gelijke boete als boven (f 16.— tot / 25.—) of ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van zeven tot twaalf dagen.

Ingeval van herhaling van deze overtreding binnen het jaar kunnen de straffen verhoogd worden : ten aanzien der eerstge- noemden tot eene geldboete van ten hoogste / 60.— of tot ge- vangenisstraf van ten langste zes dagen en ten aanzien van laatstgenoemden tot eene geldboete van ten hoogste f 60.— of tot ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten langste achttien dagen.

(Verordening van den Resident van Soerabaia dd. 7 September 1874, Javasche Courant dd. 30 October 1874 No. 87).

A A X 5 I . Volledigheidshalve is in deel II onder No. D. gegeven een afschrift van het reglement op de pacht van het heffen van belastina voor het schutten van vaartuigen en houtvlotten door die twee sluizen.

V E R O R D E N I N G ter v o o r k o m i n g v a n b e s c h a d i - g i n g v a n 's l a n d s w a t e r w e r k e n . ART. 1. Het is verboden op of in de nabijheid van waterwerken paarden te laten losloopen dan wel paarden of vee vast te binden of vast te houden op zoodanige wijze, dat het dier de waterwer- ken betreden kan.

Onder waterwerken wordt verstaan alles wat genoemd is in art. 5 van Staatsblad 1854 no. 95.

Onder vee worden verstaan runderen, buffels, schapen, varkens, bokken en geiten.

ART. 2. Overtreding van art. 1 wordt gestraft met eene geld- boete van ten hoogste f 25 (vijf en twintig gulden).

Voor zoover de overtreders tot de inlandsche of daarmede gelijkgestelde bevolking behooren, kunnen zij, instede van tot boete, worden veroordeeld tot straf van tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste acht dagen.

(Verordening van den Resident van Soerabaia dd. 3 Mei 1895, opgenomen in de Javasche Courant dd. 28 Juni 1895 No. 51).

A A X f f l : Zie in deel II onder no. 1)2 Stbl. 1854 no. 95, aangevuld bij Stbl. 1871 no. 226 in zake het beschadigen van 's Lands waterwerken.

Keuren lies. Soerabaia :>

(24)

18

R E G L E M E N T op de brandweer ter hoofdplaats Soerabaja (1).

I. Organisatie en verplichtingen van het brandspuitpersoneel ia het algemeen.

ART. 1. 1. Onder oppertoezicht Tan den Resident staat de brandweer in de hoofdplaats Soerabaja onder de bevelen en het toezicht van eenen algemeenen brandspuitmeester.

2. Aan den algemeenen brandspuitmeester wordt een oppasser toegevoegd.

ART. 2. 1. De algemeene brandspuitmeester wordt bijgestaan door twee adjunct-algemeene brandspuitmeesters.

2. Bij belet of ontstentenis wordt de algemeene brandspuit- meester vervangen door den oudsten der adjunct-algemeene brandspuitmeesters.

ART. 3. De algmeene brandspuitmeester en de adjunct-alge- meene brandspuitmeesters worden benoemd en ontslagen dooi- den Resident.

ART 4. 1. Op voordracht van den algemeenen brandspuit- meester benoemt de Resident

Te. voor elke gewone dubbele brandspuit:

a. een Europeeschen brandspuitmeester ; h. drie Europeesche adjnnct-brandspuitmeesters ;

c. zes pijpgasten, waarvan twee te kiezen uit de Europeesche of daarmede gelijkgestelde bevolking en de vier anderen voor zoover spuiten betreft door Ohineezen bediend, uit gegoede Chineezen en wat de andere spuiten betreft uit gegoede Inlanders ;

60 (zestig) spuitgasten ; 30 (dertig) laddergasten.

De spuit- en laddergasten worden gekozen uit de Inlan- ders en Oostersche Vreemdelingen, zooveel mogelijk voor iedere spuit uit personen van denzelfden landaard en gevestigd in of nabij de wijk, waar de spuit gestation- neerd is.

2e. voor de stoombrandspuit :

a. een Europeeschen brandspuitmeester ;

b. drie Europeesche adjunct-brandspuitmeesters ; c. een machinist ;

d. een stoker ;

e. acht pijpgasten, waarvan de helft Europeanen ; ƒ. dertig spuitgasten ;

g. dertig laddergasten.

(1) Deze keur is opgenomen i/d Jav. Ct. dd. 7 Mei 1895 No. 36.

De wijziging hiervan bij keur van 17 September 1896 i/d Jav. Ct. dd. 23 October 1896 No 85. Zij is reeds geinserccrd in de primitieve keur.

(25)

2. De machinist, stoker, pijp-, spuit- en laddergasten wor- den zooveel mogelijk gekozen uit Inlanders of Oostersche Vreem- delingen gevestigd in of nabij de wijk waar de spuit gestation- neerd is.

3. Het personeel der gewone brandspuiten en stoombrand- spuiten wordt, op voordracht van den algemeenen brandspuitmeester, door den Resident ontslagen.

4. Onder brandofficieren worden in dit reglement verstaan de algemeene brandspuitmeester, de adjunct-algemeene brand- spuitmeesters, de brandspuitmeesters en de adjunct-brandspuit- meesters van de gewone en stoombrandspuiten.

ART. 5. 1. De brandspuitmeesters zijn belast met het toezicht over de leiding van het gebruik der spuiten met toebehooren, waar- over zij zijn aangesteld, en van het daarbij bescheiden personeel.

2. Zij zijn verantwoordelijk voor het materieel.

ART. 6. 1. De adjunc-f-brandspuitmeesters staan onder de bevelen van den brandspuitmeester der spuit, waarbij zij zijn geplaatst.

2. De brandspuitmeesters der gewone brandspuiten en der stoombrandspuiten worden bij belet of ontstentenis vervangen door den oudst benoemden adjunct-brandspuitmeester.

ART. 7. 1. De pijpgasten houden toezicht over de spuit- en laddergasten, trachten de gebreken, die tijdens het gebruik van de spuit ontstaan, te verhelpen en verleenen ook anderen bijstand, daar, waar die noodig is.

2. De spuitgasten zijn belast met het vervoer van de brand- spuiten en met den aanvoer en de opstuwing van het water voor de brandspuiten.

3. De laddergasten zijn belast met het vervoer en de aanwen- ding van brandladders, haken, zeilen, emmers en van dreggen met touwen en kettingen en met het beklimmen, omverhalen en wegruimen van gebouwen en materialen.

4. Ieder hunner is voorzien van een kapmes of bijl.

ART. 8. 1. De Resident wijst, behalve het hiervoren genoemd personeel nog een bepaald aantal manschappen en aanvoerders aan, dat onder de onmiddellijke bevelen van een Inlandsen ambtenaar een barisan vormt voor den dienst bij de brandweer.

2. Van de diensten dezer barisan wordt door den algemeenen brandspuitmeester gebruik gemaakt zooals hem nuttig en noodig voorkomt; zulks geraden oordeelende, deelt hij de manschappen en hunne aanvoerders in bij de spuit- en laddergasten of bezigt hen voor andere werkzaamheden tot stuiting van den brand.

II. Onderscheidingsteekenen van het personeel.

ART. 9. 1. In functie zijnde dragen de algemeene brandspuit- meester on adjunct-algemeene brandspuitmeesters om den lin-

(26)

20

kerarm een oranjeband voorzien van zwarte letters, voor de eerstgenoemde de letters A B en voor de laatstgenoemden B.

2. De brandspuit- en adjunct-brandspuitmeesters van de ge- wone en stoombrandspuiten dragen, in functie zijnde, mede een oranje van zwarte letters voorzienen band om den linkerarm, voor eerstgenoemden met de letters B M en voor laatstgenoem- den met de letters A B M en daaronder ook in 't zwart, het nummer der spuit waarbij zij zijn geplaatst en wanneer die een stoomspuit is, onder het nummer de letter S in de- zelfde kleur.

3. De machinisten, stokers, pijp-, spuit- en laddergasten van de stoom- en gewone brandspuiten dragen in functie zijnde om den linkerarm een zwart lederen band mei geschilderde witte letters en nummers als volgt :

voor de machinisten M S en daaronder het nummer dei- spuit ;

voor de stokers S S en daaronder het nummer der spuit ; voor de pijp-, spuit- en laddergasten het nummer der spuit en boven het nummer een P voor de pijp-, een B voor de spuit- en een L voor de laddergasten en zoo de spuit een stoomspuit is, daar- onder nog de letter S.

4. De laddergasten dragen bovendien een lederen lijfriem, geschikt tot bevestiging van een kapmes, bijl of ander gereed-

schap en een of meer brandemmers.

5. De oppasser van den algemeenen brandspuitmeester draagt over den rechterschouder naar de linkerzijde afhangende een zwarten bandelier met gele randen, waaraan ter hoogte der borst een koperen plaat met het opschrift „Algemeene brandspuit-meeste)''"

bevestigd is.

ART. 10. 1. De brandofficieren zijn verplicht te zorgen dat vóór aan hun woning of erf is aangebracht een bord, vermel- dende hun betrekking bij de brandweer.

2. Bij verhuizing zijn de brandofficieren verplicht daarvan on- middellijk kennis te geven aan hunne chefs bij de brandweer en de algemeene brandspuitmeester aan den Kesident.

3. Van verhindering in de waarneming hunner function door ziekte of afwezen, moeten zij op dezelfde wijze kennisgeven.

III. Inspection, oefeningen, enz.

ART. 11. Inspection worden gehouden:

1. ten minste tweemaal 'sjaars over het geheele brandspuit- personeel en het materieel, door den algemeenen brandspuitmees- ter, waarbij tevens do geoefendheid van het personeel en de geschiktheid en staat der brandspuiten worden onderzocht en beproefd ;

2. ten minste viermaal 's jaars door den algemeenen brand- spuitmeester over het materieel in of nabij de daartoe bestemde bewaarplaatsen;

(27)

3. ten minste eenmaal 's maands over het materieel en de bewaarplaatsen, voor zooveel de stoombrandspuiten betreft door de daarbij bescheiden brandspuitmeesters en machinisten en voor zooveel de gewone brandspuiten betreft door de betrokken brandspuitmeesters ;

4. binnen vier dagen na eiken brand, over alle daarbij tegen- woordig geweest zijnde spuiten met toebehooren door den alge- meenen brandspuitmeester en de betrokken brandspuitmeesters en machinisten, waarbij tevens het materieel wordt onderzocht en beproefd.

ART. 12. Zesmaal 's jaars, of zooveel malen meer als de al- gemeene brandspuitmeester noodzakelijk acht, worden de spuiten ten getale van ten minste twee tegelijk beproefd en het daarbij bescheiden personeel geoefend.

ART. 13. De Eesident bepaalt, in overleg met den algemeenen brandspuitmeester, de dagen waarop de bij art. 11 en 12 bedoelde inspection en oefeningen worden gehouden, of machtigt den al- gemeenen brandspuitmeester om die dagen te bepalen.

ART. 14. 1. Het personeel der brandspuiten is verplicht, na behoorlijk ontvangen oproeping, het geval van wettige verhin- dering uitgezonderd, op de inspectiën en proefnemingen te ver- schijnen, ieder voorzien van zijn onderscheidingsteoken, de daarbij gegeven bevelen stiptelijk op te volgen en alles te verrichten wat strekken kan om de brandbluschmiddelen voortdurend in bruikbaren staat te houden.

2. De wettigheid der verhindering wordt beoordeeld door den algemeenen brandspuitmeester.

3. Van zijne uitspraak kan in hooger beroep worden gekomen bij den Resident.

ART. 15. Ieder brandspuitmeester doet telkens en terstond na de bevinding aan den algemeenen brandspuitmeester verslag van eenig gebrek aan het materieel of van het gemis van een daartoe behoorend voorwerp.

ART. 16. 1. De algemeene brandspuitmeester doet jaarlijks aan den Resident verslag van den staat en de verrichtingen van de brandweer, onder overlegging van een begrooting van uitgaven voor het volgende jaar ;

2. De e. a. waterstaats-ambtenaar zendt jaarlijks aan den Resident een eindrekening van de in het vorige jaar gedane uitgaven.

IV. De brandspuiten en het daarbij behoorend materieel.

ART. 17. 1. Op voordracht van den algemeenen brandspuit- meester, wordt door den Resident bepaald, welke voorwerpen

(28)

22

bij de brandspuiten worden gebruikt en hoeveel dier voorwer- pen steeds in voorraad worden gehouden.

2. Elke stoom- en elke gewone brandspuit met toebehooren wordt in een daarvoor bestemd en van goede sluiting voorzien gebouw of brandspuithuis bewaard.

3. Elke spuit en de daarbij beboorende voorwerpen dragen tot merk hetzelfde nummer als het gebouw of brandspuithuisje.

4. De berging der spuiten en van het daarbij behoorend mate- rieel geschiedt zoodanig dat elke spuit met toebehooren te allen tijde met spoed en zonder verwarring kan worden te voorschijn gebracht en vervoerd.

AKT. 18. De standplaatsen der brandspuithuisjes, in het tweede lid van artikel 17 bedoeld, worden door den Resident in overleg met den algemeenen brandspuitmeestor aangewezen.

ART. 19. De brandspuithuisjes worden zooveel mogelijk zoo geplaatst, dat zij brandvrij en gemakkelijk te genaken zijn.

Hun nummer wordt boven de deur op een bord geschilderd.

ABT. 20. Van de sloten der deuren van elk brandspuithuisjo bevindt zich een sleutel bij den brandspuitmeester, die met het toezicht over de in het huisje gestationneerde brandspuit is

belast, één bij den adjunct-brandspuitmeester, die het dichtst bij het brandspuithuis woont en één bij één der bij het brand- spuithuisje wonende ingezetenen, daartoe aan te wijzen dooi- den Resident in overleg met den algemeenen brandspuitmeester.

ART. 21. De bij elke spuit behoorende brandladders, brand- haken, dreggen met ketting, touwen en emmers worden zooveel mogelijk in het voor de spuit bestemde huisje of gebouw ge- borgen en overigens in de nabijheid daarvan bewaard in afzon- derlijke gemakkelijk te genaken en goed beschutte bewaarplaatsen, door den Resident aan te wijzen.

ART. 22. 1. Het materieel moet steeds volledig en in goeden en bruikbaren staat worden gehouden.

2. De eerstaanwezend ingenieur der Burgerlijke Openbare Werken zorgt, dat op verzoek van den algemeenen brandspuit- meester gebreken aan het materieel en de gebouwen der brand- spuiten en het gemis van eenig daartoe behoorend voorwerp zoo spoedig mogelijk worden verholper.

V. Verplichtingen der ingezetenen in het algemeen.

ART. 23. 1. leder ingezetene, wien door den Resident eene betrekking bij de brandweer wordt opgedragen, is verplicht haar aan te nemen en behoorlijk te vervullen.

(29)

2. Bezwaren tegen gedane opdrachten worden, in overleg mot den algemeenen brandspuitmecster, door don Kesident on- derzocht en onder' uiteenzetting der redenen, geldig of ongeldig verklaard. . .

3. Aan de gedane opdrachten moet, hangende de beslissing, voorloopig worden voldaan, uitgezonderd in geval van wettige verhindering.

AKT. 24. 1. De in artikel 20 bedoelde ingezetenen, die door den Resident zijn aangewezen om een sleutel van een brand- spuithuisje in bewaring te nemen, zijn verplicht, op vordering van één der betrokken brandofficieren, dien sleutel en één of meer flambouwen tegen afgifte van bewijs in ontvangst te nemen, die voorwerpen steeds bij de hand te hebben en op vordering van één der betrokken brandofficieren te vertoonen of af te geven.

2. Bij verhuizing of in geval van andere omstandigheden, die de naleving dezer verplichtingen zouden kunnen verhinderen, geeft de met de bewaring van den sleutel belaste persoon daar- van terstond kennis aan den betrokken brandspuitmeester.

3. Deze doet daarvan mededeeling aan den algemeenen brandspuitmeester.

4. De naam en woonplaats van don ingezetene, belast met de bewaring van een sleutel van een brandspuithuisje, wordt op de deur van het brandspuithuis bekend gesteld.

ART. 25. 1. Behalve den in artikel 1 van dit reglement bedoel- den oppasser, den Inlandschen machinist en den Inlandschen stoker van de stoombrandspuit, geniet het personeel van de brandweer geene bezoldiging van den Lande.

2. Het Inlandsch brandpersoneel is vrij van heerendiensten.

ART. 26. 1. Ieder eigenaar van een bebouwd erf draagt zorg dat op het erf en in de nabijheid der daarop staande gebouwen ten minste één goede waterput aanwezig zij.

2. Wegens plaatselijke omstandigheden kan de Resident deze verplichting tijdelijk opheffen.

ART. 27. 1. In elke woning eener kampong, en in elk huis door Inlanders of met dezen gelijkgestelden bewoond, zorgt de hoofdbewoncr of bij gebreke van dezen de eigenaar, onverschil- lig tot welken landaard die bewoners of eigenaren behooren, dat steeds aanwezig zijn, bamboekokers (lodongs), petroleumblikken, martavanen en dergelijke, tezamen inhoudende eene hoeveelheid water van 90 liters.

2. De lodongs en andere watervaten worden steeds gevuld gehouden.

3. Het water in de lodongs en andere watervaten moet zoodra het riekt, worden vernieuwd.

(30)

24

4. Om geldige redenen kan, op voorstel van den algemeenen brandspuitmeester, door den Resident geheel of' gedeeltelijk dis- pensatie van de verplichting bedoeld bij alinea 1 worden verleend.

5. Voorts moeten ten koste van de in alinea 1 van dit artikel bedoelde personen een zeker aantal, zooveel doenlijk, gemerkte brandladders en haken steeds aanwezig en voor de hand zijn, en in behoorlijken staat worden gehouden.

6. De hoofden der wijken of kampongs geven, onder toezicht van den Resident, deze voorwerpen in bewaring aan verschillende geschikte en jaarlijks af te wisselen personen.

7. De bewaarders der voorwerpen zijn verplicht deze voor de hand en in behoorlijken staat te houden.

8. Het voor iedere wijk of kampong verplichte aantal ladders en haken wordt op voordracht dier hoofden na overleg met den algemeenen brandspuitmeester door den Resident bepaald.

VI. Verplichtingen der ingezetenen tijdens een brand.

ART. 28. 1. Ieder, die brand ontdekt, is verplicht den brand terstond op de straat luidkeels uit te roepen of te doen uitroe- pen, onmiddellijk kennis van den brand te geven of te doen geven aan den naastbij wonenden brandofficier of aan het wacht- volk van het naastbij gelegen wachthuisje en intusschen niets te verzuimen om spoedig den brand te blusschen of te beperken.

2. Het wachtvolk waarschuwt onmiddellijk de in zijn wijk wonende brandofficieren.

ART. 29. Op het vernemen of zien van brand slaat het wacht- volk bij de wachthuisjes en de bewoners in de kampong terstond brandalarm op de tong-tong.

ABT. 30. 1. Bij het ontstaan van brand in eene kampong of in de nabijheid daarvan, moeten de meest nabij wonende per- sonen naar den brand snellen met hun gevulde lodongs, blikken, emmers of dergelijke en het vuur trachten te blusschen.

2. Bij het ontstaan van brand buiten eene kampong en op eene plaats waar niet voldoende water uit rivieren, kanalen, grachten of waterleidingen te verkrijgen is, zijn de bewoners der naaste huizen verplicht de grootste en geschikte tobben of ander vaatwerk in hun bezit of binnen hun bereik voor de deuren of uitgangen hunner woningen of erven te plaatsen en die zooveel mogelijk met water gevuld te houden.

_ AKT. 31. Tijdens den brand staat het water van alle putten, vijvers, badkamers, regenbakken, tobben, lodongs en andere wa- ter bevattende voorwerpen ter beschikking van het brandperso- neel aan hetwelk ieder verplicht is, op vordering van of namens een brandofficier, aanwijzing van die plaatsen en voorwerpen te doen.

(31)

ART. 32. 1. Tot alle erven en huizen, waartoe de brandof- fioieren en de politie den toegang noodig hebben, staat hen en op hun last ook aan het overige brandpersoneel, de toegang vrij.

2. Alle bewoners zijn verplicht toe te laten dat de blusch- middelen op hun erf gesteld en de slangen over en door het huis of erf gelegd worden.

AKT. 33. Tijdens den brand worden geene andere klachten over handelingen, begaan door of' namens een brandofficier of' door het politie- en brandpersoneel, aangenomen en onderzocht, dan die welke eene onmiddellijke voorziening vereischen.

ART. 34. 1. Elke handeling van gezag bij een brand is verboden aan een ieder, die niet tot het politie-of brandpersonee behoort.

2. Niemand mag het politie- of brandpersoneel hinderlijk zijn of door ontijdigen ijver als anderszins den geregelden gang hunner werkzaamheden storen.

VII. Verplichtingen der burgerlijke overheden en hoofden tijdens eenen brand.

ART. 35. 1. Op het vernemen van brand begeven zich onverwijld naar de plaats van den brand het Europeesche en In- landsche politiepersoneel, de aigemeene brandspuitmeester of diens vervanger, de brandspuitmeesters en de betrokken wijkmeester.

2. "Wie van het politie- of brandpersoneel het eerst op de plaats van den brand is, zorgt dat, indien dit noodig is, de houten en bamboezen huizen in de nabijheid van den brand benedenswinds gelegen, worden omvergehaald en weggeruimd.

ART. 36. 1. Op het vernemen, dat er brand is, blijven de hoofden der wijken en kampongs van de Chineezen en Inlanders ieder in zijn wijk of kampong of' begeven zich bij afwezigheid onmiddellijk derwaarts.

2. Geen hunner mag gedurende den brand zijne wijk of' kampong verlaten, dan op bevel van het Hoofd van Plaatselijk Bestuur of' van den ambtenaar, die hem vervangt.

3. Ieder dier hoofden zorgt dat het brandpersoneel van zijn wijk of kampong zich met den meesten spoed naar de brandspuit, waartoe het behoort, begeeft.

VIII. Verplichtingen van het brandpersoneel tijdens eenen brand.

ART. 37. Bij het vernemen dat er brand is, begeven de in artikel 24 bedoelde bewaarders der sleutels van de brandspuit- huisjes, zonder de komst van een der brandofficieren af te wachten, zich terstond met den sleutel, en bij nacht tevens met

(32)

26

een aangestoken flambouw of lantaarn, naar het brandspuithuisje, openen dit en stellen het toesnellend brandpersoneel in staat de daarin geborgen voorwerpen tot vervoer en gebruik gereed te maken.

ART. 38. Bij het vernemen van brand begeeft het brand- personeel zich onverwijld, ieder voorzien van zijn onderschei- dingsteeken naar de bewaarplaats der brandspuit, waarbij ieder hunner behoort, maakt onmiddellijk de brandspuit en toebehooren tot vervoer en gebruik gereed, vervoert haar naar de plaats van den brand, brengt de brandspuit aldaar in gereedheid en verricht daar al het mogelijke tot blussching van den brand, overeenkomstig de bevelen, die hem gegeven worden.

AKT. 39. Bij het vernemen van brand begeven de in artikel 8 bedoelde manschappen en aanvoerders der Inlandsche barisan zich onverwijld naar de plaats van den brand en stellen zich aldaar ter beschikking van den algemeenen brandspuitmees'er of diens vervanger.

AKT. 40. 1. Bevelen worden gegeven: bij afwezigheid van alle Europeesch brandpersoneel door het politiepersoneel, bij afwezigheid van de brandofficieren alleen door de Europeesche pijpgasten.

2. Zoodra één of meer brandofficieren ter plaatse van den brand aanwezig zijn, nemen deze het gezag op zich.

ART. 4 1 . 1. Be brandspuitmeesters vergewissen zich van de tegenwoordigheid van het onder hen gesteld personeel, houden aanteekening van de absenties en maken daarvan na afloop van den brand rapport aan den algemeenen brandspuitmeester.

2. Be algemeene brandspuitmeester overtuigt zich van de aanwezigheid ter plaatse van den brand van het Europeesche brand- personeel en houdt hiervan aanteekening.

ART. 42. 1. Gedurende eenen brand mag niemand van het brandpersoneel zich van zijn post verwijderen zonder toestemming van zijn onmiddellijken chef.

2. Elke brandspuit en het daarbij behoorend personeel blij ven op de plaats van den brand, totdat de algemeene brandspuit- meester of zijn vervanger verlof tot vertrek heeft gegeven.

3. Na den brand worden de spuiten met toebehooren in hare bewaarplaatsen teruggebracht en aldaar zoo spoedig mogelijk schoon gemaakt en gedroogd.

IX. Premiëu.

ART. 43. 1. Aan het personeel der brandspuiten dat zich bij een brand door vlug en goed handelen onderscheidt, kan op

(33)

voordracht van den algemeenou brandspuitmecster door den Re- sident een premie (1) worden toegekend van ƒ 2 5 . — tot ƒ100.—

voor iedere spuit.

2. De verdeeling der toegekende premie onder het betrokken personeel geschiedt door den betrokken brandspuitmeester.

ART. 44. Overtreding van de artikelen 14, 23 eerste lid, 24 eerste en tweede lid, 26, 27 eerste, tweede, derde, vijfde en zevende lid, 28, 29, 30, 31, 32, 34, 37, 38, 39 en 42 wordt gestraft :

a. wanneer zij begaan wordt door Europeanen of met dezen gelijkgestelden met een geldboete van één tot vijfentwintig gulden of gevangenisstraf van één tot vier dagen ;

b. wanneer zij begaan wordt door Inlanders of met dezen ge- lijkgestelden, met een geldboete van één tot vijftien gulden of met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van één tot zeeën dagen.

AKT. 45. Dit reglement treedt in werking acht dagen na de afkondiging, op welk tijdstip vervalt : het reglement op den dienst der brandspuiten te Soerabaja van 10 Augustus 1863 No. 2 (Javasche Courant 2 September 1863 No. 70).

Gedaan te Soerabaja, den 4de" April 1895.

U I T R U S T I N G v a n eene d u b b e l e b r a n d s p u i t ter h o o f d p l a a t s S o e r a b a j a .

1 brandspuit, 1 dekkleed, 1 houten gootje met riem, 1 hamer (houten), 1 hamer (ijzeren klauw), 6 koppelringen (enkele), 1 koppelring (dubbele), ' 1 lapzak van zeildoek, 4 lederen riemen, diverse lederen ringen verpakking, 6 lederen stroppen, 3 linnen lappen, 3 marlijn geteerd in bosjes, 1 mes met schede, 2 mondstuk- ken wijd 0,012 M., 4 mondstukken wijd 0,016 M., 2 noodbuizen (koperen), 1 nijptang, 1 oliekan met kwastje, 1 ophaaltouw tot slangen, 3 pompstokken, 4 schroefsleutels (dubbele), 1 schroefsleutel (Engelsche), 5 slangen, 2 slangophouders van bennepzeel, 1 speekborstel, 2 straalpijpen met draagriem, 1 tweeweegspijp met sluitdop, 2 wiggen met steel, 4 ijzeren pennen, 3 zuigbuizen, 1 zuigflesch waarom een mandje en waaraan een kurken drijver.

Brandbluschgereeds chappeu.

6 stuks bamboe, 2 bamboe-ladders, 30 bijlen met lederen draagriem, 50 brandemmers, 4 brandhaken, 2 brandzeilen, 2

(1) Volledigheidshalve is onder No. K2 in deel I I opgenomen het bepaalde hij Stbl, 1893 No. 76 omtrent toekenning van premién bij brand.

(34)

28

entordreggen, 20 fakkels, 2 houten ladders met ijzeren haken, 4 lantaarns, 2 stuks manila touw.

KANDJENG TOEWAN RESIDENT SOERABA1A

membri tahoe pada sekalian pedoedoek dalem kota Soorabaia dan dalem kampoeng-kampoeng jang menoeroet bilangannja kota itoe jang dia telah menetepken lagi satoe

P E R A T O E R A r V atas hal pendjagaännja pompa- pompa di iboe kota Soerabaia.

I. Adaiija dari wadjibnja poenggawa-poeiiggawa pompa.

FATSAL 1. 1 Pakerdjaän mendjaga pompa-pompa dalem kota Soerabaia ini ada di bawah prentahnja dan atas pertanggoengan- nja satoe Algemeene Brandspuitmeester jang kebawah lagi pada kandjeng Resident.

2. Maka Algemeene Brandspuitmeester itoe dapet satoe oppas.

FATSAL 2. 1. Adapoen Algemeene Brandspuitmeester itoe terbantoe oleh doea Adjunkt Algemeene Brandspuitmeester.

2. Kaloe Algemeene Brandspuitmeester tida bisa mendjalanken pakerdjaännja sendiri, maka dia misti di wakili oleh Adjunkt Algemeene Brandspuitmeester jang toewa sendiri.

FATSAL 3. Algemeene Brandspuitmeester dan adjunkt Alge- meene Brandspuitmeester itoe dapet pangkatnja dari kandjeng Resident jang wadjib djoega mentjaboet dia dari djabatannja.

FATSAL 4. 1. Menoeroet permintaännja Algemeene Brand- spuitmeester, maka kandjeng Resident wadjib mendjadiken

Ie boewat tiap-tiap doewa pompa:

a. satoe brandspuitmeester bangsa Europa;

b. tiga adjunkt brandspuitmeester bangsa Europa ;

c. anem toekang tjorot (pijpgast) di antara mana doewa orang misti di pilih dari bangsa Europa dan sesamanja dan jang ampat lagi terpilih dari bangsa tjina jang mampoe ja-itoe boewat pompa jang di djaga oleh bangsa tjina, dan dari bangsa anak boemi jang mampoe boewat pompa jang lain-lain ;

d. 60 (anem poeloeh) toekang pompa ; e. 30 (tiga poeloeh) toekang tangga

Toekang pompa dan toekang tangga itoe misti di pilih dari antara anak boemi atawa bangsa asing ; sabolih-bolih satoe satoenja pompa misti di taroeki orang dari satoe bangsa sadja jang beroemah di dalem wijk atawa di deketnja wijk di mana pompa pendjagaännja itoe tersimpen.

(35)

2e boewat stoombrandspuit :

a. satoe brandspuitmeester bangsa Europa ;

b. tiga adjunkt brandspuitmeester bangsa Europa;

c. satoe machinist ; d. satoe stoker ;

e. delapan tookang tjorot (pijpgast) di antara mana separoh misti terpilih dari bangsa Europa;

f. tiga poeloeh toekang pompa ; g. tiga poeloeh toekang tangga.

2. Machinist, stoker, toekang tjorot, toekang pompo dan toe- kang tangga itoe sabolih-bolih misti di pilih dari bangsa anak boemi atawa bangsa asing jang beroemah di dalem wijk atawa di deketnja wijk di mana pompa itoe tersimpen.

3. Poenggawa-poenggawa pompa jang di djalanken dengen tangan serta dengen stoom itoe bolih di lepas oleh kandjeng Resident dengen perminta'annja algemeene brandspuitmeester.

4. Maka jang terseboet brandofficier dalem soerat peratoeran ini ja-itoe algemeene brandspuitmeester, adjunkt-algemeene brand- spuitmeester, brandspuitmeester dan adjunkt-brandspuitmeester dari pompa jang di djalanken dengen tangan sadja serta stoom.

FATSAL 5. 1. Brandspuitmeester itoe memikoel pertanggoengan atas pakenja pompa dan lain-lain- pekakasnja jang telah di se- rahken padanja dan dia djoega wadjib memarentah lain-lain poenggawanja pompa itoe.

2. Dia menanggoeng atas adanja pekakas-pekakas pompanja FATSAL 6. 1. Adjunkt-brandspuitmeester itoe ada di bawah prentahnja brandspuitmeester dari pompa jaug di djaga olehnja.

2. Brandspuitmeester dari pompa jang di djalanken dengen tangan sadja atawa pompa stoom itoe kaloe dia sakit, misti di wakili oleh adjunkt-brandspuitmeesternja jang toewa sendiri dalem pangkatnja.

FATSAL 7. 1. Toekang tjorot (pijpgast) misti melihat-lihatken pakerdja'annja toekang pompa dan toekang tangga; dan apabila pompa itoe roesak waktoe di pake, maka dia-orang sabolih-bolih misti bikin betoel pompa itoe dan toeloeng lain-lain pakerdja'an djoega, di mana perloe.

2. Toekang pompa dapet bagian mengangkat pompa, serta mengambil dan pompaken aer jang bergoena boewat pompa itoe.

3. Toekang tangga dapet bagian membawak dan memake tangga, gantol, lajar, tong serta gaitan pake tali dan rante; maka dia-orang djoega misti naik, membongkar dan melalooken roe- mah-roemah dan lain-lain pekakas.

4. Masing-masing toekang tangga itoe misti membawak pa- rang atawa kampak.

FATSAL 8. 1. Melainken dari poenggawa-poenggawa jang terseb oet di atas ini, kandjeng Resident menjediaken djoega be-

(36)

30

brapa orang dan kepala-kepalanja, jang ada di bawah prentahnja satoe prijaji djawa, mendjadi satoe barisan aken menoeloeng kaloe ada bahaja kebakaran.

2. Adapoen algemeene brandspuitmeester itoe wadjib mem- bagi pakerdja'annja barisan itoe, seperti jang di rasanja baik dan perloe kaloe' ada goenanja, maka dia boleh membagi pa- kerdja'annja orang barisan dan kepala-kepalanja boewat mem- bantoe toekang pompa dan toekang tangga, atawa boewat meii- djalanken lain-lain pakerdja'an aken menegah bahaja api itoe.

II. Oepatjarauja poenggawa-poenggawa.

FATSAL 9. 1. Kaloe ada dalem pakerdja'an algemeene brand- spuitmeester dan adjunkt-algemeene brandspuitmeester itoe pake gelang pita koening di bahoenja kiri, pake letter item A. B.

boewat algemeene brandspuitmeester dan B. boewat adjunkt- algemeene brandspuitmeester.

2. Brandspuitmeester dan adjimkt-brandspuitmeester d a n pompa jang di garap dengen tangan atawa dengen stoom, kaloe ada dalem pakerdja'an djoega pake gelang pita koening di ba- hoenja kiri, pake letter item B. M. boewat brandspuitmeester dan letter A. B. M. boewat adjunkt-brandspuitmeester. Maka di bawah letter A. B. M. ini misti di toelis dengan item angkanja pompa jang di djaganja, dan kaloe pompa itoe pompa stoom, maka di bawah angka misti di tambahi letter S. item.

2. Machinist, stoker, toekang tjorot, toekang pompa dan toe- kang tangga dari pompa jang di garap dengan tangan atawa dengan stoom, kaloe ada dalem pakerdjaän, misti pake gelang dari koelit item di bahoenja kiri, pake letter dan angka poetih,

sepertilah : . boewat machinist M. S. dan di bawahnja terseboet nommer-

nja pompa;

boewat stoker S. S. dan di bawahnja terseboet nommernja pompa ; boewat toekang tjorot, toekang pompa dan toekang tangga nommernja pompa dan atas nommer itoe satoe letter P . boewat toekang tjorot, satoe letter B. boewat toekang pompa dan satoe letter L. boewat toekang tangga, dan kaloe pompa itoe pompa stoom, di bawahnja nommer misti di tambahi letter S.

4 Toekang tangga pake djoega satoe saboek koelit, boewat di taroeki parang, kampak atawa lain pekakas dan dia membawak satoe atawa bebrapa timba.

5 Oppasnja algemeene brandspuitmeester pake slempang item dengan pinggiran koening, di slempangkeh di atas bahoe kanan toeroen ka bawah bahoe kiri. Di atas dada slempang itoe pake plaat koeningan dengan toelisan „ A l g e m e e n e B r a n d s p u i t - m e e s t e r".

FATSAL 10. 1. Sekalian brandofficier itoe misti taroek papan di moeka roemah atawa moeka perkarangannja, menjataken pa- kerdjaännja di pompa.

(37)

2. Kaloe dia-orang pindah roemah maka perloelah dia-orang kasi tahoe kapada kepalanja dan kaloe algemeene brandspuit- meester pindah roemah dia misti kasi tahoe pada kandjeng Eesident.

3. Apabila dia-orang tida bisa mendjalanken pakerdjaännja krana sakit atawa pigi ka lain tempat, maka dia-orang misti kasi tahoe begitoe djoega.

III. Inspeksie, pladjaran dan sebaginja.

FATSAL 11. Maka misti di bikin inspeksie:

1-e. Sedikit-sedikitnja doewa kali setahoen oleh algemeene brandspuitmeester atas halnja poenggawa-poenggawa pompa dan pekakas-pekakas pompa boewat menjataken apa poenggawa itoe pande dalem pakerdjaännja dan boewat memriksa dan mentjoba apa pompa-pompa itoe baik semoewa;

2e. Sedikit-sedikit ampat kali setahoen oleh algemeene brand- spuitmeester atas adanja barang-barang jang tersimpan di goedang atawa di seblah goedang pompa.

3e. Sedikit-sedikitnja seboelan sekali atas halnja barang-barang itoe dan tempat-tempatnja menjimpen ja-itoe oleh brandspuit- meester dan machinist atas halnja pompa stoom dan oleh brand- spuitmeester atas halnja pompa jang di garap dengan tangan sadja, masing-masing memriksa pompanja sendiri-sendiri.

4e. Dalem ampat hari sasoedanja ada bahaja api atas halnja segala pompa jang telah toeroet menoeloeng dan pekakas peka- kasnja, oleh algemeene brandspuitmeester serta brandspuitmees- ter dan machinist jang poenja bagian; maka waktoe itoe segala prabot misti di priksa dan di tjoba.

FATSAL 12. Anem kali dalem satoe tahoen atawa lebih dari itoe menoeroet pertimbangannya algemeene brandspuitmeester, maka pompa-pompa itoe, sekali-kalinja sedikitnja doewa misti di tjoba dan poenggawa-poenggawanja pompa-pompa itoe di kasi peladjaran dalem koewadjibannja.

FATSAL 13. Setelah soeda beremboek sama algemeene brand- spuitmeester maka kandjeng Eesident menemtoeken harinja boewat inspeksie peladjaran jang terseboet dalem fatsal 11 dan 12, atawa kandjeng Resident bolih kasi koewasa pada algemeene brand- spuitmeester boewat menemtoeken hari itoe sendiri.

FATSAL 14. 1. Kaloe tida ada haralnja jang pantes, maka poeng- gawa-poenggawa pompa setelah soeda dapet panggilan jang patoet, misti dateng menghadep inspeksie dan pertjoba'an, masing-masing memake oepatjaranja sendiri dan dia-orang misti mendjalanken segala prentah dengen sabenernja serta memboewat segala paker- dja'an jang perloe boewat memlihara pompa-pompa dan pekakasnja, soepaia tinggal baik selamanja.

2. Atas perkara haral itoe algemeene brandspuitmeester wadjib menimbang.

(38)

82

3. Kaloe orang tida mahoe trima pertimbangannya algemeene brandspuitmeester, maka bolihlah orang moeboen poetoesannja

kandjeng Eesident.

FATSAL 15. Kaloe ada barang jang roesak atawa jang ilang, maka brandspuitmeester jang poenja pertanggoengan, misti lantas kasi tahoe pada algemeene brandspuitmeester.

FATSAL 16. 1. Saben tahoen algemeene brandspuitmeester misti memboewat atoeran kapada kandjeng Eesident dari adanja dan pakerdja'annja poenggawa-pocnggawa pompa dengen segala peka- kasnjal Maka dia misti bikin itoengan dari adanja ongkost jang bakal terpake boeat tahoen jang aken dateng.

2. Poenggawa waterstaat jang pertama saben tahoen misti kasi itoengan dari adanja ongkost jang telah kloear aken goe- nanja pompa dan segala prabotnja.

IV. Pompa-pompa dan segala prabotnja.

FATSAL 17. 1. Dengen perminta'annja algemeene brandspuit- meester kandjeng Resident wadjib menemtoeken satoe satoenja matjem barang jang misti terpake sama pompa dan brapa dari barang itoe selamanja misti ada tersedia.

2. Segala pompa stoom dan pompa jang di garap dengen tangan dan prabotnja misti di simpen dalem satoe gedong atawa roemah pompa jang soedah di sediaken dan pake pintoe jang baik.

3. Satoe-satoenja pompa dan prabot-prabotnja misti pake nommer jang tjotjok sama nommer gedong atawa roemah pompa jang di tempati. Maka penjimpenannja pompo dan prabotnja misti di atoer dengen baik, s a i l i n g s barang-barang itoe bolih di kloewarken pada segala waktoe dengen tjepet dan tida riboet.

FATSAL. 18. Tempat-tempatnja roemah pompa jang terseboet di angka 2 dari fatsal 17, tetepken oleh kandjeng Resident, setelah soeda beremboek sama algemeene brandspuitmeester.

FATSAL 19. Roemah-roemah pompa itoe misti ada di tempat jang tida bisa kena bahaja api dan bolih di datengi dengen

gampang.

jSfommernja di toelis di atas pintoe di papan.

FATSAL 20. Dari slotnja pintoe di satoe-satoenja roemah pompa satoe koentji di pegang oleh brandspuitmeester, jang koewasa atas pompa jang tersimpen dalem roemah itoe, satoe koentji di pegang oleh 'adjunkt-brandspuitmeester jang tinggal deket sendiri sama roemah pompa itoe, dan satoe lagi di taroek di roemahnja satoe pedoedoek negri jang ada di deketnja tempat pompa itoe, menoeroet pertoendjoekannja kandjeng Resident jang beremboek sama algemeene brandspuitmeester atas hal ini.

FATSAL 21. Tangga, gantol, pantjing serta rante, tali dan tong jang terpake sama pompa itoe sabolih-bolih misti di simpen

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :