Di mi ta di bo

115  Download (0)

Hele tekst

(1)

Di mi ta di bo

Wat van mij is, is van jou

Seksualiteit, seksuele gezondheid & de verspreiding van HIV / AIDS onder vrouwen op Curaçao

Wendele van der Wiele S5989108

Masterscriptie Latijns Amerika Studies CEDLA Masterprogramma 2008-2009

Begeleidster : Dr. Annelou Ypeij (CEDLA)

Tweede lezer : Dr. Winny Koster (UvA)

Derde lezer : Dr. Pitou van Dijk (CEDLA)

Januari 2010

(2)

Inhoudsopgave

1. Inleiding

1.1 Inleiding 5

1.2 Antropologisch onderzoek naar HIV/AIDS 5

1.3 Maatschappelijke relevantie 6

1.4 Wetenschappelijke relevantie 8

1.5 Veldwerklocatie 8

1.6 Vraagstelling 9

1.7 Opbouw van de scriptie 10

2. Methodologisch hoofdstuk

2.1 Mijn verblijf in de wijk Otrobanda 12

2.2 Interviews met lokale respondenten 13

2.3 Interviews met professionals 18

2.4 Uitwerking interviews 19

2.5 Geschreven bronnen 20

2.6 Observaties 20

2.7 Reflectie op mijn onderzoek 20

3. Curaçao – de context van mijn onderzoek

3.1 Religie 23

3.2 Sociaaleconomische omstandigheden 25

3.3 Scholing 27

3.4 De Curaçaose wijken 27

4. HIV/AIDS in mondiaal perspectief

4.1 Wat is HIV/AIDS? 29

4.2 Het risico op HIV/AIDS 31

4.3 AIDS – een mondiale epidemie 33

4.4 Vrouwen en de lichamelijke kwetsbaarheid voor HIV/AIDS 34

4.5 De Caribische epidemie 35

4.6 Curaçao & HIV/AIDS 36

4.7 De gezondheidszorg op Curaçao 38

5. Seksuele gezondheid in theoretisch perspectief

5.1 Vrouwen en hun seksuele gezondheid 41

5.2 Machtsongelijkheid in seksuele relaties 42

5.3 Condoomgebruik 44

5.4 ‘Cultuur van de stilte’ en de vrouwelijke seksuele gezondheid 45

5.5 Vrouwen, armoede en HIV/AIDS 46

(3)

6. Matrifocaliteit en seksualiteit in de Curaçaose samenleving

6.1 Het Curaçaose familiesysteem en matrifocaliteit 49

6.2 Het theoretische debat over matrifocaliteit 52

6.3 Machismo 55

6.4 Moederschap 58

6.5 De dubbele seksuele moraal van Curaçao 60

6.6 Bysides, relationele trouw en vriendinnen 63

6.7 Materiële liefde en armoede 66

6.8 Homoseksualiteit 68

6.9 Condoomgebruik & anticonceptie 70

6.10 Amor i salú – seksuele voorlichting op Curaçao 73

7. Commercieel sekswerk op Curaçao

7.1 Commercieel sekswerk in Campo Alegre en dansclubs 76

7.2 Illegale prostitutie op Curaçao 78

7.3 Gelegenheidsprostitutie 80

7.4 Illegaal sekswerk en seksuele gezondheid 82

8. Vaginale praktijken en abortus

8.1 Vaginale praktijken 85

8.2 Het beschermingsmechanisme van de vagina 86

8.3 Hoe schoner hoe beter – commerciële producten voor vaginale hygiëne 86 8.4 Natuurlijke middelen – vaginale verzorging na de bevalling 93

8.5 Abortus op Curaçao 95

8.6 Alternatieve methoden voor abortus 96

8.7 Motieven voor abortus 99

9. Conclusie

9.1 Vrouwen als kwetsbare groep 102

9.2 Publieke erotiek versus het taboe op seksualiteit en de gevolgen 103 voor seksuele voorlichting

9.3 Machismo, seksuele ontrouw en homoseksualiteit 104

9.4 Commercieel sekswerk 105

9.5 Vaginale hygiëne 106

9.6 Abortus 107

9.7 Nawoord 107

Literatuurlijst 108

Bijlage A 115

Bijlage B 116

(4)

Dankwoord

Deze scriptie had nooit tot stand kunnen komen zonder het medewerken van een aantal mensen. Graag wil ik op deze plaats mijn dank hiervoor uitspreken. Allereerst gaat mijn dank uit naar mijn Curaçaose respondenten. De openheid en de wil mij inzicht in hun Curaçaose leven te geven, vormen de basis van deze scriptie. Ik heb levenslustige en krachtige vrouwen ontmoet die, ondanks de soms zware omstandigheden, iets leuks en positiefs willen maken van het leven. Ik ben ze dankbaar dat zij mij in vertrouwen hebben genomen en hun ervaringen met mij hebben gedeeld.

Tijdens mijn verblijf op het eiland zijn er veel mensen geweest die ik dankbaar ben voor het feit dat ze met me hebben meegedacht en mij op weg hebben geholpen met mijn onderzoek.

In het bijzonder zijn dit Kurt Schoop, bij wie ik een heerlijk verblijf heb gehad, dokter Blankevoort, die mij aan zoveel respondenten geholpen heeft en Karin Torres van Stichting Mai, waar de ideeën voor deze scriptie deels zijn ontstaan.

Rob Kleinmoedig heeft mij jaren geleden de basis van het Papiaments en de liefde voor deze mooie taal bijgebracht. Hij had het prachtig gevonden me te horen spreken, masha danki. Ook ben ik mijn dank verschuldigd aan Digna Ettema, die mij met veel overtuiging en plezier les heeft gegeven.

Mijn begeleidster Annelou Ypeij ben ik dankbaar voor haar sturing en stimulans, maar bovenal voor de vrijheid en het vertrouwen dat ze me gegeven heeft om het onderzoek uit te voeren dat ik zo graag wilde. Winny Koster heeft me door haar vak AIDS en Antropologie de kennis gegeven die ik nodig had om dit onderzoek te kunnen doen en me op waardevolle ideeën gebracht. Maar het plezier dat ik uit mijn periode op Curaçao, het schrijven van mijn scriptie en mijn Master heb gehaald is zoveel groter omdat ik het heb kunnen delen met de mensen in mijn omgeving die zo belangrijk voor me zijn. De onvoorwaardelijke steun van Laurens moedigt me aan het beste uit mezelf te halen. In het proces van denken, schrijven en verbeteren is het kritische, maar liefdevolle commentaar van mijn ouders van grote waarde geweest. Zonder hun enthousiasme was deze scriptie niet hetzelfde.

Wendele van der Wiele

(5)

1. Inleiding

1.1 Inleiding

Voor u ligt mijn afstudeerscriptie, de afronding van het Master Programma Latijns Amerika Studies aan het CEDLA te Amsterdam. In deze scriptie zijn de resultaten van mijn onderzoek op Curaçao in de periode mei tot augustus 2009 verwerkt. Het onderzoek, dat drie en halve maand geduurd heeft, heeft als onderwerp hoe sociale, culturele en economische

omstandigheden samenhangen met de seksuele gezondheid en het seksuele gedrag van vrouwen op Curaçao en wat dit voor gevolgen heeft voor de verspreiding van HIV/AIDS.

1.2 Antropologisch onderzoek naar HIV/AIDS

De komst van AIDS heeft een nieuw onderzoeksonderwerp in de antropologie ontwikkeld, namelijk het onderzoek naar de culturele aspecten van de verspreiding van HIV en AIDS.

Culturele antropologie is een studie die uitermate geschikt is voor het bestuderen en bestrijden van de AIDS epidemie. Seksualiteit, gender, macht en het lichaam zijn al jaren onderwerp van antropologische studies. Bij het bestuderen van de AIDS epidemie komen al deze onderwerpen samen. Culturele antropologie is daarom een belangrijke sleutel bij het bestuderen van de epidemie en de effecten die dit heeft op het individu en de samenleving.

Hoe de HIV/AIDS epidemie zich manifesteert is afhankelijk van de culturele setting waarin het zich openbaart. Het gebrek aan aandacht voor de culturele verschillen kan een verklaring zijn voor het falen van een effectieve bestrijding van AIDS (Brummelhuis & Herdt, 1995: x).

De antropologie kan hier een waardevolle bijdrage aan leveren.

Antropologie is niet alleen een middel om invloed te krijgen op de AIDS epidemie, de

epidemie heeft op zijn beurt ook invloed gehad op het karakter van antropologisch onderzoek.

Doordat een gedragsverandering cruciaal is voor de preventie van HIV/AIDS, nemen

antropologen in de bestrijding van HIV/AIDS steeds meer de rol in van een agent die cultuur probeert te veranderen, te herinterpreteren of opnieuw uit te vinden (Brummelhuis & Herdt, 1995: x).

(6)

1.3 Maatschappelijke relevantie

HIV/AIDS is een ziekte die sterk in de belangstelling staat. Via verschillende kanalen vragen de media aandacht voor de sociale ontwrichting die in Afrika plaatsvindt, als gevolg van het feit dat AIDS steeds merkbaarder onder meerdere generaties zijn tol eist. De link tussen het continent Afrika en AIDS wordt hier sterk gelegd. Wat hierdoor soms vergeten wordt, is dat ondanks dat Afrika de hoogste besmettingsgraad kent, ook andere delen van de wereld geteisterd worden door deze ziekte. De laatste jaren is HIV/AIDS in opkomst in het Caribische Gebied. Landen zoals Haïti en Suriname hebben een schrikbarend hoge

prevalentiegraad1. Ook de Nederlandse Antillen worden getroffen door de AIDS epidemie.

Onder de reproductieve bevolking, mensen in de leeftijd tussen de 15 en 49 jaar, ligt de besmettingsgraad tussen de 1.25 procent en de 2.09 procent (HIV/AIDS Surveillance

Netherlands Antilles, 2008:14). 65,3 procent van de HIV positieve mensen op de Nederlandse Antillen (1184 personen) woont op Curaçao (HIV/AIDS Surveillance, 2008:5). In

tegenstelling tot de beginjaren van de Curaçaose epidemie, waarin veel meer mannen dan vrouwen werden besmet, komt het percentage vrouwen dat besmet is (42.32 procent) steeds dichter bij het percentage mannen te liggen (57.68 procent) (HIV/AIDS Surveillance Netherlands Antilles, 2008). Dit onderzoek richt zich dan ook op vrouwen als nieuwe risicogroep.

Ondanks dat er de laatste jaren geen grote stijging waarneembaar is in het aantal mensen dat per jaar HIV positief gediagnosticeerd wordt op Curaçao, is er ook geen daling in de jaarlijkse incidentie (UNAIDS 2007). Dat betekent dat er ieder jaar ongeveer hetzelfde aantal HIV positieve mensen bijkomt en dat het niet lukt dit aantal naar beneden te krijgen. Om deze daling toch te kunnen bereiken is het belangrijk dat er beter zicht komt op de sociale en culturele factoren die een rol spelen bij de verspreiding van HIV/AIDS.

Interventieprogramma’s kunnen pas effectief zijn als zij toegespitst worden op de Curaçaose bevolking en om dit mogelijk te maken is onderzoek van belang. Vaak wordt de seksuele gezondheid van vrouwen en mannen en de daarmee samenhangende verspreiding van HIV/AIDS uitsluitend vanuit een medisch perspectief benaderd. Ook op Curaçao is er nauwelijks onderzoek gedaan naar de sociale en culturele factoren die bijdragen aan de

1De prevalentiegraad is het percentage van de bevolking dat besmet is met HIV/AIDS. Vanwege de moeilijkheid van registratie worden de laagst en hoogst mogelijke percentages gegeven. De prevalentiegraad van de bevolking tussen de 15 en 49 jaar in de landen Haïti en Suriname ligt respectievelijk tussen de 2.2-5.4 procent en 1.1-3.1 procent.

(7)

verspreiding van HIV/AIDS en staat seksuele gezondheid niet hoog op de agenda. Wel is er een aantal onderzoeken naar relatievorming en man-vrouw verhoudingen gedaan, maar over het algemeen zijn deze onderzoeken oriënterend van aard en worden zij niet verbonden aan de transmissie van HIV/AIDS of seksuele gezondheid. Hierdoor is er weinig kennis over de ideeën van de Curaçaose vrouw over gezondheid en seksualiteit. Deze scriptie heeft als doel dit hiaat op te vullen en een bijdrage te leveren aan de kennis over de sociale en emotionele leefwereld van de Curaçaose vrouw, zodat interventies op het gebied van seksuele gezondheid hier op toegespitst kunnen worden.

Het risico op een HIV besmetting is één van de factoren die van invloed is op de seksuele gezondheid van de Curaçaose vrouw. Daarnaast zijn er andere factoren van invloed, waar weinig over geschreven is. In dit onderzoek geef ik meer informatie over deze factoren. Wat is bijvoorbeeld de onderhandelingspositie van de vrouw als het gaat om voorbehoedsmiddelen bij seksuele contacten? In het bijzonder onderwerpen als vaginale hygiëne of alternatieve methoden voor abortus hebben de wetenschappelijke publicaties nooit bereikt, terwijl dit zowel antropologisch als medisch interessant is. Hoe kan een arts advies uitbrengen over schimmelinfecties als hij niet bekend is met de middelen die zijn patiënten gebruiken voor vaginale hygiëne of hoe kan het juiste aantal abortussen geregistreerd worden als niet duidelijk is of alternatieve methoden voor abortus, zoals het gebruik van kruiden, effectief zijn?

Daarnaast is het relevant om een completer beeld te krijgen van de sociaal culturele omstandigheden op Curaçao. In deze tijd van politieke verandering, waarbij Curaçao niet langer deel uit zal maken van de Nederlandse Antillen, maar een status aparte krijgt binnen het Koninkrijk der Nederlanden, wordt er in Nederland veel over Curaçao gesproken. De beperkte kennis die Nederlanders met een bestuurlijke functie soms over dit eiland hebben, geeft aan dat zij zich weinig kunnen voorstellen bij de Curaçaose samenleving. Dit

bemoeilijkt de relatie tussen Curaçao en Nederland: Curaçaoënaars voelen zich achtergesteld en onbegrepen en Nederlanders begrijpen niet waarom dit kleine eiland zo dwars ligt. Deze scriptie over de seksuele gezondheid van de vrouw behandelt slechts een klein facet van het sociaal culturele leven van Curaçao, maar het geeft inzicht in één van de vele verschillen binnen het Koninkrijk.

(8)

1.4 Wetenschappelijke relevantie

Naast de maatschappelijke relevantie van dit onderzoek is er ook een wetenschappelijke relevantie. Er zijn veel antropologische onderzoeken uitgevoerd in de Caribische

postkoloniale samenlevingen. Hierbij is er volop aandacht voor het slavernijverleden, het kolonialisme, de ontwikkeling van de Caribische stad of de popcultuur. In mindere mate wordt er ook onderzoek gedaan naar de matrifocale positie van de vrouw in de Caribische samenleving, maar seksualiteit blijft een onderbelicht onderwerp. Gloria Wekker, een

bekende Nederlandse antropologe, heeft hierover het volgende gezegd tijdens een lezing over haar boek “Ik ben een gouden Munt”, dat over vrouwelijke seksualiteit in Suriname gaat:

Er zijn vele studies binnen antropologie en Afrikaanse studies naar slavenhandel. Taal, religie, muziek en godsdienst zijn onder de loep genomen. Maar seksualiteit ontbreekt (Wekker, 2003).

De beleving van de vrouwelijke seksualiteit is, ondanks dat vrouwen in antropologische studies wel een belangrijke rol innemen, een deel van hun leven dat nog weinig beschreven is.

De wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek, een verkenning van de seksuele gezondheid van Curaçaose vrouwen, moge hiermee duidelijk zijn.

1.5 Veldwerklocatie

Tijdens een eerdere stage op Curaçao zijn mij de relatief slechte leefomstandigheden van vrouwen met een lagere sociaaleconomische status opgevallen. Ondanks dat Curaçao deel uitmaakt van het Koninkrijk der Nederlanden leeft een groot deel van de bevolking in armoede en is HIV/AIDS een probleem. Zoals eerder al genoemd, is er weinig onderzoek gedaan naar Curaçaose vrouwen en hun seksuele gezondheid. Dit was voor mij de reden hier een onderzoek op te zetten. Als bestuurscentrum en het grootste eiland van de Nederlandse Antillen is Curaçao een logische locatie voor dit onderzoek. Het grootste aantal HIV positieve mensen van de Nederlandse Antillen woont op Curaçao en hier zijn de meeste faciliteiten en kennis van de Nederlandse Antillen betreffende HIV/AIDS aanwezig.

(9)

Het onderzoek is gebaseerd op observaties en interviews. De ene serie interviews was met respondenten die een professioneel raakvlak hebben met het onderzoeksthema; mensen die werkzaam zijn voor een non-gouvermentele organisatie (NGO), de overheid, in de

gezondheidszorg of die op een andere professionele basis relevant waren voor mijn

onderzoek2. Daarnaast ben ik aanwezig geweest bij verschillende georganiseerde activiteiten zoals een workshop van een aantal NGO’s en een door de overheid georganiseerde

voorlichtingsavond over migratie. Er hebben in totaal achttien interviews plaatsgevonden met professionals. In bijlage A staat het overzicht met geïnterviewde professionals.

De andere serie interviews heeft voornamelijk plaatsgevonden met vrouwen uit de lagere sociale klasse. Met hen sprak ik over hun leven en hun seksuele gezondheid. Er zijn negen interviews geweest waarbij met een totaal van zes jongens en vijftien vrouwen in de leeftijd dertien tot zeventig gesproken is3. Deze interviews hadden het karakter van een open interview en duurden een uur tot anderhalf uur. Twee interviews waren een groepsgesprek waarin met meerdere respondenten tegelijkertijd over onderwerpen gesproken werd. In bijlage B staat het overzicht met de mannen en vrouwen uit de lagere sociale klasse die ik

geïnterviewd heb.

Door de kleinschaligheid van het eiland was het niet nodig een keuze te maken in de plaats waar het onderzoek op Curaçao plaats zou vinden. Willemstad heeft een aantal duidelijk afgebakende arme wijken. Aangezien de interviews voornamelijk met vrouwen uit de lagere sociale klasse gehouden werden, speelde mijn onderzoek zich vooral in deze wijken af. Mijn verblijf in Otrobanda heeft me de mogelijkheid geboden tussen de lagere sociale klasse van Curaçao te wonen en hier zodoende een goed beeld van te krijgen.

1.6 Vraagstelling

In dit onderzoek naar de culturele, sociale en economische aspecten die van invloed zijn op de seksuele gezondheid van vrouwen en hun kwetsbaarheid voor een HIV besmetting verhogen heeft de volgende vraagstelling als uitgangspunt gediend:

2 Hierna te noemen professionals

3 De namen van deze respondenten zijn gefingeerd.

(10)

Hoe hangen culturele noties en sociaaleconomische omstandigheden samen met de seksuele gezondheid en het seksuele gedrag van vrouwen op Curaçao en wat heeft dit voor gevolgen voor de verspreiding van HIV/AIDS?

De volgende deelvragen hebben de leidraad voor het onderzoek gevormd:

1. Welke invloed hebben culturele noties van seksualiteit, gender en lichaamsbeleving op de seksuele gezondheid en het seksuele gedrag van vrouwen op Curaçao?

2. Wat is de invloed van sociaaleconomische factoren op de seksuele gezondheid en het seksuele gedrag van vrouwen op Curaçao?

Bij het beantwoorden van deze vragen maak ik gebruik van een aantal centrale concepten waaronder seksuele gezondheid, HIV/AIDS, culturele noties, noties van lichaamsbeleving en het matrifocale familiesysteem. Deze concepten worden in de volgende hoofdstukken

uitgebreid behandeld.

1.7 Opbouw van de scriptie

Deze scriptie is opgedeeld in negen hoofdstukken. In het tweede hoofdstuk bespreek ik de methodologie van mijn onderzoek. Hierbij ga ik in op de methoden van dataverzameling en de omgeving waarin ik onderzoek heb gedaan. In het derde hoofdstuk kijk ik naar de context van de Curaçaose samenleving waarin dit onderzoek ingebed is. Hierbij staan religie en de sociaaleconomische omstandigheden centraal. Het vierde hoofdstuk bevat informatie over de verspreiding van HIV/AIDS in de wereld en specifiek op Curaçao. Daarnaast licht ik de manieren van HIV-transmissie toe. In het vijfde hoofdstuk bespreek ik de theoretische achtergrond van de seksuele gezondheid van vrouwen. Welke factoren bepalen of vrouwen hun seksuele gezondheid kunnen waarborgen? Zoals in hoofdstuk vijf naar voren komt, wordt het denken over seksualiteit en de positie van de vrouw deels bepaald door de cultuur waarin zij leeft. Daarom bespreek ik in hoofdstuk zes de Curaçaose matrifocale familiestructuur, het denken over moederschap en de paradox in seksualiteit; enerzijds de publieke erotiek en anderzijds het taboe dat op seksualiteit rust. Ook het denken over veilige seks komt in dit hoofdstuk aan bod. In hoofdstuk zeven ga ik dieper in op commercieel sekswerk op Curaçao en bespreek ik de invloed hiervan op de seksuele gezondheid van Curaçaose vrouwen. Tevens komt in dit hoofdstuk de vraag naar voren wat nu eigenlijk onder commercieel sekswerk valt

(11)

en wat niet. In hoofdstuk acht behandel ik de vaginale hygiëne van Curaçaose vrouwen.

Welke producten gebruiken zij en wat is hiervan de invloed op hun seksuele gezondheid?

Daarnaast bespreek ik abortus op Curaçao en het risico van de toepassing van alternatieve methoden voor het afbreken van een ongewenste zwangerschap. Hoe kijken Curaçaose vrouwen hier eigenlijk tegenaan? Het laatste hoofdstuk, hoofdstuk negen, is het concluderend hoofdstuk.

(12)

2. Methodologisch hoofdstuk

2.1 Mijn verblijf in de wijk Otrobanda

Gedurende mijn onderzoeksperiode heb ik in Otrobanda gewoond, één van de wijken in het oude centrum van Willemstad. Ik heb ervoor gekozen om in Otrobanda te gaan wonen om een aantal redenen. Allereerst is de economische en sociale situatie in dit deel van de stad slecht.

Er wonen meer vrouwen dan mannen in deze wijk en er is een hoog percentage

tienermoeders. In achtenveertig procent van de huishoudens zijn er geen vaders of partners aanwezig. Het grootste deel van deze huishoudens bestaat uit éénouder gezinnen. Ten tweede is het in vergelijking met andere delen van Curaçao eenvoudiger om in Otrobanda contact te leggen met de bevolking. Dit omdat de huizen zo dicht op elkaar staan dat er nauwelijks erven zijn, zoals in de rest van Curaçao wel het geval is. Deze erven belemmeren letterlijk de

toegankelijkheid van respondenten, aangezien hier vaak waakhonden lopen en de drempel hoger ligt om naar iemand toe te stappen dan in Otrobanda; in Otrobanda vindt het leven meer plaats in de openbare ruimte. Ten derde zijn de inwoners van Otrobanda meer gewend aan

“vreemden” in hun wijk, aangezien hier vaak cruiseschepen aanleggen en er toeristische wandelingen worden georganiseerd. Ten vierde zijn in deze wijk relatief veel sekswerkers actief.

Tijdens mijn onderzoek heb ik een kamer kunnen huren bij een Curaçaose man in huis. Hier werkte ik op mijn laptop mijn interviews uit. Thuis had ik geen internet, waardoor ik

genoodzaakt was iedere dag naar Kura Hulanda, een hotel in het centrum van Otrobanda te gaan. Gebruik makend van het internet kon ik mijn e-mails versturen om afspraken te maken.

Uiteindelijk bleek dat deze dagelijks terugkerende activiteit zo zijn voordelen had. Ik liep regelmatig door de wijk en kwam daardoor in contact met de mensen die hier wonen. Het hotel, waar mensen een kopje koffie komen drinken of vergaderen, bood mij tevens de gelegenheid contact te leggen met zowel lokale respondenten als professionals. De

Ferdinandstraat, de straat waarin ik woonde, is een relatief smalle straat waarin oude huizen staan. Een deel hiervan verkeert in een zeer slechte staat, maar andere delen van de straat zijn al opgeknapt door particulieren, veelal met ondersteuning van Monumentenzorg. Dit heeft tot gevolg dat je in de Ferdinandstraat een gemêleerd gezelschap treft; een Curaçaose zakenman,

(13)

een Jamaicaans gezin, een oude Curaçaose man, een Haïtiaans stel en verschillende

Dominicaanse vrouwen. Zoals dit gezelschap al illustreert is Otrobanda een wijk waar veel immigranten wonen. Deze immigranten komen voornamelijk uit de Dominicaanse Republiek of Haïti. Hierdoor was er een taalbarrière waarmee ik geen rekening had gehouden; mijn Spaans is niet voldoende om een goed gesprek te voeren en ook het Creools Frans ben ik niet machtig. Bij mij in de straat was het dus nauwelijks mogelijk om contacten te leggen die relevant waren voor mijn onderzoek.

De wijk gaf me echter wel een goed beeld van de armere wijken van Curaçao die gekenmerkt worden door de vervallen huizen en chollars (drugsverslaafden). Doordat ik in Otrobanda woonde heb ik een goed beeld van de achterstandswijken van Curaçao kunnen vormen, wat niet gelukt was als ik er slechts een middagje doorheen had gewandeld. De sociale controle in de straat was gelukkig groot en ik heb me geen moment onveilig gevoeld.

Tijdens mijn onderzoek heb ik gebruik gemaakt van verschillende onderzoeksmethoden. De aard van deze methoden was afhankelijk van de informatie waarnaar ik op zoek was en bij wie ik deze informatie kon halen. De informatiebronnen die ik tijdens mijn onderzoek gebruikt heb zijn grofweg in vier categorieën in te delen. Allereerst heb ik gebruik gemaakt van interviews met lokale respondenten en professionals. Relevante achtergrondinformatie heb ik uit geschreven bronnen verkregen. Tot slot heb ik gebruik gemaakt van mijn eigen observaties. De interviews van lokale respondenten en professionals zijn verreweg de meest belangrijke bron van informatie geweest voor mijn onderzoek, maar om deze informatie juist te kunnen plaatsen waren ook de observaties en geschreven bronnen van belang. Deze vier bronnen van informatie vereisten ieder een andere onderzoekstechniek die ik hieronder zal toelichten.

2.2 Interviews met lokale respondenten

Het doel van de interviews met lokale respondenten, zowel mannen als vrouwen, was het verzamelen van informatie over de seksuele gezondheid van afro-Curaçaose vrouwen uit de lagere sociale klasse. Hierbij wilde ik meer te weten komen over de culturele noties van seksualiteit en gender. Tevens wilde ik achterhalen hoe deze noties van invloed zijn op het seksuele gedrag en het daarmee samenhangende risico op een besmetting met HIV. Ik heb me tijdens mijn onderzoek vooral gericht om met vrouwen in gesprek te komen. Om een

(14)

completer beeld te krijgen van de vrouwelijke seksualiteit vond ik het ook van belang om een aantal mannen te interviewen. De constructie van seksualiteit en gender komt immers tot stand in de relatie tussen man en vrouw. Het vinden van vrouwelijke respondenten was niet eenvoudig. In tegenstelling tot de meeste Curaçaose mannen, zijn Curaçaose vrouwen in het publieke domein niet makkelijk aanspreekbaar. Zij zijn gesloten en maken niet zo maar een praatje. Met slechts één respondent heb ik zelf contact kunnen leggen. Voor het vinden van de overige lokale vrouwelijke respondenten was ik op andere mensen aangewezen. In eerste instantie ben ik aan mensen uit mijn omgeving gaan vragen of zij kennissen in hun netwerk hadden die ik kon interviewen, zoals een buurmeisje of nichtje. Ik merkte dat dit weinig resultaat had, ondanks toezeggingen om op zoek te gaan naar mogelijke respondenten. Dit heeft naar mijn idee te maken met het feit dat mijn onderzoeksthema een onderwerp is dat in de taboesfeer ligt en waardoor mensen de drempel te hoog vonden om daadwerkelijk aan kennissen of familie te vragen of ik hen mocht interviewen.

Toen duidelijk werd dat de hierboven beschreven methode weinig succesvol was heb ik contact gelegd met een huisarts in Otrobanda, waar ik in de wachtkamer van zijn praktijk afspraken mocht maken. Ook heeft hij mij meegenomen de wijk in, op thuisbezoek bij één van zijn patiënten. Doordat de huisartsenpraktijk in Otrobanda is gevestigd zijn de patiënten die hier komen voornamelijk afkomstig uit de lagere sociale klasse, de onderzoekspopulatie waarin ik interesse had. Op de ochtenden die ik in de wachtkamer heb doorgebracht stelde ik mij voor aan vrouwen die kwamen voor een doktersbezoek. Ik legde ze uit waar mijn

onderzoek over ging en waarom ik graag een afspraak met ze wilde maken voor een interview. Soms voerde ik deze gesprekken in het Papiaments en soms in het Nederlands, afhankelijk van de taal die de vrouw prefereerde. Ook had ik een affiche in het Papiaments gemaakt waarop een beschrijving van mijn onderzoek stond, zodat ze dit konden nalezen. Als de vrouwen op de hoogte waren van mijn onderzoek, vroeg ik of ik een afspraak met ze kon maken of dat ik op een later tijdstip kon bellen voor het maken van een afspraak. Bijna iedere vrouw stemde hierin toe. Het nadeel van deze methode was dat, ondanks het grote aantal vrouwen dat hun medewerking toezegde, het merendeel van de vrouwen bij de uiteindelijke afspraak niet thuis was of haar telefoon niet opnam. Er kwamen dagen voor waarop er van de vier geplande afspraken slechts één doorging. Waarschijnlijk heeft hierbij een rol gespeeld dat ik geen vergoeding betaalde waardoor de vrouwen er niets bij te winnen hadden. Ook denk ik dat het taboe dat op mijn onderzoeksthema rust, een rol heeft gespeeld. Al met al heeft de zoektocht naar lokale respondenten veel tijd in beslag genomen.

(15)

De interviews die ik met de vrouwen hield waren ongestructureerde interviews. Dat wil zeggen dat het voor de respondent duidelijk was dat ik een interview met haar hield, maar dat het interview het karakter van een gesprek had (Russell Bernard, 2004: 205). De meeste interviews duurden ongeveer een uur, hoewel er ook gesprekken van twee uur bij waren. Door allereerst naar de levensgeschiedenis van de vrouw te vragen, liet ik haar wennen aan het feit dat ik haar vragen ging stellen. Vaak vertelde ik ook over mijn leven, zodat het interview meer het karakter van een gesprek kreeg. Ik heb geprobeerd de gesprekken zo ontspannen mogelijk te laten verlopen.

Ik wist dat ik niet op alle vragen een eerlijk antwoord zou krijgen en ik merkte ook dat bepaalde onderwerpen niet bespreekbaar waren, zoals het verlenen van seksuele diensten tegen betaling. Daarentegen waren vrouwen opener dan ik verwacht had als het gaat om hun relaties en seksuele contacten. Vooral als ik met meerdere vrouwen tegelijkertijd sprak waren de gesprekken zeer open. Deze openheid heb ik als een enorme eer ervaren.

Ik heb er voor gekozen om de interviews zoveel mogelijk bij de vrouwen thuis te houden, zodat zij zich in een vertrouwde omgeving bevonden en we in alle rust konden praten.

Bovendien gaf dit mij de gelegenheid hun woonomgeving te observeren. De observaties die ik tijdens de interviews deed, hebben bijgedragen aan een completer beeld van de respondent.

Soms was het niet mogelijk om bij vrouwen thuis af te spreken doordat er thuis te veel mensen waren en nam ik de respondenten mee naar mijn huis, waar we ongestoord konden praten.

Al deze ongestructureerde interviews heb ik opgenomen met een digitale voicerecorder. Aan het begin van alle gesprekken vroeg ik de respondent toestemming dit apparaatje aan te zetten, waarna ik het op tafel legde. Doordat het een geluidloos en klein apparaat is, had ik niet het idee dat het mensen stoorde. Na afloop van het gesprek kon ik de voicerecorder op mijn computer aansluiten en heb ik alle gesprekken letterlijk uitgetypt.

Naast de afspraken die ik in de huisartsenpraktijk gemaakt heb, heb ik ook via Bureau Vrouwenzaken en Stichting Mai respondenten kunnen benaderen. Stichting Mai is een NGO die zich bezighoudt armoedebestrijding en de ondersteuning van alleenstaande moeders. Bij beide organisaties heb ik een focusgroep kunnen houden. In een focusgroep worden de respondenten bijeengeroepen om een bepaald onderwerp te bediscussiëren. Deze methode is ontwikkeld door Lazarsfeld en Merton (Brussel Bernard: 2002: 228). Over het algemeen hebben focusgroepen zes tot twaalf deelnemers. Hierbij is acht het ideale aantal. Ik heb dan

(16)

ook naar dit aantal gestreefd bij het samenstellen van de focusgroepen, al waren er bij de tweede focusgroep slechts vijf deelnemers.

De eerste focusgroep vond plaats bij Bureau Vrouwenzaken, waar ik met acht vrouwen en één jongen, in de leeftijd 17 tot 70 jaar over allerlei onderwerpen inzake seksualiteit gesproken heb. Ik heb ervoor gekozen het gesprek te laten leiden door een medewerkster van Bureau Vrouwenzaken. De reden hiervoor was dat de respondenten haar goed kenden en zij direct een sfeer van vertrouwelijkheid kon creëren. Door voorafgaande aan het gesprek met de

medewerkster van Bureau Vrouwenzaken te bespreken welke onderwerpen aan bod moesten komen, had ik gedurende het gesprek meer tijd te observeren en notities te maken. Daarnaast vond ik het moeilijk in te schatten welke onderwerpen bespreekbaar waren en welke niet. De medewerkster van Bureau Vrouwenzaken liet gevoelige onderwerpen aan bod komen die ik zelf wellicht minder makkelijk bespreekbaar had kunnen maken. Door haar het gesprek te laten leiden heb ik dus meer informatie kunnen krijgen. Het gesprek was in het Papiaments. Ik kon de medewerkster van Bureau Vrouwenzaken altijd vragen delen te vertalen of toe te lichten. Als er een onderwerp was dat naar mijn idee onvoldoende diepgaand besproken werd of waar ik nog vragen over had, dan was er ook de gelegenheid mijn vragen hierover aan de groep te stellen. In totaal hebben we vier uur zitten praten, een ochtend die mij zeer veel informatie heeft opgeleverd. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk van wat er gezegd is tijdens de focusgroep op te nemen met mijn digitale voicerecorder. Het bleek echter moeilijk deze opname letterlijk uit te werken, omdat het niet altijd duidelijk is wie aan het woord was en de sfeer soms zo levendig was dat er meerdere mensen door elkaar spraken. Ook was de

akoestiek van de ruimte zeer slecht, zodat respondenten die het verst weg van de voicerecorder zaten moeilijk verstaanbaar waren.

Ook bij Stichting Mai heb ik een focusgroep gehad, ditmaal met jongens. Zoals ik al beschreef, kreeg ik gedurende mijn onderzoek de behoefte meer te weten te komen over de mannelijke visie op seksualiteit. Karin Torres van Stichting Mai heeft een focusgroep georganiseerd met vijf jongens uit de lagere sociale klasse in de leeftijd 13 tot 20 jaar. In overleg met Karin Torres hebben we ervoor gekozen samen het gesprek te leiden. Ook hier speelde de overweging mee dat de respondenten mevrouw Torres goed kennen en door haar aanwezigheid het gesprek snel een vertrouwelijk karakter kreeg. Het gesprek was half in het Nederlands en half in het Papiaments. Zowel mevrouw Torres als ik stelden vragen over de onderwerpen die ik van te voren had aangegeven. Bij aanvang van de focusgroep heb ik

(17)

benadrukt dat er geen goede of foute antwoorden zijn, zodat de jongens vrij zouden kunnen spreken. Naast het stellen van vragen kreeg de ochtend ook een informatief karakter, de jongens wilden veel dingen over seksualiteit weten. Door ze deze vragen te laten stellen kreeg ik een goed inzicht in de hiaten in hun kennis en de seksuele voorlichting die ze eventueel gekregen hebben. Ook deze focusgroep heb ik opgenomen op mijn voicerecorder. Omdat deze focusgroep uit een klein aantal respondenten bestond, waren de opnames goed uit te werken. De focusgroep heeft ongeveer twee uur geduurd.

Beide focusgroepen hebben een grote meerwaarde gehad voor mijn onderzoek omdat de bespreekbaarheid van allerlei onderwerpen op het gebied van seksualiteit groot was. Bij beide focusgroepen kenden de respondenten elkaar goed of redelijk. Door de interactie die ontstond werd er meer bespreekbaar dan in een één op één interview. Dit kwam tevens doordat het voor mij in een persoonlijk gesprek soms moeilijk in te schatten was wat wel bespreekbaar was en wat niet. In een groepsgesprek zochten de respondenten deze grens zelf op.

2.3 Interviews met professionals

Ter voorbereiding van de gesprekken met de lokale respondenten heb ik interviews gehouden met professionals. Deze voorbereiding zorgde er voor dat mijn vrouwelijke respondenten het gevoel hadden dat ik mij verdiept had in hun leefwereld en ik denk dat onze gesprekken hierdoor het open karakter kregen. Tevens kon ik zo de juiste vragen stellen en de antwoorden van mijn respondenten op de juiste manier interpreteren.

Daarnaast waren de interviews met professionals van belang om de maatschappelijke thema’s die van invloed zijn op de seksuele gezondheid en de verspreiding van HIV/AIDS onder vrouwen te begrijpen. Daarom heb ik ervoor gekozen me de eerste anderhalve maand van mijn onderzoek voornamelijk te richten op het interviewen van professionals die

beroepsmatig een raakvlak hebben met mijn onderzoek.

Voordat ik naar Curaçao kwam had ik al vanuit Nederland een aantal contacten gelegd met professionals. Deze contacten bestonden uit mensen die ik tijdens mijn eerdere verblijf op Curaçao heb leren kennen. Vervolgens heb ik op Curaçao afspraken gemaakt, meestal via de telefoon of per email. Mijn doel daarbij was om de eerste anderhalve maand van iedere organisatie die zich met HIV/AIDS bezighoudt iemand te spreken. Tevens wilde ik mensen spreken van organisaties die een zijdelings verband hebben met mijn onderzoeksthema, zoals

(18)

Bureau Jeugdzorg of de Kinderbescherming Curaçao. Op deze manier wilde ik een zo breed mogelijk beeld krijgen van de context waarin de seksuele gezondheid van vrouwen wordt geconstrueerd. Tevens wilde ik openstaan voor zo veel mogelijk informatie, om te vermijden dat ik relevante gegevens zou mislopen.

Bijna alle professionals waren bereid een afspraak met me te maken. Vaak gaven mensen mij na afloop telefoonnummers van collega’s of kennissen met wie ik volgens hen ook moest spreken. Dit zorgde ervoor dat ik in een relatief korte periode met veel mensen in contact ben gekomen. Meestal vonden de interviews plaats bij de organisatie waar de professionals werkten. De interviews duurden meestal ongeveer een uur, al waren er uitzonderingen van interviews die twee uur duurden. Een aantal professionals heb ik meerdere keren gesproken.

Met sommigen mensen maakte ik een tweede afspraak omdat, naarmate ik meer informatie kreeg, er ook meer vragen in mij op kwamen. Andere professionals kwam ik tegen bij bepaalde activiteiten of gewoon omdat Curaçao zo klein is. Vaak bespraken we dan onderwerpen die niet tijdens het interview naar voren waren gekomen en in een meer informele setting makkelijker bespreekbaar zijn. Er is een aantal professionals met wie ik geen interview heb afgenomen, maar die mij wel relevante informatie hebben verschaft. In onderstaande tabel staat een overzicht van de professionals die mij informatie hebben gegeven voor mijn onderzoek.

De meeste interviews met professionals hadden een semigestructureerd karakter. Omdat het van te voren niet duidelijk was of ik nog een keer in de gelegenheid zou zijn de respondent te spreken, was het van groot belang alles te vragen wat ik wilde weten. Met name

semigestructureerde interviews zijn geschikt voor situaties waarin je de respondent eenmalig spreekt (Russel Bernard, 2004: 205). Ter voorbereiding op de interviews stelde ik een topiclijst op, welke ik tijdens de interviews gebruikte als geheugensteun. Hierdoor kon ik op een gestructureerde manier richting geven aan het gesprek, terwijl het voor zowel de

respondent als mij mogelijk was nieuwe onderwerpen aan te kaarten. Doordat de

respondenten de vrijheid hadden niet uitsluitend op mijn vragen te antwoorden, maar ook zelf over een onderwerp te beginnen, vergaarde ik nieuwe informatie. Ook deze

semigestructureerde interviews nam ik op met de digitale voicerecorder. Er heeft zich een aantal situaties voorgedaan waarin de respondent mij verzocht mijn opnameapparatuur even uit te zetten. Dit kwam vooral voor in situaties waarin de respondent kritiek uitte op andere organisaties of personen.

(19)

De informatie die ik van professionals heb gekregen met wie ik geen semigestructureerd interview gehouden heb, is afkomstig uit informele interviews. Dit zijn gesprekken die gedurende de dag in het veld plaatsvonden en dus niet gepland waren. Informele interviews worden gekarakteriseerd door een gebrek aan structuur of controle en welke later als fieldnote uitgewerkt moeten worden (Rusell Bernard, 2002: 204). Door het ongeplande karakter van deze gesprekken heb ik ze niet opgenomen. Wel heb ik van deze gesprekken notities gemaakt.

De interviews met professionals waren niet anoniem. Er waren echter situaties waarin professionals aangaven een gevoelig onderwerp te bespreken, bijvoorbeeld als het ging om kritiek op andere organisaties. Ter bescherming van mijn respondenten haal ik dit uitsluitend aan als ik de anonimiteit van mijn respondenten kan waarborgen. Doordat Curaçao zo’n klein eiland is, is dit niet altijd mogelijk. Bij sommige organisaties zijn slechts een paar mensen werkzaam en is het eenvoudig te achterhalen wie wat gezegd heeft. Professionals gaven mij ook vaak informatie over hun privéleven. Ter bescherming van mijn respondenten is deze informatie anoniem verwerkt.

2.4 Uitwerking interviews

Gedurende de uitwerking van mijn onderzoeksdata ben ik inductief te werk gegaan. Dat wil zeggen dat je als onderzoeker in verschillende data overeenkomstige patronen van gedrag of denkwijzen tegenkomt (Russel Bernard, 2002: 464). Bij het verwerken van mijn

onderzoeksdata heb ik gebruik gemaakt van de Grounded Theory. Deze theorie is in 1967 door de sociologen Glaser en Strauss ontwikkeld om etnografische interviewdata te kunnen analyseren. De Grounded Theory is een set van technieken waarbij categorieën en concepten geïdentificeerd worden vanuit de transcripten van interviews. Deze concepten worden vervolgens gekoppeld aan theorieën (Russel Bernard, 2002: 462). Ik ben de uitgewerkte interviews gaan lezen en heb de thema’s die hierin terugkwamen gecategoriseerd. Per categorie heb ik de data van verschillende interviews verzameld en vergeleken. Vervolgens ben ik gaan kijken hoe deze categorieën met elkaar in verband staan en in de theorie te verwerken zijn. De resultaten van deze analyses heb ik in deze scriptie beschreven, de citaten illustreren de theorie.

(20)

2.5 Geschreven bronnen

Ter onderbouwing van deze scriptie heb ik gebruik gemaakt van geschreven bronnen. Deze bronnen bevatten onder andere statistische informatie over Curaçao en de HIV/AIDS epidemie. Daarnaast hebben jaarverslagen van verschillende organisaties mij informatie verschaft over de aanpak van de HIV/AIDS en aanverwante onderwerpen op Curaçao. Ook voorlichtingsmateriaal zoals poster, flyers, stickers en boekjes heb ik als bron voor deze scriptie kunnen gebruiken. Tevens heb ik iedere dag verschillende Antilliaanse en Nederlandse kranten nageslagen op informatie die relevant was voor mijn onderzoek.

2.6 Observaties

Tijdens mijn veldwerkperiode heb ik gebruik gemaakt van observaties. Dit waren niet-

participatieve observaties. Deze observaties konden op ieder tijdstip en plek plaatsvinden. Zo heb ik bijvoorbeeld een aantal snèks en stripclubs bezocht om te observeren of hier

daadwerkelijk prostitutie plaatsvond. Ook heb ik gekeken naar de plaatsen waar men

condooms kan kopen. Het observeren van de marktplaats waar illegale abortuspillen werden verkocht gaf mij ook relevante informatie voor mijn onderzoek. Maar ook observaties van minder tastbare zaken zijn waardevol geweest. De interacties tussen mannen en vrouwen op de dansvloer of op straat, illustreerden de verhalen die vrouwen mij vertelden. Daarnaast hebben de observaties die ik tijdens interviews kon doen mij een beter beeld gegeven van de respondent met wie ik een gesprek had. Van mijn observaties heb ik aantekeningen gemaakt die ik iedere dag heb uitgewerkt.

2.7 Reflectie op onderzoek

Achteraf gezien zou het goed zijn geweest eerder op zoek te gaan naar een manier om in contact te komen met Curaçaose vrouwen, zoals ik later in de wachtkamer van de

huisartsenpraktijk heb gedaan. Doordat het maken van afspraken met professionals zo soepel verliep, had ik niet verwacht dat het maken van afspraken met vrouwelijke respondenten zo moeizaam zou verlopen. Het was dus beter geweest hier eerder mee te beginnen, maar gelukkig heeft het feit dat er meer tijd is gaan zitten in het maken van afspraken met

(21)

vrouwelijke respondenten geen negatieve uitwerking gehad op mijn onderzoek. Doordat ik in de eerste periode van mijn onderzoek al het grootste deel van de professionals had gesproken, kon ik mij in de laatste weken van mijn onderzoek volledig richten op het maken van

afspraken en het houden van interviews met lokale respondenten.

Het is lastig om in te schatten in hoeverre mijn aanwezigheid als onderzoeker de verkregen informatie heeft gekleurd. Uiteraard speelt het feit dat ik een Nederlandse, jonge en blanke vrouw ben een rol. Ik denk dat dit onderwerp moeilijker te onderzoeken zou zijn geweest voor een man. Het feit dat ik een vrouw ben gaf mij de mogelijkheid om tijdens interview ook mijn ervaringen te vertellen, waardoor de interviews het karakter van een vertrouwelijk gesprek kregen. Dit heeft naar mijn idee een positieve invloed gehad op de openheid van de

respondenten.

Dat ik Nederlands en blank ben heeft zowel een positieve als negatieve invloed op mijn onderzoek gehad. Het is mogelijk dat respondenten mij sociaal wenselijke antwoorden gaven, al heb ik niet vaak het idee gekregen dat dit het geval was. Wel merkte ik dat er bepaalde dingen waren die zij niet aan mij vertelden, tenzij ik er expliciet naar vroeg. Dit heeft denk ik voor een deel te maken met het feit dat de respondenten niet hadden verwacht dat ik op de hoogte zou zijn van bepaalde zaken, aangezien maar weinig Nederlanders zich echt verdiepen in het leven van de Curaçaoënaar. Ik doel hier onder andere op alternatieve methoden voor abortus. Vrouwen vertelden mij hier niet spontaan over en waren verrast als ik er naar vroeg.

Wanneer het duidelijk werd dat ik al enige kennis over dit onderwerp had, waren ze bereid er veel over te vertellen. Dat respondenten vaak mijn kennis onderschatten, gaf mij de

mogelijkheid naar zaken te vragen waarvan ik al op de hoogte was. Zodoende kon ik de eerder verkregen informatie toetsen.

Het maken van afspraken met vrouwelijke respondenten is naar mijn idee wel moeilijker gegaan omdat ik een Nederlandse, blanke vrouw ben. Vooral in de huisartsenpraktijk had ik het idee dat vrouwen geen nee durfden te zeggen op mijn verzoek voor medewerking aan een interview. Dit zorgde ervoor dat veel tijd in het voorbereiden van interviews is gaan zitten die uiteindelijk niet doorgingen. In hoeverre het koloniale verleden van Curaçao hierbij een rol speelt is moeilijk te zeggen, maar het feit blijft dat veel belangrijke functies nog steeds door Nederlanders worden bekleed. Een soort gevoel van minderwaardigheid speelt dan ook een rol in het leven van de Curaçaoënaar. Het weigeren van medewerking aan mijn onderzoek is dus voor de meeste mensen geen optie, maar daadwerkelijk meewerken is een ander verhaal.

(22)

Het feit dat ik Papiaments sprak heeft me enorm geholpen in het kweken van goodwill onder mijn respondenten. Curaçaoënaars ervaren dit over het algemeen als blijk van waardering voor hun cultuur en zien je meer als deel van de Curaçaose gemeenschap. Toch heb ik slechts een deel van de interviews in het Papiaments gedaan. Dit omdat een groot deel van de

respondenten zich goed kon uitdrukken in het Nederlands. Uiteraard waren er soms situaties waarin ik in de onderzekerheid verkeerde of ik nu daadwerkelijk begreep wat een respondent mij vertelde of dat er een onderliggende culturele betekenis was die mij ontging. Deze onzekerheid werd minder naarmate ik langer in het veld verbleef.

(23)

3. Curaçao – de context van mijn onderzoek

Curaçao maakt deel uit van de Nederlandse Antillen en behoort tot het Koninkrijk der Nederlanden. Vanaf oktober 2010 zal Curaçao echter een status aparte krijgen, wat inhoudt dat het een apart land binnen het Koninkrijk der Nederlanden wordt. De hoofdstad van Curaçao is Willemstad, waarvan Punda en Otrobanda de oudste wijken zijn. Curaçao heeft een oppervlakte van 439 vierkante kilometer, is 61 kilometer lang en maximaal 14 kilometer breed. Op de Nederlandse Antillen wonen 197.184 mensen, van wie ongeveer drie kwart op Curaçao woont (CBS, 2008). Officieel telt Curaçao 140.796 inwoners, maar er is een grote groep illegalen op Curaçao. Het is niet bekend om hoeveel mensen het precies gaat, maar de Antilliaanse minister van justitie, Magali Jacoba noemde onlangs een aantal van 50.000 illegalen op Curaçao (Volkskrant, 23 oktober 2009). Dokters van de Wereld geeft aan dat er alleen al 4000 illegale vrouwelijke sekswerkers op het eiland werkzaam zijn (Dokters van de Wereld, 2008, Faas & Fransisca, 2000). In 2006 woonden er 102 nationaliteiten op het eiland, waarvan, naast de Antilliaanse, de Dominicaanse nationaliteit met 3,9 procent het meest vertegenwoordigd is. De officiële taal op de Nederlandse Antillen is Nederlands. Op de Benedenwindse Eilanden, waaronder Curaçao, wordt echter voornamelijk Papiaments gesproken. Tijdens mijn onderzoek hebben veel mensen mij verteld dat er op Curaçao een tekort aan mannen is. De statistieken bevestigen deze ongelijke man/vrouw verdeling; 46 procent van de bevolking is man en 54 procent is vrouw (CBS, 2009).

3.1 Religie

Religie speelt een belangrijke rol op Curaçao. In de bevolkingscensus van 2001 zijn 130.627 mensen geïnterviewd, waarvan slechts 5 procent aangeeft niet religieus te zijn. 80 procent geeft aan rooms katholiek te zijn. De pinkstergemeente en het de protestantse kerken trekken ieder 2 procent van de gelovigen aan. Daarmee is Curaçao overwegend katholiek te noemen (CBS, 2001). Uit verschillende interviews die ik gehouden heb blijkt echter dat respondenten vaak meerdere godsdiensten aanhangen. Dat 80 procent van de geïnterviewden in de

bevolkingscensus aangeeft katholiek te zijn, betekent dus niet dat zij, naast de katholieke kerk, geen andere kerken bezoeken. Dit blijkt ook uit een interview met Grace, één van mijn

(24)

vrouwelijke respondenten. Ze geeft aan katholiek te zijn opgevoed, maar de laatste jaren bezoekt zij ook andere kerken.

Grace: Ik ga naar de kerk ja, doe alles, alles. Maar ik ga nu ook wel naar een kerk die niet katholiek is. Ik heb een tante daar met kinderen. Ik ben wel katholiek en ik ga ook naar die kerk, maar nu ook naar die andere.

Wendele: Want wat voor een kerk is dat?

Grace: Ik weet het niet.. Weet je, alles wat van God is daar houd ik van. Ik ben niet gedoopt daar, ik ben katholiek gedoopt.

Naast het katholicisme en de andere godsdiensten speelt brua ook een rol. Dit is een variant op voodoo zoals men dat in Haïti kent. Tijdens de slaventijd brachten de slaven Afrikaanse religies mee, die zich later vermengden met geloof en tradities uit het Katholicisme

(Desmangles, Glazier & Murphy, 2003: 263). De geestenwereld staat centraal bij brua;

geesten kunnen worden aangeroepen of verdreven met behulp van offers. ‘Godendranken’

worden gemaakt om de communicatie met de goden en het ondergaan van hun spirituele invloed te vergemakkelijken (Bos, 2008: 30). Sommige Curaçaoënaars geloven dan ook in de zwarte magie van brua, bij ziekte of tegenspoed zijn zij bang dat dit veroorzaakt wordt door iemand die hen vervloekt heeft. Sommige respondenten spraken gekscherend over hun angst vervloekt te zijn door iemand, maar ik heb het idee dat men er toch oprecht bang voor is.

Tijdens een groepsgesprek vertelde Stacey, een vrouw van vijftig, dat kleine kinderen pas naar drie maanden naar buiten mogen.

Je kind mag pas naar buiten naar 3 maanden, als de navelstreng geheeld is. Dan is het niet langer kwetsbaar voor boze ogen en mogen andere mensen het zien.

Brua is een geloof dat veel praktische uitingen kent. Zo hangt er soms aan de voordeur van huizen de schedel van een geit om ongenode bezoekers buiten te houden. Bij de achterdeur wordt met hetzelfde doel vaak een aloëplant opgehangen (Bos, 2008: 30). Op de vlakte van Hato, een uitgestrekt rotsplateau naast de ruige oostkust, zijn diverse Brua-altaren of offerplekken aanwezig (Bos, 2008: 30).

Ook speelt het gebruik van kruiden een grote rol in het leven van de Curaçaoënaar. De scheidslijn tussen brua, het gebruik van kruiden uit medisch oogpunt en bijgeloof is niet zo

(25)

sterk. Zo worden er bij de geboorte van een kind bijvoorbeeld allerlei kruiden gebruikt en baden gemaakt. Dit is een ritueel dat je na een geboorte hoort te doen, maar heeft ook een medisch oogpunt. Rhonda vertelde me wat je na de geboorte van een kind moet doen om zijn gezondheid te waarborgen.

Als die navelstreng van die baby er af valt dan moet je een doekje vouwen in vier

stukken met heet water en dat zet je er op (op de buik van de baby). Anders krijgt de baby veel buikpijn.

Daarnaast dient de baby flyra, te drinken, een kruid dat voorkomt dat de baby last krijgt van gal. Als de baby zes dagen achter elkaar thee met flyra drinkt, dan zal hij hier geen last meer van hebben. Geloof is dus een belangrijk aspect van de Curaçaose cultuur. Dit wordt

geïllustreerd door de uitspraak ‘Ku Dios ke’ (als God het wil), een vaste afsluiting van een groet en een toevoeging aan plannen voor de toekomst.

3.2 Sociaaleconomische omstandigheden

De sociaaleconomische omstandigheden op Curaçao lopen sterk uiteen. Er is een rijke elite op het eiland, maar ook een grote onderklasse die zeer arm is. Ruim één derde van de

huishoudens leeft onder de armoedegrens. Het CBS heeft de armoedegrens voor een standaard huishouden per 1 juli 2008 vastgesteld op 2195 Antilliaanse gulden per maand, omgerekend 950 Euro. Het standaard huishouden bestaat volgens de normen van het CBS uit twee volwassenen en twee kinderen. Voor een volwassene met twee kinderen is de

armoedegrens 1672 gulden (724 Euro) en voor een alleenstaande bedraagt het 1045 (460 Euro). Dit bedrag is volgens het CBS nodig om de minimale kosten voor voeding, wonen, elektra en water, openbaar vervoer, ziektekostenverzekering en kleding te kunnen dekken (CBS, 2008). In 1998 leefde bijna dertig procent van de huishoudens van een bruto maandinkomen lager dan 1000 Antilliaanse gulden.

De inkomensongelijkheid binnen de Nederlandse Antillen is het grootst op Curaçao. Het inkomen van de 20 procent rijkste huishoudens (52 procent van het totale eilandinkomen) is zeventien keer hoger dan dat van de 20 procent armste huishoudens (drie procent van het totale eilandinkomen) (Vierbergen, 1998: 93).

(26)

Ondanks de omstandigheid dat ruim een derde van de huishoudens onder de armoedegrens leeft, zijn de sociale voorzieningen op Curaçao beperkt. In 2006 bedroeg de “onderstand”, oftewel de bijstand, voor een alleenstaande man of vrouw 295,75 Antilliaanse gulden.

Omgerekend is dat 128 euro per maand en dit is niet toereikend om in de minimale

levensbehoeften te voorzien. Voor ieder kind ontving de ouder nog 15,35 euro per maand.

6612 personen, oftewel 4,7 procent van de Curaçaose bevolking, ontving in 2008 een onderstanduitkering. Dit houdt in dat er veel meer dan 4,7 procent van de bevolking van de onderstand leefde, omdat deze mensen vaak ook zorgdragen voor kinderen. Een groot deel van de bevolking van Curaçao heeft dus moeite in de dagelijkse behoefte te voorzien.

Reda Sosial heeft in 1999 een armoedebestrijdingonderzoek uitgevoerd in vier arme wijken van Curaçao. Hier zijn in totaal 160 hoofden van huishoudens geïnterviewd. Uit dit onderzoek bleek onder andere dat gemiddeld dertig procent van het inkomen op Curaçao aan woonlasten zoals huur, water en elektriciteit wordt besteed. Ondanks dat het gemiddelde inkomen in de armere wijken van Curaçao twee keer zo laag is, liggen de huren hier niet veel lager dan het eilandelijke gemiddelde. Hieruit concludeert Reda Sosial dat 50 tot 60 procent van het inkomen van mensen uit de armere wijken besteed wordt aan woonlasten. Dat betekent dat het bedrag dat overblijft voor het dagelijks onderhoud ontoereikend is (Reda Sosial, 1999:

78).

Daarnaast is er op Curaçao sprake van structurele werkloosheid. Het werkloosheidspercentage ligt de afgelopen acht jaar rond 12 procent (CBS, 2008). De werkloosheid treft vooral de jongeren in de leeftijd 15-24, van hen is ongeveer 35 procent werkloos (CBS, 2008). Tevens is de werkloosheid duidelijk gerelateerd aan geslacht en opleiding. Voor vrouwen ligt het werkloosheidspercentage rond 18 procent, een stuk hoger dan het gemiddelde

werkloosheidspercentage van 12 procent (CBS, 2008). De mogelijkheden voor vrouwen om aan werk te komen zijn beperkter dan die van mannen en zeker voor ‘alleenstaande’ vrouwen met kinderen uit de lagere sociaaleconomische klasse (Van Dijke & Terpstra, 1987). Volgens de bevolkingscensus van 1992 hadden gezinnen met een vrouw aan het hoofd bijna de helft minder te besteden dan huishoudens met een man aan het hoofd (Reda Sosial, 1999: 59). Ook uit studies van de ECLAC (Economic Commission for Latin American and the Caribbean) blijkt dat huishoudens met alleen een vrouw aan het hoofd een grotere kans lopen onder de armoedegrens te vallen (zie ook Brydon & Chant, 1993) (Reda Sosial, 1999: 59).

(27)

3.3 Scholing

Ook zijn er grote verschillen in het opleidingsniveau van de Curaçaose bevolking. Ondanks dat er wel goede voorzieningen zijn, heeft 26,2 procent van de eilandbevolking in de leeftijd van dertien tot zestien jaar de basisschool (nog) niet voltooid. In de arme wijken liggen deze percentages aanzienlijk hoger. In de wijk Soto gaat het om een percentage van bijna 50 (Reda Sosial, 1999: 60). Dit heeft onder andere tot gevolg dat in 1992 bijna vier procent van de Curaçaose bevolking absoluut analfabeet was. Naast absoluut analfabetisme komt ook functioneel analfabetisme voor. Een functioneel analfabeet heeft enige scholing gehad, maar beheerst het lezen en schrijven niet voldoende om zich te kunnen redden in een geletterde maatschappij. In het rapport van Reda Sosial staat dat de stichting Pro Alfa dit percentage boven de twintig schat (Reda Sosial, 1999: 60).

3.4 De Curaçaose wijken

Willemstad is de benaming voor de enige stad van het eiland, maar deze benaming is

nauwelijks functioneel. Omdat er weinig andere plaatsen zijn en Willemstad zo’n groot deel van het eiland in beslag neemt is Willemstad geen duidelijke geografische aanduiding van iemands woonplaats. Daarom zal een Curaçaoënaar zich Yu di Korsou (kind van Curaçao) noemen of de naam van zijn wijk geven als je hem vraagt waar hij woont. De ongelijke verdeling van rijkdom op het eiland is niet alleen zichtbaar in de sociaaleconomische

gegevens van het eiland, maar ook in de verschillen tussen de wijken. Een aantal rijke wijken is hermetisch afgesloten van de rest van het eiland. In deze gated communities, die adverteren met slogans zoals Rust, Ruimte en Veiligheid, wonen veelal rijke Nederlanders en

Amerikanen. In schril contrast met deze oases van luxe staan de arme wijken waarvan een deel letterlijk onder de rook van de raffinaderij van Curaçao ligt, die ook wel de Isla wordt genoemd. De milieuvervuiling die deze raffinaderij veroorzaakt, draagt bij aan de sociale en ruimtelijke segregatie van de stad. Door de passaatwind, een constante noordoosten wind, liggen er bepaalde wijken voortdurend in de rook van de raffinaderij. Dit zijn onder andere de wijken Wichi en Marchena, wijken met hoge criminaliteitscijfers. Door de overlast van de raffinaderij wordt de sociale mobiliteit van de inwoners van deze wijken beperkt, de huizenprijzen zijn hier enorm gedaald en het is nauwelijks mogelijk deze buurt te verlaten.

Maar ook wijken zoals Souax en Koraalspecht zijn arm. Otrobanda, de wijk waar ik verbleef

(28)

in het oude centrum van Willemstad, wordt van oudsher als een verloederde wijk gezien al is er de laatste jaren veel aandacht besteed aan renovatie.

Cultureel antropoloog Rifke Jaffe heeft onderzoek gedaan naar de urbane ontwikkeling van Curaçao. De urbane identificatie vindt volgens haar niet op het niveau van Willemstad plaats, maar op wijkniveau. Raffe geeft aan dat de sterke identificatie met wijken in plaats van met de stad ervoor gezorgd heeft dat Curaçaoënaars zichzelf een gelimiteerde mobiliteit hebben opgelegd, ondanks de geringe afstanden tussen de verschillende wijken en delen van het eiland.

The urban identification is crosscut by politico-ethnic divisions, reinforced by ‘geographies of fear’ (Jaffe, 2008: 198-199).

De identificatie van de Curaçaoënaar met de wijk waarin hij woont, komt mede door de hoge mate van wantrouwen en angst in de Curaçaose cultuur. Deze angst reflecteert de

karakteristieken van een kleine eilandsamenleving en de hoge criminaliteit. De cultuur van de angst4 waar Jaffe op doelt, is gebaseerd op een scheiding tussen ‘wij’ en ‘zij’. Rodgers heeft dit beschreven als een discours waarin rijke mensen de armen als de dangerous other zien en waarbij armoede en criminaliteit aan elkaar gekoppeld worden (Rodgers, 2004: 114). Arme inwoners van Curaçao eigenen zich dit discours echter ook toe, waardoor men angstig wordt voor inwoners van andere arme Curaçaose wijken. Tijdens mijn onderzoek vroegen veel respondenten uit arme wijken mij of het wel veilig was om in Otrobanda te wonen, terwijl de wijken waarin zij wonen ook als onveilig bekend staan.

4 Valdemar Marcha en Paul Verweel hebben hier een boek over geschreven, getiteld ‘De cultuur van de angst – paradoxale ketenen van angst en zwijgen op Curaçao’.

(29)

4. HIV/AIDS in mondiaal perspectief

In 1981 eiste een tot dan toe onbekende ziekte zijn eerste slachtoffer in de Verenigde Staten.

Medici stonden voor een raadsel; wat was dit voor ziekte die voornamelijk voorkwam onder homoseksuele mannen? Eind 1982 kreeg deze ziekte de naam die het nu nog heeft: AIDS.

Niemand heeft de schade die AIDS zou aanrichten kunnen voorzien. Al snel bleek dat niet alleen homoseksuele mannen geïnfecteerd werden, maar dat ook heteroseksuele mannen en vrouwen besmet raakten. Inmiddels zijn er 33 miljoen mensen door deze ziekte geïnfecteerd.

In 2005 maakten vrouwen volgens officiële VN-cijfers 46 procent uit van alle HIV- besmettingen wereldwijd.

4.1 Wat is HIV/ AIDS?

De A in ‘AIDS’ staat voor Acquired, oftewel verworven. Dit betekent dat het virus niet erfelijk is, maar dat men het oploopt tijdens het leven. De I en D staan voor

Immunodeficiency. Het HIV virus valt het immuunsysteem aan waardoor dit minder goed in staat is infecties te bestrijden. De S staat voor Syndrome, syndroom. Doordat AIDS niet één ziekte is, maar zich openbaart als een aantal ziektes dat zich ontwikkelt als gevolg van een falend immuunsysteem, wordt het gezien als een syndroom (Barnett and Whiteside, 2006:

31).

AIDS is het gevolg van een besmetting met het HIV-virus. HIV staat voor Human

Immunodeficiency Virus. Gedurende de periode dat een persoon seropositief is hoeft diegene geen ziekteverschijnselen te vertonen. Als het HIV-virus het immuunsysteem echter sterk heeft aangetast komt een patiënt in het AIDS-stadium en ontstaan er ziekteverschijnselen zoals bijvoorbeeld koorts, aanhoudende diarree, gewichtsverlies en ernstige tandvlees

ontstekingen. Zonder behandeling zal de verzwakking van het afweersysteem uiteindelijk tot de dood leiden.

Om een infectie te veroorzaken moet het HIV virus het lichaam binnendringen en zich hechten aan gastcellen. Het virus valt een bepaalt soort cellen in het lichaam aan die ook wel CD4 cellen worden genoemd. Als een persoon geïnfecteerd is ontstaat er een strijd tussen het virus en het immuunsysteem (Barnett & Whiteside, 2006: 32). Wanneer de cellen worden

(30)

geïnfecteerd vecht het immuunsysteem terug waarbij het zeer grote aantallen antilichamen aanmaakt. Deze eerste periode wordt dus gekenmerkt door een ongemerkte “oorlog” in iemands lichaam. In deze periode is de viral load, het aantal virale deeltjes dat de persoon draag zeer hoog en is het immuunsysteem druk bezig te herstellen. Gedurende deze fase is het niet mogelijk om door middel van standaardtesten HIV te detecteren. Deze periode wordt ook wel de ‘raamfase’ genoemd en duurt van enkele weken tot een paar maanden. In deze fase is iemand zeer besmettelijk. Dit gegeven is van epidemiologische waarde; hoe meer mensen in deze fase verkeren des te groter de kans op een effectieve besmetting. Als een persoon geïnfecteerd is zal hij over het algemeen een korte periode van ziekte hebben aan het einde van de raamfase. Dit uit zich echter over het algemeen in een griep en wordt meestal niet herkend als het gevolg van een HIV infectie (Barnett & Whiteside, 2006: 33).

De raamfase wordt gevolgd door een lange incubatietijd. De periode dat iemand HIV positief is kan tien tot vijftien jaar duren. Gedurende deze fase valt het virus de CD4 cellen van het immuunsysteem aan. Iedere dag wordt er ongeveer 5 procent van de CD4 cellen verwoest en worden er dagelijks 10 miljard nieuwe virus deeltjes geproduceerd. In de eerste fase van de HIV besmetting produceert het lichaam extra CD4 cellen zodat het aantal CD4 cellen in het lichaam niet erg daalt. Naar verloop van tijd is het lichaam hier echter niet meer toe in staat en neemt het aantal CD4 cellen dramatisch af. Een gezond persoon heeft tussen de 500 en de 1600 CD4 cellen in zijn lichaam. Als het aantal CD4 cellen door het HIV virus tot onder de 200 wordt gebracht dan is er niet langer sprake van een HIV infectie, maar van AIDS. Als het aantal CD4 cellen van een persoon tussen de 200 en 350 ligt, wordt er gestart met Anti

retrovirale therapie (ARV) (Barnett & Whiteside, 2006: 34). Het is dus mogelijk dat iemand AIDS heeft, maar weer terugkeert naar de HIV positieve fase doordat het aantal CD4 cellen weer gestegen is als resultaat van de ARV therapie. Zonder behandeling gaan er 12 tot 24 maanden voorbij tussen het moment dat een persoon AIDS krijgt en sterft. Met therapie wordt deze periode aanzienlijk verlengd.

HIV is hoofdzakelijk een seksueel overdraagbaar virus. AIDS veroorzaakt ziekte en sterfte met name onder volwassenen. De mensen met het grootste risico zijn tussen de 15 en de 50 jaar oud, vaak beschreven als de ‘seksueel actieve’ (Barnett & Whiteside, 2006: 3).

Er is een aantal mogelijke manieren waarop iemand met HIV geïnfecteerd kan raken. In tegenstelling tot vele andere ziektes kan HIV uitsluitend overgedragen worden door besmette lichaamssappen. Iemand kan pas besmet worden als er voldoende van deze materie zijn

(31)

lichaam binnendringt. Er zijn verschillende manieren van transmissie, welke hieronder in orde van belangrijkheid staan:

1. Onveilig seksueel contact

2. Transmissie van een geïnfecteerde moeder op kind 3. Het gebruik van geïnfecteerd bloed of bloedproducten 4. Intraveneus drugsgebruik met besmette naalden

5. Andere manieren van transmissie die te maken hebben met bloed, waaronder bijvoorbeeld bloedende wonden

De meeste HIV besmettingen zijn het resultaat van onveilig seksueel contact. De besmetting vindt dan plaats door contact tussen twee slijmvliezen of door contact van een slijmvlies met vaginaal vocht, menstruatiebloed, sperma of voorvocht (RoSA, 2006: 1). De kans op HIV transmissie is groter bij anaal contact dan bij vaginaal contact. Er is een kleine kans dat HIV overgedragen wordt via orale seks. Als een persoon een tandvleesontsteking of wondjes in zijn mond heeft is deze kans echter groter. De aanwezigheid van een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) vergroot de kans op een besmetting met HIV. Dit komt ten eerste doordat een SOA de huid of de membranen kan beschadigen met als gevolg dat het HIV virus

gemakkelijk het lichaam kan binnendringen. Ten tweede zal er op de plaats van de SOA een hoge concentratie cellen zijn omdat deze cellen de SOA infectie aan het bestrijden zijn (Barnett & Whiteside, 2006: 42). Het HIV virus kan relatief eenvoudig deze cellen binnendringen.

4.2 Het risico op HIV/AIDS

In de epidemiologie wordt het concept risico statistisch benaderd:

The degree of increased risk associated with a specific behaviour or other factors is measured as the relative risk or relative odds of infection comparing those with the factor to those without the factor (Brookmeyer and Gail, 224: 23).

(32)

Het meten van het risico dat iemand loopt op een HIV besmetting is echter niet eenvoudig, omdat dit door meerdere factoren wordt beïnvloed. Er zijn risico’s die beslissingsafhankelijk zijn. Deze risico’s kunnen in principe onder controle gehouden worden door rationele

besluitvorming. Het risico dat gedrag met zich meebrengt is echter vaak een gevolg van de omgeving in plaats van dat van individuen of de bepaalde handeling (Barnett & Whiteside, 2006: 86). Dit heeft te maken met het feit dat niet iedereen automatisch kiest voor het minst risicovolle gedrag. De situatie waarin een persoon zich bevindt kan bijdragen aan een

verhoogde of verlaagde risicofactor. Deze relatieve risicofactor, gecreëerd door de omgeving, vergroot of verkleint de kans op transmissie van de ziekte. Dit doet zich voor op verschillende niveaus; financiële problemen maken het leven bijvoorbeeld zwaarder, levensonderhoud moeilijker en dwingen sommige mensen meer risico’s te nemen in hun seksuele gedrag (Barnett & Whiteside, 2006: 90). Een risicovolle omgeving is een omgeving waarin infectieziekten zich snel kunnen uitbreiden en zich kunnen ontwikkelen tot een epidemie (Barnett & Whiteside, 2006: 78).

Tijd speelt een belangrijke rol bij het risico dat iemand loopt op een HIV-besmetting.

Er zijn talloze verhalen van vrouwen die vertellen dat ze niet over risico’s van ziekte en sterfte op lange termijn kunnen nadenken wanneer ze in hun levensonderhoud voorzien door commercieel sekswerk zonder condoom. De korte termijn, waarin ze zichzelf en hun kinderen moeten verzorgen, is belangrijker. Tijd is dus geen neutrale factor die voor iedereen hetzelfde is. Tijd is relatief en tijd is gendered, net zoals het risico op infectie. (Barnett & Whiteside, 2006: 23). In een risicovolle omgeving kan het dus zo zijn dat mensen risico’s nemen die tegen hun belangen op lange termijn ingaan omdat ze zich niet kunnen permitteren aandacht te besteden aan de toekomst (Barnett & Whiteside, 2006: 88).

Het willen hebben van nageslacht is ook één van de factoren die het risico kan vergroten.

Vruchtbaarheid bevestigt de sociale identiteit van vrouwen en verzekert hen van verzorging in hun late jaren. Het gebruik van een condoom plaatst vrouwen dus voor een keuze tussen de tegengestelde belangen in het heden en in de toekomst (Barnett & Whiteside, 2006: 23).

Daarnaast is ook de partner van invloed op condoomgebruik. Het is (met name voor

gesteriliseerde of niet meer vruchtbare) vrouwen vaak moeilijk om veilige seks af te dwingen (Scheper-Hughes, 1994:991)

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :