De Masoretische accentuatie als eye-opener: De indeling van Decaloog en priesterzegen 1

Hele tekst

(1)

RAYMOND DE HOOP

De Masoretische accentuatie als eye-opener:

De indeling van Decaloog en priesterzegen

1

THE MASORETIC ACCENTUATION AS AN EYE-OPENER:THE DIVISION OF DECALOGUE AND PRIESTLY BLESSING.

The Masoretic accentuation of the Hebrew Bible sheds an interesting light on the Biblical text and its interpretation. Two Biblical texts which function in Jewish and Christian liturgy (the Decalogue Ex. 20:2–17/Dt. 5:6–21 and the Priestly Blessing, Num. 6:24–26) are discussed, to demonstrate that the accents might tell us something of the history of interpretation of the text. It is shown that the short commandments (20:13–16; 5:17–20) could be read as only one bicolon, which gives the text a different tone; it might sound less massive. Similarly, the Priestly Blessing might be read as a strophe of two bicola, which underscores the content of the blessing with its crescendo at the end, not only by means of the number of letters, syllables and words, but also in its structure. The different divisions of the Decalogue in tradition (Jewish, Roman Catholic, Lutheran and Reformed) are all found in the division of the text by means of accentuation and other delimiters, such as petucha and setuma.These different divisions already found in the Masoretic text might help the exegete to read the text with an open mind, thereby improving understanding of it.

De afbakening van teksteenheden, zoals (Masoretische) verzen, zinnen, sti- chen (of cola), strofen e.d., in de Hebreeuwse Bijbel blijkt regelmatig een pro- blematisch onderdeel van de exegese te zijn. In een dergelijke situatie krijgen de zogenaamde Masoretische accenten echter relatief weinig aandacht. Nu is een goede afbakening van eenheden van cruciaal belang voor het begrip van een tekst. Een sprekend voorbeeld daarvan is het volgende korte gedichtje dat een predikant uit Zuid-Afrika op de grafsteen van zijn overleden vrouw wilde plaatsen:

_____________

1 Dit artikel is een bewerking van een lezing, die op 23 september 2011 werd gehouden op een bijeenkomst van het Oudtestamentisch Werkgezelschap in Nederland en Vlaanderen aan de Rijksuniversiteit te Gronin- gen. Dr Cor de Vos (Münster) wil ik danken voor zijn bijdrage aan de discussie en zijn waardevolle opmer- kingen met betrekking tot de vroege discussie over de eerste geboden van de Decaloog. Dank ben ik ook verschuldigd aan Dr Paul Sanders (PThU, Amsterdam) voor zijn kritische lezing en waardevolle opmerkin- gen en aanvullingen.

(2)

Hier rus my vrou Griet,

in die hemel is sy, nie in die hel, dit weet ek wel.

De steenhouwer plaatste de komma echter verkeerd, wat resulteerde in het volgende vers:

Hier rus my vrou Griet,

in die hemel is sy nie, in die hel, dit weet ek wel.

Nu is een andere afbakening in Bijbelse teksten niet altijd zo dramatisch als dit voorbeeld. Toch zijn er genoeg teksten waar een verschillende afbakening ook duidelijk een andere interpretatie vraagt. Eén van de bekendste voorbeel- den daarvan is wel de tekst van Jesaja 40:3, zoals die in het Nieuwe Testa- ment wordt aangehaald in verband met Johannes de Doper (Mat. 3:3; Marc.

1:3; Luc. 3:4):

φωνὴ βοῶντος ἐν τῇ ἐρήμῳ·

ἑτοιμάσατε τὴν ὁδὸν κυρίου, εὐθείας ποιεῖτε τὰς τρίβους αὐτοῦ.

‘Een stem van een roepende in de woestijn:

“Maak gereed de weg van de Heer, maak recht zijn paden.”’

Deze tekst in de evangeliën wordt geciteerd naar de Septuaginta, die in dit geval korter is dan Jesaja 40:3 in de Masoretische tekst:

Een stem van een roepende:

“In de woestijn, baant de weg van Yhwh,

maakt recht in de wildernis

een pad voor onze God.”

In de Hebreeuwse Bijbel hoort ‘in de woestijn’ bij de directe rede ge- volgd door ‘baant de weg …’ Het geldt dan als de plaatsbepaling waar ‘de weg’ geëffend moet worden (parallel aan ‘in de wildernis’ in het vol- gende colon). In het Nieuwe Testament wordt ἐν τῇ ἐρήμῳ ‘in de woestijn’ de plaatsbepaling waar ‘een stem’ roept en is het onderdeel van de inleiding op de directe rede.2 De plaatsing van de leestekens in de tekst weerspiegelt dus het verschil in interpretatie waar de locativus ‘in de woestijn’ hoort. Inter- punctie heeft dus verstrekkende gevolgen voor de interpretatie van de tekst en dit voorbeeld illustreert treffend het belang van een juiste afbakening (kleine- re) eenheden in de tekst.

_____________

2 Voor de achtergrond van de diverse tekstindeling, zie R. de Hoop, ‘Stress and Syntax; Music and Meaning: The Purpose and Function of the Masoretic Accentuation System’, Journal of Northwest Semitic Languages 34 (2008), 99-121, 113-115.

(3)

In de liturgie van de synagoge en kerk wordt de voordracht van teksten uit de Bijbel door traditie bepaald: degene die de teksten uitspreekt, sluit zich in het algemeen aan bij de leesgewoonte binnen zijn of haar religieuze gemeen- schap. Dat geldt ook bij het uitspreken van bekende ‘liturgische’ Bijbelteksten zoals de Decaloog (Ex. 20:2–17/Deut. 5:6–21) of de priesterzegen (Num.

6:24–26).3 De Decaloog dankt zijn naam aan het feit dat in de context wordt gesuggereerd dat we met tien ‘Woorden’ te doen hebben (Ex. 34:28; Deut.

4:13). De tekst zelf echter geeft ons daartoe onvoldoende houvast: de indeling in tien ‘Woorden’ is geen uniform gegeven: de eerste en de laatste ‘Woorden’

worden in de joodse, rooms-katholieke en protestantse tradities op verschil- lende wijzen ingedeeld.4 In de joodse en calvinistische traditie is het laatste vers (Ex. 20:17; Deut. 5:21) één ‘Woord’, terwijl in de rooms-katholieke tra- ditie dit vers in twee ‘Woorden’ verdeeld is. Vergelijk de indeling van Exodus 20:17:5

Joods / Calvinistisch Rooms-Katholiek/Luthers X Begeer niet het huis van je naaste,

begeer niet zijn vrouw, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, noch iets wat je naaste toebehoort.

IX Begeer niet het huis van je naaste.

X Begeer niet zijn vrouw, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, noch iets wat je naaste toebehoort.

De joodse en calvinistische traditie komt overeen met de gangbare versinde- ling in de Bijbel, die het laatste vers als een eenheid leest. De lutherse en rooms-katholieke indeling lijkt op haar beurt terug te vinden in de

_____________

3 De Decaloog wordt in de synagoge met het Wekenfeest gelezen (de Exodusversie), en keert verder door het jaar heen terug in de cyclus van de wekelijkse Tora-lezingen; zie ; J.H. Tigay, Deuteronomy : The Traditional Hebrew Text with the New JPS Translation / Commentary, Philadelphia (PA) 1996, 342; C.

Houtman, Exodus – Volume 3: Exodus 20–40 (Historical Commentary on the Old Testament), Leuven 2000, 4. Binnen christelijke kringen verschilt de rol van de Decaloog in de liturgie aanzienlijk van een we- kelijkse lezing tot een lezing volgens één van de verschillende roosters; vgl. G. Immink, ‘Schuldbelijdenis en Decaloog’, in: P. Oskam, N. Schuman (red.), De weg van de liturgie: Tradities, achtergronden, praktijk, Zoetermeer 1998, 185-194, 191-194; Dienstboek een proeve, deel 1: Schrift – Maaltijd – Gebed, Zoetermeer 1998, 1199-1208 (gemeenschappelijk leesrooster); 1215-1220 (Thora-leesrooster, met Psalmen). In de synagoge klinkt de zegen óf als zegen uitgesproken óf ingelast in het hoofdgebed door de chazan; zie S.Ph. de Vries Mzn., Joodse riten en symbolen, Amsterdam 61968, 38-42. In het christendom is het met name binnen het protestantisme dat deze zegen gebruikt wordt in de liturgie; zie M. van Leeuwen,

‘Wegzending en zegen’, in: P. Oskam, N. Schuman (red.), De weg van de liturgie: Tradities, achter- gronden, praktijk, Zoetermeer 1998, 257-265, 260.

4 In dit verband spreek ik liever over ‘Woorden’ dan over ‘geboden’. De aanduiding ‘woorden’ vin- den we reeds in Ex. 34:28; Deut. 4:13; en 10:4, en deze ligt ook ten grondslag aan de bekende term “Deca- loog”.

5 Vgl. voor de verdere verschillen tussen de diverse tradities, zie: Houtman, Exodus, vol. 3, 3-6.

(4)

paragraafindeling van de Hebreeuwse Bijbel door middel van een petucha ( ) en setuma ( ), die hier in het midden van het vers een setuma leest (vgl. hier- voor verder beneden p. 19696).6

Nadere bestudering van de Decaloog in de Hebreeuwse Bijbel laat zien dat deze afwijking niet incidenteel is, maar vaker voorkomt en interessante in- formatie biedt qua mogelijke indeling van de tekst.7 Het is mijn bedoeling dit in het vervolg van het artikel te laten zien en in te gaan op de implicaties daar- van voor de exegese. Allereerst behandel ik de functie van de Masoretische accentuatie en bespreek ik hoe het systeem van accenten werkt. Aansluitend wil ik aandacht schenken aan de verschillende indelingen van de eerste verzen van de Decaloog (Ex. 20:2–6/Deut. 5:6–10) om vervolgens over te gaan tot de bespreking van de korte geboden (Ex. 20:13–17/Deut. 5:17–20) en de pries- terzegen (Num. 6:24–26). Hiermee hoop ik te laten zien hoe de Masoretische accenten soms de Wirkungsgeschichte van de tekst weerspiegelen, maar ons ook de ogen kunnen openen voor de verschillende leeswijzen van de tekst.

De Masoretische accentuatie: een inleiding

Naast de vocaaltekens is de consonantentekst van de Hebreeuwse Bijbel voor- zien van een aantal andere tekens die uitspraak en lezing van de tekst moeten reguleren. Het grootste aantal daarvan zijn de zogenaamde Masoretische ac- centen of t‘amim (Hebr. ), zo’n dertig in getal. Bij de studie van het Bij- bels Hebreeuws staan zij nu niet bepaald bovenaan in de lijst van relevante onderwerpen. Verschillende zaken zijn hier debet aan. Het vrij grote aantal te- kens (meer dan het hele alfabet) is ongetwijfeld één van de belangrijkste oor- zaken. Ook de manier waarop de accenten functioneren is niet altijd inzichte- lijk, omdat het systeem op belangrijke wijze verschilt van de interpunctie in de Westerse talen. Wanneer men in de vakliteratuur al een verwijzing naar de Masoretische accentuatie vindt, blijft die vaak beperkt tot enkele van de

_____________

6 Setuma en petucha worden aangeduid door middel van resp. en in de tekst van BHS en BHQ en zijn grafische representatie van de paragraafaanduidingen (witruimtes in de tekst) in manuscripten van de He- breeuwse Bijbel. Zie hiervoor: C. Perrot, ‘Petuhot et setumot: Étude sur les alinéas du Pentateuque’, Revue Biblique 76 (1969), 50-91; J.M. Oesch, Petucha und Setuma: Untersuchungen zu einer überlieferten Glie- derung im hebräischen Tekst des Alten Testaments (Orbis Biblicus et Orientalis 27), Freiburg (Schweiz), Göttingen, 1979; E. van den Berg, ‘Over de structuur van oudtestamentische verhalen en de indeling in petucha’s en setuma’s’, Nederlands Theologisch Tijdschrift 52 (1998), 89-106.

7 Voor de verschillende indelingen van de Decaloog zie: M. Breuer, ‘Dividing the Decalogue into Verses and Commandments’, in: B.Z. Segal, G. Levi (red.), The Ten Commandments in History and Tradition, Jerusalem 1990, 291-330. Zie verder ook: N.M. Sarna, Exodus : The Traditional Hebrew Text with the New JPS Translation / Commentary (The JPS Torah Commentary), Philadelphia (PA) 1991, 107-109;

Tigay, Deuteronomy , 62-63; 342; Houtman, Exodus, vol. 3, 3-6.

(5)

bekendste accenten, zoals silluq met sof passuq ( ), atnach ( ) en soms zaqef qaton ( ) en rvia‘ ( ),8 wat overeenstemt met de behandeling van de accenten in de gangbare Nederlandstalige grammatica’s van het Bijbels He- breeuws: slechts een drie- tot viertal accenten zouden belangrijk zijn (d.w.z.

10 à 15% van het geheel).9

Ook het feit dat de accenten pas aan het eind van de negende en het begin van de tiende eeuw n.Chr. een definitieve plaats in de Tiberische codices kre- gen, is vaak een reden om hun belang te relativeren. Dit doet echter geen recht aan de historische achtergrond van de accenten. Reeds geruime tijd voor de Tiberische codices werden in de Babylonische en Palestijnse tradities accen- ten in de bijbelhandschriften opgenomen. Maar nog belangrijker is dat een co- lometrische indeling van de tekst op basis van accenten terug te vinden is in de oude manuscripten gevonden in de Judese woestijn (o.a. Qumran), en zelfs in oude (voor-christelijke) Septuaginta-handschriften.10 Zoals in het inleiden- de gedeelte al werd geïllustreerd, is de punctuatie van groot belang voor het begrip van de tekst. Het spreekt voor zich dat de interpunctie de interpretatie van de tekst biedt van diegene die de tekst voorziet van de leestekens. Wan- neer leestekens niet door de oorspronkelijke auteur zijn geplaatst, zeggen ze dus tegelijkertijd iets over de geschiedenis van de uitleg van de betreffende tekst (vgl. het voorbeeld van Jes. 40:3, boven).

De functie van de Masoretische accenten is recitatief of muzikaal. Daarbij gaat het niet zo zeer om het melodische aspect als wel om het houden van

‘pauzes’ in het reciteren, waarmee betekenis aan de tekst wordt verleend bij het lezen of voordragen (vgl. het bovenstaande voorbeeld uit Jes. 40:3). Juist dit aspect, de afbakening van kortere en langere eenheden (frasen, cola,

_____________

8 In de nieuwste editie van de Hebreeuwse Bijbel, de Biblia Hebraica Quinta (= BHQ) gebruikt men de He- breeuwse namen voor de accenten, dus bijvoorbeeld zaqef qatan (elders qaton), waar de vorige edities zoals de Biblia Hebraica Stuttgartensia (= BHS) nog deels Latijnse aanduidingen bezigden, zoals zaqef parvum.

Aangezien in de bekendste Hebreeuwse grammatica, die van Lettinga (en latere herziene edities zoals van Baasten en Van Peursen; vgl. volgende voetnoot) deze aanduiding ook gehanteerd wordt, volg ik dit ge- bruik.

9 J.P. Lettinga, Grammatica van het Bijbels Hebreeuws 12e herz. ed. door M.F.J. Baasten en W.Th. van Peursen, Leiden 122012, § 7f; A.J.C. Verheij, Basisgrammatica van het Bijbels Hebreeuws, Delft 2002, 10- 11; J. Wesselius, Korte grammatica van het Bijbels Hebreeuws, Bussum 1998, 28.

10 Zie E.J. Revell, ‘The Oldest Evidence for the Hebrew Accent System’ Bulletin of the John Rylands Library 54 (1971-72), 214-222; E. Tov, The Greek Minor Prophets Scroll from Naḥ al Ḥever (8ḤevXIIgr) (Discoveries in the Judean Desert, 8), Oxford 1990, 9-12; P. Flint, ‘The Preliminary Edition of 5/6ḤevPsalms', Journal of Jewish Studies 51 (2000), 19-41. Zie verder meer uitgebreid R. de Hoop, ‘The System of Masoretic Accentuation in the Hebrew Bible’, en P. Sanders, ‘Colometric Layouts in Ancient Manuscripts of the Hebrew Bible’, in: R. de Hoop, P. Sanders (red.), Have a Break: Masoretic Traditions of Pauses in the Text of the Hebrew Bible (Pericope, 9), Sheffield (nog te verschijnen).,

(6)

stichen of verzen), is vaak onderbelicht gebleven.11 Historisch gesproken is het systeem van de accenten geleidelijk ontstaan en zijn de distinctieve ac- centtekens eerst aangebracht als een indicatie voor een rust tijdens het lezen van de tekst. Pas in een later stadium werd het systeem gecompleteerd met de conjunctieve of verbindende accenten.12 De accenten geven dus aanwijzingen wanneer er tijdens de lezing een kortere of langere pauze gelezen moet wor- den, en dat kan ergens anders zijn dan waar wij mogelijk een pauze op grond van de syntax zouden verwachten.13 De functie om aan de tekst betekenis te geven bij het lezen door middel van kortere en langere pauzes verklaart de Hebreeuwse naam t‘amim ( ) ‘uitleggers’.

Dat brengt mij op het tweede punt, het systeem van de accentuatie. Vanuit ons eigen schriftsysteem met interpunctie van komma, puntkomma, punt, vraagteken en uitroepteken, zijn wij geneigd de t‘amim op een zelfde wijze te benaderen. Dit is echter niet juist, omdat het systeem van accentuatie een sa- menhangend geheel is: een vaste combinatie van accenten waardoor een be- paald teken al dan niet de functie van een leespauze aan het einde van een eenheid heeft. Uitsluitend wanneer een accent voorafgegaan wordt door een ander ‘lichter’ distinctief accent (steeds in een vaste combinatie) heeft het be- treffende accent scheidende of afbakenende kracht. De vaste combinaties zijn de volgende:

voorafgaand ‘lichter’ accent gevolgd door afbakenend accent

tifcha gevolgd door silluq met sof passuq

tifcha gevolgd door atnach

pashta (of yetiv) (of ) gevolgd door zaqef qaton geresh (of gershayim) (of ) gevolgd door rvia‘

Tabel 1: Vaste combinatie van accenten

_____________

11 Meestal wordt een drietal functies van de accenten genoemd: de klemtoon van een woord, de syntax en de muzikale ofwel de recitatieve functie. De recitatieve functie met aandacht voor pauzes in de voordracht van de tekst, is de werkelijke raison d’être van de accenten, de andere twee zijn slechts ‘bijproducten’. Zie De Hoop, ‘Stress and Syntax; Music and Meaning’, 99-121.

12 M. Dietrich, Neue Palästinisch punktierte Bibelfragmente veröffentlicht und auf Text und Punktation hin untersucht (Massorah, II.1), Leiden 1968, 103-104; A. Dotan, ‘The Relative Chronology of Hebrew Vocalization and Accentuation’, Proceedings of the American Academy for Jewish Research 48 (1981), 87- 99; De Hoop, ‘Stress and Syntax; Music and Meaning’, 110-112, 116-117.

13 Vgl. hiervoor verder De Hoop, ‘Stress and Syntax, Music and Meaning’, 99-121.

(7)

Vgl. bijvoorbeeld 2 Samuël 22:8 (par. Ps. 18:8):14 Schudde en schokte de aarde,

de fundamenten van de hemel trilden,

ze schudden want woedend was Hij.

In het bovenstaande voorbeeld zien we in de eerste regel de combinatie pashta (bij ) en zaqef qaton (bij ); in de tweede regel de tifcha (bij ) en atnach (bij ), en tenslotte de tifcha (bij ) met silluq (bij ). Het herkennen van deze vaste combinaties is van belang voor het goed inschatten van de waarde van een distinctief accent. Een vergelijkbare combinatie, maar nu met tweemaal een bicolon, vinden we in 2 Samuël 22:7 (par. Ps. 18:7):15 In de nood van mij riep ik Yhwh

En tot mijn God riep ik;

Hij hoorde vanuit zijn paleis mijn stem,

En mijn geroep was in zijn oren.

Wanneer een distinctief accent nu niet wordt voorafgegaan door zijn vaste

‘lichtere’ distinctief accent, dan is het niet bedoeld als een afbakening van een eenheid (in poëtische teksten een ‘colon’ of ‘stiche’ genoemd).16 Vergelijk bijvoorbeeld in de tekst hieronder het eerste colon met zaqef qaton op . Doordat de zaqef niet voorafgegaan wordt door één van de beide vaste lichte scheidende accenten pashta ( ) of door yetiv ( ), geldt de zaqef in dit vers niet als indicatie voor het eind van een colon; de tekst is 2 Samuël 22:41 (par.

Ps. 18:41):17

En mijn vijanden, U gaf aan mij [hun] nek,

mijn haters, ik verdelgde hen, _____________

14 Voor de colometrische schrijfwijze in oude manuscripten en de accentuatie, zie: P. Sanders, ‘Ancient Colon Delimitations: 2 Samuel 22 and Psalm 18)’, in M.C.A. Korpel, J.M. Oesch (red.), Unit Delimitation in Biblical Hebrew and Northwest Semitic Literature (Pericope 4), Assen 2003, 277-311, 308, 309.

15 Sanders, ‘Ancient Colon Delimitations’, 309.

16 Doordat er een extra distinctief accent binnen een colon wordt gehanteerd, is er geen sprake meer van de gebruikelijke ‘dichotomie’ (tweedeling), maar is er sprake van een ‘trichotomie’ (driedeling). De verschil- lende patronen die daarin zijn, zijn beschreven in R. de Hoop, ‘“Trichotomy” in Masoretic Accentuation in Comparison with the Delimitation of Units in the Versions: With Special Attention to the Introduction to Direct Speech’, in M.C.A. Korpel, J.M. Oesch (red.), Unit Delimitation in Biblical Hebrew and Northwest Semitic Literature (Pericope 4), Assen 2003, 33-60.

17 Sanders, ‘Ancient Colon Delimitations’, 307-308, 311.

(8)

Dit systeem van twee- en driedeling door middel van de accenten is het dra- gende geraamte van de accentuatie.18 Hiermee wordt het ‘gewicht’ van de Masoretische accenten steeds op de juiste waarde geschat. Gebeurt dat niet dan kan dat tot onjuiste interpretaties van de bedoeling van de Masoreten lei- den.19 In de bespreking van de priesterzegen en de Decaloog die nu volgt, zal blijken dat het doorgronden van het systeem van belang is voor een goed be- grip van de indeling.

Het eerste en het laatste ‘Woord’

Een ieder die wel eens de Masoretische tekst van de Decaloog (Ex. 20/ Deut.

5) heeft geraadpleegd en daarbij ook aandacht heeft besteed aan de accentua- tie van de tekst, zal weten hoe complex de accentuatie daar overkomt. De tekst van de Tien Woorden weerspiegelt namelijk verschillende leestradities en indelingstradities. Τer illustratie eerst Exodus 20:2 (5:6):20

2

Het derde woord van dit vers, is voorzien van zowel een zaqef qaton als een atnach:

1. De zaqef qaton houdt de mogelijkheid open voor een volgende afba- kening verderop in de tekst door middel van de atnach (bij ). Dit wordt de ‘lage cantilatie’ genoemd.

2. De atnach bij , geldt als versdeler, die anticipeert op de silluq/sof passuq bij het laatste woord ( ), waarmee dit vers wordt afgesloten. Deze indeling van de Decaloog resulteert uiteinde- lijk in tien Masoretische verzen en dus tien ‘Woorden’.21 Dit is de

‘hoge cantilatie’.

De termen ‘hoge’ en ‘lage’ cantilatie verwijzen naar de plaats van de meeste accenten in de twee systemen: ‘superlineair’ bij de ‘hoge’, en ‘sublineair’ bij de ‘lage’cantilatie.22 Deze twee verschillende indelingen gaan terug op

_____________

18 Die twee- en drie-deling wordt ook di- en tri-chotomie genoemd. Het is soms zo dat er zelfs meer dan drie samenhangende distinctieve accenten een colon of eenheid markeren, maar om versnippering in termi- nologie te voorkomen hanteer ik de benamingen di- en trichotomie; vgl. hiervoor R. de Hoop, ‘The Colo- metry of Hebrew Verse and the Masoretic Accents: Evaluation of a Recent Approach’, Journal of North- west Semitic Languages 26 (2000) 65-100, 68, n. 13.

19 Bijvoorbeeld in Jes. 40:13a, waar het accent tifcha aanleiding gaf tot interpretatie als een inleiding op de directe rede; vgl. de discussie in R. de Hoop, ‘Isaiah 40.13, the Masoretes, Syntax and Literary Structure: A Rejoinder to Reinoud Oosting’, Journal for the Study of the Old Testament 33 (2009) 453-463.

20 Tussen haken steeds de vergelijkbare tekst in Deuteronomium, zonder vermelding van het bijbelboek.

21 Dat zijn de volgende eenheden: Ex. 20:2; 3–6; 7; 8–11; 12; 13; 14; 15; 16; 17; en Deut. 5:6; 7–10; 11;

12–15; 16; 17; 18; 19; 20; 21.

22 Tigay, Deuteronomy , 342.

(9)

respectievelijk de Babylonische en Palestijnse traditie en weerspiegelen dus verschillende leestradities. De Sefardische traditie is beïnvloed door de Baby- lonische en volgt bij de synagogale lezing de ‘hoge’ cantilatie (zowel tijdens het Wekenfeest als tijdens de reguliere lezing van de Tora). Daarnaast is de Askenazische traditie meer in lijn met de Palestijnse, en leest tijdens het We- kenfeest de Tora volgens de ‘hoge’ cantilatie, en bij de reguliere lezing door het jaar heen, wordt de Decaloog volgens de lage cantilatie gelezen.23

De eerstgenoemde combinatie van accenten, de ‘lage cantilatie’, verdeelt de Decaloog niet in tien ‘Woorden’. Aan het einde van het vers is een atnach geplaatst, die normaal gesproken binnen een vers een pauze aangeeft. Dit sug- gereert dat er blijkbaar nog een vervolg komt, hetgeen we in het volgende vers 3 (5:7) dan ook vinden:

2 3

Hier zien we inderdaad het laatste woord van het geheel, , voorzien van een silluq, zonder sof passuq weliswaar, maar toch duidelijk herkenbaar van- wege het vaste voorafgaand accent tifcha op het voorgaande woord .24 Wat hier ook opvalt is de dubbele vocalisatie van het laatste woordje waar twee mogelijkheden voor de uitspraak worden geboden: met de silluq als pausale vorm met qamets, en gewoon gevocaliseerd (behorend bij de hoge cantilatie, met de rvia‘).25 Dit systeem van de lage cantilatie resulteert in twaalf verzen; een indeling die zich van de inhoud minder lijkt aan te trekken, en eerder gericht lijkt te zijn op een goede en evenwichtige lezing of cantilatie van de tekst.26 Dit betekent dat we binnen de Masoretische traditie niet één, maar diverse indelingen van één tekst hebben en er dus verschillende indelin- gen naast elkaar kunnen bestaan.

Die impressie wordt nog versterkt door het feit dat de tekst van de Deca- loog ook nog eens onderverdeeld wordt in tien ‘Woorden’ d.m.v. setuma en petucha. Die indeling leidt er toe dat we vers 2–6 (5:6–10) als een eenheid kunnen lezen: de zelfvoorstellingsformule, het ‘geen andere goden’ en ‘geen beelden’ als één ‘Woord’. Deze indeling als eerste ‘Woord’ wordt bevestigd door bepaalde (Sefardische) manuscripten, die aan het eind van vers 2 (5:6)

_____________

23 Breuer, ‘Division by Verses or Commandments’, 329-330; Tigay, Deuteronomy , 342.

24 Daarnaast heeft ook rvia‘, wat weer hoort bij de ‘hoge cantilatie’ waar de tekst doorgelezen wordt tot aan het einde van vers 6.

25 Vgl. Lettinga-Baasten-Van Peursen, Grammatica, §26c.

26 Dat zijn in Exodus 20 de volgende eenheden: vv. 2–3; 4; 5; 6; 7; 8–11; 12; 13–16; 17. In Deuteronomium 5 zijn dat vv. 6–7; 8; 9; 10; 11; 12; 13; 14; 15; 16; 17–20; 21.

(10)

met ook nog rvia‘ in plaats van silluq lezen.27 Met deze afwijkende ac- centuatie kan dit gehele eerste deel van de Decaloog (20:2-6; 5:6-10) als één vers gelezen worden in overeenstemming met de setuma.

Wanneer we deze gegevens overzien, mogen we m.i. concluderen dat we in de Masoretische tekst te maken hebben met verschillende indelingstradities, die niet noodzakelijkerwijs met elkaar in overeenstemming zijn. Deze conclu- sie wordt nog eens bevestigd door het feit dat binnen vers 17 (5:21) een setu- ma is geplaatst bij de atnach en vervolgens een petucha aan het eind van het vers:28

29

De indeling d.m.v. setuma en petucha komt in v. 17 (5:21) niet overeen met de Masoretische accentuatie, aangezien we een setuma aantreffen in het mid- den van het vers waar de accentuatie een atnach leest. Met andere woorden, de Masoretische tekst van de Decaloog weerspiegelt verschillende indelingen, niet slechts één indeling.

De verschillende indelingen vinden hun weerklank in diverse theologische discussies rondom de tien Woorden. De indeling door middel van setuma en petucha vinden we min of meer aan christelijke zijde terug bij Augustinus

_____________

27 Dit vindt nog steeds zijn weerslag in Bijbeledities en commentaren. Vgl. bijvoorbeeld J. Dasberg, De Pentateuch met Haftaroth in het Nederlands vertaald, I: Bereshiet -Shemoth, Amsterdam 1970, 193;

idem, II: Vajikrah, Bemidbar, Dewariem, Amsterdam 1971, 229. Tigay, Deuteronomy , 342-343.

Daarnaast ook: N.H. Snaith, , London 1958 (groten-

deels gebaseerd op BM Or 2626-28); er zijn overigens ook edities van de zogenaamde ‘Snaith Bijbel’ (in combinatie met een Hebreeuws Nieuwe Testament van F. Delitsch [Haifa 1970]), waar deze rvia‘ ontbreekt op maar waar nog wel de vaste voorafgaande lichtere disjunctief geresh op staat. Voor deze Sefardische traditie en het duidelijk late en secundaire karakter van deze accentuatie, zie Breuer, ‘Dividing the Decalogue’, 293-303.

28 In Biblia Hebraica Stuttgartensia is deze setuma voor Ex. 20:17b niet afgedrukt, echter wel in A. Dotan (red.), Biblia Hebraica Leningradensis, Peabody (NY) 2001, 109. In de Codex Leningradensis, waarop de BHS en BHL gebaseerd zijn, vinden we een spatie hier, echter kleiner dan volgens de traditie noodzakelijk is voor een setuma (vgl. hiervoor I. Himbaza, Le Décalogue et l’histoire du texte: Etudes des formes textuelles du Décalogue et leurs implications dans l’histoire du texte de l’Ancien Testament [Orbis Biblicus et Orientalis, 207], 93-94). Deze kleine ruimtes voor een setuma komen vaker voor in MTL; zie bijvoorbeeld de setuma voor Ex. 22:6. In het geval van Ex. 20:17 zou de schrijver het tweede

recht onder het eerste hebben willen schrijven aangezien beide recht onder elkaar staan. Zie verder ook Deut. 5:21; en vgl. Perrot, ‘Petuhot et setumot’, 58; Oesch, Petucha und Setuma, T2+.

29 In vers 17 (5:21) worden d.m.v. petucha en setuma de laatste twee Woorden van de Tien gecreëerd. Frap- pant is dat de Sefardische traditie (die zich in vv. 2-6 aansloot bij de indeling van de tekst d.m.v. setuma;

zie boven, n. 27), hier geen extra vers creëert m.b.v. accenten om zo tot een indeling in Tien Woorden te komen. Dit betekent dat deze Sefardische traditie dus uiteindelijk met negen Woorden rekent in plaats van de gebruikelijke tien.

(11)

(354-430 n.Chr.). Hij leest de verzen 3-6 (5:7–10) als het eerste gebod, en vers 17 (5:21) als twee geboden. De eerste drie geboden (3–6, 7, 8–11 [5:7–

10; 11; 12–15]) legt hij uit als de eerste tafel van de wet en het eerste deel van het liefdegebod, om vervolgens deze drie geboden trinitarisch uit te werken.30 Deze indeling van de Decaloog vinden we ook terug bij Luther in zijn Kleine Catechismus, waar het eerste ‘gebod’ is: ‘Je zult geen andere goden hebben’.31 Maar ook aan joodse zijde blijft men deze indeling verdedigen; zo deelt ook reeds Abraham ibn Ezra in zijn commentaar op Deuteronomium de Decaloog op deze wijze in.32

Daarnaast is er (in lijn met de Talmudische indeling van de Decaloog) de interpretatie van Maimonides, die het eerste deel ‘Ik ben de Heer …’ als het eerste Woord, en het daarop volgend gedeelte (vv. 3–6 [5:7–10]) ‘Je zult geen andere goden …’ als het tweede Woord beschouwt.33 Het gaat er hierbij dan om dat deze twee Woorden de enige twee geboden uit de Thora zijn die door God zelf zijn uitgesproken (vanwege het gebruik van de 1.p.sg.: ‘Ik …’). De- ze interpretatie komt overeen met de zogenaamde hoge cantilatie, die aan het eind van vers 2 (5:6) een silluq/s of passuq leest, en daarna de volgende weer pas aan het einde van vers 6, en vervolgens vers 17 (5:21) als een eenheid leest. We vinden deze indeling ook terug in een manuscript van de Septuagin- ta, de Codex Vaticanus, waar elk eerste woord van een gebod niet tegen de linker kantlijn begint maar inspringt, de eerste letter groter wordt weergege- ven, en daarnaast in de marge de telling met de eerste tien letters van het Griekse alphabet wordt aangegeven.34 Een variant op deze indeling is de visie

_____________

30 B. Reicke, Die zehn Worte in Geschichte und Gegenwart: Zählung und Bedeutung der Gebote in den verschiedenen Konfessionen (BGBE, 13), Tübingen 1973, 10-12; M. Köckert, Die Zehn Gebote, München 2007, 104.

31 Belijdenisgeschriften voor de Protestantse Kerk in Nederland, ingeleid door K. Zwanepol, Zoetermeer/

Heerenveen 2004, 57.

32 Aldus G.B. Sarfatti, ‘The Tablets of the Law as a Symbol of Judaism’, in B.Z. Segal, G. Levi (red.), The Ten Commandments in History and Tradition, Jerusalem 1990, 383-417, 408, n. 145.

33 Zie hiervoor M.M. Kellner, ‘Maimonides, Crescas and Abravanel on Exod. 20:2: A Medieval Jewish Exegetical Dispute’, JQR 69 (1978-79) 129-157, 129-134. Reicke, Die zehn Worte, 42-43. We vinden deze indeling o.a. in de Babylonische Talmud, traktaat Makkot (23b-24), waar deze twee Woorden als ‘geboden’

worden aangehaald. Ze komt ook voor in de Mekhilta, zie M. van Loopik, De tien woorden in de Mekhilta, vertaald, ingeleid en voorzien van commentaar (Sleutelteksten in godsdienst en theologie, 4), Delft 1987, 150-153. Het blijkt echter dat deze indeling reeds bestond voor de vastlegging van de Talmudim, zie hier- voor Reicke, Die zehn Worte, 43-44, hetgeen erop lijkt te wijzen dat indeling d.m.v. setumot en petucha en de Talmudische indeling (die later in de accentuatie terug te vinden is) al heel vroeg naast elkaar bestonden.

34 Vgl. P. Sanders, ‘Review of Innocent Himbaza, Le Décalogue et l'histoire du texte: Etudes des formes textuelles du Décalogue et leurs implications dans l'histoire du texte de l'Ancien Testament’, Review of Biblical Literature [http://www.bookreviews.org] (2005), 4.

(12)

van Philo van Alexandrië, en van Josephus, die beiden de zelfvoorstellings- formule ‘Ik ben …’ als de inleiding op de wet beschouwen, ‘Je zal geen andere goden…’ als het eerste gebod nemen, en vervolgens het beeldenverbod als het tweede.35 Johannes Calvijn sluit hier min of meer bij aan, hoewel hij in de Geneefse Catechismus vv. 2–3 (5:6–7) als het eerste gebod laat leren en pas later uitsplitst in de inleiding op de hele wet en een eerste ‘gebod’.36 In de latere joodse traditie vinden we deze indeling terug, bijvoorbeeld op de hekhal (‘ark’) in de Portugees joodse synagoge in Amsterdam.37

Daartegenover staat de interpretatie van de Sefardische jood Ḥasdai ben Judah Crescas, die fel tegen de opvatting van Maimonides ingaat en benadrukt dat de eerste zin ‘Ik ben …’ geen gebod is, maar een uitspraak.38 Hij leest dit hele eerste gedeelte van de Decaloog (vv. 2-6 [5:6-10]) als een eenheid, over- eenkomstig met de Sefardische manuscripten die aan het eind van vers 2 rvia‘

lezen en dus vv. 2-6 als een eenheid beschouwen.39 De korte ‘Woorden’

Zoals hierboven al werd gesteld, is de traditie van de indeling van de Deca- loog gecompliceerd en zeker niet uniform. Dit blijkt ook uit de tekst van de vier korte Woorden uit de Decaloog, die moord, overspel, diefstal en vals ge- tuigenis verbieden, namelijk Exodus 20:13–16. In BHS vinden wij de tekst zo afgedrukt:

13 14

15

16

Evenals in de vv. 2–6, vinden we hier twee paar verschillende accenten in de eerste drie verzen.

_____________

35 Reicke, De zehn Worte, 21-22.

36 Belijdenisgeschriften voor de Protestantse Kerk, 126-127.

37 Zie: http://cf.uba.uva.nl/nl/publicaties/treasures/page/p34.html. Vgl verder Sarfatti, ‘The Tablets of the Law’, 414-416, die een aantal afbeeldingen vermeldt met een overeenkomstige indeling en waar het beel- denverbod als tweede gebod wordt gerekend.

38 Ḥasdai ben Judah Crescas was een Sefardische Jood, die leefde van 1340 tot 1411; zie: W.Z. Harvey,

‘Crescas, Ḥasdai ben Judah’, EncJud, volume 5 (2nd ed.), 284-288.

39 Vgl. hiervoor verder Breuer, ‘Dividing the Decalogue’, 300-303, die ook nog andere mogelijke interpre- taties noemt van deze indeling, die dan mogelijk wel met elkaar in overeenstemming zijn.

(13)
(14)

De indeling in BHS suggereert een colometrische indeling van de tekst, die wordt ondersteund door twee indelingstradities, namelijk de indeling op grond van setumot en de zogenaamde ‘hoge cantilatie’ – ta‘am ‘elyon –, terwijl daarnaast er ook de zogenaamde ‘lage cantilatie’ – ta‘am tachton – is, die de tekst indeelt op meer gangbare verslengte:

Lage cantilatie Hoge cantilatie

Je zult niet moorden.

Je zult niet overspel plegen.

Je zult niet stelen.

Je zult niet een vals getuigenis over je naaste afleggen

In de rechter kolom van de ‘hoge cantilatie’ heeft in de eerste drie verzen de eerste letter van het woord dat op het prohibitieve volgt een dagesh ( ), omdat het voorafgaande woord een distinctief accent heeft en om die reden bij de taw (één van de bgdkft-letters) een harde uitspraak vraagt.40 In de ‘lage cantilatie’ (linker kolom) heeft echter een conjunctief accent, wat om een zachte uitspraak vraagt wanneer de eerste letter van het eerstvolgende woord één van de bgdkft-letters is. Omdat dat in deze situatie met dubbele cantilatie bijzonder is, wordt dit aangegeven door de rafe boven de eerste letter, de taw ( ).41 Volgens het hiervoor beschreven systeem van Masoretische accentuatie suggereert de lage cantilatie nu een geheel andere indeling dan volgens de ho- ge cantilatie in de rechter kolom. De vier ‘Woorden’ worden nu niet als vier afzonderlijke Masoretische verzen gezien, maar als één vers:

Wanneer we de accentuatie voor een colometrische indeling gebruiken, krij- gen we de indeling die een bicolon vormt:

_____________

40 Zie Lettinga-Baasten-Van Peursen, Grammatica, § 13a.

41 Zie Lettinga-Baasten-Van Peursen, Grammatica, § 5g.

(15)

Je zult niet moorden, je zult geen overspel plegen,

Je zult niet stelen, je zult geen vals getuigenis over je naaste afleggen.

Deze colometrie is een ongebruikelijke indeling van de Decaloog en daardoor voor ons gevoel onwaarschijnlijk. Wij zijn gewend de tekst te beluisteren als een tekst met tien opdrachten, waarbij deze vier prohibitivi steeds afzonderlijk als een zelfstandig Woord of gebod worden gelezen. Los van de conventies uit de tradities, die ons dwingen om in de tekst tien Woorden te horen, blijft de vraag of het een waarschijnlijke indeling is, die vaker voorkomt. Een com- binatie van twee ontkenningen met tweemaal komt vaker voor binnen één colon en de volgende voorbeelden zijn enkele daarvan;42 zie allereerst Exodus 20:5:

Buig je niet voor hen neer, en dien hen niet.

Verder ook bijvoorbeeld Ex. 22:20:

Onderdruk de vreemdeling niet en benauwt hem niet, want vreemdelingen zijn jullie geweest in het land Egypte.

Leviticus 19:13:43

Pers uw naaste niet af, en roof niet;

niet blijft loon van een dagloner de nacht bij u tot de morgen.

_____________

42 Vgl. verder Ex. 23:24; Lev. 10:6; 19:26; Deut. 1:29, 42; 13:9(!); 31:8; Joz. 23:7; 1 Sam. 15:29; Jes. 7:7 (contrast v. 9); 8:12; 11:9; 42:2, 4; 45:17; 49:10; 65:25; Jer. 25:33; 31:40; Ezech. 24:14, 16; 29:5; Ps.

121:4; Job 3:26; 15:29; 2 Kron. 11:4.

43 Zie ook Lev. 19:11; vgl. Watson, Traditional Techniques, 189.

(16)

Hosea 3:3:

En ik zei tot haar: Vele dagen zal je blijven zitten;

je zal geen ontucht bedrijven en geen man toebehoren;

en ook ik zal niet tot je komen.

Daarnaast vinden we dergelijke constructies ook a-syndetisch naast elkaar, zoals in Deuteronium 16:19:

Buig het recht niet, zie de persoon niet aan.

Maar ook in Jesaja 40:21:44

Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Uit deze voorbeelden blijkt dat de indeling van Exodus 20:13–16 volgens de lage cantilatie op zich geen vreemd verschijnsel is in de Bijbelse literatuur en zeer zeker tot de mogelijke indelingen behoort. Dat wij niet gewend zijn de teksten zo te lezen, of dat de (bredere) literaire context (Ex. 34:28; Deut. 4:13) ons suggereert hier een tiental Woorden te lezen, kan geen doorslaggevende reden zijn deze lezing bij voorbaat af te wijzen. Juist het feit dat de indeling afwijkt van wat men gewend is binnen synagoge, kerk en wetenschap, zou een reden kunnen zijn om deze afwijkende indeling serieus te bestuderen. Deze indeling laat zich blijkbaar niet bepalen door de traditie, gaat daar zelfs tegen in, wanneer we haar met de indeling van de hoge cantilatie of d.m.v. setuma en petucha vergelijken.

Een dergelijke indeling geeft ook de ruimte aan die theorieën, die suggere- ren dat de Decaloog een andere vorm heeft gehad met meer of minder gebo- den dan waarin wij hem nu kennen.45 Het opent ons wel de ogen voor een

_____________

44 Vgl. ook Jes. 40:28. Voor deze indeling zie M.C.A. Korpel, J.C. de Moor, The Structure of Classical Hebrew Poetry: Isaiah 40-55 (OTS, 41), Leiden 1998, 33-34, 37.

45 Wat het eigenlijke aantal is, of mogelijk het originele aantal is geweest, daar zijn verschillende suggesties voor. Negen wordt als mogelijkheid genoemd door Houtman, Exodus, volume 3, 5. Acht door K.D.

Schunck, ‘Das 9. und 10. Gebot: jüngstes Glied des Dekalogs?’, Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 96 (1984), 104-109. Zeven door C. Levin, ‘Der Dekalog am Sinai’, Vetus Testamentum 35

(17)

mogelijke andere indeling en daarmee ook voor een andere klank van de De- caloog. Wanneer deze vier verboden volgens de klassieke indeling worden ge- lezen, krijgt elk ‘Woord’ ook echt de klank van een gebod/verbod, wat bena- drukt wordt door de rustpauze die daarna ‘klinkt’. Wanneer ze aan-elkaar-ge- koppeld gelezen worden, klinken ze anders en lichter, wordt de tekst poëtisch en geeft daardoor een andere boodschap af. Het is niet meer in de vorm van elkaar dreunend opeenvolgende prohibitivi, waardoor het geheel minder mo- ralistisch wordt. Het wordt wel eens gesteld dat het grammaticaal mogelijk is de werkwoordsvormen van de Decaloog te vertalen als futurum, een belofte:

je zult dit niet meer doen nu je bevrijd bent uit de slavernij (v. 2 [5:6]).46 Vanwege de context, maar vooral de gehele tekst van de Decaloog zelf, kan het gebodskarakter van de Decaloog als een verbondssluiting niet ontkend worden. Toch hebben een aantal van de Woorden die dubbelheid in zich. De- ze dubbelheid, enerzijds ‘je mag dat niet doen’ en anderzijds ‘je zal dat niet doen’ komt ook sterk tot uitdrukking in een gebodstekst als bijvoorbeeld Deuteronomium 7:21:47

Je zult voor hen niet sidderen,

want YHWH, je God, is in je midden

een god, groot en ontzagwekkend.

__________________________

(1985) 165-191. B. Lang, ‘Twelve Commandments - Three Stages: A New Theory on the Formation of the Decalogue’, in: J.C. Exum, H.G.M. Williamson (red.), Reading from Right to Left: Essays on the Hebrew Bible in Honour of D.J.A. Clines (JSOTS, 373), Sheffield 2003, 290-300, spreekt over een originele Pentalogue, die uitbreiding onderging en uiteindelijk resulteert in twaalf. De verdeling van de ‘Decaloog’

in ‘slechts’ tien woorden is absoluut niet evident; vgl. bijvoorbeeld T. Veijola, Das fünfte Buch Mose: Deu- teromium Kapitel 1,1-16,17 (ATD 8/1), Göttingen 2004, 147-148. Verder ook Sarfatti, ‘The Tablets of the Law’, 414, die wijst op sommige weergaven van de Decaloog die twaalf Woorden hebben in plaats van tien. Daarnaast verwijst Sarna, Exodus , 107, naar traditionele joodse exegese, die zelfs met dertien woorden rekent. Himbaza, Le Décalogue, 106, noemt Maimonides die veertien Woorden opnoemt; terwijl Reicke, Die zehn Worte, 1, n. 1, zelfs een verdeling in vijftien Woorden noemt.

46 Zie bijv. W.R. van der Zee, Tien klinkende woorden: Uitleg van de tien geboden: Exodus 20 vers 1 tot 17, Zoetermeer 1977, 12. Dit is grammaticaal correct, zo wordt de combinatie van gevolgd door een imperfectum gebruikt om een categorisch gebod tot uitdrukking te brengen; zie Gen. 2:17; vgl. Lettinga- Baasten-Van Peursen, Grammatica, § 77l. Daarnaast wordt deze combinatie van met een imperfectum ook vaak gebruikt voor de aanduiding van wat in de toekomst niet zal (of mag) gebeuren; vgl. bijvoorbeeld Gen. 14:23; 49:4; Recht. 6:23; 1 Sam. 20:2; Jes. 33:19; 51:22; 54:4; Micha 5:12. Vergelijkbare voorbeelden zijn zelfs te geven voor imperativi, vgl. B.K. Waltke, M. O’Connor, An Introduction to Biblical Hebrew Syntax, Winona Lake (IN) 1990, 572.

47 Vgl. verder ook Gen. 14:23; 17:15; Deut. 7;18; Jes. 44:21; 54:14.

(18)

Numeri 6:24-26

Met Numeri 6:24-26 hebben we te maken met een tekst die binnen de liturgie van de synagoge en binnen met name de protestantse traditie een plaats heeft gekregen in de liturgie. Het is een overbekende tekst, die wanneer hij in de li- turgie klinkt meestal zo uitgesproken wordt:

YHWH zegene u en behoede u

YHWH lichte zijn gezicht over u en zij u genadig

YHWH verheffe zijn gezicht over u en geve u vrede.

Hoewel de indeling in liturgische handboeken nog wel eens afwijkt,48 blijkt binnen de oudtestamentische literatuur wanneer men de structuur van de tekst bekijkt, deze indeling favoriet te zijn.49 Opvallend is echter dat we in de mees- te Bijbelvertalingen de volgende indeling vinden:50

YHWH zegene u en behoede u.

YHWH lichte zijn gezicht over u en zij u genadig.

YHWH verheffe zijn gezicht over u en geve u vrede.

Een dergelijke indeling vinden we ook vaak in de handboeken van joodse au- teurs over de joodse godsdienst en liturgie, wat terug te voeren lijkt op de in- deling van de Hebreeuwse tekst door middel van setumot:51

_____________

48 M.A. Vrijlandt, Liturgiek, ’s-Gravenhage, Zoetermeer 31992, 239; Van Leeuwen, ‘Wegzending en zegen’, 260; Dienstboek, deel 1, 174 (bijvoorbeeld). Opmerkelijk is dat men het eerste vers (v. 24) als één colon weergeeft, terwijl zowel het tweede als het derde vers (vv. 25-26) als bicola worden weergegeven.

49 Zie D.N. Freedman, ‘The Aaronic Benediction (Numbers 6:24-26)’, in: idem, Pottery, Poetry, and Prophecy: Studies in Early Hebrew Poetry, Winona Lake (IN) 1980, 229-242; E. Talstra, Oude en nieuwe lezers: Een inleiding in de methoden van uitleg van het Oude Testament, Kampen 2002, 37-90, esp. 54;

M.C.A. Korpel, ‘The Poetic Structure of the Priestly Blessing’, JSOT 45 (1989) 3-13; idem, ‘The Priestly Blessing Revisited (Num. 6:22– 27)’, in: M.C.A. Korpel, J.M. Oesch (red.), Unit Delimitation in Biblical Hebrew and Northwest Semitic Literature (Pericope, 4), Assen 2003, 61-88, esp. 82. Vgl. ook de indeling in BHK (1913); BHS.

50 Vgl.: StV; NBG; KJV; RSV; NRSV; NAV; JPS; LB; EÜ; Buber. Dat de tekst aldus ingedeeld is, zegt nog niets over de poëtische analyse van de tekst; cf. J. Milgrom, Numbers : The traditional Hebrew text with the new JPS translation (The JPS Torah Commentary), Philadelphia 1989, 51 die deze in- deling van JPS lijkt te volgen, maar anderzijds ervan uit gaat dat de zegen uit zes cola bestaat. Zie echter ook: GNB; NEB; WEB; NET, die elk op hun eigen wijze een indeling volgen zoals boven gesuggereerd.

51 Vgl. D. Hausdorf, Jom jom: Voor de Joodse jeugd in Nederland, Amsterdam 21976, 25; De Vries, Joodse riten en symbolen, 38.

(19)

24

25

26

Daarentegen vinden we in de vakliteratuur een voorkeur voor de indeling in drie bicola (of disticha), zoals we dat min of meer vanuit de liturgie gewend zijn:

24

25

26

Dat de zegenspreuk poëzie is, behoeft geen discussie: het duidelijke parallelis- me, de diverse woordparen en de stijl spreken voor zich.52 Maar wel is de vraag: hoe moet de tekst worden ingedeeld? Hebben we hier te maken een drietal cola of stiches, die alle drie bepaald worden door het zogenaamde half- line of intra-colon parallelisme?53 Of hebben we hier te maken met drie bico- la? De vraagstelling suggereert uniformiteit, een zwart-wit denken: of het één of het ander. Voor de indeling in bicola lijkt in ieder geval de lengte van het laatste vers te pleiten, vers 26:

26

Deze indeling wordt ook ondersteund door de Masoretische accenten, het eer- ste colon wordt gemarkeerd door de vaste combinatie van pashta gevolgd door zaqef qaton; het tweede colon door de vaste combinatie van tifcha ge- volgd silluq/sof passuq. Het ligt dan ook min of meer voor de hand deze twee onderdelen te zien als één poëtisch vers, dat wil zeggen een bicolon.

_____________

52 Zie verder Korpel, ‘Poetic Structure’, 3-13; idem, ‘The Priestly Blessing Revisited’, 61-88.

53 Vgl. voor het verschijnsel van ‘half-line’ of intra-colon parallelisme de uitgebreide studies van W.G.E.

Watson, Traditional Techniques in Classical Hebrew Verse (JSOTS, 170), Sheffield 1994, 104-191.

(20)

Anders is het echter met de twee voorgaande verzen, vv. 24–25. Beide verzen zijn relatief kort en behoeven niet noodzakelijkerwijs opgesplitst te worden. Dit lijkt weer in lijn te zijn met de indeling die we in de meeste Bij- belvertalingen tegenkomen: De Masoretische accenten ondersteunen hier een lezing van steeds één colon per vers:

24

25

In vers 24 wordt de silluq/sof passuq voorafgegaan door de vaste voorganger tifcha wat vraagt om een leeswijze als één colon. Vers 25 wordt eveneens af- gesloten door silluq/sof passuq voorafgegaan door de vaste voorganger tifcha.

Hier zien we echter een uitbreiding van het systeem van de zogenaamde di- chotomie met een accent uit een lichtere graad, namelijk tevir ( ), die de vaste voorganger is van de tifcha. Zo ontstaat dus binnen een afgebakende eenheid (een colon of stiche) een zogenaamde trichotomie, een driedeling, die aan het lezen van die eenheid bij de lezing een bepaalde cadans geeft.54 Wanneer we de tekst op die manier indelen, zijn vv. 24–25 parallel en vormen samen een bicolon; we krijgen dan de volgende indeling:

24 25

26

Deze indeling is voor het laatste bicolon niet ongebruikelijk, voor het eerste wel omdat ze van elkaar gescheiden worden door de setuma, en beiden ook een apart Masoretisch vers vormen. Dat zou er voor kunnen pleiten dat we beide verzen moeten beschouwen als een unicolon. Echter, het is uitermate onwaarschijnlijk dat twee unicola na elkaar voorkomen, zeker wanneer ze ge- kenmerkt worden door zulk sterk parallelisme als hier het geval is. Het komt overigens wel vaker voor dat de indeling op grond van petucha en setuma af- wijkt van de indeling op grond van de Masoretische accenten.55

Interessant is in dit geval de overeenkomst tussen de tekst van Psalm 67:2 en onze eerste twee verzen. Qua woordkeus vinden we daar een sterke over- eenkomst. De onderstaande colometrische indeling is de meest gangbare (zie

_____________

54 De Hoop, ‘“Trichotomy” in Masoretic Accentuation’, 36-39.

55 Vgl. bijvoorbeeld Gen. 35:22, waar we eveneens het verschijnsel van de dubbele accentuatie hebben, vergelijkbaar met de Decaloog; zie verder: D.B. Weisberg, ‘“Break in the Middle of a Verse”: Some Observations on a Masoretic Feature’, in: J.C. Reeves, J. Kampen (red.), Pursuing the Text: Studies in Honor of Ben Zion Wacholder (JSOTS, 184), Sheffield 1994, 34-45.

(21)

ook BHS),en is in overeenstemming met de Masoretische accentuatie:56

God zal ons genadig zijn en ons zegenen, Zijn gezicht zal over ons lichten [sela].

Bij deze indeling hebben we in het eerste colon te maken met het zogenaamde

‘half-line’ of wel ‘intra-colon’ parallelisme van en , wat vervol- gens parallel staat met het tweede colon . Deze vorm van paral- lelisme in de Hebreeuwse poëzie, d.w.z. het parallellisme binnen één colon (of stiche), wordt bij analyses van Hebreeuwse poëzie wel eens veronacht- zaamd, waardoor teksten te veel opgedeeld worden vanwege parallellisme en zodoende gefragmenteerd kunnen raken.

De colometrische indeling van Psalm 67:2 ondersteunt de indeling van de priesterzegen zoals die gesuggereerd wordt door de accenten. In deze vorm komt ook sterk naar voren wat in veel exegetische studies over Numeri 6 be- nadrukt wordt. De toename van het aantal woorden, syllaben, en letters, weer- spiegelt de inhoud van de tekst, namelijk de sterke toename van de zegen van God.57 De hierboven gegeven Masoretische indeling laat dat tot uitdrukking komen door twee parallelle zegen-woorden ( // en // ) in één co- lon te plaatsen, om vervolgens de zegen uit te laten barsten als in een crescen- do in zegen-woorden die vanwege de uitgebreidheid verdeeld worden over een bicolon. Het verschil tussen de indeling op grond van de accenten en die op grond van setumot kan verklaard worden door het feit dat de laatstgenoem- de indeling bepaald is door de liturgische Sitz im Leben. Deze setting, waarbij de zegen op een plechtige wijze wordt uitgesproken, kan ertoe geleid hebben dat de tekst in de manuscripten al in een vroeg stadium een overeenkomstige indeling kreeg door middel van setumot, die niet noodzakelijkerwijs in over- eenstemming is met de literaire, en in dit geval de poëtische indeling van de tekst.58

_____________

56 Vgl Watson, Traditional Techniques, 384; J.P. Fokkelman, The Psalms in Form: The Hebrew Psalter in its Poetic Shape, Leiden 2002, 67; idem, Major Poems of the Hebrew Bible at the Interface of Prosody and Structural Analysis, Volume III: The Remaining 65 Psalms (SSN, 43), Assen 2003, 119-120, 349; P. van der Lugt, Psalm en getal: God woont in de witregels, Bergambacht 2011, 128-129. Een andere indeling vinden we bij Talstra, Oude en Nieuwe Lezers, 57; hoewel het in zijn studie om syntactische structuren gaat en niet zozeer om een analyse van de poëtische structuur.

57 Korpel, ‘The Priestly Blessing Revisited’, 80.

58Pace Korpel, ‘The Priestly Blessing Revisited’, 80-81.

(22)

Conclusie

De Masoretische accentuatie belicht de Bijbelse tekst op een geheel eigen wij- ze en werpt daarbij interessant licht op de uitleg van de tekst. In het voorgaan- de heb ik aangetoond dat het de moeite waard is de indeling van de tekst zoals die door de Masoreten is overgeleverd serieus te overwegen. De indeling van de priesterzegen laat een zegen zien die naar een crescendo toewerkt, niet al- leen met het aantal woorden maar ook in opbouw. Bij de vier korte Woorden in de Decaloog (vv. 13–16 [5:17–20]) zie we dat ze ook als één bicolon gele- zen kunnen worden. Hierdoor klinken ze anders, minder plechtig, maar vol van belofte. Daarnaast bieden de verschillende indelingen van het eerste deel van de Decaloog ons de mogelijkheid deze te linken aan de interpretatie van de tekst in verschillende tradities en zetten ze ons juist aan om onze plaats te bepalen in de verschillende tradities.

De Masoretische accentuatie helpt ons op een andere wijze naar de tekst te kijken, zowel wat betreft onze interpretatie van de tekst, als ook wat betreft onze visie in het algemeen op de structuur van Hebreeuwse teksten en Hebreeuwse poëzie.

Dr Raymond de Hoop is predikant van de Protestantse Gemeente te Oudewater, Oude Hekendorperweg 10, 3421 GE Oudewater, raymond.de.hoop@gmail.com.

Afbeelding

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :