BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer) 25 oktober 2001 *

Hele tekst

(1)

BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Tweede kamer) 25 oktober 2001 *

In zaak T-354/00,

Métropole télévision SA (M6), gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door D. Théophile, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Wiedner en B. Mongin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 12 september 2000 houdende afwijzing van verzoeksters klacht van 6 maart 2000,

* Procestaal: Frans.

II - 3179

(2)

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. M. Moura Ramos, kamerpresident, J. Pirrung, en A. W. H. Meij, rechters,

griffier: H. Jung, de navolgende

Beschikking

Feiten en voorgeschiedenis van het geschil

1 De Europese Radio Unie (hierna: „ERU") is een vereniging zonder winstoogmerk van radio- en televisieomroeporganisaties, die is opgericht in 1950 en is gevestigd te Genève (Zwitserland). Volgens artikel 2 van haar statuten, zoals gewijzigd op 3 juli 1992, heeft de ERU tot doel de belangen van haar leden op het gebied van programma's en in juridische, technische en andere aangelegenheden te beharti- gen, en meer bepaald met alle mogelijke middelen — bijvoorbeeld Eurovisie en Euroradio — de uitwisseling van radio- en televisieprogramma's te ondersteunen en de samenwerking tussen haar leden onderling en met andere omroeporgani- saties of groepen van omroeporganisaties te bevorderen, alsmede haar leden bij het voeren van onderhandelingen van welke aard ook bij te staan of op hun verzoek namens hen onderhandelingen te voeren.

2 Eurovisie vormt het belangrijkste kader waarbinnen de actieve leden van de ERU programma's uitwisselen. Eurovisie bestaat sinds 1954 en vormt een wezenlijk II - 3180

(3)

onderdeel van de doelstellingen van de ERU. Artikel 3, lid 6, van de statuten van ERU luidt in de redactie van 3 juli 1992: „Eurovisie is een door de ERU georganiseerd en gecoördineerd systeem voor de uitwisseling van televisiepro- gramma's, gebaseerd op de verbintenis van de leden om elkaar op basis van wederkerigheid [...] hun reportages van sportmanifestaties en culturele evene- menten, die op hun nationaal grondgebied plaatsvinden, aan te bieden, wanneer deze van belang kunnen zijn voor de andere leden van Eurovisie, zodat zij hun nationale publiek op deze gebieden een hoogwaardige dienst kunnen aanbieden."

Leden van Eurovisie zijn de actieve leden van de ERU, evenals de consortia van haar actieve leden. Alle actieve ERU-leden kunnen deelnemen aan een systeem voor de gemeenschappelijke verwerving en verdeling van televisierechten (en de desbetreffende kosten) voor internationale sportevenementen, de zogenoemde

„Eurovisie-rechten ".

3 Om actief lid te kunnen worden, moet een omroeporganisatie aan de voorwaarden van artikel 3, lid 3, van de statuten (hierna: „lidmaatschapsvoor- waarden") voldoen. Deze voorwaarden betreffen met name de mate van nationaal bereik en de aard en de financiering.

4 Tot 1 maart 1988 konden alleen leden gebruik maken van de diensten van de ERU en de Eurovisie. Bij de herziening van de statuten van de ERU in 1988 is aan artikel 3 evenwel een nieuw lid (lid 6) toegevoegd, dat de contractuele toegang tot Eurovisie voor geassocieerde leden en niet-leden van de ERU regelt.

5 Na een klacht van 17 december 1987 van de vennootschap Screensport heeft de Commissie onderzocht of de regels van het Eurovisie-systeem inzake de gemeen- schappelijke verwerving en verdeling van televisierechten voor sportevenementen verenigbaar waren met artikel 81 EG. De klacht betrof inzonderheid de weige- ring van de ERU en haar leden om sublicenties voor de uitzending van sportevenementen te verlenen. Op 12 december 1988 zond de Commissie de ERU een mededeling van punten van bezwaar betreffende de regels inzake de verwerving en het gebruik van — doorgaans exclusieve — televisierechten op sportevenementen in het kader van het Eurovisie-systeem. De Commissie verklaarde zich bereid een ontheffing voor deze regels in overweging te nemen,

I I - 3181

(4)

mits voor een aanzienlijk gedeelte van de betrokken rechten en tegen redelijke voorwaarden de verplichting tot het verlenen van onderlicenties aan niet-leden zou gelden.

6 Op 3 april 1989 meldde de ERU haar statutaire bepalingen en andere regels betreffende de verwerving van televisierechten voor sportevenementen, de uitwisseling van sportuitzendingen in het kader van Eurovisie en de contractuele toegang van derden tot die uitzendingen bij de Commissie aan, met het verzoek om een negatieve verklaring of, indien dit niet mogelijk was, een ontheffing krachtens artikel 81, lid 3, EG.

7 Nadat de ERU de regels voor het verkrijgen van sublicenties voor de betrokken uitzendingen had gewijzigd, gaf de Commissie op 11 juni 1993 beschikking 93/403/EEG inzake een procedure op grond van artikel [81] van het EEG- Verdrag (PB L 179, blz. 23), waarbij zij een ontheffing verleende krachtens lid 3 van voornoemd artikel (hierna: „Eerste ontheffingsbeschikking").

8 Deze beschikking is nietig verklaard bij arrest van het Gerecht van 11 juli 1996, Métropole télévision e.a./Commissie (T-528/93, T-542/93, T-543/93 en T-546/93, Jurispr. blz. II-649; hierna: „arrest van 11 juli 1996").

9 Sinds 1987 heeft Métropole télévision (hierna: „M6") zich zes keer kandidaat gesteld voor toelating tot de ERU. Elke keer werd haar kandidatuur afgewezen op grond dat zij niet voldeed aan de statutaire lidmaatschapscriteria van de ERU. Na de laatste weigering van de ERU diende M6 op 5 december 1997 een klacht in bij de Commissie waarin zij de handelwijze van de ERU jegens haar aan de kaak stelde, inzonderheid het feit dat haar toelating „systematisch en a priori" werd geweigerd.

II-3182

(5)

10 Op 3 april 1998 heeft de ERU artikel 3, lid 3, van haar statuten gewijzigd, door onder meer als voorwaarde toe te voegen dat de kandidaat-televisiezender onafhankelijk moest zijn van agentschappen die sportrechten verwerven en met de ERU in concurrentie staan, en heeft zij tevens nieuwe regels voor de uitlegging van deze criteria (hierna: „nieuwe lidmaatschapscriteria") vastgesteld. Deze nieuwe regels zijn dezelfde dag bij de Commissie aangemeld.

1 1 Bij beschikking van 29 juni 1999 heeft de Commissie verzoeksters klacht afgewezen.

12 Bij arrest van 21 maart 2001 heeft het Gerecht deze afwijzende beschikking nietig verklaard wegens ontbrekende motivering en schending van de verplichtingen die op de Commissie rusten bij de behandeling van klachten (Metropole télévision/

Commissie, T-206/99, Jurispr. blz. II-1057).

13 Inmiddels heeft M6 op 6 maart 2000 een nieuwe klacht bij de Commissie ingediend en deze verzocht te verklaren dat de nieuwe lidmaatschapscriteria voor de ERU de mededinging beperken en niet in aanmerking kunnen komen voor een ontheffing uit hoofde van artikel 81, lid 3, EG.

14 Op 10 mei 2000 heeft de Commissie een nieuwe ontheffingsbeschikking [beschikking 2000/400/EG inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (PB L 151, blz. 18)] vastgesteld, waarin zij overeenkomstig artikel 81, lid 3, EG de bepalingen van artikel 81, lid 1, EG voor de periode van 26 februari 1993 tot en met 31 december 2005 buiten toepassing verklaart voor de overeenkomsten inzake de gezamenlijke verwerving van televisierechten voor sportevenementen, het delen van de gezamenlijk verworven televisierechten voor sportevenementen, de uitwisseling van het signaal voor sportevenementen, de regeling betreffende de toegang van niet-ERU-leden tot Eurovisiesportrechten, alsmede inzake de sublicentieregels betreffende de exploitatie van Eurovisie- rechten op betaaltelevisiekanalen (artikel 1). Aan de ontheffingsverklaring zijn voorwaarden en verplichtingen verbonden (artikel 2).

II- 3183

(6)

15 In deze beschikking verklaart de Commissie met betrekking tot de lidmaat- schapscriteria:

„67 De Commissie erkent dat de onduidelijke bewoordingen van haar [eerste ontheffingsbeschikking] aanleiding hebben gegeven tot de uitlegging van het Gerecht dat de Commissie de lidmaatschapsregels van de ERU als mededin- gingsbeperkend had beschouwd en hiervoor ontheffing had verleend, wat niet het geval was. De in artikel 3, lid 3, vervatte voorwaarden voor actief lidmaatschap waren zelfs niet door de ERU bij de Commissie aangemeld; de aanmelding betrof uitsluitend het ,Eurovisiesysteem'.

68 De Commissie blijft van mening dat de lidmaatschapsregels van een beroepsorganisatie van omroepen op zich de mededinging niet kunnen beperken in de zin van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag. Er zij op gewezen dat vele andere organisaties en samenwerkingsverbanden in Europa, met economische activiteiten op de markt, interne lidmaatschapsregels hebben die vergelijkbaar zijn met die van de ERU. Er kan geen verplichting uit hoofde van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag op dergelijke organisaties rusten om tegen hun wil leden te accepteren. Dit geldt met name voor organisaties als de ERU, met een marktpositie die hen niet in staat stelt de mededinging uit te schakelen [...].

Derden die vergelijkbare organisaties willen oprichten, zijn vrij dit te doen.

69 De Commissie is van oordeel dat het een volledig ander vraagstuk is of binnen dergelijke organisaties beperkingen van de mededinging worden afgesproken.

Deze mogelijke beperkingen worden in de overwegingen 71 tot en met 80 afzonderlijk beoordeeld."

16 Op 13 juli 2000 heeft M6 beroep ingesteld tegen deze beschikking. Dat beroep is ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder nummer T-185/00.

II - 3184

(7)

17 Bij brief van 12 september 2000 (hierna: „bestreden beschikking") heeft de Commissie de klacht van 6 maart 2000 afgewezen in de volgende bewoordingen:

„Ik stel vast dat uw klacht de termen en argumenten overneemt van uw klacht van 5 december 1997, die de Commissie bij beschikking van 29 juni 1999 heeft afgewezen. Tegen deze beschikking heeft u op 15 september 1999 beroep ingesteld. De in de klacht gerezen vragen zijn thans dus voorgelegd aan het Gerecht van eerste aanleg, dat de verschillende aangevoerde argumenten zal moeten onderzoeken.

Tussen de huidige situatie en die van december 1997 is geen enkele wijziging opgetreden die een nieuwe klacht van M6 zou rechtvaardigen.

Ten slotte heeft u op 13 juli 2000 beroep bij het Gerecht van eerste aanleg tegen de beschikking van 10 mei 2000 tot ontheffing van het systeem van gemeen- schappelijke verwerving van de ERU ingesteld. Ook in dat beroep werpt u

— evenals in de twee klachten, en met dezelfde argumenten — de vraag op betreffende de voorwaarden voor toelating en deelneming aan het ERU-systeem.

Gelet op een en ander en op het feit dat uw klacht van 6 maart laatstleden een herhaling is, is zij wat de aan het Gerecht voorgelegde vragen betreft zonder voorwerp en nuttig effect.

Zij behoeft dus geen verder onderzoek."

II - 3185

(8)

Procesverloop en conclusies van partijen

18 Bij op 23 november 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

19 Bij op 21 december 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen dit beroep opgeworpen.

20 Verzoekster heeft op 12 februari 2001 haar opmerkingen over deze exceptie ingediend.

21 Bij op 17 april 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de ERU verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van verweersters conclusies.

22 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:

— het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

— verzoekster te verwijzen in de kosten.

II - 3186

(9)

23 In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:

— het beroep ontvankelijk te verklaren;

— de Commissie te verwijzen in de kosten.

24 Bij brief van 5 april 2001 heeft het Gerecht verzoekster gevraagd of zij het nuttig vond de procedure voort te zetten, gelet op het feit dat de Commissie bij een eventuele nietigverklaring van de bestreden beschikking in voorkomend geval verplicht zou zijn haar standpunt over de nieuwe lidmaatschapscriteria te bepalen en zij zulks reeds had gedaan in beschikking 2000/400, die verzoekster in zaak T-185/00 aanvecht.

25 Bij faxbericht van 19 april 2001 heeft verzoekster aan het Gerecht geantwoord.

In haar antwoord voert zij twee redenen aan waarom zij de voortzetting van de procedure in de onderhavige zaak nuttig vindt. In de eerste plaats neemt de Commissie in beschikking 2000/400 geen standpunt in over alle punten in verzoeksters klacht van 6 maart 2000, en met name niet over verzoeksters kritiek dat voor de nieuwe lidmaatschapscriteria geen ontheffing overeenkomstig artikel 81, lid 3, EG kan worden verleend. Dienaangaande preciseert zij dat

„nu de Commissie in haar beschikking van 10 mei 2000 niet ingaat op deze punten, M6 bij beëindiging van het onderhavige geding geen antwoord zou krijgen op datgene waar haar betoog in wezen om draait".

26 In de tweede plaats stelt verzoekster dat, aangezien haar beroep is gebaseerd op schending van bepaalde procedurele regels bij de behandeling van klachten, zij er nog steeds belang bij heeft dat tegen deze schending in een arrest van het Gerecht een sanctie wordt getroffen.

II - 3187

(10)

De ontvankelijkheid

27 Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 en 4, van dit Reglement in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet- ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen. Daartoe behoren volgens vaste rechtspraak de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring (zie in het bijzonder beschikking Gerecht van 15 september 1998, Michailidis e.a./Commissie, T-100/94, Jurispr. blz. II-3115, punt 49, en aldaar geciteerde rechtspraak). Het Gerecht is dus niet enkel gebonden aan de door verweerster in de exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerde middelen.

28 In casu acht het Gerecht zich voldoende ingelicht door de processtukken en beslist het krachtens dit artikel uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

29 Volgens vaste rechtspraak zijn als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, te beschouwen, maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arrest Gerecht van 10 juli 1990, Automec/Commissie, T-64/89, Jurispr. blz. II-367, punt 42, en beschikking Gerecht van 16 maart 1998, Goldstein/Commissie, T-235/95, Jurispr. blz. II-523, punt 37).

30 Nagegaan moet dus worden of de bestreden beschikking verzoeksters belangen aantast doordat zij haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigt. Alleen dan zou verzoekster belang hebben bij de nietigverklaring van de bestreden handeling.

31 Vóór de vaststelling van de bestreden beschikking heeft de Commissie beschik- king 2000/400 gegeven, waarvan de inhoud in punt 15 hierboven is weergegeven.

In deze beschikking stelt de Commissie zich op het standpunt dat de criteria voor II-3188

(11)

het lidmaatschap van de ERU niet binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG vallen omdat „de lidmaatschapsregels van een beroepsorganisatie van omroepen op zich de mededinging niet kunnen beperken in de zin van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag" en dat het een volledig ander vraagstuk is „of binnen dergelijke organisaties beperkingen van de mededinging worden afgesproken".

32 Aangezien de Commissie in de bestreden beschikking alleen heeft verwezen naar het standpunt dat zij duidelijk en uitdrukkelijk in beschikking 2000/400 had ingenomen, moet de bestreden beschikking louter als een bevestiging van beschikking 2000/400 worden beschouwd (zie arrest Hof van 25 oktober 1977, Metro/Commissie, 26/76, Jurispr. blz. 1875, punt 4).

33 Wat de mogelijkheid betreft om een bevestigend besluit aan te vechten, beroept verzoekster zich op de rechtspraak volgens welke een beroep tegen een bevestigend besluit alleen dan niet-ontvankelijk is, wanneer het bevestigde besluit voor de betrokkene onherroepelijk is geworden doordat er niet tijdig beroep tegen is ingesteld. Wanneer de verzoeker — zoals in casu — het bevestigde besluit binnen de gestelde termijn heeft aangevochten, kan hij het bevestigde besluit, of ook beide besluiten aanvechten (arrest Hof van 11 mei 1989, Maurissen en Union syndicale/Rekenkamer, 193/87 en 194/87, Jurispr.

blz. 1045, punt 26, en arrest Gerecht van 27 oktober 1994, Chavane de Dalmassy e.a./Commissie, T-64/92, JurAmbt. blz. I-A-227 en II-723, punt 25).

34 Het is juist dat het begrip „bevestigend besluit" in de rechtspraak met name is ontwikkeld om te voorkomen dat door het instellen van beroep reeds verstreken beroepstermijnen opnieuw zouden ingaan (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 16 september 1998, Waterleiding Maatschappij/Commissie, T-188/95, Jurispr.

blz. II-3713, punt 108). Bijgevolg heeft de gemeenschapsrechter in situaties waarin niet is gebleken van een dergelijk misbruik van beroepstermijnen, bij bepaalde gelegenheden in hetzelfde beroep verzoeken ontvankelijk verklaard die zowel tegen het bevestigde als tegen het bevestigende besluit waren gericht.

II-3189

(12)

35 Deze oplossing kan evenwel niet worden toegepast wanneer — zoals in casu — het bevestigde en het bevestigende besluit in twee verschillende beroepen worden aangevochten en de verzoeker in het kader van het eerste beroep zijn standpunt kan verdedigen en zijn argumenten kan aanvoeren.

36 Deze conclusie kan niet worden ontkracht door een van de argumenten die verzoekster aanvoert om aan te tonen dat alleen de klacht van 6 maart 2000 de Commissie tot een standpuntbepaling over de nieuwe lidmaatschapscriteria heeft gebracht en de bestreden beschikking bijgevolg een nieuw gegeven bevat dat bindende rechtsgevolgen in het leven kan roepen, die verzoeksters belangen aantasten doordat zij haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.

37 Uit de bij het dossier gevoegde correspondentie van verzoekster aan de Commissie, met name uit de brieven van 16 juli 1997 en 21 april en 11 december 1998, blijkt immers dat verzoekster reeds tijdens de administratieve procedure betreffende beschikking 2000/400 de Commissie had geattendeerd op de nieuwe criteria voor het lidmaatschap van de ERU alsmede op het feit dat de wijzigingen haars inziens geen antwoord boden op de kritiek van het Gerecht in zijn arrest van 11 juli 1996 zodat de Commissie geen ontheffing voor deze criteria kon verlenen. Toen de Commissie beschikking 2000/400 gaf, heeft zij dan ook geoordeeld dat de criteria voor het lidmaatschap van de ERU, inclusief de nieuwe criteria, de mededinging niet beperken, terwijl zij volledig op de hoogte was van verzoeksters standpunt over deze lidmaatschapscriteria.

38 Aangezien de Commissie in beschikking 2000/400 van mening was dat deze criteria, inclusief de nieuwe, niet binnen de werkingssfeer van artikel 8 1 , lid 1, EG vielen, kan haar evenmin worden verweten dat zij niet is ingegaan op de vraag of krachtens artikel 81, lid 3, EG ontheffing voor de nieuwe lidmaatschaps- criteria kan worden verleend. In deze omstandigheden is verzoeksters argument dat zij, nu de Commissie in beschikking 2000/400 niet is ingegaan op alle punten van haar klacht van 6 maart 2000, belang blijft hebben bij het onderhavige beroep, ongegrond.

II - 3190

(13)

39 Bovendien raakt de vraag of de lidmaatschapscriteria de mededinging beperken en of de Commissie voor het Eurovisie-systeem ontheffing kan verlenen ongeacht de criteria op basis waarvan een televisiezender als lid van dit systeem kan worden toegelaten, juist de kern van de problemen die verzoekster in zaak T-185/00 over beschikking 2000/400 opwerpt.

40 Ten slotte dient het argument te worden verworpen dat het onderhavige beroep ontvankelijk is wegens verzoeksters belang bij een sanctie naar aanleiding van schendingen door de Commissie bij de behandeling van klachten. Aangezien de Commissie bij de bestreden beschikking alleen heeft verwezen naar haar standpunt in een vorige beschikking, waartegen door verzoekster is opgekomen, kunnen de door laatstgenoemde tegen de bestreden beschikking aangevoerde middelen immers op zichzelf niet het belang bij een tweede beroep bij het Gerecht rechtvaardigen.

41 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

42 Aangezien het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is en het Gerecht verweer- sters conclusies toewijst, hoeft geen uitspraak te worden gedaan op het verzoek tot interventie van de ERU.

Kosten

43 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd.

Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de conclusies van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

II - 3191

(14)

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer) beschikt:

1 ) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten.

3) Op het verzoek tot interventie van Europese Radio Unie hoeft geen uitspraak te worden gedaan.

Luxemburg, 25 oktober 2001.

De griffier

H. Jung

De president van de Tweede kamer

R. M. Moura Ramos

II - 3192

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :