Eastern desert ware : traces of the inhabitants of the eastern desert in Egypt and Sudan during the 4th-6th centuries CE

Hele tekst

(1)

Eastern desert ware : traces of the inhabitants of the eastern desert in Egypt and Sudan during the 4th-6th centuries CE

Barnard, H.

Citation

Barnard, H. (2008, June 4). Eastern desert ware : traces of the inhabitants of the eastern desert in Egypt and Sudan during the 4th-6th centuries CE. Retrieved from

https://hdl.handle.net/1887/12929

Version: Not Applicable (or Unknown)

License: Licence agreement concerning inclusion of doctoral thesis in the Institutional Repository of the University of Leiden

Downloaded from: https://hdl.handle.net/1887/12929

Note: To cite this publication please use the final published version (if applicable).

(2)

STELLINGEN behorend bij het proefschrift Oostelijke Woestijn Aardewerk (EDW)

Sporen van de inwoners van de Oostelijke Woestijn in Egypte en Soedan gedurende de 4de-6de eeuw na Chr.

De scherven van handgevormde potten die werden gevonden nabij Bir Abraq, in zuidoost Egypte, zijn Oostelijke Woestijn Aardewerk (EDW), en behoren dus niet tot de Pan-Grave Culture (tegen Sadr 1994);

№ 1271 in het Aswan Museum is juist geen Oostelijke Woestijn Aardewerk (EDW), maar een beschilderde middeleeuwse beker (tegen Strouhal 1991).

Oostelijke Woestijn Aardewerk (EDW) werd gemaakt door de nomaden van de Oostelijke Woestijn waar en wanneer dat noodzakelijk was of de gelegenheid zich voordeed (dit proefschrift).

Behalve als gebruiksvoorwerp deed Oostelijke Woestijn Aardewerk (EDW) ook dienst om de gebruikers ervan zich te doen onderscheiden van andere culturele of etnische groepen (dit proefschrift); echter: EDW ≠ Blemmyes

(tegen Bietak 2005; Sidebotham en Wendrich 2001).

De Oostelijke Woestijn en de inwoners daarvan zijn niet bevroren in de tijd maar hebben, net als elk ander land en volk, hun eigen geschiedenis (dit proefschrift); daarom: Blemmyes ≠ Beja (tegen Dahl en Hjort-af-Ornas 2006; Krzywinski en Pierce 2001).

Archeologisch onderzoek naar historische nomadische groepen is wel degelijk mogelijk, zoals mede aangetoond door de belangwekkende resultaten van het onderzoek naar prehistorische nomadische groepen.

De materiële analyse van archeologische materialen kan belangrijke gegevens toevoegen aan het spectrum van eigenschappen, maar is daarbij een hulpmiddel dat op zichzelf geen archeologische vraagstellingen kan beantwoorden (zeker niet als die vragen niet tevoren duidelijk werden geformuleerd).

Eén gebied waarop archeologen veel van de exacte wetenschappen zouden kunnen leren is dat van samenwerking, openheid en het delen van gegevens, methoden en technieken (zoals juist na de aansluiting op het Internet zo gemakkelijk uitvoerbaar is).

Gezien dat snelwegen, tankstations en vliegvelden de psychologische plaats hebben ingenomen van de Grote Piramide, de Taj Mahal en de Sint Pieter, alsmede het wereldomvattende effect daarvan op onze leefomgeving (zoals het Suess effect), lijkt het tijd om de wetenschappelijke naam van de mens te veranderen in homo mobilis.

De "gele briefjes" (Post-it®) die de meeste computermonitors omkransen tonen aan dat er iets fundamenteel mis is met onze informatietechnologie.

Evangelisten, priesters en fanatici vormen eerder een bewijs tegen het bestaan van God dan er voor.

De wereld zou een betere plaats zijn als iedereen doodt wat hij eet en eet wat hij doodt.

Als 1 + 2 + 3 = 10 = 3 x 2 x 1 en 12 x 22 x 32 = 100 = 33 + 23 + 13, dan 3 x 3 = 13 en π = 3.050 330 051 415 ...

(3)

SAMENVATTING van het proefschrift

Oostelijke Woestijn Aardewerk (EDW)

Sporen van de inwoners van de Oostelijke Woestijn in Egypte en Soedan gedurende de 4de-6de eeuw na Chr.

Dit proefschrift beschrijft het onderzoek van een ver- zameling archeologisch aardewerk, het Oostelijke Woestijn Aardewerk, of EDW (Eastern Desert Ware).

Deze verzameling bestaat uit handgevormde (niet op een draaischijf gemaakte) schalen en kopjes. Veel zijn ge- polijst en versierd met ingekerfde patronen. Deze patronen zijn vaak opvallend asymmeterisch en meer dan eens geaccentueerd door een witte vulling of een rode laag over een gedeelte van het omliggende oppervlak.

EDW is gevonden in het zuidoosten van Egypte en het noordoosten van Soedan, in de Nijlvallei en de woestijn ten oosten daarvan, tussen de Nijl en de Rode Zee (de Oostelijke Woestijn), in lagen daterend uit de 4de-6de eeuw na Chr. Er zijn geen vindplaatsen waar uitsluitend of voornamelijk EDW wordt gevonden, het wordt altijd aangetroffen temidden van veel grotere hoeveelheden op een draaischijf gemaakt aardewerk uit Grieks-Romeins Egypte, laat-Meroïtisch of vroeg-Christelijk Nubië, of ge- ïmporteerd uit het Middellandse Zeegebied, India of Afrika ten zuiden van de Sahara. Van 18 van dergelijke vindplaatsen werd materiaal verzameld, bestudeerd en gepubliceerd.

Het gebied waarin EDW gevonden wordt bestaat uit een deel van Nijlvallei, een deel van de Rode Zeekust en het deel van de Oostelijke Woestijn daartussen. Het gebied wordt van west naar oost doorsneden door een eeuwen- oude culturele grens, afwisselend gelegen ter hoogte van de Eerste of de Tweede Stroomversnelling in de Nijl. De Oostelijke Woestijn is altijd bezocht door buiten- staanders, op zoek naar goud of steen voor tempels, paleizen, fonteinen of standbeelden. Anderen bemanden de havens aan de kust of de stations langs de handels- wegen die de mijnen, steengroeves en havens verbonden met de Nijlvallei. In de 4de-6de eeuw na Chr. was de druk van buitenstaanders op de Oostelijke Woestijn groot. De goudmijnen en steengroeven werkten voor de overheden in Alexandrië en Rome, terwijl een deel van de handel tussen die steden en Arabia Felix en India van hetzelfde wegennet gebruik maakte. Bovendien vestigden zich in deze tijd veel vroeg-Christelijke monniken in het gebied, op zoek naar eenzaamheid, rust en bezinning, maar ook naar water en religieuze faam.

Voor dit onderzoek zijn in totaal 290 scherven bestudeerd (89 gevonden in de Nijlvallei, 63 gevonden aan de Rode Zeekust, 66 gevonden in het Mons Smaragdusgebied en 72 gevonden in de rest van de Oostelijke Woestijn).

Macroscopisch onderzoek en vergelijking met ander aardewerk, uit Egypte en Soedan heeft aangetoond dat EDW een zelfstandige groep aardewerk is die nog het meest lijkt op het aardewerk van de C-Horizon dat in 2300-1500 v. Chr. gemaakt werd in Nubië. De gebruikte klei kan worden onderscheiden in EDW-1 (roestbruine matrix met veel kwarts, maar geen organische resten), EDW-2 (zwarte matrix met veel kwarts en enige organische resten), EDW-3 (roestbruine matrix met kwarts en mica), EDW-4 (roestbruine matrix met kwarts en ongemengde klei), alsmede een grote groep

"ongeclassificeerd" en een kleine groep "atypisch". Er blijkt geen relatie te bestaan tussen de gebruikte klei en de vorm of de versiering van de potten. Potten uit graf- velden (zoals Wadi Qitna) blijken kleiner en rijker ge- decoreerd dan EDW van andere vindplaatsen. Waar- schijnlijk door de bewuste keuze die gemaakt werd be- treffende de potten die werden meegegeven met de dode.

Het is onduidelijk waar EDW gemaakt werd. Het uiterlijk van de gebakken klei en de techniek waarmee de potten gemaakt zijn, verschillend van wat in Egypte (samen- gevat in het Vienna System) en Soedan in die tijd ge- bruikelijk was. Dit kon worden bevestigd met micro- scopisch onderzoek, in (dubbel) gepolariseerd licht, waarbij veel van de minerale insluitsels in de klei kunnen worden geïdentificeerd. Het ontbreken van organische vulmaterialen (zoals kaf of stro) en de combinatie van kalksteen, zandsteen en graniet in EDW tonen aan dat dit niet van de gebruikelijke kleisoorten werd gemaakt.

Eén manier om de herkomst van geologische monsters, waaronder ook aardewerk begrepen zou kunnen worden, te bepalen, is het vergelijken van de samenstelling met die van materialen van met een bekende geologische of geografische herkomst. Dit is met EDW niet mogelijk aangezien de oorsprong van de klei onbekend is. Het is wel mogelijk de verschillende kleisoorten in groepen met een vergelijkbare geologische herkomst onder te brengen.

(4)

Deze groepen vallen echter niet noodzakelijkerwijs samen met een geografisch gebied. Met een inductief- gekoppelde-plasma-massaspectrometer (LA-ICP/MS), gevoed door een laser die een klein deel van de potscherf kan verdampen, werd de concentratie (in ppm) van 44 elementen in 141 EDW scherven bepaald. Silica was vanzelfsprekend het meest voorkomende element, ge- volgd door aluminium, ijzer, calcium en natrium; anti- moon was het minst voorkomende element, na cesium, uranium, europium en terbium. Statistiche analyse (met PCA) van de gegevens onthulde een zekere relatie tussen de chemische samenstelling en de vindplaats van de scherf, waarbij vooral de scherven uit het Mons Smaragdusgebied bleken te verschillen van de scherven uit de rest van de Oostelijke Woestijn. Sommige scherven die in de Nijlvallei werden gevonden, lijken daar gemaakt, andere lijken afkomstig uit de Oostelijke Woestijn. De verschillen tussen de scherven gevonden in de Oostelijke Woestijn en de scherven uit de Nijlvallei werden duidelijk door de vergelijking van de elementen met de beste signaal-ruisverhouding (Ce, Eu, Tm). Aan- gezien de potten niet noodzakelijk werden gemaakt in het gebied waar ze werden gevonden, werden de gegevens betreffende de elementaire samenstelling ook gebruikt om een zevental hypothetische produktiegebieden te definiëren. In het Mons Smaragdusgebied en in Qasr Ibrim lijkt een dergelijk hypothetisch produktiegebied samen te vallen met een geografisch gebied nabij de plek waar het aardewerk werd gevonden.

Om een induk te krijgen van de functie van EDW zijn uit 51 scherven de organische resten van de inhoud ge- ïsoleerd en geanalyseerd met behulp van een gas- chromatograaf gekoppeld aan een massaspectrometer (GC/MS). In de gaschromatograaf worden de resten ge- scheiden in individuele vetten en vetzuren die één voor één ter analyse in de massaspectrometer worden gevoerd.

Aangezien de verschillen tussen vetten en vetzuren van verschillende oorsprong (zoals planten, dieren, vissen of vogels) beperkt zijn, kunnen slechts algemene conclusies uit hun bepaling worden getrokken. Bovendien is het on- duidelijk of het residu gevormd is door het eerste voedsel waarmee het aardewerk in contact kwam, of juist het laatste, of misschien door organisch materiaal waarmee pas de scherven in contact kwamen (zoals vuilnis of een dode). Het begrip kan worden vergroot door te kijken naar de verhoudingen van verschillende vetzuren, en die te vergelijken met de verhouding in residu’s met een be- kende oorsprong, of door te zoeken naar specifieke moleculen die typisch zijn voor een groep voedings- middelen.

Alle EDW potten bleken organische resten te bevatten; ze waren dus niet uitsluitend voor water, wijn of als grafgift bestemd. De meeste potten bleken resten te bevatten die waarschijnlijk door graanproducten waren achtergelaten.

Dit komt overeen met het dieet van de huidige woestijn- bewoners. Veel schalen hadden een residu dat waar- schijnlijk door vlees, vis of melk was veroorzaakt terwijl een kom met een tuit (plantaardige) olie leek te hebben bevat. Dit is in overeenstemming met de waarschijnlijke functie van de potten, waarin respectievelijk de hoofd- maaltijd en olie of vet werden geserveerd. De potten uit Berenike, een havenstad aan de Rode Zee, bevatten weinig resten van vis. Dit is gezien de ligging aan de zee opvallend, maar in overeenstemming met het gevonden botmateriaal. De potten uit het Mons Smaragdusgebied bevatten waarschijnlijk het eten van een rijkere bevolking dan die uit Berenike. Dit kan mogelijk verklaard worden uit het feit dat de smaragdmijnen een private onder- neming waren, terwijl de haven bemand werd door soldaten en ambtenaren.

Gezien de resultaten van de verschillende onderzoeken (macroscopisch, microscopisch, massaspectrometrisch) lijkt het waarschijnlijk dat EDW voornamelijk in de Oostelijke Woestijn werd gemaakt en gebruikt. Dit ge- bied is sinds het einde (ongeveer 8000 jaar geleden) van een natte periode steeds droger geworden, waarbij menselijk ingrijpen de ecologische verarming verder heeft versneld. Het gebied wordt van noord naar zuid doorsneden door het Rode Zeegebergte waarvan de dalen zijn gevuld met grind en zand. De sporadische regen- buien (<200 mm/jaar) maken de groei mogelijk van ver- spreide Acacia bomen en de Zilla en Salsola struiken.

Dichter bij de kust, waar het grondwater zouter is, groeien Tamarix struiken en Rhizophora bomen (man- grove). Dit alles maakt het mogelijk voor een klein aantal nomaden om te overleven samen met hun schapen en geiten (sinds ongeveer 5000 v. Chr.), ezels (sinds onge- veer 4000 v. Chr.) en kamelen (sinds ongeveer 100 v.

Chr.). De meeste inwoners van de Oostelijke Woestijn noemen zichzelf Beja, en tegelijkertijd ook bijvoorbeeld Ababda, Bisjarien, Otman, Amarar, Hadendowa of Beni Amer. Zij trekken met hun kuddes van gebied naar ge- bied, afhankelijk van waar er regen gevallen is. Daarnaast maken ze houtskool en verzamelen kruiden voor de ver- koop. Verder naar het zuiden, waar meer regen valt, is landbouw en meer permanente bewoning mogelijk, als- mede het houden van vee. Veel Beja hebben zich per- manent gevestigd, in de Nijlvallei of bij de havensteden aan de Rode Zeekust, en werken als goedkope arbeids- kracht, chauffeur, gids of smokkelaar.

(5)

Ook in het verleden waren de bewoners van de Oostelijke Woestijn waarschijnlijk nomaden. Etnische namen die in dit verband telkens terugkeren, in zowel antieke als moderne teksten, zijn de Medjay (2300-1800 v. Chr.) en de Blemmyes (500 v. Chr.-500 na Chr.). Het is echter on- duidelijk of deze namen werkelijk naar bepaalde groepen verwezen, en of zij ook zichzelf als zodanig aanduidden, of dat deze alleen gebruikt werden door buitenstaanders.

Er was altijd communicatie tussen de bewoners van de woestijn en die van de Nijlvallei. Zo hielpen de nomaden met de oogst, vooral na de invoering van het waterwiel in Nubië (in de eerste eeuw na Chr.) wat veel meer land- bouw mogelijk maakte dan de kleine bevolking aankon.

Desondanks bleef er wantrouwen bestaan tegen de be- woners van de woestijn en veel historische bronnen spreken over aanvallen door nomaden op dorpen, kloosters en handelskaravanen. En tot op heden heeft het onderzoek van de Oostelijke Woestijn zich voornamelijk geconcentreerd op de resten van de buitenstaanders. De makers en gebruikers van EDW hadden waarschijnlijk een levensstijl vergelijkbaar met die van de Beja. Toch zijn er ook belangrijke verschillen, zoals hun taal en godsdienst, de metalen pannen en plastic jerrycans, maar ook de koffie die nu een zo belangrijke plaats inneemt in het dagelijks leven dat er zelfs standbeelden van een koffiepot (djabanah) met kopjes te vinden zijn. Dit toont aan dat aardewerk symbool kan staan voor een volk en een cultuur, wellicht op een manier die te vergelijken is met EDW.

Dat nomaden potten kunnen produceren blijkt, onder andere, uit het deel van dit onderzoek waarbij getracht werd EDW te imiteren met materialen en gereedschappen die voor nomaden in de woestijn beschikbaar zouden kunnen zijn. Klei werd verzameld bij het Qaroenmeer (in Egypte) en de Saltonzee (in California), gereinigd en ge- mengd met gezeefde vulkanische as. Daaruit werden met de hand potten gevormd, die werden gedroogd, gepolijst en in een open vuur gebakken. De resultaten waren in uiterlijk en kwaliteit vergelijkbaar met EDW. De nood- zaak om EDW te maken hield mogelijk verband met de grote aantallen buitenstaanders in de Oostelijke Woestijn gedurende de 4de-6de eeuw na Chr. en de behoefte van de oorspronkelijke bewoners om zich van hen te onder- scheiden. Het kan zijn dat EDW werd gemaakt door een kleine groep rondtrekkende pottenbakkers, of op één centrale plaats en van daaruit verhandeld. Bij be- schouwing van alle nu aanwezige gegevens lijkt het echter het meest waarschijnlijk dat EDW werd ge- produceerd door de nomaden van de Oostelijke Woestijn, daar waar de noodzaak of de gelegenheid zich voordeed.

Meer onderzoek naar de geschiedenis van deze nomaden is noodzakelijk en, hoewel politiek en logistiek proble- matisch, technisch zeker mogelijk.

(6)

Curriculum Vitae Hans BARNARD

Born : Leiden (the Netherlands), 3 November 1959 Postal address : c/o Cotsen Institute of Archaeology

P.O-box 951510; Los Angeles, CA 90095; USA Legal status : EU Citizen (the Netherlands)

Permanent Resident in the USA (Green Card)

Marital status : Married to Willemina Zwanida WENDRICH (no children) Internet : <wendrich@barnard.nl>; <nomads@ucla.edu>

=> www.archbase.org (work)

=> www.barnard.nl/fotos.html (home)

=> groups.msn.com/FamilieBarnard/plakboek.msnw (in Dutch) Educational Background

June 1979 : Finished Secondary School (VWO, atheneum B) at the Rijksscholengemeenschap Texel in Den Burg (the Netherlands)

March 1988 : Finished Medical School of Leiden University (the Netherlands), >Junior thesis= on the histopathological backgrounds of splenic rupture 1 June 1990 : Medical degree (artsexamen) at Leiden University (the Netherlands),

>Free internship= on anthropometric research in Qasr Ibrim (Egypt) 234 Archaeological Experience

Since January 2003 : Research Associate at the Cotsen Institute of Archaeology at UCLA; Los Angeles, California;

USA 56 7 8 9 10 11

28 March 2008 : Lecture within Symposium 157, "Identity and Ideology at the Frontier: Perspectives from Tarapaca, Northern Chile," at the 73rd Annual Meeting of the Society for American Archaeology (Vancouver, Canada)

7 March 2008 : Participation in the seminar "Nomads, Tribes, and the State in the Ancient Near East: Cross- Disciplinary Perspectives" at the Oriental Institute, University of Chicago

15 February 2008 : Friday Seminar at the Cotsen Institute of Archaeology at UCLA (see 6 April 2007) Oct.-Dec.'07 : Fayum 2007 (see Sep.-Oct.'03)

15 September 2007 : Lecture at the meeting of the MaSC in the Philadelphia Museum of Art, Pennsylvania (see 9 September 2005)

Aug.-Sep.'07 : Consultant for the excavations at Dvin (Armenia) organized by the Institute of Archaeology and Ethnography (National Academy of Sciences) and the Cotsen Institute of Archaeology at UCLA July 2007 : Tarapaca 2007 (see July 2005)

21 April 2007 : Lecture at the 58th annual meeting of the American Research Center in Egypt in Toledo (see 17 April 2004)

6 April 2007 : Friday Seminar at the Cotsen Institute of Archaeology at UCLA

February 2007 : Surveyor for the project recording the Paleolithic petroglyphs at Qurta (Egypt), organized by the Musées royaux d=Art et d=Histoire, Brussels (Belgium) and funded by Yale University (USA) and Vodaphone Egypt (see Oct.-Nov.'05) 12

Nov.-Dec. '06 : Fayum 2006 (see Sep.-Oct. '03)

31 October 2006 : Seminar for the Mare Nostrum Symposium (Leiden University, the Netherlands)

July-Aug. '06 : Surveyor and instructor for the Sitio Drago Project (Panama), directed by archaeozoologist Dr. Tom Wake (Cotsen Institute of Archaeology, UCLA)

July 2006 : Tarapaca 2006 (see July 2005)

(7)

9 April 2006 : Lecture for the Friends of Archaeology (Los Angeles, USA)

Apr.-June '06 : Teaching "Special Topics in Archaeology" (ARCH 220) within the Class on Theory and Practice of Archaeological Field Work of Prof.Dr.C. Stanish and Prof.Dr.W.Z. Wendrich (UCLA)

January 2006 : Artist and photographer for the Suakin Conservation Project (see Oct.-Nov. >03) 13

Oct.-Nov. >05 : Surveyor and pottery expert for the El-Hosh excavation project organized by the Musées royaux d=Art et d=Histoire, Brussels (Belgium)

9 September 2005 : Lecture at the meeting of the Users= Group for Mass Spectrometry and Chromatography (MaSC) in the Van Gogh Museum, Amsterdam

August 2005 : SASS 2005 (see August 2001)

July 2005 : Surveyor and instructor for the Tarapaca Valley Archaeological Fieldschool (Atacama Desert, Chile) organized by the Cotsen Institute of Archaeology

31 March 2005 : Organizer and chair of the two symposia on "Archaeological Residue Analysis" during the 70th annual meeting of the Society for American Archaeology in Salt Lake City (see 2 April 2004) 141516

January 2005 : Surveyor for the Dakhleh Oasis Project (Egypt)

Nov.-Dec. '04 : Archaeologist and surveyor for the Suakin Conservation Project (see Oct.-Nov. '03) Sep.-Dec. '04 : Fayum 2004 (see Sep.-Oct. '03) 17

29 October 2004 : Lecture at the "People of the Red Sea" Conference in the British Museum 18

22-24 June 2004 : Organizer and chair of the workshop on "Mobile People in Archaeology" at the Cotsen Institute for Archaeology at UCLA (see 2 April 2004) 1920

17 April 2004 : Lecture at the 55th annual meeting of the American Research Center in Egypt (Tucson, USA) 2 April 2004 : Organizer and chair of the symposium "Nomadism in Archaeology" during the 69th annual

meeting of the Society for American Archaeology (Montreal, Canada) Feb.-Mar. '04 : Surveyor for the Qasr Ibrim Project (see Feb.'00-Mar.'01)

8 December 2003 : Lecture for the Egypt Exploration Society (Cairo, Egypt)

Oct.-Nov. '03 : Archaeologist and surveyor for the Suakin Conservation Project (Sudan) of the British Institute in Eastern Africa and the McDonald Institute in Cambridge 2122

Sep.-Oct. '03 : Surveyor and instructor for the UCLA-RUG-SCA Fayum Archaeological Expedition and Field School (see Sep.-Oct.'02)

10 May 2003 : Lecture for the Friends of Archaeology (Los Angeles, USA)

22 March 2003 : Lecture at the Fifth Annual Middle East Studies Regional Conference (Santa Barbara, USA) Sep.-Oct. '02 : Surveyor and instructor for the UCLA-ARCE-SCA-RUG Archaeological Expedition and Field

School

10 September 2002 : Lecture at the Tenth International Conference for Nubian Studies (Rome, Italy) 23 Jul.-Aug. '02 : SASS 2002 (see August 2001) 24

Jan.-Feb. '02 : Surveyor for the UCLA-RUG Fayum Project

August 2001 : Participation in the Skagafjörður Archaeological Settlement Survey (Iceland), financed by the National Science Foundation (USA)

Dec.'00-Mar.'01 : Surveyor and physical anthropologist for the Berenike Project (see Dec.93 - Feb.=94) Feb.-Mar. '00 : Photographer and surveyor for the Qasr Ibrim Project (see Dec.=91- Mar.=92) 25 Jan.-Feb. '00 : Surveyor and planner for the Berenike Project (see Dec.93 - Feb.=94) 2627

July 1999 : Surveyor for the Marsa Nakari Project (Egyptian Eastern desert), financed by John and Valerie Seeger 28

June 1999 : Summer survey 1999 (see July 1996) 2930

Apr.=99-May =99 : Surveyor for the Old Cairo Archaeological Project, financed by the Canadian Centre for Architecture

November 1998 : Survey of a part of the Sabil-Kutub Mohamed Ali Pasha (Cairo, Egypt), for A. Dobrowolska (American Research Center in Egypt)

October 1998 : Survey of a part of the medieval city walls around Cairo, for N.J. Warner (American Research Center in Egypt) 31

Apr.=98-May =98 : Surveyor for the Baynun Mapping Project (Dhamar province, Yemen), financed by the Royal Netherlands Embassy in Sana>a 32

Dec.=97-Mar.'98 : Berenike 1998 (see Dec.'93-Feb.'94) 33

(8)

August 1997 : Summer survey 1997 (see July 1996) 3435 February 1997 : Berenike 1997 (see Dec.'93-Feb.'94)

July 1996 : Survey of the Ptolemaic gold mines in the Egyptian Eastern desert, with Prof.Dr. S.E. Sidebotham (University of Delaware)

Dec.'95-Mar.'96 : Berenike 1996 (see Dec.'93-Feb.'94) 36 Aug.=95-Sep.=95 : Mussa al-Aswad 1995 (see Sep.-Oct.'94) 37 Dec.'94-Mar.'95 : Berenike 1995 (see Dec.'93-Feb.'94) 38

Sep.=94-Oct.=94 : Surveyor for the Deir Anba Mussa al-Aswad Project (Wadi Natrun, Egypt), financed by the Egypt- Netherlands Cooperation for Coptic Art Preservation

Dec.'93-Feb.'94 : Surveyor and physician for the Berenike Project (Egyptian Eastern Desert), co-financed by Leiden University and the University of Delaware

Dec.'91-Mar.'92 : Surveyor and physician for the Qasr Ibrim Project (Nubia, Egypt), financed by the Egypt Exploration Society (London, UK)

Medical Experience

October 1995 : Lectures at the Third Alexandria International Diabetes Days, the Netherlands Institute in Cairo and the American University in Cairo 3940

Aug.'93-Dec.'94 : Primary health care worker in Rotterdam (the Netherlands), checking and vaccinating infants between the age of 3 - 14 months

Sep.'92-Mar.'93 : Research assistant at the Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (Netherlands Medical Journal), which later published the results (with an English abstract) 4142

Aug.'90-Dec.'91 : Assistant General Practitioner (20 h/week) at the North Sea island of Texel (the Netherlands) Aug.'90-Dec.'91 : Instructor Anatomy and Pathology (20 h/week) at Noorderhaven, a nurses training facility in Den

Helder (the Netherlands)

Jun.'90-Jul.'90 : Assistant at the Clinical Chemical Laboratory of the OLVG Hospital (Amsterdam), collecting blood at the out-patient clinic

Dec.'89-Mar.'90 : Physician for the archaeological expedition to Qasr Ibrim (Nubia, Egypt), financed by the Egypt Exploration Society (London)

Additional Experience

Hobby (since 1971) : The creation of the imaginary Kayenian Empire, and especially its mathematics and music 4344 Aug.'96-Dec.'99 : Employed by the Royal Netherlands Embassy as Fellowship Officer, Assistant Budget

Administrator and Secretary Development Cooperation, respectively 45464748495051

Jun.'98-Jul.'98 : Collaboration in the creation of a visitor=s center in the Ottoman fort in Quseir (Egyptian Red Sea coast) by Mallison Architects (Kensington, London)

Apr.=96-May =96 : Tour leader for a group of 18 tourists, visiting Egypt for the first time, as organized by LITO (Leiden, the Netherlands)

Oct.'84-Jan.'88 : Editor of a monthly magazine for >De IJsbreker=, a center for contemporary music in Amsterdam Mar.'80-Mar.'83 : Bartender at >De Barbaar=, during the 1981/=82-season also treasurer of this bar in Leiden (the

Netherlands)

References

1 Barnard H, Dreef EJ, Van Krieken JHJM, "The ruptured spleen: A histological, morphometrical and immunohistochemical study," Histology and Histopathology 5; 1990: 299-304.

2 Barnard H, "A Description of three graves at Qasr Ibrim," Archéologie du Nil Moyen 6; 1993: 47-63.

3 Barnard H, "Een overleden pasgeborene in Qasr Ibrim," Tijdschrift voor Verloskunde 18; 1993: 481-483 (in Dutch).

4 Barnard H, "De tombe van de sjeik van Qasr Ibrim," Phoenix 39; 1993: 109-116 (in Dutch).

5 Barnard H, "Eastern Desert Ware: A short introduction," Sudan & Nubia 6: 2002: 53-57.

6 Barnard H, Strouhal E, "Wadi Qitna revisited," Annals of the Náprstek Museum, Prague 25; 2004: 29-55.

(9)

7 Barnard H, Dooley AN, Faull KF, "New data on the Eastern Desert Ware from Sayala (Lower Nubia) in the Kunsthistorisches Museum, Vienna," Ägypten und Levante 15; 2005: 49-64.

8 Barnard H, "Eastern Desert Ware: Fine pottery from an arid wasteland," Egyptian Archaeology 28; 2006: 29-30.

9 Barnard H, Magid AA, "Eastern Desert Ware from Tabot (Sudan). More links to the north," Archéologie du Nil Moyen 10; 2006: 15-34.

10 Barnard H, "Additional remarks on Blemmyes, Beja and Eastern Desert Ware," Ägypten und Levante 17: 2007: 23-32.

11 Barnard H, "A.L. Pahor, Oto-rhino-laryngology in ancient Egypt [Review]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 151; 2007: 2543 (in Dutch).

12 Huyge D, Aubert A, Barnard H, Claes W, Darnell JC, De Dapper M, Figari E, Ikram S, Lebrun-Nélis A, Therasse I.

"'Lascaux along the Nile': Late Pleistocene rock art in Egypt," Antiquity 81,313: on-line publication @ www.antiquity.ac.uk/ProjGall/huyge/

13 McDonald Institute for Archaeological Research. Annual Report 2005-2006: 42 (contribution).

14 Barnard H, Ambrose SH, Beehr DE, Forster MD, Lanehart RE, Parr RE, Malainey ME, Rider M, Solazzo C, Yohe RM, "Mixed results of seven methods for organic residue analysis applied to one vessel with the residue of a known foodstuff," Journal of Archaeological Science 34; 2007: 28-37.

15 Barnard H, Eerkens JW (eds.), Theory and Practice of Archaeological Residue Analysis. British Archaeological Reports International Series 1650. Oxford 2007: Archaeopress (ISBN 978-1-4073-0084-9).

16 Eerkens JW, Barnard H, "Introduction;" Barnard H, Dooley AN, Faull KF, "An introduction to archaeological lipid analysis by combined gas chromatography mass spectrometry (GC/MS);" Barnard H, Ambrose SH, Beehr DE, Forster MF, Lanehart RE, Malainey ME, Parr RE, Rider M, Solazzo C, Yohe RM, "Results of seven methods for organic residue analysis applied to one vessel with the residue of a known foodstuff;" and Barnard H, Shoemaker L, Rider M, Craig OE, Parr RE, Sutton MQ, Yohe RM, "Introduction to the analysis of protein residues in archaeological ceramics" all in Barnard H, Eerkens JW (eds.), Theory and Practice of Archaeological Residue Analysis. British Archaeological Reports International Series 1650. Oxford 2007, Archaeopress: pp. 1-7; 42-60; 200-215; 216-231.

17 Wendrich WZ, Cappers RC, "Egypt=s earliest graneries: Evidence from the Fayum," Egyptian Archaeology 27; 2005:

12-15 (contribution).

18 Barnard H, "Sire, il n'y a pas de Blemmyes: A re-evaluation of historical and archaeological data," in Starkey JCM (ed.), People of the Red Sea: Proceedings of the Red Sea Project II, held in the British Museum, October 2004. Society for Arabian Studies Monographs number 3. BAR International Series 1395. Oxford 2005: Archaeopress, pp. 23-40 (ISBN 1-84171-833-5).

19 Barnard H, Wendrich WZ, The Archaeology of Mobility: Old World and New World Nomadism. Los Angeles 2008:

Cotsen Institute of Archaeology (ISBN 1-931745-50-1).

20 Wendrich WZ, Barnard H, "The archaeology of mobility: Definitions and research approaches," and Barnard H,

"Suggestions for a chaîne opératoire of nomadic pottery sherds," both in Barnard H, Wendrich WZ. The Archaeology of Mobility: Old World and New World Nomadism. Los Angeles 2008: Cotsen Institute of Archaeology, pp. 1-21, and pp. 413-439.

21 McDonald Institute for Archaeological Research. Annual Report 2003-2004: 41-42 (contribution).

22 Barnard H, "The ancient Eastern Desert Dwellers: A sixth-century tribe and its pottery," in Hopkins P.G. (ed.), The Kenana Handbook of Sudan. London 2007: Kegan Paul, pp. 89-95.

23 Barnard H. "The macroscopic description of Eastern Desert Ware (1935-2002)," in Caneva I, Roccati A. (eds.), Acta Nubica: Proceedings of the X International Conference of Nubian Studies: Rome, 9-14 September 2002. Rome 2006:

Libreria dello Stato, pp. 51-62 (ISBN 88-240-1314-7).

24 Steinberg JM, Bolender DJ, "Rannsóknir a búsetuminjum í Skagafirði," Árbók hins Íslenzka fornleifafélags 2002- 2003: 107-130 (contribution, in Icelandic).

25 Wilkins A, Barnard H, Rose PJ, "Roman artillery balls from Qasr Ibrim, Egypt," Sudan & Nubia 10; 2006: 64-78.

26 Sidebotham SE, Barnard H, Pintozzi LA, Tomber RS, "The enigma of Kab Marfu'a: Precious gems in Egypt's Eastern Desert," Minerva 16,1; January/February 2005: 24-26.

27 Barnard H, Wendrich WZ, "Survey of Berenike," and Barnard H, Rose PJ, "Eastern Desert Ware from Berenike and Kab Marfu'a," both in Sidebotham SE, Wendrich WZ. (eds.), Berenike 1999/2000: Report on the Excavations at Berenike, Including Excavations in Wadi Kalalat and Siket, and the Survey of the Mons Smaragdus Region. Los Angeles 2007: Cotsen Institute of Archaeology at UCLA, pp. 4-21, and 183-199 (ISBN978-1-931745-28-4).

(10)

28 Seeger JA, "A preliminary report on the 1999 field season at Marsa Nakari," Journal of the American Research Center in Egypt 38; 2001: 77-88 (contribution).

29 Sidebotham SE, Barnard H, Pyke G, "Five enigmatic settlements in the Eastern Desert," Journal of Egyptian Archaeology 88; 2002: 187-225.

30 Barnard H, "T16#178277: A life of travel and tacheometry," Reporter (Leica Geosystems) 50; 2004: April 28-29.

31 Warner NJ, "The Fatimid and Ayyubid eastern walls of Cairo: Missing fragments," Annales Islamologiques (IFAO) 33; 1999: 283-305 (contribution).

32 Wendrich WZ, Barnard H, Bridgman RM, Report of the Baynun Mapping Project, Yemen 1998. Leiden, Cairo 1999:

Research School CNWS, Nederlands Vlaams Instituut in Cairo (ISBN 90-5789-034-8).

33 Sidebotham SE, Barnard H, "Excavations in Wadi Kalalat," in Sidebotham SE, Wendrich WZ. (eds.), Berenike 1998:

Report of the excavations at Berenike and the survey of the Egyptian Eastern Desert, including excavations in Wadi Kalalat. Leiden 2000: Research School CNWS, pp. 379-402 (ISBN 90-5789-052-6).

34 Sidebotham SE, Barnard H, Harrell JA, Tomber RS, "The Roman quarry and installations in Wadi Umm Wikala and Wadi Semna," Journal of Egyptian Archaeology 87; 2001: 135-170.

35 Barnard H, "Het verloren Romeinse fort in Wadi Umm Wikala (Egypte)," Phoenix 48; 2002: 113-116.

36 Aldsworth FG, Barnard H, "Berenike survey," Barnard H, "Human bones and burials," and Aldsworth FG, Barnard H,

"Survey of Shenshef," all in Sidebotham SE, Wendrich WZ (eds.), Berenike 1996: Report of the excavations at Berenike (Egyptian Red Sea coast) and the survey of the Eastern Desert. Leiden 1998: Research School CNWS, pp. 3- 10, 389-401, and 427-443 (ISBN 90-5789-001-1).

37 Barnard H, "The writing on the wall," Egypt Today 17; April 1996: 130-131.

38 Aldsworth FG, Barnard H, "Berenike survey," and "Survey of Hitan Rayan," both in Sidebotham SE, Wendrich WZ (eds.), Berenike 1995: Preliminary report of the excavations at Berenike (Egyptian Red Sea coast) and the survey of the Eastern Desert. Leiden 1996: Research School CNWS, pp. 5-6 and 411-440 (ISBN 90-73782-70-8).

39 Barnard H, Wolffers IN, Arab MM, "Could the low prevalence of diabetes mellitus in the Egyptian desert be the result of protective elements in the Bedouin diet?" Egyptian Journal of Diabetes 1; 1996: 23-30.

40 Barnard H, "De diabetesdagen van Alexandrië," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 140; 1996: 566-567 (in Dutch).

41 Barnard H, Overbeke AJPM, "Dubbelpublikatie van Oorspronkelijke stukken in en uit het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde [Duplicate publication of original manuscripts in and from the Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 137; 1993: 593-597 (in Dutch with English abstract).

42 Barnard H, "Ook schrijvers hebben rechten," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 137; 1993: 615 (in Dutch).

43 Barnard H, Wendrich WZ, Hopkins B, "Kayenian musical instruments," Experimental Musical Instruments 3; June 1987: 14-15.

44 Barnard H, "The matzaar and aliquot tonescales," Experimental Musical Instruments 6; December 1990: 18-19.

45 Barnard H, "Veranderingen binnen de gezondheidszorg in de regio Midden-Oosten en Noord-Afrika [Changes in health care in the Middle East and North Africa regions]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 141; 1997:

1701-1703 (in Dutch with English abstract).

46 Barnard H, "Een collumfractuur en een niertransplantatie in Egypte [A femoral neck fracture and a kidney transplantation in Egypt]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 143; 1999: 2285-2287 (in Dutch with English abstract).

47 Barnard H, "De waarde van een Nederlandse bul in Egypte [Value of a Dutch medical license in Egypt]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 144; 2000: 39-41 (in Dutch with English abstract).

48 Barnard H, "Geneeskunst geïnspireerd door armoede [Medicine inspired by poverty]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 144; 2000: 949-951 (in Dutch with English abstract).

49 Barnard H, "Hepatitis C in Egypte: Een iatrogene epidemie [Hepatitis C in Egypt: A iatrogene epidemic]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 144; 2000: 2024-2025 (in Dutch with English abstract).

50 Barnard H, "De medische opleiding in Egypte [Medical education in Egypt]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 146; 2002: 1147-1149 (in Dutch with English abstract).

51 Barnard H, "Reclame gericht op zelfverwijzing in Caïro en in Los Angeles [Advertising promoting self-referral in Cairo and Los Angeles]," Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 146; 2002: 2503-2505 (in Dutch with English abstract).

Afbeelding

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :