ing je- :ul- be-

12  Download (0)

Hele tekst

(1)

na.

t di-

lUll

dA

ing je- :ul- be-

· io- ker

·le- :le- 1an

van ing da- jes

er- op ges

s &_n 10 2ooo

CULTUURPOLITIEKE CONFRONTATIES

In zijn analyse van het ver- hitte gedachtenleven van Nietzsche komt de biograaf van zijn denken, Rudiger Safranski, tot de conclusie dat het Nietzsche tenslotte

Avontuurlijke cultuur- geen

avontuurlijke cultuurpolitiek

overwegingen en argumen- ten om de oren te slaan, kies ik voor de weg van de fei- ten. Voor de verkenning die ik me voorneem te verrich- niet gelukt is om de ideeen

ten ga ik uit van de doelstel- lingen van de overheid.

van zelfverheffing en die van solidariteit met elkaar te verbinden. Bij hem kwa- men de vrijheid van het grote individu en de aan- spraken van sociale gerech- tigheid, in een onverzoen- lijke tegenstelling tegen- over elkaar te staan . Op die onverzoenlijkheid is Nietzsche, als kind van zijn tijd, stukgelopen.

ARIE VAN DER ZWAN Vanuit die doelstellingen tracht ik tot een beoorde- ling te komen. Op het ter- rein van de cultuur kent de overheid drie klassieke doelstellingen:

Random het Kunstenplan van staatssecretaris Rick van der Ploeg is een heuse controverse ontstaan. Er is kritiek op de onderliggende beleidifilosifie en op de specifieke verdeling van subsidies. Oak de Raad van Cultuur

is onder vuur komen te liggen. s &J> publiceert twee van de kernteksten uit dit cultuurpolitieke debat: Arie van der Zwan's 'State if the Union'

en Gijs Scholten van Aschat's donderspeech. Door

1 •

lnstandhouding en ontwikkeling van culturele waarden en het cultureel erfgoed. (Door die over te Iaten aan marktwerking en eenzijdig gerichte pu- blieksgerichtheid zouden ze in het gedrang kunnen komen. Pluriformiteit en artistieke kwaliteit zijn de In onze maatschappij is

het gelukt die onverzoen- lijkheid op te heffen. Er is immers ruirnte voor expe-

omstandigheden

is

het niet gelukt Rick van de Ploeg's reactie in dit nummer te krijgen. Di e

is

nu

voorzien voor het volgende nummer.

rimenten met de uitersten van de geest en met radi- cale vrijheden. Maar deze verhitting vindt als het ware afkoeling in de politieke ratio van sociale ge- lijkwaardigheid.

Deze coexistentie bestaat dankzij de differentiatie van waarden. In de wereld van de kunst, wetenschap en filosofie heersen avontuur, in de wereld van de politiek het redelijk over leg en het compromis.

Safranski sluit zijn uiteenzetting op dit punt zo af: 'Wat wij nodig hebben zijn de avontuurlijke waar- heden van de cultuur en de nuchtere waarheden van de politiek. Als we beide domeinen niet scheiden be- staat het gevaar van een avontuurlijke politiek en van een ontnuchterende vervelende ( dit is 'politiek cor- recte') cultuur.' Dit is het ergste dat ons kan over- komen. Staatssecretaris Van der Ploeg' met in zijn kielzog de Raad voor Cultuur zijn hard op weg die heilloze 'crossover' tussen cultuur en politiek tot stand te brengen. Het is zaak hen hiervan af te bren- gen. Maar in plaats van hen met )outer kwalitatieve

hierop gebaseerde concrete beleidsdoelen).

2.

Toegankelijkheid: spreiding.

3. Publieksbereik: participatie.

De eerste van deze doelstellingen staat voorop, de twee andere zijn afgeleide doelstellingen die de democratische legitimering van het cultuurbeleid moeten dragen. (Hier zien we het door Safranski ge- maakte onderscheid tussen de radicale vrijheid van de geest en de politieke ratio van sociale gelijkwaar- digheid weer terug.) Het is afhankelijk van de om- standigheden welke van de drie doelstellingen in de politieke discussie op de voorgrond wordt geplaatst.

Voor de praktijk van het beleid, de concrete beleids-

daden, blijken de wisselende politieke credo's veelal

weinig uit te maken. Emanuel Boekman consta-

teerde dit al in zijn studie Overheid en kunst in Neder-

land uit

1

9 3 9. De con stan ten in het cultuurbeleid

zijn aanwijsbaar ook op budgettair vlak afgezien van

conjuncturele schommelingen. Dat wil niet zeggen

dater geen accentverschuivingen zijn.

(2)

s &..o to 2ooo

Nadat in de jaren '70 en 'So de aandacht van de beleidsmakers meer op de aanbodzijde was gericht en pluriformiteit en artistieke kwaliteit voorop stonden, heeft cultuurminister D' Ancona haar be- leidsorientatie verlegd naar de vraagzijde. Paul Kuy- pers heeft erop gewezen dat marktwerking en cul- tureel ondernemerschap die door Vander Ploeg zijn gelanceerd, in feite als een geseculariseerde vorm van het spreidings- en participatiebeleid gezien kun- nen worden. Vander Ploeg zou zo gezien de lijn van D' Ancona doortrekken. Maar bij nadere beschou- wing van de adviesaanvraag die Vander Ploeg aan de Raad voor Cultuur gericht heeft, rijst de vraag of hier niet iets heel anders aan de orde is. Die aanvraag is namelijk gebaseerd op twee stellingen:

- lager opgeleiden, allochtonen en jongeren nemen te weinig deel aan het culturele Ieven;

- er client zich een nieuwe garde cultuurmakers aan die een welkome bijdrage aan de dynamiek van het culturele Ieven kan leveren, waarvoor men eens de ruimte niet krijgt.

Met het oog op de eerste stelling bepleit Van der Ploeg publieksverbreding en met het oog op de tweede verregaande differentiatie van het aanbod.

Hoe valide zijn nu de door Van der Ploeg opgewor- pen stellingen en de hieraan verbonden beleidsdoe- len? In hoeverre is Vander Ploeg in het nastreven van die beleidsdoelen bereid zich te blijven bewegen binnen de marges van het cultuurbeleid: geen ver- watering van culturele waarden noch overschrijding van de grenzen van concurrentievervalsing ten op- zichte van de commerciele sector?

Dat laatste is niet onbelangrijk want de vrije pro- ducenten, die het zonder structurele subsidiering moeten doen, richten zich immers al op een breed publiek.

lnvloeden op cultuurparticipatie

Belangstelling blijkt in het algemeen de drijvende kracht achter cultuurparticipatie, zowel wat intensi- teit als richting van de belangstelling betreft. Uiter- aard moet hierbij verschil gemaakt worden tussen belangstelling die verankerd ligt in de habitus van de persoon die nauwelijks te be'invloeden valt en be- langstelling die gewekt en ontwikkeld kan worden.

Overigens dan wel door op jonge leeftijd aan te slui.

ten op de potentiele belangstelling, aangezien de in- teresse-patronen zich al op jeugdige leeftijd uitkris- talliseren en daarna nog moeilijk bei:nvloedbaar zijn.

Praktisch gesproken zijn het het ouderlijk milieu en de school waarbinnen die overdracht zijn beslag moet krijgen. Dit blijkt ook uit de statistische gege- vens: het eerste bezoek van jeugdigen aan een to- neelvoorstelling is gelijkelijk ingegeven door de school en de ouders. Wat overigens niet inhoudt dat die invloeden op hetzelfde vlak liggen. De invloed van de ouders op de cultuurparticipatie loopt door aile leeftijds- en opleidingcategorieen heen. Ook voor hoger opgeleiden maakt het dus verschil of ze uit een cultureel milieu komen. En die invloed van het ouderlijk milieu blijkt ook een invloed voor het Ieven te zijn. De school is hierop een belangrijke aanvulling, versterking en tot op zekere hoogte cor- rectie, maar de impact ervan is niet te vergelijken met die van het ouderlijk milieu. Cultuurparticipa- tie is niet in de eerste plaats een kwestie van toegan- kelijkheid - ik kom hierop nog terug - maar van belangstelling. De mogelijkheden om die belangstel- ling te wekken en te ontwikkelen buiten de opvoe- ding door de ouders om, zijn beperkt. Aile pogingen van de naoorlogse overheid om lager opgeleiden, die niet uit zichzelf gemotiveerd zijn, te betrekken bij de 'hogere' cultuur hebben weinig zoden aan de dijk gezet.

Voor de etnische minderheden liggen de kaarten deels anders. Die zijn a! bezig hun taal- en oplei- dingsachterstand in te !open en de verwachting is ge- wettigd dat hun cultuurparticipatie hiermee gelijke tred zalhouden. Om geloofsredenen kan die partici- patie zich richten op andere aktiviteiten dan toneel maar dat geldt ook voor het gereformeerde dee! van de autochtone bevolking. De participatiecijfers van etnische minderheden in perspectief geplaatst dui- den hier ook op, namelijk dater van dif{usie sprake is.

Dit is het klassieke proces van cultuurintegratie. De Indische Nederlanders, de eerste etnische minder- heid van na de oorlog, hebben hun aanvankelijke achterstand in cultuurparticipatie goeddeels ingelo- pen en staan op een lijn met de autochtone bevol- king.

De Surinaamse bevolkingsgroep is hard op weg

1 Paul Kuypers heeft al vrij snel na diens aantreden gewezen op de ambitie van deze bewindsman een

hartstochtelijke politiek te willen voeren.

(3)

.ui- in- ris- i jn.

en lag ge- to- de dat

>ed

)Or

lok

· ze van het jke or- cen pa- an- van :el- oe-

, Jen die bij lijk

ten lei- ge- jke ici- eel v an v an .ui- : is.

De er- jke lo- ul-

veg

s &...o 10 2ooo

dit te doen, terwijl de Turkse en Marokkaanse be- volkingsgroepen in hun bezoek aan toneel wei ach- teraan komen, maar geenszins verwaarloosbaar zijn.

Het beschikbaar cijfermateriaal geeft allerminst aanleiding tot cultuurpolitiek activisme. Diffusie- processen beslaan lange perioden en bestrijken ge- neraties. Culturele achterstanden Iaten zich niet binnen een regeringsperiode resp. een kunstenplan- periode redresseren en wie dit toch suggereert wekt

Niet in de laatste plaats is ook de spreiding van bet aanbod gediend met een verruiming van het aan- bod.

Kunstopleidingen leveren meer afgestudeerden af dan in het reguliere aanbod kunnen worden opge- nomen en met subsidiering door bet Fonds beginnen ze voor zichzelf. Zo blijft voor jonge kunstenaars het perspektief van beroepsuitoefening bestaan.

Het hier geschetste mechanisme zou nooit zo kunnen functioneren in- valse verwachtingen waar-

mee de culturele sector wordt opgezadeld, die hiervoor bij mislukking de rekening gepresenteerd krijgt. Het is in bet Iicht van de hier gepresenteerde be- vindingen onbegrijpelijk dat Vander Ploeg kennelijk onvoldoende vertrouwt op de bevordering van de cul- turele en kunstzinnige vor-

Culturele achterstanden laten zich dien bet perspektief van structurele subsidiering voor deze steeds wisse- lende kleine gezelschap- pen, niet reeel zou zijn. Het moge zo zijn dat ze hun kansen hierop overschatten zodat er tussen die nieuw gevormde gezelschappen een hevige concurrentie- niet binnen een kunstenplanperiode

redresseren en wie dit tach suggereert wekt valse verwachtingen waarmee de culturele sector wordt opgezadeld, die hiervoor bij mislukking de rekening

gepresenteerd krijgt

ming in het voortgezet onderwijs ( c

K

v) dat door hemzelf samen met staatssecretaris Adelmund samen zo'n impuls gekregen heeft.

Sedert bet begin van de jaren '8

o

is er sprake van een explosieve groei in bet toneelaanbod, die als ge- volg van de crisis in bet bezoek tijdelijk is onderbro- ken maar zich daarna weer heeft doorgezet. Voor een niet onbelangrijk dee! moet dit fenomeen op bet conto van bet subsidiebeleid geschreven worden.

Niet aileen is in de strukturele subsidiering aanwijs- baar dat het beschikbare geld over steeds meer ver- schillende gezelschappen verdeeld wordt; de subsi- diering van producties door bet Fonds voor de Podi- umkunsten heeft tot vorming van nieuwe ensembles geleid. Die gezelschappen leiden fmancieel en qua publieksbereik weliswaar een marginaal bestaan, maar door met hun voorstellingen aan de weg te timmeren mikken ze erop voor strukturele subsidie- ring in aanmerking te komen. Zodra dit lukt wordt hun plaats weer door nieuwe ensembles opgevuld.

De opstuwing van onderop blijft zo doorgaan. De overheid voert dit beleid op grond van uiteenlo- pende motieven: cultuurpolitieke en sociale motie- ven !open door elkaar been. Diversiteit en plurifor- miteit worden tot belangrijke cultuurwaarden gere- kend, zowel uit een oogpunt van vitaliteit als van kwaliteit van een cultuur, terwijl ook de publieke belangstelling (participatie) gediend geacht wordt met verscheidenheid onder bet devies 'elck wat wils'.

strijd om de gunst van de 'wisselwachters' binnen de toneelwereld plaats- vindt, maar zonder reeel perspektief zou bet nooit die omvang aannemen.

Oat bet perspektief reeel is valt mede toe te schrijven aan de, onder opiniemakers in de toneel- wereld (recensenten, dramaturgen, !eden van be- oordelingscommissies etc.) wijd verbreide opvat- ting, dat 'kleine ensembles in onze toneelcontreien belangwekkender produkties Iaten zien dan die in de grote zalen'. Ook als die opiniemakers zich in een adem moeten afvragen waar de 'wervelwinden' van Dood Paard, Growina up in public, Aluin, Keesen &_Co, Het Oranjehotel, De Wetten van Keppler en het Huis van Bouraondiii, gebleven zijn. Er zijn steeds weer nieuwe groepen op wie hun aandacht zich kan richten. Hier raken we een gevoelige zenuw van de huidige to- neelwereld. Hoeveel wervelwind kan een toneelbe- stel verdragen waarin zowel traditie als vernieuwing 'het cement van de culturele betekenisgeving' heten te zijn, om de Raad voor Cultuur te citeren. Maar als bet om beoordeling in concrete situaties gaat blijkt er een eenzijdige voorkeur voor vernieuwing te gel - den. Die orientatie op 'novelty' is bet kenmerk ge- worden van aldie terreinen van culturele activiteit waarop de 'wisselwachters' een bepalende stem hebben in wat belangwekkend is en wat niet.

Steeds weer nieuwe impulsen zijn ervoor nodig om hun eetlust te bevredigen en bet heeft er vee! van weg dat ze door het gebrek aan inzichtelijkheid van het aanbod dat op die wijze gecreeerd wordt zich

453

(4)

454

s &..o 1o 2ooo

juist bevestigd weten in hun positie van kenner en beslisser.

Sedert de jaren '70 zijn de structureel gesubsi- dieerde aanbieders van toneel op te del en in drie ca- tegorieen:

grootschalige gezelschappen,

regionale en middelgrote gezelschappen, kleine gezelschappen.

In de loop der jaren kan een gezelschap zich ontwik- kelen, bijvoorbeeld van klein naar middelgroot (De Appel en Orkater zijn hiervan een voorbeeld) of, zoals in hetgeval van Het Zuidelijk Toneel, van regionaal ge- zelschap tot een van grootstedelijk formaat. Ook zijn er met de regelmaat van de klok gezelschappen die worden opgebroken en in gewijzigde vorm wor- den voortgezet dan wei verdwijnen terwijl nieuwe ensembles doordringen. Maar de driedeling lijkt on- wrikbaar. Die correspondeert ook met een voor de hand liggende junctionele taakverdeling die je in elke branche in vergelijkbare vorm aantreft. De grote ge- zelschappen produceren voor de grate zaal, de mid- delgrote ook wei voor de grote maar meer voor de kleine zaal en de kleine gezelschappen voor de kleine zaal en de vlakke vloer. Met qie functionele taakver- deling hangt ook de exploitatievorm samen. Grote gezelschappen zijn grater door meer subsidie, een groter publieksbereik en een grotere dekking van de totale kosten uit publieksopbrengsten. Over de situ- atie in het begin van de jaren '70 zijn we hierover het best gei'nformeerd dank zij de voortreffelijke stu die Toneel ter zake. Grote gezelschappen bleken toen hun variabele (speel- )kosten uit de publieksinkomsten te kunnen bestrijken, subsidie diende voor de vaste of instandhoudingskosten. In de loop van de hierop volgende 25 jaar is de situatie grondig gewijzigd. Se- dert het begin van de jaren '8 o hebben grate gezel- schappen qua subsidiering in nominale waarde vrij- wel pas op de plaats gemaakt, in reele termen zijn ze er dus op achteruit gegaan.

Complexiteit en onconventionalite.it

Hun publieksbereik is teruggelopen terwijl hun kos- tendekkingsgraad ( exclusief sponsoring en overige eigen inkomsten) systematisch gedaald is.

I972- '73 I98I I985 I990 - '99

20 a 25 % 2o%

I.)%

10 a

I

5 %

Geconfronteerd met deze ontwikkelingen geven de

!eiders van de grote gezelschappen, die ik hierover heb kunnen spreken aan dat dit onmiskenbare func.

tieverlies verklaard moet worden uit het opbreken van de functionele taakverdeling tussen grote, mid- delgrote en kleine gezelschappen. Onder druk van de kwaliteitsnormen die door de Raad voor de Kunst (nu Raad voor Cultuur) zijn opgelegd, hebben de grote gezelschappen zich gedwongen gezien hun artistieke kwaliteiten in produkties voor de kleine zaal te bewijzen. Om niet het risico te lopen hun strukturele subsidie in de waagschaal te stellen en zo in feite hun licentie te verspelen.

De normerende werking van de oordeelsvor- ming van de Raad voor Cultuur moet dus serieus ge- nom en worden. Ook als er een zekere scepsis kan bestaan over de vraag of de toneelleiders van de grate gezelschappen die expertoordelen niet ook al zelf tot de hunne hadden gemaakt. Een geval van in- ternalisatie, om in het jargon van de sociale weten- schappen te blijven.

Een meer geobjectiveerde bevestiging ontleen ik aan De Nulmeting die een unieke doorlichting van het toneelaanbod en het publieksbereik in vier grotere steden biedt over een periode van vijf jaar (tussen

1

september I988 en 31 augustus I993)· In die pe- riode zijn ca

7

50 produkties in het analysebestand opgenomen waarvan er 700 inhoudelijk zijn beoor- deeld en ingedeeld naar een combinatie van twee ge- zichtspunten, namelijk complexiteit en onconven- tionaliteit. Complexiteit staat voor de hoeveelheid 'informatie' die een toeschouwer moet verwerken die een bepaalde voorkennis vereist. Tegenover complex staat eenvoudig. (On)conventionaliteit wordt bepaald door de vormgeving en entourage van de voorstelling. Onconventioneel staat voor ex- perimenteel, vernieuwend. Tegenover onconven- tioneel staat coventioneel.

Door de combinatie van die twee gezichtspunten

ontstaat een vierdeling: twee uitersten en een tus-

sengebied. Dit is bij mijn weten de enig operationele

en geobjectiveerde inhoudelijke indeling van het

aanbod. Het toedelen van concrete toneelproduk-

ties aan

a~n

van de vier categorieen bleek weinig

moeite te kosten; deskundigen komen tot gelijklui-

dende oordelen. Meer dan 70 procent van het struc-

tureel gesubsidieerde aanbod moet tot het het seg-

ment complex-onconventioneel gerekend worden,

zo laat de categorisering van het analysebestand

zien. Voor de kleine gezelschappen die hun produk-

(5)

de Ver

l.C-

:en id- ran

de

.un lne , un zo

Jr-

le-

,

:an de : al in-

!n-

tik 1et

!re

1 I

>e-

nd Jr-

'

Je-

:n-

!id : en

rer

eit .ge :x-

:n-

. en

lS-

!le tet tk- rig hi-

lC-

: g- :n, nd tk-

s &._o r o 2ooo

ties met steun van het Fonds voor de Podiumkunsten brengen, ligt dit precies zo. De Vlaamse produkties zijn rninder eenzijdig verdeeld. De vrije produkties vallen, zoals verwacht mag worden, in de categorie eenvoudig-conventioneel.

In feite blijkt er dus in het toneelaanbod inhoudelijk gezien een tweedelina te bestaan: de vrije producen- ten richten zich op het makkelijke toegankelijke werk, de van subsidie afhankelijke gezelschappen richten zich op het moeilijk toegankelijke deel. Het tussengebied dat uit een oogpunt van verbreding van het publieksbereik een sleutelrol zou kunnen spelen blijkt mager bezet.

Het nieuwe Kunstenplan

Het is interessant vast te stellen hoe een bewinds- man die in de aanloop naar de nieuwe kunstenplan- periode met marktwerking, doorstroming, cultu- reel ondernemerschap en doelgroepen heeft !open zwaaien in concreto te werk is gegaan om die credo's te realiseren. Want hij mag van alles willen, maar in de Nederlandse verhoudingen komt hij dan nog wei een paar obstakels tegen. Dat zou je althans mogen verwachten. Hoeveel verwatering van culturele waarden en artistieke kwaliteit is acceptabel voor de Raad voor Cultuur die geacht mag worden die te be- waken? En dan is er nog altijd de grens van concur- rentievervalsing ten opzichte van de vrije sektor.

Concurreren met overheidssubsidie tegen produ- centen die het zonder moeten stellen is immers verkrachting van marktwerking waar de paarse kabi- netten krachtig stelling tegen genomen hebben. De respons die Van der Ploeg heeft gekregen is niet ge- ring, want het aantal aanvragen voor strukturele subsidie is

130

tegen

1 2o

vier jaar geleden, een stij- ging van 9 procentl. Het aandeel van de nieuwe aan- vragen is van 47 procent naar p; procent gegaan.

Vee! gegadigden zijn kennelijk ingesprongen op de openingen die Van der Ploeg met zijn hameren op doorstronring gecreeerd heeft. Dat is niet het enige waarin de nieuwe aanvragers hem tegemoet zijn ge- komen: 'lk constateer dat opstellers van nieuwe be- leidsplannen zich vaak richten op publieksgroepen die tot dusverre weinig konden vinden in het gesub- sidieerde aanbod; dater duidelijke indicaties zijn dat

zij op een substantieellager subsidiebedrag per be- zoek uitkomen dan de thans gesubsidieerde instel- lingen, dat zij niet zelden met voorstellen komen die een aanvulling betekenen op het bestaande aanbod.' Maar vervolgens rees er voor hem weer een nieuw probleem, namelijk hoe de naar de nieuwkomers gewekte verwachtingen nu waar te maken? Het moet hem op grond van de aanvragen ook wei dui- delijk zijn geworden dat de nieuwkomers bij strikte toepassing van het kwaliteitscriterium weinig kans zouden maken .

In zijn adviesaanvraag aan de de Raad voor Cultuur bedient hij zich hiertoe van een drietrapsraket:

- voorkeursbehandeling bepleiten ten gunste van nieuwkomers en doorgroeiers, wat neer- komt op positieve discrin1inatie;

- kwaliteitsbegrip relativeren;

- langs de weg van de bijkomende toetsingscri- teria in feite een quotasysteem introduceren .

Het pleidooi ten gunste van een voorkeursbehande- ling richt Van der Ploeg in door eerst te stellen dat zich naar zijn overtuiging een nieuwe garde cultuur- makers heeft aangediend die een welkome bijdrage aan de dynamiek van het culturele !even kan leveren.

Tenminste, zo stelt hij, als ze daarvoor de ruimte krijgen. Bij nieuwe aanvragers zou daarom volgens hem, naar het potentiele kwaliteitsniveau gekeken moeten worden.

De werkwijze die hij voorstelt om aan de urgen- tie van doorstroming recht te doen luidt: 'Kijk bij het creeren van de benodigde ruimte voor meer dy- namiek niet eerst naar wat eruit kan, maar begin met vast te stellen wat erin moet. En leidt vervolgens daar- uit af water dus uit moet'. Die werkwijze moet niet ai- leen voor nieuwkomers geld en maar ook voor jonge kansrijke instellingen die de mogelijkheid moeten krijgen om door te groeien.

In de relativering van het kwaliteitscriterium was de Raad voor Cultuur de Staatssecretaris vooraf al tege- moet gekomen door te stellen dat kwaliteit geen ob- jectief en universeel criterium is en geplaatst moet worden 'in de context en de traditie van het be- treffende genre'.

2 Het totaal aantal aanvragen over aile sectoren is gestegen van 473 (in 1996) naar 734 (in 2ooo) een stijging van meer dan

so

procent. Het aantal van de nieuwe aanvragen is van

so

procent naar 6o procent gegaan.

4SS

(6)

s &.o 10 2ooo

In het advies doet de Raad daar nog een schepje bovenop door zich bereid te tonen het 'kwaliteits- oordeel in het perspektief van de gebruiker en dat van de maatschappelijke prioriteiten te bezien'. Het pluriforme kwaliteitsbegrip is voorts gerelateerd, zo stelt de Raad, aan de functies die instellingen ver- vullen. Langs die weg is een 'pluriform en genre- gebonden kwaliteitsbegrip' geconstrueerd dat de Raad tot een functionele

Ploeg van de Raad voor Cultuur geen enkel tegen- spel heeft gekregen. Zijn in ten ties en oordelen wor- den niet kritisch beoordeeld en getoetst op hun houdbaarheid in het Iicht van de feitelijke verhou- dingen. De Raad heeft zich gehaast hem bij te vallen met verloochening van zijn onafhankelijke positie en van bet eigen verleden. Want als er in bet gesubsi- dieerde aanbod al sprake is van eenzijdige gericht-

benadering in staat stelt: 'de mogelijkheid om verschil- lende onderdelen van de plannen gedifferentieerd te wegen ten opzichte van an- dere aanvragen en de mo- gelijkheid om prioriteiten te stellen.'

Hoeveel verwatering van culturele waarden en artistieke kwaliteit

heid op vernieuwing en ex- periment dan is bet tach de normerende invloed van de Raad die hieraan bij uitstek heeft bijgedragen. Door Van der Ploeg zo ver in zijn politieke oogmerken tege- moet te komen en hem in is acceptabel voor de Raad voor

Cultuur die geacht mag worden die te bewaken?

Na kwaliteit, zo stelt Vander Ploeg, moeten de plan- nen vervolgens getoetst worden op:

- maatschappelijk bereik dat in zijn terminolo- gie staat voor het bereik van de nieuwe publieks- groepen

subsidiebedrag per bezoek - positie in het bestel

Op de eerste twee van die bijkomende toetsingscri- teria scoren nieuwkomers, zoals gezegd, positief.

Nieuwkomers mogen de nadelen hebben van niet gevestigd te zijn, ze dragen geen verleden mee en kunnen daardoor verwachtingen wekken die voor de bestaande instellingen als onrealistisch terzijde geschoven zouden worden. De Staatssecretaris sug- gereert de Raad bovendien om op grand van de po- sitie in het bestel na te gaan 'of voorzien is in bet spectrum van experimenteel aanbod tot aanbod dat zich richt op brede of juist specifieke (lees: nieuwe) publieksgroepen.' De Raad duidt dit zelf aan als een functionele benadering die inhoudt dat bet aanbod wordt gequoteerd en gedifferentieerd wordt beoor- deeld.

Dit arsenaal van kunstgrepen heeft niets met markt- werking en eerlijke mededinging te maken maar met de aanpak van bescherming die we kennen op bet terrein van het minderheden:beleid. In de cul- tuursector is dit nieuw.

Het stuitende ervan in mijn ogen is dat Van der

3 'Aldus is autonomie geen op zichzelf staand fenomeen, maar maakt dee! uit van het samenstel van elementen waarop het kwaliteitsoordeel wordt

sommige opzichten hierin nog voorbij te streven, heeft de Raad voor Cultuur een breuk in bet cultuurbeleid van de overheid be- willigd. Het belangrijkste uitgangspunt hiervan is immers door Thorbecke geformuleerd, die overi- gens heel vaak formuleringen in de schoenen krijgt geschoven die niet de zijne waren. Niet 'Kunst is geen regeringszaak' maar 'De regering is geen oor- delaar van wetenschap en kunst' was zijn uitspraak.

Dit adagium dat overeenkomt met de door Safranski bepleite differentiatie van waarden, is sedertdien door de Nederlandse overheid gerespecteerd. Van der Ploeg rechtvaardigt zijn interventie door de au- tonornie van de cultuur te relativeren3.

De Raad voor Cultuur legt de verantwoordelijk- heid voor de breuk met het verleden bij de wereld van de kunst en cultuur zelf. Hij doet dit door de stelling te betrekken dat bet de culturele elite is die zich verschanst heeft in de gevestigde culturele in- stellingen en gewend is geraakt aan de verworven posities, waarin zij zich veilig heeft afgeschermd van vreemde invloeden. De culturele elite heeft nagela- ten haar verantwoordelijkheid te nemen. Dit maakt de cultuur tot een benauwde traditie van smaakco- des en het zoeken naar zekerheden. Nieuwe makers en nieuwe publieksgroepen dienen zich aan, maar stromen onvoldoende door naar bet reguliere aan- bod en !open dus vast.

Voor een Raad voor Cultuur is deze onbesuisde aanval niet alleen misplaatst, maar komt deze in de plaats van wat de Raad dan eigenlijk had moeten

gebaseerd. U zult het met ntij eens zijn dat daarbij niet alles over een kam kan worden geschoren' (Adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur, dd 17 januari)

(7)

.en-

•or- :tun ou- Uen

~en

bsi- :ht- ex-

1

de 1de

;tek oor zijn :ge- lin

!rin uur be- n is eri-

·ijgt

;t

is

>Or- lak.

nski lien Van au-

lijk- reld

~de

, die

!

in-

·ven van : ela- aakt cco- kers r1aar aan-

isde

il

de

!ten

s &_oro 2ooo

doen. Namelijk concreet aangeven waar verstarring en geslotenheid hebben toegeslagen en waar de nieuwe makers en nieuwe publieksgroepen zich aan- dienen die vastlopen door onvoldoende openheid van de reguliere instellingen .

Het is in mijn ogen onzinnig om de wereld van de cultuur het verwijt te maken dat die gedragen wordt door een elite, op voorwaarde dat die elite, anders dan de Raad voor Cultuur, niet zichzelf selekteert maar openstaat voor makers met talent en publiek met belangstelling. Er zijn geen concrete aanwijzin- gen dat aan die voorwaarden niet wordt voldaan. De wereld van cultuur heeft over het algemeen juist lage toetredingsdrempels. Zowel aan de kant van het aan- bod als de vraag. Maar voor talent en belangstelling bestaan geen substituten, wat de politiek hierover ook mag suggereren.

Maar de achterstanden van allochtonen dan waarop de Raad zijn aanklacht lijkt te baseren? Het maakt voor de manier waarop tegen die achterstan- den wordt aangekeken nogal verschil welke typering hier op zijn plaats is. Leven wij nu in een multi-cul- turele maatschappij waarin de minderheden gewor- teld zijn in hun eigen cultuur en makers en publiek in die minderheden een eigen cultureel Ieven heben opgebouwd? Of Ieven wij in een multi-etnische sa- menleving waarin de minderheden weliswaar uit an- dere culturen afkomstig zijn maar door gebrek aan opleiding en culturele achtergrond die eigen cultuur niet kunnen vasthouden? Wier pijnlijke positie het nu juist is dat ze van de cultuur waaruit ze afkomstig zijn vervreemd raken, wat te meer geldt voor de tweede en derde generatie, zonder nog- althans in den brede - gemtegreerd te zijn in de cultuur van hetland van vestiging. Er is weinig realiteitszin voor nodig om in te zien dat het laatste het geval is en im- pliciet erkent de Raad dit ook wel. Anders zou het van een wel heel groot dedain getuigen om van cul- turele achterstanden te spreken.

Het hinderlijke van het raadsadvies, evenals van de geschriften van Vander Ploeg, is dat de begrippen etnische en culturele minderheden daarin door el- kaar gebruikt worden. Zo schrijft de Raad dat het

'multiculturele karakter van de samenleving defini- tief (h)erkend is en dat de culturele elite dit onvol- doende heeft willen merken.'

In het theateradvies gaat de Raad zelfs zo ver door te stellen dat 'multiculturele aktiviteiten nooit een gelsoleerde deeltaak maar onderdeel van aile aktivi- teiten moeten zijn.' Men moet wel aannemen dat dit bedoeld is met inbegrip van de inhoud. Deze ver-

gaande gedachte die gebaseerd wordt op het inter- culturele karakter van onze samenleving, is mede- bepalend geweest in de oordeelsvorming, zo schrijft de Raad in het theateradvies. Niet aileen bepalend dus terwille van de diversiteit maar als richtsnoer voor de beoordeling van aile makers. Hier komt de Raad in zijn theateradvies overigens op gespannen voet met zijn algemene advies waarin nog wordt staande gehouden dat het principe juist is dat de overheid zich niet direct met de inhoud mag be- moeien.

Nu kan niemand ontkennen dat culturen onder de invloed staan van nieuwe media, nieuwe techno- logische mogelijkheden en invloeden van buiten.

Zou men om die red en van het multiculturele karak- ter van onze maatschappij will en spreken dan valt dit wei te onderscheiden van het multi-etnische karak- ter. De Raad speelt op die ontwikkelingen in door van interculturele smeltkroes te spreken waarin herkomst en identiteit van een cultuur er niet Ianger toe zouden doen en openheid het absolute gebod is.

Hierover is internationaal een interessante discussie gaande waarin niet de minsten hiertegen stelling nemen en de opvattingen verdedigen dat herkomst en identiteit juist essentieel zijn voor de ontwikke- ling van een open, pluralistische samenleving. Een eigen culturele identiteit vormt juist de basis voor een internationale culturele verkenning. De wereld van de cultuur is niet gediend met vermenging van culturen tot een 'kleffe brei'.

Het zou de Raad voor Cultuur gesierd hebben als hij zich in die discussie verdiept had en met een op- vatting gekomen was. Moeten we de Nederlandse theaterwereld niet juist vragen de eigen tradities te ontwikkelen en de culturele identiteit herkenbaar te doen zijn?

Dat zou ook met het oog op de integratie van de etnische minderheden en niet te vergeten onze eigen jeugd een zeer verdedigbare positie zijn. Inte- gratie in een cultuur met een eigen identiteit stelt hen in staat met meer begrip en waardering andere culturen, waaronder de cultuur van herkomst, tege- moet te treden. In plaats van ze te Iaten verdrinken in een multiculturele smeltkroes.

Het diffusiemodel dat met name in cultureel op- zicht geldigheid bezit, blijkt nu juist zijn werkzaam- heid te ontlenen aan de uitstraling van een herken- bare identiteit. De wervende kracht is ten nauwste verbonden met het verlangen er dee) aan te hebben en er deel van uit te maken. Verwatering en niveau- verlaging werken hierop averechts.

4~7

(8)

s &..oro 2ooo

SeomenterinB en willekeur

Tenslotte nog een opmerking over een ander sleutel- begrip in het Raadsadvies, namelijk segmentering.

Aan segmentering liggen verschillen in orienta- tie ten grondslag zowel van makers en hun tal en ten als van publiek met zijn belangstelling. Dit geldt voor verschillen tussen kunstdisciplines maar ook voor richtingen binnen disciplines. De Raad zegt in zijn advies pluriforrniteit, een van de klassieke doel- stellingen van het cultuurbeleid, te willen bevorde- ren. Door steeds de functie

danig parten heeft gespeeld, om niet te zeggen dat het willekeur in de hand gewerkt heeft. Wat in het ene geval reden is om subsidie te beeindigen, is in een ander geval reden voor toewijzing. In de pers zijn die voorbeelden van willekeur inmiddels uitge- meten, het meest systematisch door Hanny Alkema in Trouw en Mark Duursma en Wilfried Takken in

NRC

Handelsblad.

In mijn ogen komt die willekeur ook helder tot uitdrukking in het oordeel van de Raad over De Appel

Voor talent en belangstelling bestaan geen substituten, wat de politiek van een gezelschap te be-

noemen en deze functie te Iaten meewegen bij de be- oordeling, wil de Raad recht doen aan de verschei-

en Orkater. In het huidige aanbod zijn het met name deze beide gezelschappen die zich - inhoudelijk ge·

hierover oak mag suggereren. zien - op het eerder ge-

denheid en tegelijk de instellingen zien als dee! van een groter verband. In de ambtelijke stukken komt men dit begrip ook wei tegen als de 'bestelfunctie'.

Nu zou men verwachten dat de Raad alvorens tot een beoordeling van gezelschappen te komen, deze segmentering van het aanbod benoemt en expliciet aangeeft hoe publieksbereik, culturele inhoud en ar- tistieke kwaliteit zich hier tot elkaar verhouden.

Wellicht ook nog aangeeft welke consequenties deze segmentatie zou moeten hebben voor de subsidie per bezoek. Verschillende concrete uitwerkingen zouden hier mogelijk zijn geweest, mede door ge- bruik te maken van de voorhanden zijnde systemati- sche indeling van het toneelaanbod die een koppe- ling aan doelgroepen mogelijk maakt. De Raad zou zich dan kunnen uitspreken over wenselijkheden en kwaliteitseisen die hierbij zouden moeten gelden.ln zijn adviesaanvraag heeft Vander Ploeg de Raad uit- genodigd om in de beoordeling van individuele in- stellingen de vier selektiecriteria systematisch en transparant tot uitdrukking te brengen4. Hij kon dit makkelijk vragen, maar de Raad heeft dit kunst- stukje niet weten te volbrengen aangezien hij ook nog aan de andere opgaven van Van der Ploeg had te voldoen>.

Feit is dat dit schemerachtig is gebleven, wat de Raad in zijn beoordeling van individuele gezelschappen

noemde 'tussengebied' ge- positioneerd hebben

6

en gelet op de publieke be- langstelling er kennelijk in geslaagd zijn een succes- volle segmentering tot stand te brengen. Orkater heeft de laagste subsidie per bezoek en ook De Appel scoort in dit opzicht gunstig. In aile opzichten lijken deze gezelschappen te beantwoorden aan wat Van der Ploeg met zijn publieksverbreding voor ogen staat. Bovendien wordt in de nota's van Van der Ploeg gesteld dat meer publiek niet altijd nieuw pu- bliek hoeft te zijn. De hoger opgeleiden met hun koopkracht vormen een van zijn doelgroepen. De Appel en Orkater worden door de Raad evenwel afge- droogd op een manier die geen enkel recht doet aan de uitgangspunten die de Raad zegt zelf in acht te nemen maar nalaat uit te werken en te preciseren.

We moeten wei aannemen dat hier deze instruktie van Van der Ploeg zijn uitwerking niet gemist heeft:

niet wat eruit kan is bepalend, maar 'water dus uit moet'.

Aan de grootstedelijke en regionale gezelschap- pen heeft de Raad niet durven komen, hoe zeer het publieksbereik en de geleverde prestaties hiertoe in een aantal gevallen aanleiding zouden kunnen geven en dan blijven er weinig andere kandidaten bij de grote gezelschappen over. Tenminste als een Raad zich bereid toont binnen de door Van der Ploeg ge- stelde randvoorwaarden te will en opereren.

De vraag kan terecht gesteld worden waarom de

4 'Het nieuwe zit vooral in de vraag om de adviesteksten expliciet te vermelden hoe bij de beoordeling van een beleidsplan met elk van de vier criteria rekening is gehouden' (Adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur dd 17 januari)

r; Deze formele tekortkomingen in de Raadsadviezen vormen - mede gelet op het effect hiervan op de uitkomsten - een gerede basis om de Raadsadviezen aan te vechten.

onconventionele wijze gebracht wordt en blijft hierdoor bij de insiders een streepje voor hebben op De Appel dat complex repertoire op conventionele wijze brengt. Voor beide geldt evenwel dat zij zich in hun positionering onderscheiden.

6 Orkater richt zich hierbij op het envoudige repertoire dat op

(9)

at et in rs e-

rra

in

ot

>el

!n

e- e- e-

e-

.s- : er

>el

!n ill

!n

er u- rn ')e e- m te n.

lie it:

tit

p- et

e- de

e l

s &..n to 2ooo

Raad zich hieraan gebonden heeft en of dit verenig- baar is met de opdracht om op onafhankelijke wijze een kwaliteitsoordeel uit te spreken. De oplossing van dit dilemma heeft de Raad nu menen te vinden door gezelschappen artistiek in gebreke te stellen, terwijl dit oordeel mede door budgettaire beperkin- gen lijkt te zijn ingegeven. Voor makers is het pijnlijk om om die reden zo te kijk te worden gesteld. Een gedetailleerde analyse van het raadsoordeel over De Appel is in een bijlage opgenomen. Die analyse laat zien dat het oordeel van de Raad kennelijk vaststond en dat hiervoor alleen de argumenten aangedragen moesten worden. Boven-

vraagde doorstroming leek er nu eindelijk te ko- men. Maar bij nadere beschouwing van wat de Raad aan nieuwkomers heeft binnengehaald en van de kwaliteit van het Raadsadvies zelf is de stemming omgeslagen. Deze Raad he eft de cultuur geen dienst bewezen. Je zou bijna de verzuchting slaken dat bij zulk overheidsbeleid de cultuur zonder beleid nog beter af zou zijn.

Wat te doen?

Staatssecretaris Van der Ploeg heeft zich kennelijk ten doe! gesteld zijn stempel te zetten op het cul-

dien moeten - zoals de ad- viezen luiden - nieuwko- mers met een hoogst on- duidelijke staat van dienst nu de publieksverbreding tot stand gaan brengen die De Appel en Orkater op aan- toonbare wijze op hun conto hebben weten te schrijven. Zie hier wat poli- tiek correcte stellingname aan feitelijke uitkomsten

Als het theater zich om politieke redenen tach zou moeten richten op

de 'nieuwe publieksaroepen' van Van der Ploea, aaan we een klassiek voorbeeld van misrekeninB teaemoet:

de nieuwe publieksaroepen worden er niet door aewonnen terwijl de

liifhebbers zich ervan cifkeren .

tuurbeleid. Soms geeft hij de indruk de elitaire cul- tuur een lesje te willen leren. Zich spiegelend aan opvattingen zoals recent door het orakel Ronald Hooft verwoord: ' Heden- daagse kunst is qua functie vergelijkbaar geworden met een warenhuis of res- taurant. Op het hoogste kwaliteitsniveau kan een

tot stand kan brengen. Ik ben geen liefhebber van De Appel .In de drieentwintigjaar dat ik in Den Haag heb gewoond, ben ik er maar een paar maal geweest. Het gaat rnij om de integriteit van het beoordelingspro- ces.

Ook de behandeling van

TGA

zie ik in dit Iicht.

De nieuwe combinatie van Trust en Art &Yro heeft de status van doorgroeier gekregen, maar wie moet hiervoor dan wijken?

Als het de Raad en Van der Ploeg nu werkelijk ernst geweest was met het cultureel ondernemer- schap dat zij voorstaan om de dynarniek te bevorde- ren, hoe valt het dante verklaren dat

TGA

onder Iei- ding van Ivo van Hove, die zich als een van de weini- gen als cultureel ondernemer heeft bewezen, nu is aangewezen om een stap terug te doen? En die aan- wijzing gerechtvaardigd moet worden door

T G A

een veeg uit de pan te geven?

Onder deze staatssecretaris en Raad voor Cul- tuur stevenen we af op een verdergaande fragmenta- risering van het aanbod, worden de grote gezel- schappen verder beknot en wordt het kwaliteitsoor- deel zo zeer vermengd met politieke en budgettaire oogmerken dat het gezag van de overheid in diskre- diet dreigt te raken. Het ad vies van de Raad is aan- vankelijk met gejuich binnengehaald. De alom ge-

restaurant zich meten met kunst. Consumptie is tot cultuur verheven: I shop, therefore I exist.'

Lager opgeleiden, allochtonen en jongeren die te weinig aan culturele activiteiten zouden deelnemen mogen zich als nieuwe publieksgroepen verheugen in zijn aandacht. De doorbraak naar deze nieuwe pu- blieksgroepen denkt hij mede te bewerkstellingen door openingen voor nieuwe theatermakers te cree- ren. Er client zich in zijn ogen een ' nieuwe garde cul- tuurmakers aan die niet de ruimte gekregen heeft om hun waardevolle bijdrage aan de dynamiek van de cultuur te leveren'.

Maar een verkenning van de beschikbare gege- vens over het publieksbereik geeft allerminst aanlei- ding tot het cultuurpolitieke activisme van Van der Ploeg. Jongeren blijken al helemaal niet rninder aan het culturele Ieven dee! te nemen, terwijl voor al- lochtonen geldt dat het cultureel diffusieproces, dat overigens aanwijsbaar is, een proces van lange adem behelst en generaties bestrijkt. Politiek activisme schept op dit vlak valse verwachtingen. Dit geldt te meer voor de lager opgeleiden. Het bezoekerspro- fiel van het populaire theateraanbod laat immers weinig anders zien dan dat van het gesubsidieerde aanbod. De belangstelling van lager opgeleiden richt zich nu eenmaal op heel andere activiteiten dan het

4S9

(10)

theater, bijvoorbeeld bioscoopbezoek. Meer dan vijftig jaar naoorlogs spreidingsbeleid heeft hierin geen verandering weten te brengen.

Als het theater zich om politieke redenen toch zou moe ten rich ten op de 'nieuwe publieksgroepen' van Van der Ploeg, gaan we een klassiek voorbeeld van rnisrekening tegemoet: de nieuwe publieksgroe- pen worden er niet door gewonnen terwijl de lief- hebbers zich ervan afkeren .

Niet publieksverbredina maar publieksverdiepina moet een realistische doel-

Het is waar dat institutionalisering van culturele instellingen het gevaar van verstarring in zich draagt. Maar evenzeer is het waar dat institutionali- sering een voorwaarde is voor ontwikkeling van know how en vakmanschap bij het uitbrengen van veeleisende, complexe produkties. Het beleid gaat op dit punt mank aan gehrek aan evenwicht. Ook grotere gezelschappen moeten de kans krijgen zich te ontplooien en in staat gesteld worden zich te con- centreren op hun functionele taak, dat is het pro-

stelling worden geacht. Na- melijk de incidentele be- zoeker ertoe te brengen vaker naar de schouwburg te gaan. Bestaande initiatie- ven zoals de + s aktie die hierop gericht zijn, verdie- nen intensivering. Stimule- ring van lokale culturele dynamiek past in dit be- leidsstramien.

De Raad beroept zich voor zijn oordeel op het kwaliteitscriterium .

duceren voor de grote zaal.

N u staan we voor het paradoxale gegeven dat in de komende kunstenplan- periode nieuwkomers zon- der enige kwalificatie op dit vlak voor de grate zaal gaan produceren terwijl de gro- tere gezelschappen waar de know how zit, fmancieel worden afgeknepen en een stap terug moeten doen.

Maar voor de nieuwkomers heift hij zich bereid aetoond heel andere

maatstaven te willen hanteren.

Van der Ploeg's stelling dat zich een nieuwe garde cultuurmakers aandient die niet de ruimte krijgt is in het Iicht van de feiten hoogst ongeloofwaardig. Sedert de jaren '8 o is het aantal gesub- sidieerde groepen (structu- reel en op basis van produc-

Gealarmeerd door de protesten stelt de Raad het in zijn aanvullende advies voor alscif over de hele linie het kwaliteitscriterium voorop heift

aestaan. Het advies ze!f laat er evenwel aeen twijfel over bestaan

dat met verschillende maten is aemeten en dat dit oak willens en

wetens is aebeurd.

Dit is trouwens niet de enige paradox die ons te wachten staat. De door Van der Ploeg zo vurig bepleite publieksverbreding moet door nieuwkomers zonder enig 'record' worden be- werkstelligd, terwijl de

ties) gestaag toegenomen. De spreiding in het aanbod is welhaast maximaal te achten. De dynamiek van het aanbod is als gevolg van de drempelverlaging eerder te groat dan te klein. De dynamiek heeft nu reeds aantoonbare negatieve bijverschijnselen. De drem- pelverlaging is kennelijk te ver doorgeschoten.

De functionele taakverdeling tussen bijvoor- beeld grate en kleine gezelschappen is erdoor op de tocht komen te staan. Ook uit het oogpunt van in- zichtelijkheid heeft de verruiming van het aanbod de grenzen van effectiviteit overschreden. De overac- centuering van de aanbodzijde in het beleid heeft nieuwe toneelmakers er bovendien toe gebracht zich met een eigen groep te willen manifesteren in plaats van eerst hun vakmanschap binnen de geves- tigde gezelschappen verder te ontwikkelen. Een verdergaande verlaging van de toetredingsdrempels zal die tendens versterken: voor wie zich als nieuw- komer wil bewijzen is, voor zich zelfheginnen wel- haast een norm geworden .

twee groepen die een aan- toonbare bijdrage aan de verruiming van het pu- blieksbereik hebben geleverd het veld moeten rui- men. De Raad beroept zich voor zijn oordeel op het kwaliteitscriterium. Maar voor de nieuwkomers heeft hij zich bereid getoond heel andere maatstaven te willen hanteren. Gealarmeerd door de protesten stelt de Raad het in zijn aanvullende advies voor alsof over de hele linie het kwaliteitscriterium voorop heeft gestaan. Het advies zelf laat er evenwel geen twijfel over bestaan dat met verschillende maten is gemeten en dat dit ook will ens en we tens is gebeurd.

De door de Raad aangewezen nieuwkomers zijn in-

rniddels in de pers onder de loep genom en. Het oor-

deel is niet mals. Hanny Alkema gaat zover om de

keus van de Raad als een belediging van de serieuze

theatermakers te betitelen. En zij staat hierin aller-

minst aileen. Hier komen we aan de kern van de

zaak. De interventie van Staatssecretaris Van der

Ploeg, hierin kritiekloos gevolgd door de Raad, be-

tekent een breuk in het beleid die is ingegeven door

(11)

ele ich tli-

ran 'an

aat ok .ch m-

·o- al.

1et in

m-

•n- dit .an

·o- de

!el en

de te

an

ite

•et .er

le-

de

!D- iU-

li-

et :rs en en of )p

~n

is d.

n-

r- :le ze r- :le er e-

:>r

s&._o 10 2ooo

politieke profileringsdrang. Die breuk zou door de wereld van de cultuur niet geaccepteerd moeten worden. Het zou een passend gebaar zijn als aile theatermakers bij de opening van het nieuwe sei- zoen protest zouden aantekenen en een beroep op de Tweede Kamer doen om dit beleid ongedaan te maken. Als het om subsidie gaat is ook aan de wereld van de cultuur opportunisme en berekening niet vreemd en bestaat de neiging om zich vrolijk te maken over de malheur die anderen overkomt. In de

zelschappen is institutionalisering een noodzakelijke eis, voor kleine gezelschappen is die eis onnodig, zo niet onwenselijk. Indien de beleidsmakers een ver- dergaande segmentering wenselijk achten, dan zul- len ze die vooraf expliciet kenbaar moeten maken met inbegrip van de bijbehorende eisen en criteria.

In deze benadering past het om de toe te kennen bedragen per gezelschap ornhoog te brengen. Oat zou voor aile drie functies moeten geld en. Periodiek zou er een open inschrijving moeten plaatsvinden, voorbereidingsperiode

heeft Vander Ploeg een op- tocht van cultuurmakers geconsulteerd. Velen heb- ben na deze gesprekken ge- dacht zelf wei goed te zit- ten. Achteraf zijn ze van een koude kermis thuis ge- komen en voelen zich bedr- ogen.

De les is dat politici in opportunisme en bereke- ning moeilijk te verslaan zijn. Maar bovenal zou dit moeten gelden: hier staat niet alleen de eigen positie ter discussie, maar is de au-

De les is dat politici in opportunisme en berekening moeilijk

te verslaan zijn. Maar bovenal zou dit moeten gelden: hier staat niet alleen de eigen positie ter discussie, maar is de autonomie van de cultuur in het geding. De regering hoort niet

te oordelen over wetenschap en kunst, ook niet als een adviesorgaan van de regering hiertoe vrije doorgang

verleent.

waarbij gegadigden expli- ciet kunnen meedingen naar een van de open ge- stelde posities. De ervaring leert dat gegadigden zich hiertoe kunnen verenigen in interessante allianties. In deze systematiek is het aan- trekkelijk om de open in- schrijving niet voor aile open te stellen posities te- gelijkertijd te doen plaats- vinden, maar gefaseerd in de tijd. Bij een systeem van open inschrijving is een concessie-verlening voor

tonomie van de cultuur in het geding. De regering hoort niet te oordelen over wetenschap en kunst, ook niet als een adviesorgaan van de regering hiertoe vrije doorgang verleent.

Een alternatiif o/steem van concessie-verlening De nu gevolgde gang van zaken geeft aanleiding tot de conclusie dat de huidige kunsten-plansystematiek nodig op de helling moet. De systematiek van de concessie-verlening biedt veel betere aangrijpings- punten om de openheid van het systeem te garande- ren. Het aantal structured gesubsidieerde gezel- schappen zou hierbij teruggebracht moeten wor- den, terwijl de functionele taakverdeling tussen grootschalige gezelschappen, regionale en rniddel- grote gezelschappen, en kleine gezelschappen, die correspondeert met de zalen waarvoor geprodu- ceerd wordt, in ere hersteld client te worden. Voor elk van die functies horen de kwaliteitseisen en bij- komende beoordelingscriteria in een programma van eisen voorafhelder te worden geformuleerd.

Hiertoe valt zeker de organisatiegraad te reke- nen die gegadigden voor elk van deze functies zullen moeten kunnen bieden. Voor de grootschalige ge-

de duur van vier jaar onaan- trekkelijk. Zes a acht jaar ligt dan meer voor de hand.

De fasering van de inschrijving biedt nieuwe be- windspersonen de mogelijkheid om de concessie- voorwaarden voor de tijdens hun regeringsperiode vrij vallende plaatsen naar hun inzichten te be'invloe- den. Een onafhankelijke beoordelingscommissie client uit te maken welke offerte voor welke positie de beste is. De beoordeling valt binnen de geschetste systematiek uiteen in drie aspecten, te weten:

1.

Voldoen aan de gestelde eisen;

2.

Geboden kwa- liteitsniveau; 3. Output in termen van produkties en voorstellingen.

Dit systeem van concessie-verlening dat een grote staat van dienst heeft, dwingt de concessiever- lener tot helderheid vooraf in de te stellen eisen; de concessie-nemer zal zijn offerte op het scherp van de snede moeten maken terwijl de beoordelaar ge- dwongen wordt tot objectiviteit en het hard maken van de getroffen beslissingen. Die komen immers open te staan voor juridisch beroep bij (vermeende) onjuiste toepassing van de concessie-voorwaarden .

Dit voorstel zal er toe leiden dat de 'zwarte doos'

bij de toewijzing van subsidie geopend moet worden.

(12)

s

&..o Io 2ooo

Ik ben deze uiteenzetting met een verwijzing naar Nietzsche begonnen, het lijkt me passend er ook mee te eindigen. Het mag dan zo zijn dat in deze maatschappij een coexistentie tussen de vrijheid van het individu en de politieke ratio van sociale gelijk- waardigheid tot stand is gebracht, het zijn de kun- sten die het fundamentele conflict tussen die twee in zekere zin oplosbaar maken. Het is de geestelijke verruiming van de kunst, om met Nietzsche te spre- ken, die het bestaan mogelijk maakt: 'ik klampte mij met ernstige overtuiging vast aan de waarde van de kunst, die niet terwille van de arme mensen kan be- staan (evenmin trouwens terwille van de rijke men- sen. AvdZ), maar hogere missies te vervullen heeft.' Die missies te verdedigen tegen de aanslagen van een zich onbegrensd wanende politieke annexatiedrang is wat hier vereist wordt.

Theatermakers zijn mensen van het woord en het gebaar. Zij zijn op grand hiervan de eerst aangewe- zenen om 'de avontuurlijke waarheden van de cul- tuur' hoog te houden.

ARIE VAN DER ZWAN

Econoom, ze!JstandiB adviseur en buiteneewoon hooeleraar manaeement en onderneminesbeleid aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam

Dit is een verkorte versie van de 'State cif the Union' die Arie van der Zwan op 31 aueustus jl. in Amsterdam uitsprak bij de openin9 van het Theateifestival.

Literatuur

Alons, Carel,

Kunst(onderwijs): een product'![ een proces,

lezing

1999·

Alphenaar,

Carel, Het Theateifestival 2000- Hooks op de Herenaracht, het rapport van de juryvoorzitter,

Amsterdam

2ooo.

Berenschot,

De podiumkunsten na 2000-naar een nieuw beleid,

Utrecht

199S.

Berg, Hans Onno van den,

De verstatelijkina van het toneel

Boekman,

Emanuel, Overheid en kunst in Nederland,

Boekmanstichting, reprint, Amsterdam

1989.

Boekmanstudies,

Nieuwe partners in de kunst -

Publiek private samenwerkina in de kunstensector, Amsterdam 1999·

Boersma, Miranda,

Marketina van theater en andere kunsten - verarotina van de publieksdeelname in theorie en praktijk,

Amsterdam

1998.

Dulken, Hans van,

De sanerin9 van de subsidierina,

werkdocument Boekmanstichting, Amsterdam

2ooo.

Haan, Jos de,

en Wim Knulst, Het bereik van de kunsten,

Sociaal

en Cultureel Plan bureau 2 ooo.

Heteren, Lucia

van, Theater, kritiek, jury en publiek- de totstandkomina van het kwaliteitsoordeel bij theater,

Groningen

1998.

Kuypers, Paul,

Het vloeiend universum van de stoat,

Vereniging Kunsten

'92. 1999.

Ligthart, Pieter,

Toneelbeleid

in

Nederland, Amsterdam 1988.

Ministerie van

CRM, Toneel ter zake,

Den Haag

1976.

Ministerie van OCen W,

Cultuur als corifrontatie, een ondernemende cultuur,

juni

1999.

Ministerie van OCen W,

Cultuur als corifrontatie, inrichtinaseisen subsidieaanvraaen cultuurperiode 2001 - 2004, juni 1999.

Ministerie van OCen

W, Adviesaanvraaa aan de Road voor

Cultuur,

januari

2ooo.

Puffelen,

Frank van, Culturele economie in de laae Ianden,

literatuurstudie, Amsterdam

2ooo.

Raad

voor Cultuur, Cultuurnota 2000- 2004, Alaemeen Advies, mei 2ooo.

Raad

voor Cultuur, Theateradvies,

mei

2ooo.

Raad voor Cultuur,

Aanvullend Advies,

juni

2ooo.

Ranshuysen, Letty,

De Nulmetina- Ana9'se van het toneelaanbod en het publiek

in

Arnhem, Eindhoven, Den Bosch en Utrecht van september 19 8 8 tot september 19 9 3 .

Stichting Fonds voor de Podiumkunsten,

Beleidsplan 2001 - 2004, 2000.

Stichting Proeftuinen Podiumkunst, mei

1994.

VNT, Myr.hes enjeiten over het Nederlands toneel, 199S·

idem, update cijfermateriaal,

2ooo.

vsco,jaarcijfers vsco theaters 1997 en 1998.

vsco,

proarammerinasimpuls

+s.

seizoen 1997198, 1998l99,

interne documenten

2ooo.

Afbeelding

Updating...

Referenties

Gerelateerde onderwerpen :