auteur(s) J. Tolsma A.M. Bakker Opdrachtgever N.V. Nederlandse Gasunie Postbus MA GRONINGEN projectnr revisie november 2012

Hele tekst

(1)

Archeologische Rapporten Oranjewoud

 2012/148  Bureauonderzoek locatie Hondshalstermaar i.v.m. 

vervanging brugophangingen aardgastransportleiding   N 509‐90  

   

projectnr. 257109   revisie 00  22 november 2012   

   

 

auteur(s)  J. Tolsma  A.M. Bakker   

                     

 

Opdrachtgever  N.V. Nederlandse Gasunie  Postbus 19 

9700 MA  GRONINGEN   

                           

datum vrijgave  beschrijving revisie 00  goedkeuring  vrijgave 

16‐11‐2012  definitief  J. Tolsma  A.M. Bakker 

(2)

blad 2 van 19  Colofon 

Titel:  Archeologische Rapporten Oranjewoud 2012/148.  

Bureauonderzoek locaties Hondshalstermaar i.v.m. vervanging brugophangingen       aardgastransportleiding N 509‐90  

  

Auteur(s):   J. Tolsma, A.M. Bakker   

ISSN: 1570‐6273   

© Oranjewoud B.V. 

Postbus 24  8440 AA Heerenveen   

Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, microfilm of op welke  andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Ingenieursbureau Oranjewoud bv, noch mag het zonder  een dergelijke toestemming worden gebruikt, door een derde of voor enig ander werk of doel dan waarvoor het is vervaardigd. 

 

Disclaimer

Archeologisch vooronderzoek wordt in zijn algemeenheid uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren d.m.v. boringen,  proefsleuven en/of veldkartering. Hoewel Ingenieursbureau Oranjewoud bv de grootste zorgvuldigheid betracht bij het uitvoeren  van het archeologisch onderzoek, is het juist deze steekproefsgewijze benadering die het onmogelijk maakt garanties  ten aanzien  van de situatie af te geven op basis van de resultaten van een archeologisch vooronderzoek. 

 

Oranjewoud aanvaardt derhalve op generlei wijze aansprakelijkheid voor schade welke voortvloeit uit beslissingen genomen op  basis van de resultaten van archeologisch (voor)onderzoek. 

(3)

blad 3 van 19 

Inhoud       blz. 

 

  Administratieve gegevens... 4 

  Samenvatting... 5 

1 Inleiding... 7

2 Bureauonderzoek Hondhalstermaar... 9

2.1 Beschrijving onderzoekslocatie... 9

2.2 Landschappelijke situatie... 10

2.3 Bewoningsgeschiedenis... 12

2.4 Historische situatie en mogelijke verstoringen ... 12

2.5 Bekende waarden... 13

2.6 Archeologische verwachting ... 14

3 Conclusies en advies ... 18

3.1 (Selectie)advies... 18

Literatuur en geraadpleegde bronnen ... 19  

Bijlagen 

1  Archeologische perioden 

2  AMZ‐cyclus 

3a  AMK‐terreinen uit ARCHIS 

3b  Archeologische waarnemingen uit ARCHIS   

  Kaarten 

257109‐ARCHIS  IKAW, AMK‐terreinen, Waarnemingen en Onderzoeken uit ARCHIS  

(4)

blad 4 van 19 

Administratieve gegevens   

  OW Projectnummer  257109 

  OM-nummer  54465 

  Provincie  Groningen 

  Gemeente  Delfzijl en Oldambt 

  Plaats  Wagenborgen  

  Toponiem  Hondshalstermaar  

  Kaartblad  07F  

     

 

  Coördinaten  NW: 259532/586815  ZW: 259574/586688 

    NO: 259546/586817  ZO: 259589/586692     

     

  Opdrachtgever  N.V. Nederlandse Gasunie      Uitvoerder Oranjewoud 

  Datum uitvoering  november 2012    Projectteam  J. Tolsma (projectleider) 

        A.M. Bakker (senior KNA‐archeoloog) 

         

 

Bevoegd gezag  gemeente Delfzijl en Oldambt 

     

 

Beheer documentatie  Oranjewoud Almere  Vondstdepot  n.v.t. 

 

   

   

                                           

Afbeelding 1  Locatie plangebied Hondshalstermaar 

(Topografische Kaart 1:25.000 (niet op schaal), © Topografische Dienst Kadaster, Emmen)   

locatie plangebied

(5)

blad 5 van 19 

Samenvatting 

 

In november van 2012 is in opdracht van de N.V. Nederlandse Gasunie door ingenieursbureau 

Oranjewoud BV een bureauonderzoek uitgevoerd voor een leidingtracé van de Gasunie in Wagenborgen  (provincie Groningen). 

 

Het plangebied heeft betrekking op de kruising van de gasleiding met een watergang. In de huidige  situatie is de gasleiding vastgemaakt aan de brug, en loopt deze over het water heen. Vanwege  vervanging van de brugophanging, moet de gasleiding verlegd worden.  

 

Voor de locatie geldt dat de nieuwe leiding onder de watergang doorgelegd wordt met behulp van een  horizontaal gestuurde boring (HDD). Dit houdt in dat op de in‐ en uittreedlocatie van de leiding boor  werkzaamheden plaats vinden.  

 

Binnen het plangebied kunnen met name vindplaatsen uit de periode paleolithicum ‐vroege bronstijd en  vindplaatsen vanaf de middeleeuwen worden aangetroffen. Alleen eventuele vindplaatsen vanaf de  middeleeuwen zullen worden verstoord door de aanleg van de putten. Zeer plaatselijk en in zeer geringe  mate kan ook verstoring plaatsvinden aan off‐site vindplaatsen (veen) en steentijdvindplaatsen 

(pleistoceen oppervlak) als gevolg van het persen van de leiding.  

 

Het beleid voor Delfzijl is dat onderzoek nodig is bij ingrepen groter dan 200 m² en dieper dan 40 cm ‐ mv. Voor Oldambt geldt dat het gebied op de grens van een hoge en lage verwachting ligt. Uitgaande  van een hoge verwachting is onderzoek nodig bij ingrepen van meer dan 200 m².  

 

In voorliggend geval wordt maximaal 210 m² verstoord door de aan te leggen putten en voor het overige  zeer plaatselijk, daar waar de leiding het pleistocene vlak raakt door de te persen leiding zelf (100 mm  diameter).  

 

In de omgeving zijn niet veel waarnemingen en/of AMK‐terreinen bekend. Daarbij lijkt in de ondergrond  geen sprake te zijn van inversieruggen. Het plangebied ligt relatief laag ten opzichte van haar omgeving. 

Ook historische kaarten geven geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van nederzettingen.  

Op basis hiervan kan de verwachting naar laag worden bijgesteld.  

 

Ondanks de verwachting op het aantreffen van archeologische vindplaatsen, gezien de oppervlakte van  de verstoring (maximaal 210 m²), adviseren wij om geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren. 

Het bureauonderzoek geeft ook geen aanleiding om te adviseren om hier van af te wijken. 

Wij adviseren het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden.  

     

(6)

blad 6 van 19 

(7)

blad 7 van 19 

1 Inleiding 

 

In november van 2012 is in opdracht van de N.V. Nederlandse Gasunie door ingenieursbureau 

Oranjewoud BV een bureauonderzoek uitgevoerd voor een gasleiding van de Gasunie in Wagenborgen,  gelegen op de grens van de gemeente Delfzijl en Oldambt (provincie Groningen) (zie afbeelding 1 en 2). 

   

•  

•  

•  

•  

•  

•  

•  

•  

•  

•  

•  

•  

•  

•                

•  

•  

•    

• Aanleiding: Het plangebieden heeft betrekking op de kruising van de gasleiding met een watergang. 

In de huidige situatie is de gasleiding vastgemaakt aan de brug, en loopt deze over het water heen. 

Vanwege vervanging van de brugophanging, moet de gasleiding verlegd worden.  

 

Voor de locatie geldt dat de nieuwe leiding onder de watergang doorgelegd wordt met behulp van  een horizontaal gestuurde boring (HDD). Dit houdt in dat op de in‐ en uittreedlocatie van de leiding  boorwerkzaamheden plaats vinden.  

 

Bij deze werkzaamheden zal de bodem geroerd worden. Hierbij kunnen eventueel aanwezige  archeologische resten beschadigd of vernietigd worden. In verband met de ruimtelijk te doorlopen  procedures voor deze werkzaamheden is dan ook een archeologisch onderzoek noodzakelijk.  

 

• Type onderzoek: bureauonderzoek (zie ook AMZ‐cyclus: bijlage 2). 

 

• Doel: het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een  gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Waar kunnen we wat verwachten? 

Afbeelding 2: luchtfoto locatie Hondshalstermaar bron:  https://maps.google.nl/maps/

(8)

blad 8 van 19 

Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende  archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de  landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid,  het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden  binnen het plangebied. 

 

Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie  3.2.  

   

(9)

blad 9 van 19 

2 Bureauonderzoek Hondshalstermaar 

2.1 Beschrijving onderzoekslocatie 

• Begrenzing plangebied: Het plangebied ligt ten oosten van Wagenborgen, in de berm van de N362  en kruist de Hondshelpstermaar. Dit water vormt de grens tussen de gemeenten Delfzijl en Oldambt,  in welke gemeenten het plangebied ligt. Direct ten zuidenwesten van het plangebied ligt het  Hondshalstermeer.  

 

Het plangebied heeft een lengte van 130 meter. Hierbinnen komt een intreed‐ en uittreedpunt te  liggen, waarvoor putten moeten worden gegraven. De afmetingen hiervan bedragen maximaal   5 x 29 meter (n) en 4 X 16 m (z). De diepte van beid putten bedraagt 2 m ‐mv . Vanuit deze putten zal  de leiding gestuurd worden geboord waarbij een diepte wordt bereikt van 8 m ‐mv. De leiding zelf  heeft een diameter van 100 mm. Zie afbeelding 3 voor de locatie van de putten en afbeelding 5 voor  de toekomstige situering van de leiding. 

 

 

• Begrenzing onderzoeksgebied: Het onderzoeksgebied omvat de nabije omgeving van het plangebied,  in een straal van ca. 1 kilometer rondom het plangebied. 

 

• Huidig gebruik plangebied: Het plangebied ligt in de berm van de N362 en bestaat uit grasland met  daarnaast een bomenrij. 

 

• Consequenties toekomstig gebruik: Binnen het plangebied zal over een lengte van ca. 85 meter een  nieuw stuk leiding gestuurd worden geboord, waarbij bij de in‐ en uittreedpunten een put wordt  gegraven (oppervlakte maximaal 5 x 29 m en 4 x 16 m). Hierbij zal de bodem tot 2 m ‐mv worden  vergraven. De bodem zal ter plaatse van de te sturen boring eveneens zeer plaatselijk en minimaal  worden verstoord. De diameter van de leiding is 100 mm. 

       

      Afbeelding 3: ligging plangebied met in rood de locaties van de in‐ en uittreedpunten 

(10)

blad 10 van 19 

2.2 Landschappelijke situatie 

Het plangebied ligt in het landschap van Winschoten (overgang van hoog naar laag Nederland), waarbij  stuwwallen enkele meters boven de omgeving uitsteken. Wagenborgen ligt op zo'n stuwwal. Rond de  heuvels liggen ontgonnen veenvlaktes. Ter plaatse van het plangebied zelf ligt nog veen in de  ondergrond. Het plangebied ligt dicht bij het zeeboezemlandschap van de Dollard. 

 

• Geologie:  

Formatie van Naaldwijk op Hollandveen op de formatie van Boxtel op de formatie van Peelo. In het  kader van de werkzaamheden voor dit project is inmiddels grondmechanisch onderzoek uitgevoerd, op  basis waarvan een redelijk precies beeld kan worden gegeven van de geologische situatie ter plekke (zie  ook afbeelding 4 en 6 die op basis hiervan zijn opgesteld).1 

 

De formatie van Naaldwijk (afgezet in het holoceen) bestaat uit mariene/lagunaire afzettingen, in dit  geval stevige klei, tot ongeveer 7 m‐NAP. Het Hollandveenpakket bestaat uit holoceen veen. 

 

De formatie van Boxtel (midden en laat‐pleistoceen en het vroeg‐holoceen) bestaat met name uit zeer  fijn tot matig grof zand dat zwak tot sterk siltig kan zijn. Lokaal komen er zwak tot sterk grindhoudende  lagen voor. Tevens komen er bruine tot geelbruine leemlagen voor in de formatie. Tenslotte kan men  zwak tot sterk zandige, kalkloze tot sterk kalkhoudende leem en dunne veen‐ of gyttjalagen aantreffen. 

De verschillende lagen representeren warmere (veen en gyttjalagen) en koudere perioden  (zandafzettingen door wind en water) binnen de ijstijden. 

 

De Formatie van Peelo (midden‐pleistoceen) bestaat met name uit fijn tot uiterst grof zand wat soms  zwak tot sterk grindhoudend kan zijn. De kleur varieert van geel‐ of lichtgrijs tot zwart. Tevens worden  er zandige tot zwak siltige, donkergrijze tot zwarte, harde klei (‘potklei’) lagen aangetroffen 

Vermoedelijk is deze klei afgezet onder (glacio‐)mariene omstandigheden. Deze is veelal kalkrijk en  glimmerhoudend en lichtgrijs tot zwart van kleur. 

 

Afbeelding 4: geologische schematisatie, doorsnede langs het tracé    (bron: Oranjewoud) 

       

       

1 Oranjewoud 2012 

(11)

blad 11 van 19 

• Geomorfologie en AHN: Geomorfologisch gezien ligt het plangebied in een vlakte van getij‐

afzettingen (1M35).  

 

Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is te zien dat er in de omgeving van het plangebied  duidelijke hoogteverschillen zichtbaar zijn (hoog= oranje, laag = blauw), ontstaan door verschillende  oorzaken. De grillig gevormde hoogte(lijnen) zijn ontstaan door de invloed van geulen en oeverwallen in  het holocene veengebied dat onder invloed stond van getijden. Even ten oosten van het plangebied ligt  bijvoorbeeld een voormalige geul, die in de loop der tijd is verzand en nu als inversierug hoger in het  landschap ligt.  

 

Het duidelijk hoger gelegen gebied waar de plaats Wagenborgen op ligt is een stuwwal, ontstaan in de  voorlaatste ijstijd, toen landijs het noordelijk deel van Nederland bedekte. Door de stuwing van het  landijs is een pakket grondmore (keileem) afgezet, dat in de laatste ijstijd bedekt is geraakt met zand. In  het zuidoosten van het plangebied tenslotte ligt ook een hoger gelegen gebied. Dit is het 

zeeboezemgebied, ontstaan als gevolg van de Dollardinbraak in de late middeleeuwen. Hierbij is een dik  pakket (jonge) zeeklei afgezet, waardoor dit gebied nu hoger ligt dan haar omgeving. Het plangebied zelf  ligt relatief laag. Ook zijn op het AHN ter plaatse van het plangebied geen voormalige geulen of kreken  te zien. 

                                       

Bodem en grondwater:  

De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat volgens de bodemkaart uit weideveengronden op  veenmosveen (pVs). Deze gronden liggen dichter bij de pleistocene zandgebieden dan die met  zeggeveen, rietzeggeveen en broekveen.2 De grondwatertrap is II.  

 

Op basis van eerder genoemd grondmechanisch onderzoek is ook de diepere bodemopbouw van het  plangebied inmiddels goed in beeld gebracht/geïnterpreteerd. Deze is weergegeven in afbeelding 6. 

Hierin is een dik pakket veen te zien, ontstaan in het holoceen, afgedekt door klei. 

       

2 Bodemkaart 

Afbeelding 5: uitsnede Actueel Hoogtebestand plangebied (plangebied zwart) (bron: www.ahn.nl) 

(12)

blad 12 van 19 

   

Afbeelding 6: geschematiseerde bodemopbouw met daarin geprojecteerd de aan te leggen leiding     (bron: Oranjewoud) 

 

2.3 Bewoningsgeschiedenis 

Het plangebied is vanwege de ligging tussen het hoger gelegen zandgebied en het lager gelegen  kleigebied lang bedekt geweest met veen. Er was wel sprake van getijdenwerking, waardoor water werd  aan‐ en afgevoerd via geulen en kreken, maar het gebied was lange tijd goeddeels onbewoonbaar. Het  gebied kan mogelijk wel zijn gebruikt voor de jacht‐ en visvangst en voor off‐site handelingen. 

 

De bewoningsgeschiedenis ter plaatse van het plangebied begint waarschijnlijk pas vanaf de 

tiende/elfde eeuw na Chr. Onder het veen, ligt het pleistocene oppervlak. Dit is het leefniveau van de   jagers‐verzamelaars (paleolithicum‐neolithicum) (pleistocene zand in afbeelding 6). 

2.4 Historische situatie en mogelijke verstoringen 

• Historische kaarten 

ƒ Op het kadastrale minuutplan (ca. 1830) is het plangebied onbebouwd maar wel verkaveld. 

De Hondshalstermaar is zichtbaar. 

ƒ Op de topografisch‐militaire kaart (1900) lijkt de situatie grotendeels ongewijzigd. Het  gebied is nog steeds onbebouwd en bestaat deel uit grasland en deels uit akkerland. Het  Hondshaltsermeer en de N362 zijn nog niet aanwezig. 

ƒ Op de topografische kaart van 1925 is ter plaatse van de huidige N‐weg een weg zichtbaar. 

ƒ Op de topografische kaart van 1990 is het Hondshalstermeer zichtbaar. Aangelegd in 1980  door akkergebouw gebied te omdijken en water vanuit het Hondshalstermaar ten noorden  van het meer te laten lopen. 

   

(13)

blad 13 van 19 

• Mogelijke verstoringen: De bodem in het plangebied kan mogelijk zijn verstoord door aanleg‐ en  uitbreidingen van de N362. Ook liggen er vaak kabels en leidingen langs dit soort wegen. De aanleg  hiervan kan tot verstoringen hebben geleid.  

2.5 Bekende waarden   

Archeologische waarden   

• Gegevens uit ARCHIS: AMK‐terreinen (zie Bijlage 3a) 

ƒ in plangebied: geen 

ƒ in onderzoeksgebied: enkele. Het gaat om de dorpskern van Wagenborgen (AMK‐nr 15269). 

Dit is een terrein van hoge archeologische waarde (late middeleeuwen‐nieuwe tijd). Zo'n  900 meter ten noorden van het plangebied ligt een terrein van hoge waarde (AMK‐nr. 

5813). Het betreft een middeleeuwse huisterp. Verder van het plangebied, op de meer  oostelijk gelegen inversierug (zie ook afbeelding AHN) liggen meerdere AMK‐terrein. Het  gaat om middeleeuwse huiswierden maar ook een wierde uit de Romeinse tijd en een  mesolithische vindplaats. 

 

• Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen (zie Bijlage 3b) 

ƒ in plangebied: geen 

ƒ in onderzoeksgebied: geen   

• Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken 

ƒ in plangebied: geen 

ƒ in onderzoeksgebied: enkele in Wagenborgen, maar deze zijn, gezien het duidelijk  afwijkende bodem‐ en geomorfologisch profiel, niet zeer relevant. 

Afbeelding 7: topografisch‐militaire kaart van rond 1900 (Bonnekaart)   projectie ten opzichte van de huidige topografie (bron: archis) 

 

(14)

blad 14 van 19 

 

Ondergrondse bouwhistorische waarden 

Op de kaart van het KICH (www.kich.nl) zijn geen ondergrondse bouwhistorische waarden aangegeven  ter plaatse van het plangebied. 

2.6 Archeologische verwachting   

Bestaande verwachtingskaarten   

Gemeentelijke verwachtingskaart:  

Adviesbureau RAAP3 heeft voor de noordelijke Groningse gemeenten een archeologische verwachtings‐ 

en beleidskaart opgesteld. De verwachtingskaart voor de gemeente Delfzijl voor de periode  paleolitchicum‐ vroege bronstijd en de kaart voor de periode late bronstijd‐middeleeuwentijd zijn  hieronder weergegeven.  

       

3 Beek, J.L. van & P.C. Vos (Deltares), 2008 

       Afbeelding 8: uitsnede uit de archeologische verwachtingskaart paleolithicum‐vroege bronstijd         (bron: Beek, J.L. van & P.C. Vos (Deltares), 2008) 

(15)

blad 15 van 19 

                                   

        Het plangebied heeft voor de periode laat‐paleolithicum een lage archeologische verwachting en voor  de periode bronstijd‐middeleeuwen een hoge verwachting.  

 

De eerste kaart is een weergave van de top van het pleistoceen. Deze is, zoals we hebben kunnen zien in  de afbeelding van de bodemopbouw, nog aanwezig en niet geërodeerd maar ligt relatief diep, vandaar  de lage verwachting. De top ligt ter plaatse van het plangebied op een diepte van ongeveer 7 m ‐mv en  zal niet worden verstoord door het graven van de putten.  

 

De onderste kaart is representatief voor de holocene afzettingen. Gebieden waar gedurende lange tijd  (vele honderden jaren) kweldersedimentatie heeft plaatsgevonden, hebben een hoge 

verwachting gekregen, zo ook dus het plangebied. Deze gebieden waren in principe bewoonbaar vanaf  de late bronstijd (in het onderzoeksgebied lijkt dit vanwege de veenbedekking overigens pas vanaf de  late middeleeuwen mogelijk te zijn). 

Volgens het archeologisch beleid is bureauonderzoek nodig bij ingrepen groter dan 200 m² en dieper  dan 40 cm ‐mv. over een lengte van ongeveer 100 meter door de leiding zelf. 

 

De gemeente Oldambt beschikt ook over een gemeentelijke beleidskaart (zie afbeelding 10)4. Op basis  daarvan ligt het plangebied op de grens van een gebied met een hoge verwachting (oost) waarbij  onderzoek nodig is bij ingrepen meer dan 200 m² en een gebied met een lage verwachting (west),  waarbij ingrepen dieper dan het kleidek en ingrepen groter dan 500 m² onderzoeksplichtig zijn.

       

4 Libau, 2010 

Afbeelding 9: uitsnede uit de archeologische verwachtingskaart late bronstijd‐middeleeuwen  (bron: Beek, J.L. van & P.C. Vos (Deltares), 2008) 

 

(16)

blad 16 van 19 

                                                     

      Gespecificeerde archeologische verwachting 

 

• Datering: Binnen het plangebied zijn de pleistocene zandgronden, waarop bewoning uit de periode  paleolithicum‐vroege bronstijd zou kunnen worden verwacht, aanwezig. Deze zijn vermoedelijk niet  geërodeerd. Zij liggen dermate diep dat zij door de aanleg van de putten niet zullen worden  verstoord. Verstoring van het pleistoceen niveau gebeurt wel door de leiding zelf, maar zal zeer  minimaal zijn vanwege de diameter ( 100 mm) van de leiding. In het onderzoeksgebied is vanaf met  name de late middeleeuwen bewoning in het plangebied mogelijk. In de tussenliggende perioden  bestaat de kans op resten van off‐site activiteiten in het veen, maar ook dit niveau ligt dieper dan de  te graven putten. 

 

• Complextype: in het pleistocene oppervlak kunnen vuursteenvindplaatsen worden verwacht.  

Middeleeuwse complextypen (boven het veen) bestaan uit vlaknederzettingen en (huis)wierden,  waarbij een voorkeur bestond voor inversieruggen van geulen en kreken (getuige ook de AMK‐

terreinen in de omgeving), bestaande uit huisplaatsen met resten van bewoning en agrarische  activiteiten zoals schuren, opstallen, greppels en erfafscheidingen. Uit de late middeleeuwen en  nieuwe tijd kunnen tevens resten van agrarisch gebruik worden aangetroffen (afrastering, drainage,  sloten). Off‐site activiteiten uit de periode bronstijd‐middeleeuwen kunnen bestaan uit resten van  visvangst, jacht of rituele activiteiten. 

 

• Omvang:  

Enkele tot honderden vierkante meters. 

 

Afbeelding 10: uitsnede uit de archeologische beleidkaart Oldambt (bron: Libau, 2010) 

(17)

blad 17 van 19 

• Diepteligging:  

pleistoceen: ongeveer 7 m ‐mv.  

bronstijd‐middeleeuwen: in veenpakket (3 à 4 m tot 7 m ‐mv)  middeleeuwen‐nieuwe tijd: van 0 tot 3 à 4 m ‐mv.  

 

• Locatie: gehele plangebied, met uitzondering ter plaatse van de Hondshelpstermaar, hier zijn oude  resten door het water opgeruimd. 

 

• Uiterlijke kenmerken: Uiterlijke kenmerken van steentijdvindplaatsen bestaan voornamelijk uit  vuursteenstrooiingen. De uiterlijke kenmerken van huiswierden/huisplaatsen kunnen bestaan uit  oude ophogingslagen bestaande uit plaggen en/of zoden, doorspekt met aardewerk, houtskool en  organische resten. Ook kunnen resten van gebouwen worden aangetroffen o.a. paalgaten en/of  muurresten. Met betrekking tot resten van agrarisch gebruik kunnen afrasteringen, ploegsporen,  drainage, sloten e.d. worden verwacht. Kenmerken van off‐site activiteiten: fuiken, kano's, rituele  deposities, etc.  

 

• Mogelijke verstoringen: De bodem in het plangebied kan mogelijk zijn verstoord door aanleg‐ en  uitbreidingen van de N362. Ook liggen er vaak kabels en leidingen langs dit soort wegen. Ook de  aanleg hiervan kunnen tot verstoringen hebben geleid.  

(18)

blad 18 van 19 

 

3 Conclusies en advies 

 

Binnen het plangebied kunnen m.n. vindplaatsen uit de periode paleolithicum ‐vroege bronstijd en  vindplaatsen vanaf de middeleeuwen worden aangetroffen. Alleen eventuele vindplaatsen vanaf de  middeleeuwen zullen worden verstoord door de aanleg van de putten. Zeer plaatselijk en in zeer geringe  mate kan ook verstoring plaatsvinden van off‐site vindplaatsen (veen) en steentijdvindplaatsen 

(pleistoceen oppervlak) als gevolg van het persen van de leiding.  

 

Het beleid voor Delfzijl is dat onderzoek nodig is bij ingrepen groter dan 200 m² en dieper dan 40 cm ‐ mv. Voor Oldambt geldt dat het gebied op de grens van een hoge en lage verwachting ligt. Uitgaande  van een hoge verwachting is onderzoek nodig bij ingrepen van meer dan 200 m².  

 

In voorliggend geval wordt maximaal 210 m² verstoord door de aan te leggen putten en voor het overige  zeer plaatselijk, daar waar de leiding het pleistocene vlak raakt door de te persen leiding zelf (100 mm  diameter).  

 

In de omgeving zijn niet veel waarnemingen en/of AMK‐terreinen bekend. Daarbij lijkt in de ondergrond  geen sprake te zijn van inversieruggen. Het plangebied ligt relatief laag ten opzichte van haar omgeving. 

Ook historische kaarten geven geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van nederzettingen.  

Op basis hiervan kan de verwachting naar laag worden bijgesteld.  

3.1 (Selectie)advies 

Ondanks de verwachting op het aantreffen van archeologische vindplaatsen, gezien de oppervlakte van  de verstoring (maximaal 210 m²), adviseren wij om geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren. 

Het bureauonderzoek geeft ook geen aanleiding om te adviseren om hier van af te wijken. 

 

Wij adviseren het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden.  

 

Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens 

graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine  sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond  van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van  de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: ARCHISmeldpunt, telefoon 033‐

4227682). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.  

     

Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. 

Heerenveen, november 2012 

(19)

blad 19 van 19 

Literatuur en geraadpleegde bronnen 

 

Barends et. al., 1986: Het Nederlandse landschap. Een historisch‐geografische benadering. Uitgeverij  Matrijs, Utrecht. 

 

Beek, J.L. van & P.C. Vos (Deltares), 2008. Regio Noord‐Groningen Gemeenten De Marne, Winsum,  Bedum, Ten Boer, Loppersum, Eemsmond, Appingedam en Delfzijl Archeologische verwachtingskaart en  beleidsadvieskaart. RAAP‐RAPPORT 1732 

 

Berendsen, H.J.A. 2004 (4e druk): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. 

Van Gorcum, Assen. 

 

Berkel, G. van & K. Samplonius. 2006: Nederlandse plaatsnamen, herkomst en historie. Het Spectrum,  Houten. 

 

Libau, 2010. Nota en archeologiebeleid gemeente Oldambt. 

 

Oranjewoud, 2012. Grondmechanisch rapport Verlegging van de aardgastransportleiding  

N‐509‐90 ten behoeve van het vervangen van de brugophanging ter plaatse van de Uitwierdermaar   

    Kaarten 

Bodemkaart van Nederland, 1:50000, STIBOKA, kaartblad 7 oost Groningen en 8 Nieuweschans  Grote Historische Atlas (1830‐1855), Wolters Noordhoff, Groningen 

Minuutplan ca. 1830 (http://www.watwaswaar.nl)  Topografische kaart 1:25000 (http://kadata.kadaster.nl) 

Topografisch‐militaire kaarten 1879, 1900 ( www.watwaswaar.nl)   

Internet 

www.watwaswaar.nl  www.kich.nl   

                       

(20)

 

 

(21)

 

               

Bijlage 1: Archeologische perioden 

(22)

 

Bijlage 1:  Archeologische perioden 

 

Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoners‐

geschiedenis in Nederland geschetst. 

Gedurende het paleolithicum (300.000‐8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken  tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere  omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager‐verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik  van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager‐verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar  verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties.  

In het mesolithicum (8800‐4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige 

klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling  kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager‐verzamelaars rond. 

Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes.  

De hierop volgende periode, het neolithicum (5300‐2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling  van jager‐verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze. Deze omwenteling ging  gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van  aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg  dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals  hunebedden en grafheuvels. 

Het begin van de bronstijd (2000‐800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals  bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal  niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De  grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond  1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten  waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. 

In de ijzertijd (800‐12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd  traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen  woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen. Op de hogere zandgronden  ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in  gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. 

Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid‐Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in  urnenvelden.  

Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In  47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde  limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al  werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere  infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat  uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. 

Over de middeleeuwen (450‐1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450‐1000 na Chr.), zijn nog veel  zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen  van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10e eeuw ontstaat er weer  enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar. Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische  omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze  huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. 

De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd. 

(23)

                 

   

Bijlage 2: AMZ‐cyclus 

(24)

 

(25)

 

Bijlage 2:  AMZ‐cyclus 

 

Het AMZ‐proces 

Archeologisch onderzoek in Nederland  wordt in de meeste gevallen uitgevoerd binnen het kader van de  zogenaamde Archeologische Monumentenzorg (AMZ). 

Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van  het resultaat van de voorgaande stappen. In de procedure wordt volgens een trechtermodel gewerkt. 

Het startpunt ligt eigenlijk al bij het bepalen van de onderzoeksplicht. Op diverse provinciale en  landelijke archeologische waardenkaarten kan namelijk worden ingezien of het plangebied ligt in een  zone met een archeologische verwachting. Indien dit het geval blijkt te zijn, dan zal er in het kader van  de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden  binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ‐cyslus (zie afbeeldingen 1 en  2) 

 

   

Afbeelding 1: de AMZ‐cyclus   

De eerste fase: bureauonderzoek  

Uitgangspunt voor het bureauonderzoek is het vaststellen van een gespecificeerd verwachtingsmodel  dat op detailniveau voor het plangebied aangeeft wat er aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan  zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of er een veldonderzoek nodig is en wat de  juiste methode voor dit veldonderzoek zou moeten zijn om deze mogelijk aanwezige archeologische  resten te kunnen aantonen. 

 

De tweede fase: inventariserend veldonderzoek (IVO) 

Het inventariserend veldonderzoek kan worden opgesplitst in drie subfases.  

 

Fase 1. verkennend onderzoek 

In sommige gevallen wordt er gestart met een verkennend onderzoek. Een verkennend onderzoek kent  een relatief lage onderzoeksintensiteit en word feitelijk uitgevoerd omdat er bij het bureauonderzoek  onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om dit voldoende te kunnen onderbouwen. Dit is bijvoorbeeld  het geval als er te weinig bodemkundige of geologische gegevens zijn om binnen het plangebied de  verwachtingswaarden te kunnen onderbouwen of zelfs überhaupt tot een verwachtingswaarde te  komen. Met een verkennend onderzoek kan tot in detail de verwachtingswaarde worden aangebracht. 

Zodoende kan door terugkoppeling een aangescherpt verwachtingsmodel worden gemaakt en kan  karterend veldonderzoek in een vervolgfase gerichter en daarmee ook kostenefficiënter worden  ingezet.  

   

(26)

     

Afbeelding 2: proces van de AMZ   

 

Fase 2. karterend onderzoek 

In de regel wordt er gestart met een karterend onderzoek. Dit veldonderzoek dient om het 

verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek te toetsen en eventueel aanwezige vindplaatsen op te  sporen. Het onderzoek wordt vrijwel altijd vlakdekkend uitgevoerd door middel van boringen en/of  oppervlaktekarteringen of proefsleuven. Het resultaat is in de regel een overzichtskaart met de 

resultaten van het onderzoek. Eventueel aangetoonde vindplaatsen worden daarbij aangegeven. Indien  er geen archeologische vindplaatsen worden aangetroffen of wanneer bijvoorbeeld al blijkt dat deze  geheel zijn verstoord, dan wel van geen waarde zijn, is dit meestal ook het eindstadium van de AMZ‐

cyclus. 

Als er wel archeologische vindplaatsen worden aangetroffen of het blijkt uit de onderzoeksgegevens dat  deze met zeer grote zekerheid kunnen worden verwacht, dan dient er  een waardestellend onderzoek te  worden uitgevoerd. Meestal is van de vindplaatsen die bij een karterend onderzoek zijn aangetroffen  nog slechts in beperkte mate bekend wat de waarde ervan is.  

 

Fase 3. waarderend onderzoek 

Een waarderend onderzoek dient de fysieke kwaliteiten van een eerder aangetoonde of reeds bekende  archeologische vindplaats vast te stellen en dient te leiden tot een waardestelling. Voor een 

waardestelling is het van belang om in elk geval de aard van de vindplaats, de exacte begrenzing in  omvang en diepteligging, de datering en de mate van conservering en intactheid te weten. Een 

waarderend onderzoek kan worden uitgevoerd door middel van boringen of proefsleuven. Wat de beste  methode is hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. In de meeste gevallen  worden er voor een waardestelling proefsleuven of proefputten gegraven. omdat met deze methode  meer en betere informatie over de vindplaats kan worden verkregen dan met aanvullende 

booronderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in  de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. 

 

(27)

 

De derde fase: Selectie en waardering 

Het eindresultaat van een waardestellend onderzoek is een selectieadvies waarin op basis van de  waardestelling van de vindplaats(en) wordt aangegeven of een vindplaats behoudenswaardig is. Deze  waardestelling geschiedt op basis van verschillende waarderingscriteria. De term behoudenswaardig is  sterk gerelateerd aan de essentie van het rijks‐ en provinciaal beleid ten aanzien van de archeologische  monumentenzorg. In eerste instantie gaat dit namelijk uit van het behoud van het bodemarchief in situ  (ter plekke in de bodem). Alleen wanneer dit binnen een belangenafweging niet kan zal het stuk  waardevol bodemarchief voor het nageslacht bewaard dienen te worden door middel van een  opgraving. Dit wordt ook wel behoud ex situ genoemd. Wanneer behoud niet gewenst is vanwege een  relatief gering waarde van de vindplaats(en) kan nog worden besloten om de bodemingrepen onder  archeologische begeleiding te laten uitvoeren. Ook is het natuurlijk nog mogelijk dat er helemaal geen  archeologisch onderzoek meer hoeft plaats te vinden en kan het terrein worden 'vrij gegeven'.  

Het bevoegd gezag zal op basis van het selectieadvies uiteindelijk aangeven welke maatregelen er  dienen te worden genomen. Deze beslissing wordt het selectiebesluit genoemd. 

 

Plaats van de AMZ‐cyclus in de planvorming 

Net als met andere omgevingsfactoren waarmee binnen de planvorming rekening gehouden dient te  worden, is het ook voor de archeologie van belang om dit in een zo vroeg mogelijk stadium in te steken. 

Niet alleen is dit voor een aantal onderzoeksfasen vanwege provinciaal of gemeentelijk beleid al een  vereiste, het geeft bovendien al vroeg inzicht in eventuele risico's qua exploitatie en potentiële  vertragingen in een project.  

Indien er een middelhoge of hoge kans op de aanwezigheid van archeologische resten bestaat, zal het  bevoegd gezag een inventariserend onderzoek verplicht stellen ten behoeve van de ruimtelijke  onderbouwing. Dit onderzoek is gebaseerd op het specifieke verwachtingsmodel uit het 

bureauonderzoek dat daaraan vooraf dient te gaan. In praktijk worden deze onderzoeken gecombineerd  uitgevoerd en in één verslag gerapporteerd. Wanneer eenmaal een planprocedure is voorgenomen zal  met het archeologisch onderzoek al kunnen worden begonnen. 

In principe kan het gehele inventariserend veldonderzoek, inclusief een selectieadvies, voorafgaand aan  een planprocedure worden afgerond. Dit heeft als voordeel dat binnen het toekomstige plan de omvang  van de archeologische vindplaats(en) definitief kan worden afgebakend en er, bij behoud in situ, de  bestemming 'archeologische waardevol' kan worden opgenomen. Ook kunnen dan in bijvoorbeeld een  aanlegvergunning specifieke voorschriften worden opgenomen om aantasting te voorkomen. In dit  kader en deze planfase kan ook een voorschot worden genomen op inrichtingsmaatregelen (aanpassing  van een eventueel al beschikbaar stedenbouwkundig ontwerp of het voorschrijven van bijvoorbeeld een  groenzone, speelveld, parkeerplaatsen etc.). Indien dit mogelijk is kan ook worden voorgeschreven dat  er archeologievriendelijk gebouwd dient te worden door aanpassing van funderingswijze of ander  technische maatregelen. 

Het nadeel van het uitvoeren van een waardestellend veldonderzoek na de een planprocedure is dat  daarmee ook de consequenties ervan pas later in beeld komen, wat leidt tot een aantal risico's. Vaak  blijkt dan behoud in situ veel lastiger te zijn en is dit dan alleen met technische maatregelen nog  mogelijk. Soms is alleen behoud ex situ door middel van opgravingen de enige nog resterende kostbare  optie. 

(28)

 

(29)
(30)

       

(31)

gemeente Delfzijl 

toponiem OVERTOCHT 

coordinaten 259564 587799 

monumentnr. 15269 

waarde Terrein van hoge archeologische waarde 

kaartblad + volgnr. 07H 022 complextype Stad 

datering van datering tot 

provincie Groningen 

Middeleeuwen laat: 1050 ‐ 1500 nC Nieuwe tijd C: 1850 ‐ 1950 

plaats Wagenborgen 

gemeente Delfzijl 

toponiem WAGENBORGEN‐DORP 

coordinaten 258034 586556 

Pagina 1 van 1 ARCHIS: Terreinen met archeologische status 

(32)
(33)
(34)

OM‐nr. 

vondstdatum 

ARCHIS: Archeologische waarnemingen 

(35)

Kaartenbijlage

(36)
(37)
(38)

Wagenborgen

Nieuwolda 431330

15269

5813

257303 / 584478

Legenda

ONDERZOEKEN

MONUMENTEN

archeologische waarde hoge archeologische waarde zeer hoge archeologische waarde zeer hoge arch waarde, beschermd

WAARNEMINGEN

GEMEENTEN

PLAATSNAMEN

TOP10 ((c)TDN) bebouwd gebied doorgaande wegen bos

bouwland weiland

boomgaard/kwekerij heide

zand begraafplaats water

overig bodemgebruik

PROVINCIES

Schaal 1:25000

0 1 km

N Archis2

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :