De Wet BETS op de schop?  Een analyse van de Wet BETS in het kader van de positie van erfgenamen versus schuldeisers

63  11  Download (0)

Hele tekst

(1)

BEGELEIDER MW. PROF. DR. B.E. REINHARTZ

De Wet BETS op de

schop?

Een analyse van de Wet BETS in het kader van de positie van erfgenamen versus schuldeisers.

Naam: S.E Kamer

E-mailadres: sophiekamer111@hotmail.com Studentnummer: 10486909

Master privaatrecht: Privaatrechtelijke rechtspraktijk Definitieve inleverdatum: 24-07-2020

(2)

i

Abstract

Door menig juridisch auteur is stevig gepleit voor de invoering van een vorm van beneficiaire aanvaarding als standaard. De minister achtte de invoering hiervan echter een brug te ver. Uiteindelijk vormde de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden (BETS) in 2016 de oplossing voor de financiële problematiek waar erfgenamen mee te maken kunnen krijgen wanneer er sprake is van een negatieve nalatenschap. Na de invoering van de Wet BETS verstomde de discussie over de juiste wijze van het beschermen van erfgenamen tegen schulden daarentegen niet. Het aspect wat mijns inziens in de pleidooien voor meer bescherming achterwege is gebleven, is de positie van schuldeisers.

Drie jaren na inwerkingtreding lijkt de tijd dan ook rijp voor een analyse van de Wet BETS die zich richt op de belangenafweging tussen de positie van erfgenamen en de positie van schuldeisers van de nalatenschap. De vraag die in dit stuk beantwoord wordt is: dient de Wet BETS vervangen te worden door een vorm van beneficiaire aanvaarding als standaard wanneer de belangenafweging tussen erfgenamen en schuldeisers der nalatenschap in acht genomen wordt? Immers, wanneer een meeromvattende bescherming voor erfgenamen overwogen wordt, moet deze keuze te rechtvaardigen zijn.

Ter beantwoording van deze vraag is er voornamelijk gebruik gemaakt van een literatuuronderzoek. In het eerste, beschrijvende, deel van deze bijdrage is achtereenvolgens uiteengezet 1) wat de inhoud en achtergrond van de Wet BETS is, 2) wat de werking van de Wet BETS in de praktijk behelst, en 3) wat de kritiek op de Wet BETS en de aangedragen alternatieven inhoudt.

In het tweede, analytische, deel van deze bijdrage zijn allereerst de belangen van de erfgenamen beschreven. Deze belangen zijn vervolgens geplaatst in het licht van de gedragswetenschappelijke inzichten uit het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: Weten is nog geen doen. Naast het gegeven dat het kiezen voor een ander systeem te rechtvaardigen moet zijn, is het immers wenselijk dat een dergelijk nieuw systeem rekening houdt met en aansluit bij de aard van de mens. Wanneer dit onvoldoende in acht genomen wordt, komt dit niet ten goede aan de effectiviteit van wetgeving en de legitimiteit van de overheid.

Op basis van deze gedragswetenschappelijke inzichten bleek dat het ‘beneficiaire aanvaarding, tenzij-alternatief’ het beste alternatief was met het oog op

(3)

ii de belangen van erfgenamen. Tenslotte is bezien of deze keuze ook gerechtvaardigd is wanneer men de belangen van schuldeisers in ogenschouw neemt. Uit deze belangenafweging is gebleken dat het huidige systeem onvoldoende bescherming biedt voor erfgenamen terwijl er tegelijkertijd niet gezegd kan worden dat het ‘beneficiaire aanvaarding, tenzij-alternatief’ onvoldoende rekening houdt met de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap.

Derhalve kan mijns inziens geconcludeerd worden dat de Wet BETS vervangen dient te worden door een vorm van beneficiaire aanvaarding wanneer de belangenafweging tussen erfgenamen en schuldeisers der nalatenschap in acht genomen wordt. Er is gebleken dat het ‘beneficiaire aanvaarding, tenzij-alternatief’ daarvoor het meest geschikte alternatief is.

(4)

iii

Inhoud

Abstract ... i

Voorwoord ... v

1. Inleiding ... 1

1.1. Aanleiding van het onderzoek ... 1

1.2. Vraagstelling en opbouw ... 2

1.3. Methodologische verantwoording ... 3

2. De inhoud en achtergrond van de Wet BETS ... 4

2.1. Het huidige systeem van aanvaarden en verwerpen ... 4

2.2. De aanloop naar de Wet BETS ... 6

2.3. De doelstellingen ... 7

2.4. Artikel 4:192 lid 1 BW ... 8

2.4.1. De wijziging van artikel 4:192 lid 1 BW ... 8

2.4.2. Gedragingen die resulteren in zuivere aanvaarding ... 9

2.5. Artikel 4:194a BW... 11

2.5.1. De uitgangspunten van de wetstekst ... 11

2.5.2. Het onderscheid tussen lid 1 en 2 ... 12

2.5.3. Een onverwachte schuld ... 12

3. De Wet BETS in de praktijk ... 14

3.1. Het kader ... 14

3.2. De inzichten uit het jurisprudentieoverzicht van artikel 4:192 lid 1 BW .... 15

3.3. De inzichten uit het jurisprudentieoverzicht van artikel 4:194a BW ... 15

4. De kritiek op de Wet BETS en de aangedragen alternatieven ... 18

4.1. De kritiek ... 18

4.1.1. Geen standaard beneficiaire aanvaarding ... 18

4.1.2. De kritiek op artikel 4:192 BW ... 20

(5)

iv

4.2 De aangedragen alternatieven ... 23

4.2.1. Vormen van standaard beneficiaire aanvaarding ... 24

4.2.2. De aanpassing van artikel 4:194a lid 1 BW ... 25

5. De belangen van erfgenamen en de alternatieven ... 26

5.1. Introductie ... 26

5.2. De noodzaak van bescherming van erfgenamen ... 26

5.3. Het WRR Rapport: Weten is nog geen doen ... 27

5.4. Het meest geschikte alternatief ... 29

6. De belangen van schuldeisers en het alternatief ... 36

6.1. Introductie ... 36

6.2. De belangen van schuldeisers en het alternatief ... 36

7. Conclusie ... 38 Geraadpleegde bronnen ... 42 Literatuurlijst ... 42 Jurisprudentielijst... 45 Gerechtshof ... 45 Rechtbank ... 45 Parlementaire stukken ... 45 Rapporten... 46

Internetbronnen (laatst geraadpleegd op 12 juli 2020) ... 46

Bijlage I: Niet relevante uitspraken betreffende artikel 4:192 BW ... 47

Bijlage II: Jurisprudentieoverzicht van artikel 4:192 lid 1 BW ... 48

Bijlage III: jurisprudentieoverzicht van artikel 4:194a BW ... 50

(6)

v

Voorwoord

De scriptie die nu voor u ligt behelst een analyse van de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden. Mijn interesse voor het erfrecht en, meer specifiek, de bescherming van erfgenamen, komt voort uit persoonlijke ervaring. Zelf ben ik jaren geleden onverwachts erfgenaam geworden. Ik wist toen weinig van het erfrecht en zeker niet dat er zoiets bestond als impliciet zuiver aanvaarden. Gelukkig wist ik destijds wel dat ik met een gerust hart kon aanvaarden, omdat er een positief saldo zou resteren. Het besef dat deze wetenschap lang niet voor iedereen een gegeven is, dat velen niet op de hoogte lijken van de mogelijkheid van impliciet zuivere aanvaarding en de mogelijk ernstige gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien, vormden een aanleiding om mij te verdiepen in de Wet BETS.

Graag bedank ik als eerste mijn begeleider mw. prof. dr. B.E. Reinhartz. Vrij snel na het opstarten van het scriptietraject ontvouwde zich de COVID-19 pandemie. Ondanks dat wij elkaar niet meer konden ontmoeten vanwege de getroffen maatregelen, nam zij telefonisch ruimhartig de tijd om mij te voorzien van het benodigde advies. Haar kritische blik en recht-door-zee houding inspireerde en motiveerde mij. Tevens bedank ik graag mw. mr. M.I. Peereboom-Van Drunick voor de tijd die zij vrij maakte om mij te helpen bij het vinden van een geschikt onderwerp. Voor het inhoudelijke sparren en de ontspanning tussendoor bedank ik tenslotte graag mr. Natascha Scholten, Eline Lampers Msc. (Brain and cognitive science), Vincent Lokin, en mijn vriendin Doris.

Sophie Kamer Haarlem, juli 2020

(7)

1 1. Inleiding

1.1. Aanleiding van het onderzoek

De Wet bescherming erfgenamen tegen schulden (hierna: Wet BETS) is het sluitstuk van de wetgever in de discussie over de wijze van bescherming van erfgenamen tegen schulden in negatieve nalatenschappen. Deze discussie is in de juridische literatuur desondanks niet verstomd door de, per 1 september 2016 in werking getreden, Wet BETS. Nog altijd wordt betoogd dat de geboden bescherming niet afdoende is en dat de wetgever had moeten kiezen voor de invoering van een vorm van standaard beneficiaire aanvaarding.1

Wetgeving is echter niet zelden een kwestie van belangen afwegen. Wanneer de wetgever overweegt toe te geven aan de roep om verdergaande bescherming van erfgenamen, moet in het oog gehouden worden dat de belangen van schuldeisers van de nalatenschap hier direct door getroffen worden. Dit wordt duidelijk wanneer men kijkt naar het gevolg van de invoering van een vorm van beneficiaire aanvaarding als standaard. Dit zou voor de schuldeisers van de nalatenschap immers betekenen dat zij een verhaalsmogelijkheid op het vermogen van de erfgenamen verliezen. Dat deze laatste belangen ook een rol dienen te spelen in de belangenafweging lijkt niet altijd te worden onderkend in de juridische literatuur.2

Daarnaast is het mijns inziens zeer wenselijk dat de wetgever wetgeving maakt die aansluit bij de aard van de mens. De burger moet de wet immers niet alleen maar kennen, maar deze ook kunnen toepassen. Vanwege deze relevantie is gekozen om bij de analyse van de Wet BETS de gedragswetenschappelijke inzichten uit het Rapport van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid3 mee te nemen.

Bovenstaande in acht nemend lijkt er dus voldoende reden om te onderzoeken of, gezien de belangenafweging tussen schuldeisers en erfgenamen en de inzichten uit bovengenoemd rapport, de Wet BETS vervangen moet worden door een vorm van standaard beneficiaire aanvaarding.

1 Zie o.m.: Biemans, WPNR 2015/7083; Kolkman, KWEP 2016/18. 2 Zoals ook opgemerkt door: De Jong, WPNR 2016/7100.

(8)

2

1.2. Vraagstelling en opbouw

In onderhavige scriptie zal de volgende vraag centraal staan:

“Dient de Wet BETS vervangen te worden door een vorm van beneficiaire aanvaarding als standaard wanneer de belangenafweging tussen erfgenamen en schuldeisers der nalatenschap in acht genomen wordt?”

Om deze vraag te kunnen beantwoorden zal een vijftal deelvragen beantwoord worden:

1. Wat beoogt de Wet BETS?

2. Hoe werkt deze wet in de praktijk?

3. Welke kritiek werd geuit over de Wet BETS door de rechtswetenschap en welke alternatieven worden er aangedragen?

4. Waarom moeten erfgenamen beschermd worden en welk alternatief zou daar, in het licht van het WRR Rapport: weten is nog geen doen, het meest geschikt voor zijn?

5. Hoe verhouden de belangen van schuldeisers van de nalatenschap zich tot dit meest geschikte alternatief?

Na het inleidende hoofdstuk, staat in hoofdstuk 2 de inhoud en de achtergrond van de Wet BETS centraal. Beschreven wordt wat het huidige systeem van aanvaarden en verwerpen behelst, wat de aanleiding vormde voor de Wet BETS, wat de doelstellingen ervan zijn en welke wijzigingen deze wet met zich mee bracht. Daaropvolgend wordt in hoofdstuk 3, met de inzichten uit een jurisprudentieoverzicht, de werking van artikel 4:192 en 4:194a BW in de praktijk inzichtelijk gemaakt. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens de door de rechtswetenschap geuite kritiek op de Wet BETS, en de geopperde alternatieven besproken. In hoofdstuk 5 wordt allereerst bezien hoe het huidige systeem inwerkt op de belangen van erfgenamen en waarom een meeromvattende bescherming (mogelijk) noodzakelijk is. Hierna worden de, in de literatuur geopperde, alternatieven geanalyseerd. Het meest geschikte alternatief in het licht van de belangen van erfgenamen wordt vervolgens geselecteerd op basis van de inzichten uit het gedragswetenschappelijke rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 bezien hoe de belangen

(9)

3 van schuldeisers zich verhouden tot het in hoofdstuk 5 geselecteerde alternatief. In de conclusie zal tenslotte blijken of de Wet BETS vervangen dient te worden door een vorm van standaard beneficiaire aanvaarding.

1.3. Methodologische verantwoording

Ter beantwoording van bovengenoemde hoofdvraag is gebruik gemaakt van een literatuuronderzoek en een jurisprudentieonderzoek. Verscheidene wetenschappelijke artikelen, toonaangevende handboeken en rapporten zijn bestudeerd om de belangen van schuldeisers en erfgenamen te kunnen beschrijven en deze vervolgens tegen elkaar af te zetten in het kader van een analyse van de wet BETS. Eveneens is voor dit onderzoek gebruik gemaakt van nationale wetgeving en parlementaire stukken.

(10)

4

2. De inhoud en achtergrond van de Wet BETS

2.1. Het huidige systeem van aanvaarden en verwerpen

Alvorens de inhoud en achtergrond van de BETS inzichtelijk te maken, is het noodzakelijk voor het begrip van de onderhavige scriptie om enkele aspecten van het huidige systeem van aanvaarden en verwerpen te belichten.

Allereerst is het moment vóór het maken van een keuze betreffende de nalatenschap relevant. Voordat erfgenamen een dergelijke keuze maken, volgen de erfgenamen de erflater van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten, zijn bezit, zijn houderschap én zijn schulden. Deze overgang onder algemene titel wordt aangeduid als de Saisineregel en vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 4:182 BW. Het beginsel behoort tot de kernbeginselen van het Nederlandse erfrecht.4

Van belang is voorts dat de erfgenamen een keuze voor zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping kunnen maken. De bespreking van de keuze voor verwerping zal gezien het geringe belang ervan voor deze scriptie achterwege gelaten worden. Erfgenamen hebben, ingevolge artikel 4:185 lid 1 BW, een termijn van drie maanden na het overlijden van de erflater waarin zij kunnen bepalen of zij de nalatenschap willen aanvaarden. De nalatenschap vormt gedurende deze periode een afgescheiden vermogen waarop verhaal niet mogelijk is.5 Belangrijk is voorts dat een

keuze in beginsel de gehele nalatenschap betreft, onherroepelijk is en terugwerkende kracht heeft tot aan het overlijden van de erflater.6 Zoals later echter zal blijken,

nuanceert artikel 4:194a BW de onherroepelijkheid van een keuze voor zuivere aanvaarding.

In de praktijk komt een keuze voor zuivere aanvaarding het meest voor. Doorgaans gebeurt dit doordat artikel 4:192 lid 1 BW toepassing vindt. Dit artikel maakt het mogelijk dat erfgenamen de nalatenschap impliciet aanvaarden doordat zij bepaalde gedragingen verrichten. Het voordeel van de keuze voor zuivere aanvaarding is dat een erfgenaam vrij kan beschikken over de goederen van de nalatenschap. Hier tegenover staat echter dat, in het geval van een ontoereikende nalatenschap, de nalatenschapsschuldeiser een verhaalsmogelijkheid heeft op het privévermogen van de erfgenaam (zie artikel 4:184 l BW). 7

4 Van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020, p. 62, 456. 5 Reinhartz, in: GS Erfrecht, art. 4:185 BW, aant. 2. 6 Van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020, p. 457-460. 7 Van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020, p. 455-468.

(11)

5 Wanneer men een meeromvattende bescherming van zijn privévermogen wenst, staat de keuze voor beneficiaire aanvaarding open. Beneficiaire aanvaarding vindt haar oorsprong in het Romeinse recht8 en wordt ook wel het aanvaarden onder

voorrecht van boedelbeschrijving genoemd. Het is in beginsel een veilige keuze omdat de erfgenaam hierdoor zijn eigen vermogen beschermt. Er zijn echter drie gevallen waarin er geen keuze gemaakt is voor zuivere aanvaarding en er desalniettemin verhaal op het eigen vermogen van de erfgenaam mogelijk is:

1. Wanneer de erfgenaam verwijtbaar de voldoening van een schuld verhindert (artikel 4:184 lid 2 onder b BW).

2. Wanneer de erfgenaam opzettelijke goederen der nalatenschap zoekmaakt, verbergt of deze op een andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt. (artikel 4:184 lid 2 onder c BW).

3. Wanneer de erfgenaam in hoedanigheid van vereffenaar in ernstige mate verwijtbaar tekortschiet in de vervulling van zijn verplichtingen.

(artikel 4:184 lid 2 onder d BW).9

Ondanks de meeromvattende bescherming die zij biedt, kiezen erfgenamen slechts zelden voor beneficiaire aanvaarding. De reden hiervoor wordt onder andere gezocht in de kosten die de keuze voor beneficiaire aanvaarding met zich meebrengen.10

Een ander rechtsgevolg van de keuze voor beneficiaire aanvaarding is dat een erfenis in beginsel vereffend dient te worden met inachtneming van afdeling 4.6.3.11

De vereffeningsprocedure kent twee smaken: de ‘lichte’ en de ‘zware’ variant. In dit kader dient men een onderscheid te maken tussen verplichtingen die rusten op erfgenamen die vereffenaar zijn omdat ze beneficiair hebben aanvaard en verplichtingen die rusten op een gerechtelijk benoemde vereffenaar. De meest voorkomende situatie is dat erfgenamen gezamenlijk de vereffenaar zijn.12 Wanneer

dit laatste het geval is, geldt er een aantal verplichtingen niet, tenzij de kantonrechter deze verplichtingen oplegt. Kortweg komt dit erop neer dat schuldeisers informeel

8 Asser/Perrick 4 2017/528.

9 Asser/Perrick 4 2017/492.

10 Van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020, p. 455, 464, 472; Van den Brink-Baggerman, Notarisklerk

2016/1542, p. 74.

11 Van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020, p. 481. 12 Kolkman, TE 2003/03, p. 45.

(12)

6 opgeroepen kunnen worden en dat er geen schuldeiserslijst, uitdelingslijst of rekening en verantwoording ter inzage gelegd hoeft te worden. Daarnaast kunnen de erfgenamen, blijkens artikel 4:211 lid 4 BW, vrijgesteld worden van de verplichting een boedelbeschrijving ter inzage te leggen. De erfgenaam-vereffenaars kunnen de vereffening voltooien door de bekende schuldeisers te voldoen.13 De verplichtingen

uit afdeling 4.6.3 gelden dus lang niet altijd onverkort.

De invloed die de wijzigingen van de Wet BETS hebben gehad op bovenstaand systeem zal worden besproken vanaf paragraaf 2.5.

2.2. De aanloop naar de Wet BETS

Voordat dieper ingegaan wordt op de inhoud van de Wet BETS, zal eerst stil gestaan worden bij de aanloop ervan.

De politieke aandacht voor de financiële problemen waar erfgenamen door zuivere aanvaarding in terecht kunnen komen ving aan door berichtgeving hierover in de media.14 Verschillende schrijnende gevallen werden aangehaald om de urgentie van

het probleem te benadrukken.15 Naar aanleiding van deze berichtgeving verscheen in

oktober 2012 het rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?!’ (hierna: Rapport Erven) van het Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit Nijmegen en Netwerk Notarissen. In dit Rapport werd aandacht gevraagd voor de mogelijke nadelige financiële gevolgen na zuivere aanvaarding.16 Kort gezegd signaleerde het

Rapport Erven drie knelpunten: 1) erfgenamen worden geconfronteerd met het erven van een huis dat moeilijk/niet te verkopen is, 2) erfgenamen zijn niet bekend met beneficiaire aanvaarding en de mogelijkheid van het impliciet zuiver aanvaarden van een erfenis en 3) het ontbreekt aan afdoende bescherming van erfgenamen tegen onverwachte schulden van de erflater. In eerste instantie maakte de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie kenbaar dat er voor knelpunt 1) en 2) geen regeling in het erfrecht zou komen.17

13 Van Mourik e.a., Handboek Erfrecht 2020, p. 653. 14 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 1 (MvT).

15 Zie o.m.: NOS 28 april 2012 (te raadplegen via: https://nos.nl/artikel/367443-erven-huis-zorgt-voor-problemen.html); De Telegraaf, 21 augustus 2012 (te raadplegen via:

https://www.telegraaf.nl/nieuws/1218364/charlotte-23-erft-belastingschuld-van-haar-overleden-moeder).

16 Rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?!’, 2012.

(13)

7 Het Rapport Erven vormde de aanleiding voor de eerste concrete stappen richting een wetsvoorstel. Op 5 februari 2014 werden het conceptwetsvoorstel bescherming erfgenamen tegen onverwachte schulden (hierna: BETOS) en het voorontwerp van de memorie van toelichting ter internetconsultatie aangeboden.18 De

reacties hierop bewogen de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) om het conceptwetsvoorstel aan te passen. Deze aanpassingen zagen onder andere op een uitbreiding van het conceptwetsvoorstel BETOS, waardoor knelpunt 2 toch aangepakt werd in het wetsvoorstel bescherming erfgenamen tegen schulden (BETS).19 Na instemming van het parlement, trad de Wet BETS in werking op 1

september 2016.

2.3. De doelstellingen

De Wet BETS beoogt blijkens de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) erfgenamen beter te beschermen tegen schulden van de erflater. In de praktijk zijn er twee concrete problemen gesignaleerd waarvoor dit wetsvoorstel volgens de wetgever een oplossing biedt:

1) Het komt voor dat erfgenamen niet toekomen aan het nemen van een bewuste beslissing ten aanzien van de vraag of zij de erfenis wel of niet zullen aanvaarden, omdat zij door hun gedragingen al zuiver hebben aanvaard. 2) Wanneer een erfgenaam bewust heeft gekozen voor zuivere aanvaarding, kan

hij worden geconfronteerd met een onverwachte schuld. Door de zuivere aanvaarding moet deze schuld door de erfgenaam uit zijn privévermogen worden voldaan indien het nalatenschapssaldo hiervoor ontoereikend is.20

Met de Wet BETS zijn ook twee publicatieverplichtingen gemoderniseerd.21 Deze

worden hier, vanwege hun geringe belang, verder buiten beschouwing gelaten.

18Zie: https://www.internetconsultatie.nl/bescherming_erfgenamen_tegen_onverwachte_schulden/details. 19 Kamerstukken II 2014/15, 34 224, nr.2 (Wetsvoorstel BETS).

20 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 2 (MvT). 21 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 19-20 (MvT).

(14)

8

2.4. Artikel 4:192 lid 1 BW

De Wet BETS brengt twee veranderingen met zich mee die oplossingen bieden voor de hiervoor genoemde problemen. Enerzijds beoogt de wet de gedragingen die leiden tot impliciet zuivere aanvaarding, zoals bedoeld in artikel 4:192 lid 1 BW, te beperken. Anderzijds beoogt deze wet erfgenamen die zuiver aanvaard hebben te beschermen tegen schulden die zij niet kenden en ook niet behoorden te kennen. Deze laatste wijziging is neergelegd in artikel 4:194a BW. In het navolgende stuk zal eerst de strekking van artikel 4:192 lid 1 BW beschreven worden.

2.4.1. De wijziging van artikel 4:192 lid 1 BW

De huidige tekst van artikel 4:192 lid 1 BW luidt:

“Een erfgenaam aanvaardt de nalatenschap zuiver wanneer hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt doordat hij overeenkomsten aangaat strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt. De eerste volzin is niet van toepassing indien de erfgenaam zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.”

Bovenstaande is echter niet de wetstekst die per 1 september 2016 inwerking trad. De toen geldende tekst luidde:

“Een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt doordat hij goederen van de nalatenschap verkoopt, bezwaart of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt, aanvaardt daardoor de nalatenschap zuiver, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.”22

Voorafgaand aan deze wijziging had, naar aanleiding van een brief van de Voorzitter van de Eerste Kamer, ter discussie gestaan of het woord “verkopen” vervangen had moeten worden door het woord “vervreemden”. Immers, zo stelde de Voorzitter, is er pas sprake van het onttrekken van goederen aan de nalatenschap bij de levering. In een hierop volgende brief verduidelijkte de minister dat er in zijn optiek geen sprake was

(15)

9 van een foutieve woordkeuze. Het enkel aangaan van een overeenkomst tot verkoop, zou volgens de minister een beschikkingshandeling zijn die kan leiden tot impliciet zuivere aanvaarding.23

In reactie hierop benadrukte de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie (hierna: de Commissie) dat de wetstekst in deze lezing inconsistent bleef en dat “verkopen” geenszins onder de civielrechtelijke term “beschikken” valt.24

Uiteindelijk leidde bovenstaande tot de toezegging van een juridisch-technische wijziging. Op aanraden van de Commissie werd de wetstekst per 19 september 2018 aangepast zodat deze zou aansluiten op de formulering van artikel 1:88 lid 1 sub a BW. De minister benadrukte echter dat het niet zou gaan om een inhoudelijke wijziging, nu de bedoeling van de onderhavige wet niet ter discussie stond. 25

2.4.2. Gedragingen die resulteren in zuivere aanvaarding

De MvT benadrukt dat artikel 4:192 lid 1 BW niet alleen een verduidelijking, doch ook een beperking inhoudt van de gedragingen die kunnen leiden tot zuivere aanvaarding.26

De minister noemt in de MvT vervolgens twee toetsstenen om te kunnen bepalen welke gedragingen wel, en welke gedragingen niet kunnen leiden tot zuivere aanvaarding. Ten eerste wordt benoemd dat enkel de gedragingen die schuldeisers benadelen kunnen leiden tot zuivere aanvaarding. Ten tweede benoemt de minister dat, in de woorden van de parlementaire geschiedenis, het ‘als heer en meester’ beschikken over de nalatenschap tot zuivere aanvaarding leidt. De reden voor deze nieuwe toetssteen – de benadeling van schuldeisers – ligt besloten in de ratio van artikel 4:192 lid 1 BW: het beschermen van schuldeisers. Immers, gedurende de periode dat een erfgenaam nog geen keuze heeft uitgebracht betreffende de nalatenschap, heeft hij vrij spel. Het handelen van erfgenamen zou ertoe kunnen leiden dat schuldeisers de hond in de pot aantreffen wanneer zij hun vordering op de nalatenschap proberen te verhalen. Vanwege het ontbreken van een boedelbeschrijving is het voor deze benadeelde schuldeisers op dat moment niet toetsbaar of er voldoende vermogen

23 Kamerstukken II, 2015/16, 34 224, nr. C. (Brief van de Minister, 6 juli 2016). 24 Kamerstukken II, 2015/16, 34 224, nr. D. (Verslag van schriftelijk overleg). 25 Kamerstukken II, 2017/18, 34 887, nr. 3, p. 10. (MvT).

(16)

10 aanwezig was geweest voor het voldoen van hun vorderingen. De prijs voor het vrij kunnen beschikken over de goederen van de nalatenschap is de privéaansprakelijkheid van de erfgenaam, die teweeg wordt gebracht door de impliciet zuivere aanvaarding.27

De MvT haalt ook enkele voorbeelden aan van gedragingen die kunnen leiden tot zuivere aanvaarding en van gedragingen die dit gevolg niet teweegbrengen. In de oorspronkelijke wetstekst van artikel 4:192 lid 1 BW werden er al twee genoemd: verkopen en bezwaren. Hierover vermeldt de MvT dat het niet aannemelijk is dat deze gedragingen onbewust geschieden.28 De MvT benadrukt voorts dat de volgende

gedragingen leiden tot zuivere aanvaarding:

o Het verdelen van een antiekcollectie.

o Het meenemen van kostbaarheden om deze uit eigen belang veilig te stellen De volgende gedragingen zullen daarentegen niet leiden tot zuivere aanvaarding. De vier laatstgenoemde voorbeelden zouden vóór de inwerkingtreding van de Wet BETS overigens wel geleid hebben tot zuivere aanvaarding.

o Meenemen familiefotoalbum vanwege ontbreken economische waarde. o Ontruiming van woning als de (waardevolle) inboedel tijdelijk opgeslagen

wordt om deze beschikbaar te houden voor schuldeisers.

o Uit eigen middelen een rekening van een overledene betalen om incassoprocedures te voorkomen.

o In rechte betwisten van een schuld van de erflater omdat hij bijvoorbeeld bewijs heeft aangetroffen dat deze schuld reeds was betaald.

o Kostbaarheden opbergen in een kluis mits inzichtelijk gemaakt wordt welke zaken de erfgenaam tijdelijk uit de nalatenschap onder zich houdt.

Uit de parlementaire stukken die zijn verschenen na de MvT volgen nog enige aanvullingen op bovenstaande. Zo stelden de leden van de fractie van de SP de vraag of er ook zuivere aanvaarding kan worden aangenomen wanneer schuldeisers niet zijn benadeeld en eventueel zelfs zijn bevoordeeld. De minister beantwoordde deze vraag door te stellen dat het uitgangspunt blijft dat een erfgenaam die enkel de nalatenschap beheert, deze niet zuiver aanvaardt. Hij stelde dat allereerst gekeken dient te worden

27 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 5-10 (MvT). 28 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 5-6 (MvT).

(17)

11 of er sprake is van beheer. Als dit niet het geval is, dan verduidelijkt de nieuwe tekst van “verkopen, bezwaren of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekken” of deze gedragingen leiden tot zuivere aanvaarding.29

In de daarop volgende parlementaire stukken, die betrekking hadden op bovengenoemde wijziging van de tekst van artikel 4:192 lid 1 BW, worden beide toetsstenen wederom aangehaald. Nogmaals wordt benadrukt dat de ratio het voorkomen van onttrekkingen aan het verhaal van schuldeisers is. Tevens wordt gezegd dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen beheren en beschikken.30

In paragraaf 3.2. zal ik de jurisprudentie betreffende artikel 4:192 BW bespreken.

2.5. Artikel 4:194a BW

Zoals in de inleiding van paragraaf 2.4. al bleek, is de invoering van artikel 4:194a BW de tweede grote verandering van de Wet BETS. Dit artikel en hetgeen dit behelst zal het onderwerp vormen van paragraaf 2.5.

2.5.1. De uitgangspunten van de wetstekst

De wetstekst die in werking trad op 1 september 2016 is, in tegenstelling tot artikel 4:192 lid 1 BW, nog dezelfde. De wetstekst van artikel 4:194a BW luidt als volgt:

1. “Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, wordt, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden. 2. Wanneer een erfgenaam na vereffening of verdeling van de nalatenschap

bekend wordt met een schuld, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, kan hij de kantonrechter, binnen de in het eerste lid genoemde termijn, verzoeken om te worden ontheven van zijn verplichting de schuld uit zijn vermogen te voldoen voor zover deze niet uit hetgeen hij krachtens erfrecht uit de nalatenschap heeft verkregen, kan worden voldaan. De kantonrechter

29 Kamerstukken II, 2015/16, 34 224, nr. 5 p. 9-10 (Nota n.a.v. verslag vaste commissie voor V&J). 30 Kamerstukken II, 2015/16, 34 224, nr. C. (Brief van de Minister, 6 juli 2016); Kamerstukken II,

(18)

12 verleent deze ontheffing, tenzij de erfgenaam zich zodanig heeft gedragen dat de schuldeiser erop mocht vertrouwen dat de erfgenaam deze schuld uit zijn overige vermogen voldoet.”

De MvT vermeldt dat er twee uitgangspunten meegenomen moeten worden bij deze bepaling. Ten eerste ziet de bescherming enkel op een onverwachte schuld. Ten tweede houdt de bescherming in dat een erfgenaam een vrijstelling kan verzoeken van de verplichting om de onverwachte schuld met zijn privévermogen te voldoen.

2.5.2. Het onderscheid tussen lid 1 en 2

Wanneer de tekst van artikel 4:194a BW bekeken wordt, valt het onderscheid tussen lid 1 en 2 op. Duidelijk wordt dat de vraag of er verdeeld of vereffend is, bepalend is voor het onderscheid tussen lid 1 en 2. Een geslaagd beroep op lid 1 levert een beneficiaire aanvaarding op die de formele vereffening doet aanvangen. Lid 2 daarentegen, resulteert in een ontheffing. Voor dit laatste is blijkens de MvT gekozen omdat het aanvangen van een formele vereffeningsprocedure in deze situatie zinloos zou zijn, nu deze door het gebrek aan baten zou worden opgeheven (artikel 4:209 lid 1 BW).31

2.5.3. Een onverwachte schuld

De term ‘onverwachte’ schuld in de wetstekst roept de vraag op wat men daaronder mag verstaan. De MvT benadrukt dat aansluiting gezocht moet worden bij de onderzoeksplicht van artikel 3:11 BW. Het dient te gaan om een schuld die de erfgenaam niet kende en niet behoorde te kennen op het moment van zuivere aanvaarding.32

Voorts blijkt uit de MvT dat de eventuele deskundigheid van de erfgenaam wordt meegewogen en dat eigen initiatief vereist is. Dit laatste blijkt uit de mate van onderzoek dat de wetgever van een erfgenaam verwacht. Voordat een erfgenaam de schulden der nalatenschap kan voldoen, moet hij immers weten welke schulden er zijn. Dit vereist onderzoek. Meer specifiek betekent dit dat minimaal de administratie geraadpleegd moet zijn. Schulden die daar normaliter uit blijken zijn in beginsel geen

31 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 16-18 (MvT). 32 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 13-15 (MvT).

(19)

13 onverwachte schulden. Wanneer de schuld echter niet blijkt uit de administratie, is het daarmee niet per definitie een onverwachte schuld. Daarnaast zijn het ontbreken van de administratie en het onbekend zijn van de hoogte van de schuld ook geen afdoende grond voor een geslaagd beroep op artikel 4:194a BW.33

De MvT benadrukt dat de meeste schulden niet bestempeld kunnen worden als onverwachte schulden. Deze bepaling is klaarblijkelijk bedoeld voor uitzonderings- situaties.34

In de MvT worden tenslotte voorbeelden genoemd van schulden die in beginsel niet onverwacht zullen zijn. Dit behelst onder andere hypotheekschulden, belastingschulden, legitieme vorderingen en kosten van de vereffening, executele en afwikkeling. Voorbeelden van schulden die mogelijk wel onverwacht zullen zijn, zijn in mindere mate te ontwaren in de MvT. Genoemd wordt onder andere een vordering uit onrechtmatige daad.35

33 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 13-15 (MvT). 34 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 13-15 (MvT). 35 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 13-15 (MvT).

(20)

14

3. De Wet BETS in de praktijk

3.1. Het kader

De werking van de Wet BETS in de praktijk wordt in dit hoofdstuk inzichtelijk gemaakt. Er is voor dit doel een jurisprudentieoverzicht gemaakt betreffende artikel 4:192 lid 1 BW (opgenomen in bijlage II) en een jurisprudentieoverzicht betreffende artikel 4:194 BW (opgenomen in bijlage III). Enkele inzichten die voortvloeien uit deze overzichten zullen beschreven worden in paragraaf 3.2 en 3.3.

De uitspraken die zijn opgenomen in de overzichten zijn gevonden via www.rechtspraak.nl. De zoekopdracht was respectievelijk “4:192” en “4:194a”, in combinatie met het criterium dat de uitspraak uitgesproken diende te zijn in 2016 of later. Vervolgens zijn enkel de uitspraken die zijn uitgesproken op of na de dag van de inwerkingtreding van de Wet BETS – 1 september 2016 – geselecteerd. Deze zoekopdracht leverde 46 uitspraken op. Hiervan betroffen 26 uitspraken artikel 4:192 BW en 20 uitspraken artikel 4:194a BW.

Van de 26 uitspraken die de zoekopdracht naar artikel 4:192 BW opleverde, bleken er 13 niet over het gewijzigde lid 1 te gaan, doch over lid 2. Daarnaast bleken van de overgebleven 13 uitspraken, 10 uitspraken gewezen te zijn naar oud recht. Van deze 10 uitspraken bleek echter één uitspraak relevant te zijn voor deze scriptie omdat deze uitlatingen bevat over de Wet BETS. Bovenstaande resulteert erin dat slechts 4 uitspraken betreffende artikel 4:192 BW relevant bleken. Voor een overzicht van de 22 bovengenoemde uitspraken die geen rol gespeeld hebben in deze scriptie verwijs ik naar bijlage I. Voor het volledige jurisprudentieoverzicht betreffende artikel 4:192 lid 1 BW verwijs ik naar bijlage II.

Van de 20 uitspraken betreffende artikel 4:194a BW bleken er vier uitspraken niet relevant te zijn voor dit onderzoek. Ofwel omdat deze gewezen zijn naar oud recht,36

ofwel omdat zij enkel een verwijzing bevatten naar een procedure waarin artikel 4:194a BW een rol speelt.37 Voor het volledige overzicht van de 16 uitgewerkte

uitspraken verwijs ik naar bijlage III.

36 Rechtbank Noord-Holland 16 januari 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:2965; Rechtbank Limburg 7

maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2158.

37 Rechtbank Rotterdam 6 februari 2019 ECLI:NL:RBROT:2019:1421; Gerechtshof

(21)

15

3.2. De inzichten uit het jurisprudentieoverzicht van artikel 4:192 lid 1 BW

Het eerste dat opvalt aan het jurisprudentieoverzicht betreffende artikel 4:192 lid 1 BW (bijlage II), is dat de hoeveelheid uitspraken erg minimaal is. Het betreft slechts drie uitspraken die gewezen zijn naar nieuw recht. In deze drie gevallen is telkens het beroep op artikel 4:192 lid 1 BW afgewezen.

De minimale hoeveelheid uitspraken zou erop kunnen duiden dat de door de Wet BETS bewerkstelligde beperking van het aantal gedragingen, die kunnen resulteren in zuivere aanvaarding, succesvol was. Bovenstaande moet mijns inziens echter om twee redenen genuanceerd worden: 1) het is mogelijk dat er niet-gepubliceerde uitspraken zijn die bovenstaand beeld veranderen en 2) op basis van slechts drie uitspraken is het vrijwel onmogelijk om goed inzicht te verkrijgen in de werking van de Wet BETS.

Tenslotte is er, zoals aangegeven werd in paragraaf 3.1., één uitspraak die, hoewel gewezen naar oud recht, relevante uitlatingen bevat over de Wet BETS. Het draait om de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 30 mei 2017.38 Het Hof benadrukt

daar dat artikel 4:192 lid 1 BW slechts een verduidelijking behelst en géén wijziging ten opzichte van het recht vóór de inwerkingtreding van de Wet BETS.

3.3.De inzichten uit het jurisprudentieoverzicht van artikel 4:194a BW

In het jurisprudentieoverzicht van artikel 4:194a BW spelen 16 uitspraken een rol. In totaal omvatten deze uitspraken 15 casussen, aangezien twee uitspraken dezelfde casus betreffen. In grofweg de helft van de gevallen is gebleken dat het beroep op artikel 4:194a BW niet succesvol was.

Wanneer men het jurisprudentieoverzicht bekijkt, valt op dat een aantal uitgangspunten dat in de MvT genoemd wordt consequent wordt toegepast in de praktijk. Zo blijkt uit de uitspraken 6 en 1339 van het jurisprudentieoverzicht dat, zoals

de MvT voorschrijft,40 de deskundigheid van de erfgenamen in acht genomen wordt.

Ten tweede blijkt dat er een grote nadruk wordt gelegd op het doen van onderzoek bij de kwalificering van een schuld als onverwachte schuld. De administratie blijkt daar, zoals de MvT benoemt,41 een grote rol in te spelen. Er blijkt dat het niet voldoende

38 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4650.

39 Rechtbank Midden-Nederland 8 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6714; Gerechtshof Den

Haag 12 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2308.

40 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 13 (MvT). 41 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 13-16 (MvT).

(22)

16 geacht werd 1) wanneer men enkel de administratie die thuis aanwezig is doorneemt en niet de administratie die bij de accountant aanwezig is meeneemt in het onderzoek,42

2) wanneer de administratie niet onderzocht is terwijl deze onjuist is uitgevoerd door een accountant die daarna met de noorderzon vertrokken is43 3) wanneer de

administratie ontbreekt of onduidelijk is44 en 4) wanneer men na het overlijden van

erflater geen informatie inwint over zijn nalatenschap.45

Naast het gegeven dat er in bepaalde uitspraken gerefereerd wordt aan de uitgangspunten van de MvT, zijn er ook uitspraken waarin nieuwe aspecten meegenomen worden in de overwegingen. Zo blijkt allereerst uit het jurisprudentieoverzicht dat niet alleen de deskundigheid van de erfgenaam, maar ook de ondeskundigheid van erfgenamen46 en de leefomstandigheden van erflater47

kunnen worden meegenomen in de overwegingen. Ten tweede blijkt dat wanneer de schuld nog niet vaststaat, dit geen belemmering vormt voor een beroep op artikel 4:194a BW. Het blijkt voldoende wanneer de schuld reëel is en op enige manier te verbinden is aan de nalatenschap.48 Voorts blijkt dat artikel 4:194a BW niet a

contrario gelezen kan worden. Een keuze voor beneficiaire aanvaarding kan niet teruggedraaid worden met een beroep op artikel 4:194a BW, wanneer de nalatenschap onverwachts positief blijkt.49

Tenslotte zijn er ook enkele uitspraken waarvan de overwegingen haaks lijken te staan op de overwegingen in de MvT. Het eerste voorbeeld vormt uitspraak 1 in het jurisprudentieoverzicht. De MvT vermeldt expliciet dat de Wet BETS geen toepassing vindt wanneer de schuld wordt ontdekt vóór de inwerkingtreding daarvan. 50

Desalniettemin achtte de rechtbank Oost-Brabant afwijzing van het verzoek in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aangezien aan alle materiële vereisten was voldaan.51

42 Rechtbank Midden-Nederland 8 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6714. 43 Rechtbank Midden-Nederland 15 juni 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:3261. 44 Rechtbank Noord-Holland 27 september 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:10840. 45 Rechtbank Gelderland 28 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3615.

46 Rechtbank Midden-Nederland 5 juni 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2815. 47 Rechtbank Noord-Holland 27 september 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:10840.

48Rechtbank Midden-Nederland 3 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4081; Rechtbank

Noord-Holland 10 april 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:3047; Rechtbank Noord-Noord-Holland 4 november 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:4504.

49 Rechtbank Limburg 7 juni 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:5283. 50 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 13 (MvT).

(23)

17 Het tweede voorbeeld vormt uitspraak 12 uit het jurisprudentieoverzicht. In tegenstelling tot wat er in de MvT staat,52 acht de rechtbank Midden-Nederland dat er

niet gesproken kan worden van kennis van de schuld wanneer erfgenamen weliswaar kennis hebben van de schuld, doch niet van de hoogte ervan.53

52 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 13-15 (MvT).

(24)

18

4. De kritiek op de Wet BETS en de aangedragen alternatieven

4.1. De kritiek

Er is in de juridische literatuur, zowel voorafgaand als na de invoering van de Wet BETS, veelvuldig gediscussieerd over de wijze waarop bescherming geboden dient te worden aan erfgenamen. Dikwijls was de boodschap van de juridische auteurs eenduidig: hoewel de tussenstappen die geleid hebben tot de Wet BETS aanmoedigingswaardig waren, waren deze niet afdoende.54

In het Rapport Erven werd het invoeren van een standaard beneficiaire aanvaarding als mogelijke oplossing gepresenteerd.55 Menig auteur prefereerde deze

oplossing.56 De minister heeft echter meermaals aangegeven niets te zien in de

invoering hiervan. Nu de daaropvolgende kritiek vanuit de juridische literatuur, die centraal staat in paragraaf 4.1.1, deels een reactie vormt op de overwegingen van de minister, worden deze hierna – voor zover relevant – aangehaald. Vervolgens wordt in paragraaf 4.1.2 en 4.1.3 de kritiek beschreven die geleverd is op artikel 4:192 en 4:194a BW.

4.1.1. Geen standaard beneficiaire aanvaarding

Uit de MvT blijkt dat de minister van mening is dat het invoeren van standaard beneficiaire aanvaarding geen passende oplossing is, omdat het gaat om problematiek waar erfgenamen slechts zelden mee te maken krijgen. Dit geldt volgens de minister des te meer omdat deze oplossing ook in geval van positieve nalatenschappen zou leiden tot extra kosten en administratieve lasten.57 Het voorstel dat beoogde

bovengenoemde lasten te verminderen, door gerechtelijke vereffening achterwege te laten indien erfgenamen kunnen aantonen dat de nalatenschap ruimschoots voldoende is om de schulden mee te kunnen voldoen,58 wees de minister eveneens van de hand.

Volgens de minister zullen erfgenamen namelijk veelal niet in staat zijn om dit vast te stellen. Daarnaast zou deze invoering leiden tot schijnzekerheid nu privé-

54 Zie o.m.: Biemans, WPNR 2014/7019; Advies NVvR (te raadplegen via:

https://nvvr.org/advies/concept-wetsvoorstel-bescherming-erfgenamen-tegen-onverwachte-schulden); Reactie van de NOvA (te raadplegen via: https://docplayer.nl/44352539-Artikel-4-194a-bw-in-het-concept-wetsvoorstel-luidde-artikel-4-194a-bw-als-volgt.html).

55 Rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?!’, 2012, p. 7-11. 56 Zie o.m. Kolkman, FTV 2012/27; Burgerhart, FTV 2014/47. 57 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 2-4 (MvT). 58 Rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?!’, 2012, p. 7-11.

(25)

19 aansprakelijkheid in dit scenario niet uitgesloten is. Immers, wanneer erfgenamen hun vereffeningstaken onbehoorlijk uitvoeren – bijvoorbeeld doordat zij zich onvoldoende realiseren welke verplichtingen de vereffening met zich meebrengt – hangt hen aansprakelijkheid ex artikel 4:184 lid 2 onder d BW boven het hoofd.59

Biemans bekritiseerde bovenstaande onderbouwing in het WPNR. Volgens hem is onduidelijk of de prioriteit ligt bij het beschermen van erfgenamen, of bij het voorkomen van kosten. Ook bekritiseert hij de term “schijnzekerheid”, omdat de aansprakelijkheid na zuivere aanvaarding wezenlijk verschilt van de aansprakelijkheid onder artikel 4:184 lid 2 onder d BW. Immers, bij zuivere aanvaarding is de erfgenaam in alle gevallen privé aansprakelijk voor de nalatenschapsschulden, terwijl bij de artikel 4:184-aansprakelijkheid een erfgenaam enkel aansprakelijk is voor alle schulden wanneer hij in ernstige mate tekortschiet en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Gezien dit verschil in rechtsgevolg is Biemans van mening dat wanneer de bescherming van erfgenamen werkelijk voorop staat, gekozen dient te worden voor het invoeren van standaard beneficiaire aanvaarding. 60

Evenals Biemans baseert Kolkman zijn kritiek deels op de toelichting bij de Wet BETS. Kolkman stelt dat de toelichting op sommige punten de plank volledig misslaat. Hierdoor zou de “echte regime change” – het invoeren van de standaard beneficiaire aanvaarding – mogelijk op oneigenlijke gronden afgewezen zijn. Zo gaat de toelichting er volgens hem onterecht vanuit dat: 1) een executeur geen boedelbeschrijving dient te maken wanneer hij kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om de schulden te voldoen, dat 2) een negatieve boedel resulteert in de onmogelijkheid van een lichte ver-effeningsprocedure61 en dat 3) de kantonrechter gedurende de wettelijke vereffening

van een positieve nalatenschap bepaalt op welke wijze er dient te worden vereffend.62

Daarnaast stelt Kolkman dat de minister de vaardigheden van erfgenamen om een erfenis af te wikkelen te hoog inschat, wanneer hij opmerkt dat een erfgenaam zal inventariseren waaruit de nalatenschap bestaat en een inschatting zal maken van de

59 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 2-4 (MvT). 60 Biemans, WPNR 2015/7083, p. 957-958.

61 Het is evident dat er in dergelijke gevallen doorgaans sprake zal zijn van een zware vereffening dan

wel van een kosteloze vereffening/opheffing van de vereffening. Bedoeld wordt wellicht dat een negatieve boedel niet automatisch de lichte vereffeningsprocedure onmogelijk maakt, zoals een negatieve boedel wel automatisch resulteert in de meldingsplicht ex artikel 4:199 lid 2 BW.

(26)

20 waarde van de goederen.63 Bovendien heeft Kolkman al in 2010 aangetoond dat de

reden om niet te kiezen voor standaard beneficiaire aanvaarding – de wens extra kosten en administratieve lasten te voorkomen – genuanceerd dient te worden. Kolkman toonde aan dat de lasten en kosten van de afwikkeling van een positieve nalatenschap waarbij gekozen is voor beneficiaire aanvaarding, niet wezenlijk verschillen van de lasten en kosten van de afwikkeling van een positieve nalatenschap waar gekozen is voor zuivere aanvaarding wanneer er sprake is van een executeur.64 Kolkman toonde

vervolgens in 2016 aan dat er in 50% van alle nalatenschappen een testament gemaakt is en dat daar vrijwel altijd een executeursbenoeming in staat.65 Hierdoor kan in 50%

van de gevallen niet gesproken worden van de extra lasten en kosten.

Tenslotte wordt in de literatuur veelvuldig aangehaald dat onder de huidige Wet BETS het dubbele verhaalsrecht blijft bestaan. Menig auteur is van mening dat het onwenselijk is dat de schuldeiser in een betere positie komt dan vóór het overlijden van de erflater doordat verhaal mogelijk is op het privévermogen van de erfgenaam.66

De MvT poogt bovenstaande te nuanceren door te betogen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid eerst verhaal genomen moet worden op het nalatenschapsvermogen voordat dit mogelijk is op het privévermogen. 67 De

Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA) brengt hier tegenin dat deze aanname niet wegneemt dat verhaal op het privévermogen wél mogelijk is indien de nalatenschap niet toereikend is. Bovendien geldt dat wanneer er slechts één erfgenaam is, de bepalingen over de gemeenschap uit Boek 3 niet gelden. Hierdoor vindt vermenging plaats en is er sprake van één vermogen.68

4.1.2. De kritiek op artikel 4:192 BW

Door de juridische literatuur is tevens kritiek geuit op artikel 4:192 lid 1 BW. Men wijst erop dat het criterium om vast te stellen of bepaalde gedragingen zullen resulteren in impliciet zuivere aanvaarding, niet erg duidelijk is.

63 Kolkman, KWEP 2016/18, par D.

64 Kolkman ‘Deontologische dilemma’s in het erfrecht’ 2010, p. 150-153. 65 Kolkman, KWEP 2016/18, par. D.

66 Zie o.m.: B.M.E.M. Schols, NTFR 2016/2353; Biemans WPNR 2014/7091, p. 447; Van der Geld, TE

2012/06.

67 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 5-6. (MvT).

68 Reactie van de NOvA (te raadplegen via: https://docplayer.nl/44352539-Artikel-4-194a-bw-in-het-concept-wetsvoorstel-luidde-artikel-4-194a-bw-als-volgt.html).

(27)

21 Hoewel de aansluiting bij artikel 1:88 BW enige houvast geeft, is er volgens Reinhartz op grond van de overwegingen van de minister niet duidelijk in hoeverre de oude jurisprudentie van vóór 2016 nog van toepassing is en welk criterium gebruikt dient te worden.69 Evenals Reinhartz is Perrick van mening dat de toelichting te

wensen over laat. Hij noemt de overwegingen van de minister een inconsistente toelichting waaraan niet te veel waarde moet worden gehecht. Bovendien is hij van mening dat het criterium van schuldeisersbenadeling een onjuist criterium is omdat de strekking van artikel 4:192 BW niet enkel schuldeisersbescherming zou moeten inhouden, zoals de minister betoogde. Volgens Perrick zou de strekking tevens moeten zijn dat bepaalde handelingen gelijk te stellen zijn met een uitdrukkelijke aanvaarding waaraan derhalve dezelfde gevolgen verbonden zouden moeten worden.70

Evenals Perrick keert de NOvA zich tegen het criterium van schuldeisersbenadeling. Het is volgens de NOvA een breed criterium waarover veel discussie mogelijk is. Daarnaast is het een bezwaarlijk criterium omdat zelfs een kleine opname van de ervenrekening genoeg is om te spreken van “onttrekken aan schuldeisers”.71

Tenslotte blijkt uit de literatuur dat ook Kolkman het criterium benadeling van schuldeisers in sommige gevallen moeilijk kan plaatsen. Zo stelde hij bijvoorbeeld dat het verkopen van een goed voor marktconforme prijs, zou resulteren in impliciet zuivere aanvaarding. Dat schuldeisersbenadeling in een dergelijk geval niet optreedt is niet van belang, aldus Kolkman. 72 Interessant is ten slotte dat, zoals ook bleek uit

paragraaf 3.3., het Hof Arnhem-Leeuwarden stelde dat er weinig verschil zou zitten tussen oud en nieuw recht.73

4.1.3. De kritiek op artikel 4:194a BW

In de juridische literatuur wordt in zijn algemeenheid betoogd dat ten gevolge van de bescherming die de Wet BETS biedt, het advies aan de erfgenaam nog altijd is: aanvaard beneficiair. 74

69 Reinhartz, in: GS Erfrecht, art. 4:192, aant. 4A. 70 Asser/Perrick 2017 (4), nr. 521.

71 Reactie van de NOvA (te raadplegen via: https://docplayer.nl/44352539-Artikel-4-194a-bw-in-het-concept-wetsvoorstel-luidde-artikel-4-194a-bw-als-volgt.html).

72 Kolkman, KWEP 2016/18.

73 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4650.

74 Zie o.m.: De Jonge JBN 2018/58; Behrens e.a., Schenken en Erven Almanak 2017, p.364-365;

(28)

22 Daarnaast blijkt het onderscheid tussen lid 1 en 2 van artikel 4:194a BW menig auteur bezig te houden. De kritiek omtrent dit onderscheid behelst allereerst het verschil tussen de uitkomsten van een geslaagd beroep op lid 1 en een geslaagd beroep op lid 2. Volgens Kolkman en Biemans resulteert een geslaagd beroep op lid 1 ertoe dat geen enkele schuld meer verhaald kan worden op het privévermogen. Bij een geslaagd beroep op lid 2 kan daarentegen enkel de onverwachte schuld niet meer verhaald worden op het privévermogen van de erfgenaam.75 De uitspraak van de

Rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 201876 is in overeenstemming met deze visie.

De Jonge denkt echter heel anders over het onderscheid tussen lid 1 en lid 2. Hij maakt geen onderscheid in de rechtsgevolgen van een geslaagd beroep op lid 1, dan wel op lid 2. Het resultaat zou in beide gevallen zijn dat slechts de onverwachte schuld verhaald kan worden op het privévermogen.77

Biemans en Kolkman betogen voorts, met het oog op het grote verschil in uitkomst van lid 1 en 2, dat het scharnierpunt tussen beide leden helder zou moeten zijn geformuleerd. Zij geven echter beiden aan dat dit allerminst het geval is. Allereerst is niet duidelijk wat er onder ‘verdeling en vereffening’ valt.78 Kolkman veronderstelt

dat met ‘verdeling’ geen wettelijke verdeling of een ouderlijke boedelverdeling bedoeld wordt, maar zal een erfgenaam pas in lid 2 belanden wanneer de bekende schulden der nalatenschap zijn voldaan. Echter zou, gezien het verschil in rechtsgevolg, een ondubbelzinniger antwoord in de toelichting wenselijker zijn geweest, aldus Kolkman.79

Bovenstaand onderscheid tussen lid 1 en lid 2 bestond nog niet onder het conceptwetsvoorstel BETOS. Daarin werd enkel de ontheffing van verhaal van de onverwachte schuld voorgesteld als mogelijk rechtsgevolg. Verscheidene auteurs hebben destijds kritiek geleverd op de impact van dit rechtsgevolg op schuldeisers, aangezien de keuze voor ontheffing meebrengt dat de mogelijkheid van selectieve betaling en daarmee de doorbreking van het beginsel van paritas creditorum bestaat.80

Biemans achtte de toelichting op het conceptwetsvoorstel onduidelijk. Zo bleek volgens hem uit deze toelichting niet in welke gevallen de erfgenaam, die een

75 Kolkman, KWEP 2016/18; Biemans, WPNR 2015/7083

76 Rechtbank Midden Nederland 3 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4081. 77 De Jonge JBN 2018/58.

78 Biemans, WPNR 2015/7083, par. 4.

79 Kolkman, KWEP 2016/18; Kolkman WPNR 2016/7121 p. 766.

80 Zie o.m.: Blokland, Burgerhart & Kolkman, WPNR 2014/7091, par. 4; De Jong, WPNR 2016/7100,

(29)

23 ontheffing krijgt van de verplichting om de onverwachte schuld uit zijn privévermogen te voldoen, deze schuld uit het nalatenschapsvermogen dient te voldoen. Hij bespreekt een drietal scenario’s die, gezien de toelichting op het conceptwetsvoorstel, aannemelijk zijn. Vanwege de beperkte ruimte van deze scriptie wordt hier enkel het tweede scenario besproken aangezien dit volgens Biemans het meest aannemelijke scenario is. Daarnaast biedt het inzicht in de manier waarop de keuze van de minister voor het rechtsgevolg van ontheffing kan leiden tot de doorbreking van het beginsel van paritas creditorum.

In dit scenario (optie II) gaat Biemans uit van het feit dat de erfgenaam de onverwachte schuld niet uit het nalatenschapsvermogen hoeft te voldoen indien het nalatenschapsvermogen onvoldoende is om daaruit de bekende schulden te voldoen. Deze uitkomst is volgens Biemans onbillijk voor de onverwachte schuldeiser van de nalatenschap omdat deze op verschillende manieren wordt benadeeld. Zijn positie verslechtert zowel ten opzichte van zijn eigen positie vóór het overlijden van de erflater, als ten opzichte van de andere schuldeisers. Nu de onverwachte schuldeiser ook geen verhaal kan nemen op het vermogen van de nalatenschap, indien en voor zover andere schuldeisers daar nog uit moeten worden voldaan, blijft er van het beginsel van partitas creditorum weinig over.81

Mede deze kritiek heeft ertoe geleid dat er een onderscheid tussen lid 1 en 2 werd gemaakt.82 Deze wijziging resulteert echter niet, zo gaat Biemans verder, in het

opheffen van dit onwenselijke gevolg bij lid 2. Het is hem onduidelijk waarom voor lid 2 niet ook gekozen is voor het rechtsgevolg van beneficiaire aanvaarding.83

4.2 De aangedragen alternatieven

In de literatuur is stevig gepleit voor een meeromvattende bescherming dan die geldt onder de Wet BETS. Diverse auteurs prefereren het invoeren van (een vorm van) standaard beneficiaire aanvaarding. Hoewel een exacte omschrijving van de vormgeving van deze alternatieven niet altijd te vinden is, zijn er in de literatuur ook concrete(re) voorbeelden te ontwaren. Deze beschreven alternatieven staan centraal in deze paragraaf.

81 Biemans, WPNR 2014/7019,p. 448-453.

82 Kamerstukken II, 2014/15, 34 224, nr. 3, p. 18 (MvT). 83 Biemans, WPNR 2015/7083, p. 960-962.

(30)

24

4.2.1. Vormen van standaard beneficiaire aanvaarding

Het Rapport Erven heeft gepoogd een oplossing te bieden voor de financiële problematiek waar erfgenamen door (onbewuste) zuivere aanvaarding in terecht kunnen komen. In dit Rapport is een drietal routes beschreven die alle meer bescherming zouden kunnen bieden. Route 1 is genaamd: aanvaarding met beneficiaire gevolgen. In de uitwerking van deze route beschrijft het Rapport Erven dat de volgende wijzigingen zouden worden ingevoerd:

- Wanneer een erfgenaam een nalatenschap aanvaardt, gebeurt dit voortaan met beneficiaire gevolgen

- Het volgen van de vereffeningsprocedure zal enkel van toepassing zijn wanneer de nalatenschap negatief dreigt te zijn. Als een erfgenaam kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen dan hoeft de formele vereffening niet gevolgd te worden.

- De aanvaardingsfictie (artikel 4:192 lid 1 BW) blijft gelden, maar resulteert niet langer in de mogelijkheid van verhaal op het privévermogen, doch in het gegeven dat verwerping niet meer mogelijk is. Verhaal op het privévermogen blijft desalniettemin mogelijk in de situaties beschreven in artikel 4:184 lid 2 sub b, c en d BW.84

Dit systeem zou resulteren in het verdwijnen van het dubbele verhaalsrecht, aangezien in beginsel enkel verhaal genomen kan worden op het nalatenschapsvermogen. Hierdoor komt een schuldeiser niet in een betere positie dan vóór het overlijden van de erflater. Schuldeisers zouden echter voldoende beschermd worden tegen kwaadwillende erfgenamen door de mogelijkheden die artikel 4:184 lid 2 sub b, c en d BW bieden en de mogelijkheid om de formele vereffeningsprocedure te verzoeken bij de rechtbank (volgens artikel 4:204 BW). Hierna wordt deze variant aangeduid als: het ‘Rapport Erven-alternatief’.

Een soortgelijke variant is in 2010 al geopperd door Kolkman. Hij stelde destijds voor om de aanvaardingsfictie van artikel 4:192 lid 1 BW te laten resulteren in beneficiaire aanvaarding, in plaats van in zuivere aanvaarding. In tegenstelling tot bovenstaande variant, zou echter nog wel een andere keuze voor verwerping of

(31)

25 zuivere aanvaarding mogelijk zijn.85 Hierna wordt deze variant aangeduid als: het

‘beneficiaire aanvaarding, tenzij-alternatief’.

Ook de NOvA bepleitte een variant op bovenstaande. De adviescommissie Familie- en Jeugdrecht van de NOvA gaf in haar reactie op het Wetsvoorstel BETS aan dat zij het schrappen van de aanvaardingsfictie in artikel 4:192 lid 1 BW prefereerde boven de voorgestelde wetswijziging van artikel 4:192 lid 1 BW. Meer concreet zou dit betekenen dat wanneer een erfgenaam geen keuze maakt voor verwerpen of zuivere aanvaarding, deze erfgenaam beneficiair zou aanvaarden. Hierdoor zou er nooit meer een onbewuste zuivere aanvaarding plaatsvinden.86 Hierna

wordt deze variant aangeduid als: het ‘NOvA-alternatief’.

4.2.2. De aanpassing van artikel 4:194a lid 1 BW

Dit alternatief behelst het wijzigen van het rechtsgevolg van artikel 4:194a lid 1 BW. Het huidige rechtsgevolg van lid 1 – de ontheffing – zal vervangen worden door het rechtsgevolg van beneficiaire aanvaarding. Hoewel dit systeem niet de invoering van een vorm van beneficiaire aanvaarding als standaard behelst, is het wel relevant om dit alternatief hier te bespreken. Deze wijziging zal immers resulteren in het volledig kunnen terugdraaien van een zuivere aanvaarding in een beneficiaire aanvaarding. Zodoende kan dit alternatief leiden –vergelijkbaar aan het invoeren van standaard beneficiaire aanvaarding – tot de bescherming die beneficiaire aanvaarding biedt.

Zoals reeds bleek uit paragraaf 4.1.2., heeft Biemans betoogd dat het rechtsgevolg van lid 1, gelijk aan dat van lid 2, beneficiaire aanvaarding zou moeten zijn. Doordat beneficiaire aanvaarding een dam opwerpt tegen alle schulden, en niet louter tegen de onverwachte schuld, zal de doorbreking van de paritas creditorum niet langer het gevolg kunnen zijn. Schuldeisers zullen naar evenredigheid van hun vordering betaald worden. Hierna wordt deze variant aangeduid als: het ‘wijzigen van lid 1-alternatief’.

85 Kolkman ‘Deontologische dilemma’s in het erfrecht’ 2010, p. 153.

86Reactie van de NOvA (te raadplegen via: https://docplayer.nl/44352539-Artikel-4-194a-bw-in-het-concept-wetsvoorstel-luidde-artikel-4-194a-bw-als-volgt.html).

(32)

26

5. De belangen van erfgenamen en de alternatieven

5.1. Introductie

In dit hoofdstuk zal worden bezien waarom een meeromvattende bescherming van erfgenamen noodzakelijk is en welk alternatief daarvoor het meest geschikt is. De alternatieven uit paragraaf 4.2. zullen afgezet worden tegen het huidig systeem. Het meest geschikte alternatief zal geselecteerd worden op basis van de inzichten uit het Rapport van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (hierna: WRR Rapport).

5.2. De noodzaak van bescherming van erfgenamen

Allereerst kan met het oog op de aanvaardingsfictie in artikel 4:192 lid 1 BW opgemerkt worden dat het onwenselijk lijkt dat erfgenamen onbewust zuiver kunnen aanvaarden. In een onbezonnen moment kunnen erfgenamen (in beginsel) onherroepelijk en onbewust een keuze maken die resulteert in het uit eigen vermogen moeten voldoen van mogelijk torenhoge schulden. Dit toont gelijkenis met het in de val lokken van erfgenamen op een moment in hun leven waar niet zelden emotie en stress centraal staan. F.W.J.M. Schols beschrijft de huidige bescherming voor erfgenamen dan ook als een mechanisme waar enkel de gelukkigen die de wet kennen gebruik van kunnen maken. De rest moet bloeden.87

Naast bovenstaande kennisachterstand betreffende de wet, kunnen zich ook andersoortige kennisachterstanden voordoen. Zo is de erfgenaam veelal niet aanwezig bij het sluiten van de overeenkomst waaruit de schuld voortvloeit en heeft deze mogelijk geen inzicht in de financiële situatie van de erflater.

Ten derde moet stil gestaan worden bij het resultaat van de huidige wetgeving. De nalatenschapsschulden kunnen, zoals ook de NOvA opmerkte, in totale wanverhouding staan tot datgene wat de erfgenaam heeft ‘onttrokken’ aan het verhaal van de schuldeisers. Zo kan de verkoop van een nalatenschapsgoed met een waarde van € 50,- resulteren in verhaal op het privévermogen van een erfgenaam voor een schuld van € 100.000,-.88 Ik zie niet in waarom zo’n disproportionele sanctie

acceptabel wordt geacht.

87 F.W.J.M. Schols, WPNR 2016/7101.

88 Reactie van de NOvA (te raadplegen via: https://docplayer.nl/44352539-Artikel-4-194a-bw-in-het-concept-wetsvoorstel-luidde-artikel-4-194a-bw-als-volgt.html).

(33)

27 Dit verhaal op zowel het privévermogen als het nalatenschapsvermogen wordt, zoals gezegd, het dubbele verhaalsrecht genoemd. Het dubbele verhaalsrecht bewerkstelligt voor de schuldeiser een betere positie dan vóór het overlijden van de erflater. Het lijkt evident onwenselijk dat een schuldeiser gebaat is bij het overlijden van zijn schuldenaar.

Tenslotte plaats ik hier nog twee kanttekeningen bij die weliswaar geen inzicht geven in de belangen van de erfgenamen, maar wel de uitwerking van de Wet BETS inzichtelijk maken en zodoende niet achterwege kunnen blijven. Allereerst moet bedacht worden dat de financiële problematiek, hoewel deze op het eerste gezicht persoonlijk oogt, wel degelijk het algemeen belang kan raken. Wanneer een erfgenaam insolvent blijkt, belandt deze mogelijkerwijs in de WSNP en zodoende zal dit een maatschappelijk probleem zijn.

De tweede kanttekening brengt tot uiting dat de huidige Wet BETS niet in alle opzichten gunstig is voor onverwachte schuldeisers. Al eerder is beschreven dat het rechtsgevolg van ontheffing in artikel 4:194a lid 1 BW kan leiden tot een doorbreking van de paritas creditorum. Zoals Biemans betoogde zal een dergelijk gevolg niet intreden bij de invoering van standaard beneficiaire aanvaarding.

Al deze redenen tonen aan waarom de huidige wetgeving met het oog op de bescherming van erfgenamen niet afdoende is en dat een meeromvattende bescherming in het belang is van erfgenamen. In hoofdstuk 6 zal bezien worden hoe voorgaande zich verhoudt tot de belangen van schuldeisers van de nalatenschap.

5.3.Het WRR Rapport: Weten is nog geen doen

In deze paragraaf staat het WRR Rapport centraal en wordt de relevantie ervan voor deze scriptie beschreven. Het rapport beschrijft dat de hedendaagse samenleving hoge eisen stelt aan de redzaamheid van burgers. Er wordt verwacht dat mensen plannen maken, dat zij over zelfcontrole beschikken en dat zij op het juiste moment in actie komen. Redzaamheid bestaat uit zowel denkvermogen als ‘doenvermogen’, dat in de gedragswetenschap vaak wordt beschreven als niet-cognitieve vermogens. Het rapport richt zich op dit laatste aspect. Ten grondslag aan het ‘doenvermogen’ liggen drie persoonskenmerken: temperament, zelfcontrole en overtuiging.89

(34)

28 Uit het rapport blijkt dat lang niet alle burgers in staat zijn om redzaam te zijn en dat burgers niet in gelijke mate aanleg hebben tot redzaamheid. Bovendien zijn levensomstandigheden van invloed op de mate waarin burgers redzaam zullen zijn. Tijdens stresssituaties en momenten waarin het leven tegenzit, pleit het rapport voor vermindering van de mentale belasting waarmee burgers geconfronteerd worden. Dit is des te belangrijker wanneer dergelijke life events niet vaak voorkomen in een mensenleven.Interessant is voorts dat dit fenomeen niet beperkt is tot een kleine groep kwetsbare burgers, zoals bijvoorbeeld mensen met een laag IQ. Ook hoogopgeleiden en mensen met een goede maatschappelijke positie kunnen zich in situaties bevinden waar hun redzaamheid tekortschiet. Het Rapport roept op om niet te hoge verwachtingen te hebben van de trainbaarheid van deze vermogens. Hoewel hierover weinig onderzoek beschikbaar is, stemt het bestaande onderzoek weinig positief.90

Het Rapport stelt voorts dat de overheid soms het ‘doenvermogen’ van burgers overschat. De Wetenschappelijke Raad roept op tot een realistisch overheidsbeleid waarbij ruimte bestaat voor de notie dat burgers ondanks hun goede voornemens niet altijd handelen. Dit perspectief biedt ruimte aan het gegeven dat een keuze op korte termijn verstandig kan lijken, terwijl dit op de lange termijn niet het geval is. Verkeerd handelen of niet handelen duidt niet per definitie op onwil, mogelijk slechts op onkunde, aldus het rapport. Dit realistisch overheidsbeleid prefereren zij boven het klassieke overheidsbeleid, het huidige uitgangspunt van de overheid, dat ervan uitgaat dat de juiste kennis vanzelfsprekend zal leiden tot de juiste daden en dat informeren en sanctioneren volstaat. 91

Erfgenamen moeten na het overlijden van de erflater relatief snel, en niet zelden in een stressvolle periode, een keuze maken die grote financiële implicaties kan hebben. Bovendien kan gesproken worden van een gebeurtenis die doorgaans niet vaak plaatsvindt in een mensenleven. Er wordt op zo’n moment een groot beroep gedaan op de redzaamheid van erfgenamen. Gebleken is immers dat verwacht wordt dat erfgenamen tijdig inzicht verkrijgen in de bezittingen en schulden en dat een kleine en mogelijk onbewuste fout – zoals het verkopen van een nalatenschapsgoed van geringe waarde – kan leiden tot grote gevolgen. Het lijkt, gezien bovenstaande, zeer relevant en wenselijk om de inzichten die het WRR Rapport biedt mee te nemen in de keuze

90 WRR Rapport ‘Weten is nog geen doen’, 2017, p. 5, 56-57, 80-81, 101, 122, 129-132, 140. 91 WRR Rapport ‘Weten is nog geen doen’, 2017, p. 132-138.

Afbeelding

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :