De onderhoudsplicht van kinderen ten aanzien van hun ouders: een grondslagenonderzoek

143  Download (0)

Hele tekst

(1)

DE ONDERHOUDSPLICHT VAN (KLEIN)

KINDEREN TEN AANZIEN VAN HUN

(GROOT)OUDERS

EEN GRONDSLAGENONDERZOEK

Aantal woorden: 51.438

Wouter Goemaere

Studentennummer: 01503376

Promotor: Prof. dr. Gerd Verschelden Commissaris: Annette Van Thienen

Masterproef voorgelegd voor het behalen van de graad master in de Rechten Academiejaar: 2019 – 2020

(2)

Ondergetekende verklaart dat de inhoud van deze masterproef mag worden geraadpleegd en/of gereproduceerd voor persoonlijk gebruik. Het gebruik van deze masterproef valt onder de bepalingen van het auteursrecht en bronvermelding is steeds noodzakelijk.

(3)

Inhoudsopgave

Deel I. Inleiding ... 1

Hoofdstuk I. Opzet en doelstellingen ... 1

Afdeling 1. Onderwerp en situering ... 1

Afdeling 2. Doelstelling en structuur ... 4

Afdeling 3. Relevantie ... 4

Hoofdstuk II. Onderzoeksvragen en afbakening ... 5

Hoofdstuk III. Methodiek ... 7

Afdeling 1. Rechtshistorisch onderzoek ... 7

Afdeling 2. Rechtsfilosofisch onderzoek ... 8

Afdeling 3. Rechtsvergelijkend onderzoek ... 8

Deel II. De Belgische gemeenrechtelijke onderhoudsplicht ... 11

Hoofdstuk I. De grondslag van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht ... 11

Hoofdstuk II. Historische evolutie van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht ... 12

Afdeling 1. De koning van de familie ... 13

Afdeling 2. De revolutionaire aanzet ... 15

1. De revolutionaire codificatieprojecten ... 15

2. De filosofisch-culturele achtergrond van het revolutionaire familierecht ... 17

3. Case study: landknechten in Frankrijk en Vlaanderen ... 19

4. Sociale bijstand tijdens de revolutie ... 22

Afdeling 3. De Napoleontische codificatie ... 25

Afdeling 4. De evolutie van de Belgische gemeenrechtelijke onderhoudsplicht... 27

Hoofdstuk III. Tussenconclusie: de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht in historisch perspectief ... 30

DEEL III. De onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders in filosofisch perspectief ... 33

Hoofdstuk I. In hoeverre mag de staat zich inmengen in het familieleven? ... 33

Afdeling 1. Kan de staat zich onthouden van interventie in de familie? ... 33

1. De traditionele en de radicale visie ... 34

2. “The family is political”... 37

3. Het onderscheid publiek/privaat onder vuur ... 41

4. De postmoderne uitweg? ... 46

5. Voorbij het non-interventiedebat ... 50

Afdeling 2. De privésfeer en de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht ... 51

Hoofdstuk II. De plichten van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders ... 56

Afdeling 1. Het natuurrecht en de onderhoudsplicht van (klein)kinderen ... 56

(4)

Afdeling 2. Bijzondere theorieën over de plichten van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders... 63

1. Het ouderlijke opofferingenmodel ... 64

i. Het schuldmodel ... 65

a. Uiteenzetting van het schuldmodel ... 65

b. Implicaties voor de huidige onderhoudsplicht ... 66

c. Kritieken op het schuldmodel ... 67

d. Conclusie: het schuldmodel en de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht ... 72

ii. Het dankbaarheidsmodel ... 73

a. Uiteenzetting van het dankbaarheidsmodel ... 73

b. Implicaties voor de huidige onderhoudsplicht ... 79

c. Kritieken op het dankbaarheidsmodel ... 80

d. Conclusie: het dankbaarheidsmodel en de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht ... 83

2. Het vriendschapsmodel ... 85

i. Uiteenzetting van het vriendschapsmodel ... 85

ii. Implicaties voor de huidige onderhoudsplicht ... 88

iii. Kritieken op het vriendschapsmodel ... 89

iv. Conclusie: het vriendschapsmodel en de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht ... 91

3. Het bijzondere voordelen model ... 92

i. Uiteenzetting van het bijzondere voordelen model ... 92

ii. Implicaties voor de huidige onderhoudsplicht ... 95

iii. Kritieken op het bijzondere voordelen model ... 96

iv. Conclusie: het bijzondere voordelen model en de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht ... 97

Hoofdstuk III. Tussenconclusie: de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht in filosofisch perspectief ... 98

DEEL IV. De onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders in rechtsvergelijkend perspectief ... 100

Hoofdstuk I. De Zwitserse onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders ... 100

Afdeling 1. De grondslag van de Zwitserse onderhoudsplicht ... 100

Afdeling 2. Historische evolutie van de Zwitserse onderhoudsplicht ... 102

1. De Code civil suisse... 102

2. Voornaamste invloeden op het Zwitserse familierecht ... 106

3. Het keerpunt in de jaren ‘70 ... 108

4. Tussenconclusie : de historische evolutie van de Zwitserse onderhoudsplicht ... 109

Hoofdstuk II. De Nederlandse onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders ... 110

Afdeling 1. De grondslag van de Nederlandse onderhoudsplicht... 110

Afdeling 2. Historische evolutie van de Nederlandse onderhoudsplicht ... 111

1. De Franse periode ... 111

(5)

3. Het Nieuw Burgerlijk Wetboek ... 115

4. Tussenconclusie: de historische evolutie van de Nederlandse onderhoudsplicht ... 121

DEEL V. Conclusie en suggestie voor hervorming... 123

BIBLIOGRAFIE ... 129

1. Wetgeving ... 129

i. Belgische wetgeving ... 129

ii. Buitenlandse wetgeving en internationaal recht ... 129

a. Internationaal recht ... 129 b. Frankrijk ... 129 c. Zwitserland ... 130 d. Nederland ... 131 2. Rechtspraak ... 132 3. Rechtsleer ... 132 4. Media en Statistiek ... 137

(6)

Deel I. Inleiding

Hoofdstuk I. Opzet en doelstellingen

Afdeling 1. Onderwerp en situering

1. Ouders en kinderen delen een unieke band van wederzijdse afhankelijkheid die zich uitstrekt over hun hele leven. Ouders hebben een verantwoordelijkheid voor de kinderen die zij voortbrengen of in hun gezin opnemen, omdat zij zich in een toestand van totale afhankelijkheid bevinden. De kinderen ontwikkelen zich vervolgens onder hun hoede tot onafhankelijke individuen, terwijl hun ouders doorheen de jaren steeds meer aan zelfstandigheid verliezen. Ook grootouders en kleinkinderen spelen vaak een belangrijke rol in elkaars leven. Hoewel deze band gewoonlijk minder sterk is dan tussen ouders en kinderen is dit nog steeds een unieke band waar velen bijzondere waarde aan hechten.

2. Wanneer (groot)ouders behoeftig worden, biedt het Belgisch Burgerlijk Wetboek hen de mogelijkheid om levensonderhoud te verkrijgen van hun (klein)kinderen.1 Sinds de invoering in België van de Franse Code civil van 18042 (hierna: Code civil) maakt deze onderhoudsplicht officieel deel uit van ons geschreven nationaal recht. Door de ontwikkeling van de sociale welvaarstaat is de primaire zorglast voor behoeftige (groot)ouders mettertijd verschoven van de familie naar de staat.3 Vandaag is dit echter niet altijd voldoende om hen uit hun staat van behoeftigheid te tillen waardoor er nog steeds een belangrijke rol is weggelegd voor intrafamiliale zorg. Dit geldt des te meer als het OCMW kosten van maatschappelijke dienstverlening en het leefloon die het aan de behoeftige (groot)ouder heeft betaald verhaalt op de (klein)kinderen.4

3. De vraag wie de primaire verantwoordelijkheid voor de zorg van behoeftige (groot)ouders moet dragen is vandaag heel relevant. Door de impact van de coronacrisis, de stijgende levensverwachting en de vergrijzing komt de draagkracht van de sociale zekerheid meer en meer onder druk te staan. Het

1 Art. 205 BW.

2 Code civil (FR) 21 maart 1804.

3 J. GERLO, Onderhoudsgelden, Deurne, Kluwer, 1994, 5-7, nrs. 4 en 7.

4 Art. 92, §2 organieke wet 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, BS 5 augustus

1976, err. BS 26 november 1976 (hierna: OCMW-wet); art. 26 wet 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, BS 31 juli 2002 (hierna: RMI-wet).

(7)

jaarlijks verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing geeft aan dat tegen 2040 de sociale uitgaven maar liefst 28,7% van het BBP zullen uitmaken terwijl dit in 2018 slechts 25,1% bedroeg.5 Dit komt neer op een jaarlijkse meeruitgave van 15,4 miljard euro.6 Bovendien worden er bedenkingen geplaatst bij de positieve verwachtingen inzake de groei in productiviteit van werknemers waardoor in een meer voorzichtige prognose de kosten van de vergrijzing kunnen oplopen tot bijna 20 miljard euro.7 Er moet trouwens opgemerkt worden dat in deze cijfers de impact van de coronacrisis nog niet is verrekend.

4. Armoede treft niet alleen de oudste generatie. Voor de coronacrisis verwachtte men dat het armoederisico bij gepensioneerden tegen 2050 zou dalen tot ongeveer 6%.8 Niettemin zijn de verschillende regeringen er de laatste decennia niet in geslaagd het algemeen armoederisico terug te dringen9 wat erop wijst dat de risico’s zich verplaatst hebben naar andere lagen van de bevolking. We moeten dus ook rekening houden met niet pensioengerechtigde hulpbehoevende ouders die omwille van tegenslag of ongelijke startkansen beroep moeten doen op de sociale zekerheid of sociale bijstand.

5. Als de staat onvoldoende bijstand verleent, dan is de hulpbehoevende vaak genoodzaakt terug te vallen op familiale solidariteit. Het Burgerlijk Wetboek voorziet hiervoor in verschillende private onderhoudsplichten, zoals de gemeenrechtelijke familiale onderhoudsplicht,10 de bijzondere onderhoudsplicht van ouders11 en de onderhoudsplicht van de ex-echtgenoot.12 Wanneer (groot)ouders

hun (klein)kinderen aanspreken om in hun levensonderhoud te voorzien kan dit heel wat druk zetten op de familiale relaties. Bovendien zijn (klein)kinderen niet altijd spontaan bereid de noden van hun (groot)ouders te lenigen. De onderhoudsgerechtigde (groot)ouders kunnen in dat geval een vordering instellen om de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht af te dwingen voor de rechtbank. Om hun

5 J. D'HOORE, “Vergrijzingscommissie pessimistischer over kosten vergrijzing”, De Tijd 9 juli 2018, www.tijd.be/

politiek- economie/belgie/federaal/vergrijzingscommissie-pessimistischer-over-kosten-vergrijzing/10029608.html.

6 Ibid. 7 Ibid.

8 F. LEFEVRE, “Armoederapport: Ondanks Belgische beloftes riskeren meer en meer mensen in armoede te

belanden”, VRTNWS 8 oktober 2018, www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/10/08/ondanks-belgische-beloften-riskeren-meer-en-meer-mensen-in-armoe/; Statbel, “Armoederisico gebaseerd op de EU SILC enquête sinds 2004, volgens jaar, karakteristieken (geslacht, leeftijdsklasse, opleidingsniveau, activiteit, …) en gewest”, https://bestat.statbel.fgov.be/ bestat/crosstable.xhtml?view=32963d35-c749-440b-bfb5-953c56b52a4f (consultatie 4 april 2019).

9 Ibid.

10 Art. 205 BW. 11 Art. 203, §1 BW. 12

(8)

behoeftigheid te dekken kunnen zij ook het OCMW aanspreken. Het OCMW heeft een eigen verhaalsrecht op de onderhoudsplichtigen van degene aan wie zij bijstand hebben verleend.13 De beide mogelijkheden zijn dus gebaseerd op de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht van artikel 205 BW.

6. De grondslag van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht is al meer dan tweehonderd jaar dezelfde, namelijk het stabiele criterium van de juridisch vastgestelde afstammingsband. In een recent cassatiearrest verduidelijkte het Hof dat de grondslag van deze plicht de familiale solidariteit is.14 Voor

het vervolg van deze masterproef zal ik dan ook beide termen gebruiken om hiernaar te verwijzen. De onbuigzame aard van deze grondslag en de rigide toepassing ervan kunnen echter tot wrevel leiden binnen de familie. De wettelijke realiteit correspondeert immers niet noodzakelijk met de sociale. Ook (klein)kinderen die hun (groot)ouders nooit gekend hebben of waarvan de relatie met hun (groot)ouders sterk verzuurd is, zijn ten aanzien van hun juridische ascendenten verplicht bijstand te verlenen. Pas in 1965 introduceerde de Belgische wetgever hierop een uitzondering. De jeugdbeschermingswet bepaalt dat gehele of gedeeltelijke ontzetting uit het ouderlijk gezag de onderhoudsplicht van een kind ten aanzien van de uit het ouderlijk gezag ontzette ouder doet vervallen.15 In dit geval primeert de sociale

realiteit op de juridisch vastgestelde afstammingsband.

7. De context waarbinnen de Franse wetgever opteerde voor de juridisch vastgestelde afstammingsband als grondslag van de onderhoudsplicht tussen (klein)kinderen en hun (groot)ouders is inmiddels sterk gewijzigd. De rollen binnen en de samenstelling van een Franse familie in 1804 zijn niet dezelfde als deze van een Belgische familie vandaag. Bovendien vertrouwen we sinds de ontwikkeling van de sociale welvaartsstaat in de eerste plaats op de overheid om ons te ondersteunen wanneer we behoeftig zijn. Omwille van de toenemende druk op de sociale zekerheid en de gewijzigde opvattingen over de familie dringt de vraag zich op of de grondslag van artikel 205 BW vandaag nog altijd even geschikt is als in 1804.

13 Art. 92, §2 OCMW-wet; art. 26 RMI-wet.

14 Cass. 20 september 2013, AR C.12.0479.F, Arr.Cass. 2013, 1892-1895.

15 Art. 33, derde lid, 4° wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die

een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, BS 15 april 1965, err. BS 19 mei 1965 (hierna: Jeugdbeschermingswet).

(9)

Afdeling 2. Doelstelling en structuur

8. Deze masterproef heeft tot doel de grondslag van de onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders te evalueren om na te gaan of een aanpassing van deze grondslag zich opdringt. In het vervolg van deel I. hoofdstuk I. zal ik de relevantie van dit onderzoek bespreken. In hoofdstuk II stel ik mijn onderzoeksvraag voor en zet ik de verschillende onderdelen en beperkingen hiervan uiteen. Ten slotte bespreek ik in hoofdstuk III de toegepaste onderzoeksmethoden en hoe die zullen bijdragen tot het beantwoorden van de deelonderzoeksvragen.

9. Deel II omvat de bespreking van de Belgische gemeenrechtelijke onderhoudsplicht. Ik zal eerst de grondslag en de modaliteiten van deze plicht behandelen. Daarna ga ik over tot een analyse van de evolutie van de grondslag van de onderhoudsplicht in het Franse recht tot en met de introductie van de

Code civil en vanaf dan zijn evolutie in het Belgische recht. Door het bestuderen van de historische

evolutie zal het duidelijker worden welke motivatie de Franse wetgever had voor de keuze van de huidige grondslag.

10. Deel III valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel gaat dieper in op de vraag naar de toelaatbaarheid van staatsinmenging in het familieleven. Hieruit kan afgeleid worden welke rol familiale privacy hoort te spelen in het debat over een door de overheid opgelegde onderhoudsplicht van (klein)kinderen. Het tweede onderdeel behandelt de filosofische grondslagen van plichten van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders. Dit deel zal ons in staat stellen om te bepalen of en zo ja, in welke richting, de huidige grondslag gewijzigd moet worden.

11. In deel IV bespreek ik vervolgens vergelijkbare onderhoudsplichten en hun totstandkoming in twee vreemde rechtsstelsels. Deze kunnen een inspiratie zijn voor de hervorming van de Belgische gemeenrechtelijke onderhoudsplicht. Ten slotte formuleer ik in deel V mijn conclusie en doe ik een concreet voorstel tot hervorming op basis van de bevindingen van de vorige delen.

Afdeling 3. Relevantie

12. Dit onderzoek tracht een lacune op te vullen in het wetenschappelijke onderzoek over het Belgische onderhoudsrecht. Het onderzoek naar de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht is immers

(10)

schaars. Dit geldt des te meer als we de focus vernauwen tot de grondslag van de onderhoudsplicht in hoofde van kinderen en kleinkinderen ten aanzien van hun ascendenten. Bovendien ligt de focus in het bestaande onderzoek eerder op de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de onderhoudsplicht zonder dat er (uitvoerig) wordt ingegaan op de grondslag.16 Deze masterproef beoogt aldus een bijdrage te leveren aan onze kennis van het Belgische onderhoudsrecht.

13. De maatschappelijk relevantie werd reeds uitvoerig besproken in afdeling 1. De ontwikkeling van de verzorgingsstaat heeft de primaire zorglast verschoven van de familie naar de staat. De kosten van de coronacrisis, de vergrijzing en de stijgende levensverwachting en het falen om het algemeen armoederisico terug te dringen verhogen de druk op de sociale zekerheid. Als de overheid minder in staat is om aan de financiële noden van mensen tegemoet te komen, dan zal men moeten terugvallen op andere middelen. Familiale solidariteit vervult deze subsidiaire rol. Wat betreft de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders is de grondslag van deze plicht sinds 1804 ongewijzigd gebleven. De samenleving en haar concepties over de familie zijn sindsdien sterk veranderd. De gewijzigde context en de druk op het sociaal vangnet nopen ons de essentie van deze onderhoudsplicht, de grondslag, opnieuw te evalueren.

Hoofdstuk II. Onderzoeksvragen en afbakening

14. De centrale onderzoeksvraag van deze masterproef is de volgende: “Dringt een aanpassing van de grondslag van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht bekeken vanuit het perspectief van de (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders zich op?” Dit is een normerende vraag omdat ik zal nagaan wat een adequate nieuwe grondslag zou kunnen zijn als het onderzoek zou uitwijzen dat een aanpassing zich opdringt. Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden ontleed ik ze eerst in drie deelonderzoeksvragen.

15. De eerste deelvraag peilt naar de reden waarom de Franse wetgever in 1804 de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht heeft opgenomen in de Code civil. Het blootleggen van de ontstaansreden zal ons immers meer inzicht geven in de context waarin artikel 205 Code civil werd aangenomen. Dat is noodzakelijk om te achterhalen of de ratio van 1804 nog steeds relevant kan zijn vandaag. Door terug

(11)

te keren naar de oorsprong van deze regel kan ik een nauwkeurigere vergelijking maken tussen verwachtingspatronen inzake familiale solidariteit toen en nu. Deze verklarende deelonderzoeksvraag is: “Wat is de verklaring voor de keuze van de juridisch vastgestelde afstammingsband als grondslag van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht?”

16. De tweede deelonderzoeksvraag beoogt de grondslag van artikel 205 BW te evalueren in het licht van verschillende, hedendaagse filosofische theorieën over plichten van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders. Aan de hand van deze evaluerende vraag kan ik een oordeel vellen over de mate waarin de huidige grondslag verenigbaar is met hedendaagse overtuigingen. De tweede deelonderzoeksvraag luidt als volgt: “Is de juridisch vastgestelde afstammingsband als grondslag van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht nog geschikt voor België in 2020?”

17. De derde en laatste deelonderzoeksvraag heeft tot doel een breder perspectief te bieden voor het beoordelen van de onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders. Deze tweeledige, descriptieve en normerende vraag richt zich op het bestuderen van een vergelijkbare regel in twee andere rechtsstelsels om zo te komen tot een alternatief voor de Belgische regel als zou blijken dat die onvoldoende aangepast is aan de overtuigingen van onze moderne samenleving. De laatste deelonderzoeksvraag is: “Welke alternatieve grondslag(en) voor deze onderhoudsplicht gebruiken andere rechtsstelsels en zijn deze meer geschikt voor de Belgische rechtsorde dan de juridisch vastgestelde afstammingsband?”

18. Deze masterproef zal zich beperken tot de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders. De grondslag van de onderhoudsplicht van ouders ten aanzien van hun kinderen staat vandaag veel minder ter discussie wat de focus op de plicht in hoofde van descendenten verantwoordt. Bovendien zou een onderzoek naar de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht in beide richtingen inhouden dat de bijzondere onderhoudsplichten van ouders ook betrokken moeten worden bij de analyse. Een dergelijke verruiming van het onderzoeksobject zou de haalbaarheid van het onderzoek in het gedrang brengen. Daarnaast kan ik door de nauwe focus de onderhoudsplicht in kwestie grondiger bestuderen.

19. Daarnaast beperkt dit onderzoek zich tot een evaluatie van de “absolute” invulling van de juridisch vastgestelde afstammingsband als grondslag van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht.

(12)

Hiermee beperk ik mij tot de vraag naar wanneer de wettelijke realiteit haar status als primaire grondslag verliest ten voordele van de socio-affectieve realiteit, anders gesteld, welke omstandigheden de matiging of opheffing van de onderhoudsplicht van (klein)kinderen verantwoorden. Daarom valt de uitbreiding van de onderhoudsplicht naar bijvoorbeeld zijverwanten of de context van nieuw samengestelde gezinnen buiten het raam van dit onderzoek. De in deze masterproef verworven inzichten over de grondslag van art. 205 BW kunnen wel bijdragen aan verder onderzoek over de wenselijkheid van een dergelijke uitbreiding.

Hoofdstuk III. Methodiek

Afdeling 1. Rechtshistorisch onderzoek

20. Om een antwoord te vinden op de eerste deelonderzoeksvraag zal ik een literatuurstudie uitvoeren van primaire en secundaire rechtshistorische bronnen over de totstandkoming van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht. De voorbereidende werken van de Code civil en die van de burgerlijke wetboeken uit de andere rechtsstelsels zullen meer inzicht geven in de motieven die ten grondslag liggen aan de opname van deze plicht in hun codificaties. Voor de Belgische gemeenrechtelijke onderhoudsplicht zijn bijvoorbeeld Législation civile, commerciale et criminelle17 en

Esprit du Code Napoléon18 van Jean Guillaume Locré de Roissy uiterst belangrijk om de ratio te

achterhalen. Daarnaast bespreek ik de revolutionaire codificatiepogingen en wetgevende initiatieven die de opname van deze onderhoudsplicht in de Code civil zijn voorafgegaan. Ik zal ook kort ingaan op een paar belangrijke ontwikkelingen van het huwelijksrecht in Frankrijk net voor de Franse revolutie om zo de positie van de revolutionairen beter te begrijpen. Dat is noodzakelijk om een volledig beeld te bekomen van de sociale en juridische context waarbinnen de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht gecodificeerd werd.

17 J.G. LOCRÉ DE ROISSY, Législation civile, commerciale et criminelle, ou commentaire et complément des

codes français, XVI dln., Brussel, Tarlier, 1836.

18 J.G. LOCRÉ DE ROISSY, Esprit Du Code Napoléon, Tiré de la discussion, ou conférence historique, analytique et

raisonnée du projet de code civil, des observations des tribunaux, des procès-verbaux du conseil d'état, des observations du tribunat, des exposés de motifs, des rapports et discours, &c., V dln., Parijs, Imprimerie impériale,

(13)

21. Ik zal ook de grondslag van een vergelijkbare onderhoudsplicht in de andere rechtsstelsels historisch omkaderen vanaf de codificatie van hun recht. Dit stelt ons in staat vast te stellen in hoeverre verschillen in hun historische context geleid hebben tot een andere of eenzelfde visie op de onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders. Een analyse van de evolutie van deze onderhoudsplicht zal ons bovendien meer inzicht geven in de drijfveren achter eventuele latere aanpassingen van hun grondslag.

Afdeling 2. Rechtsfilosofisch onderzoek

22. Voor de tweede deelonderzoeksvraag analyseer ik verschillende rechtsfilosofische bronnen over familiale solidariteit. In deze literatuurstudie zal ik focussen op een groot aanbod aan Engelstalige bronnen over de plichten van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders. Het vergelijken van de filosofische theorieën, het analyseren van hun kritieken en uiteindelijk de toepassing ervan op de Belgische onderhoudsplicht zullen ons in staat stellen een oordeel te vellen over de mate waarin de juridisch vastgestelde afstammingsband als grondslag geschikt is voor de Belgische rechtsorde en de wenselijkheid van alternatieve grondslagen.

23. De bestudering van rechtssociologische bronnen zou ook een antwoord kunnen bieden op de tweede deelonderzoeksvraag. Tot op vandaag is er echter geen onderzoek gevoerd naar de mate waarin de juridisch vastgestelde afstammingsband als een wenselijke grondslag wordt beschouwd voor de onderhoudsplicht tussen (klein)kinderen en hun (groot)ouders in België. Resultaten van een dergelijk onderzoek in andere landen kunnen ook niet zomaar overgezet worden naar de Belgische context. Bovendien ligt het niet binnen mijn capaciteiten om zelf een sociologische studie uit te voeren, noch zou dat wenselijk zijn. Omwille van het beperkte tijdsbestek van een masterpoef is het immers niet mogelijk een dergelijke studie uit te voeren zonder dat dit ten koste zou gaan van de andere delen van deze masterproef.

Afdeling 3. Rechtsvergelijkend onderzoek

24. De laatste deelonderzoeksvraag peilt naar eventuele alternatieve grondslagen en hun geschiktheid voor de Belgische rechtsorde. Het beantwoorden van deze vraag vereist een rechtsvergelijkend onderzoek. Ik zal de Belgische onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van

(14)

hun (groot)ouders vergelijken met een vergelijkbare regel van twee andere landen. Om een volledig beeld te krijgen zal ik voor de beide landen ook een rechtshistorische analyse maken van de totstandkoming en ontwikkeling van deze plicht.

25. De keuze van de te vergelijken rechtsstelsels moet voor dit onderzoek gebaseerd zijn op de sociale context. In hoeverre de staat de zorg voor hulpbehoevende burgers op zich neemt, heeft immers een sterke invloed op de mate waarin private verplichtingen van (klein)kinderen een rol spelen in de zorg voor hun (groot)ouders. De vergelijkbaarheid zal dus sterk afhangen van de kenmerken van het sociale zekerheidstelsel van ieder land. Om de vergelijkbaarheid van sociale zekerheidsstelsels te bepalen doe ik beroep op de populaire typologie van Esping-Andersen uit “The Three Worlds of Welfare

Capitalism”.19 Ondanks verschillende kritieken20 wordt deze typologie om verschillende soorten

welvaarstaten te classificeren in economische en sociologische literatuur nog steeds als toonaangevend beschouwd.21 Deze auteur onderscheidt in drie types welvaartstaten:

Liberaal Conservatief Sociaaldemocratisch

Australië Finland België

Canada Frankrijk Oostenrijk

Ierland Duitsland Nederland

Nieuw-Zeeland Japan Denemarken

Verenigd Koninkrijk Italië Noorwegen

Verenigde Staten Zwitserland Zweden

26. In deze typologie valt België onder de categorie van de sociaaldemocratische welvaartsstaat. In deze masterproef zal ik mij bovendien moeten beperken tot rechtsstelsels waarvan de officiële landstaal Nederlands, Frans of Engels is. Nederland is dus op basis van deze indeling de enige kandidaat om een vergelijkende studie over uit te voeren. De overige sociaaldemocratische landen worden niet in dit onderzoek betrokken.

19 G. ESPING-ANDERSEN, The Three Worlds of Welfare Capitalism, Cambridge, Polity press, 1990, 248 p.

20 Zie W. ARTS en J. GELISSEN, "Three worlds of welfare capitalism or more? A state-of-the-art report", Journal of

European social policy 2002, 137-158; C. BAMBRA, "Going beyond The three worlds of welfare capitalism: regime

theory and public health research", Journal of Epidemiology & Community Health 2007, 1098-1102.

21 M. JONKER, Het recht van kinderen op levensonderhoud: een gedeelde zorg. Een rechtsvergelijking tussen

(15)

27. Maurizio Ferrera heeft nog een andere nuttige typologie van welvaartsstaten uitgewerkt. Op basis van de uitgebreidheid van de dekking van het sociale zekerheidsstelsel, de vervangingsratio en de armoedegraad deelt deze auteur staten in als volgt:22

Angelsaksisch Bismarckiaans Scandinavisch Zuiders

Ierland Oostenrijk Denemarken Griekenland

Verenigd Koninkrijk België Finland Italië

Frankrijk Noorwegen Portugal

Duitsland Zweden Zwitserland

Luxemburg Nederland Zwitserland

Rekening houdende met dezelfde beperkingen zijn Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zwitserland de meest geschikte kandidaten om te betrekken in een rechtsvergelijkende studie. Frankrijk en Luxemburg zijn echter te nauw verbonden met de Belgische context om een interessant vergelijkingspunt te zijn. Daarom heb ik ervoor gekozen om de Belgische gemeenrechtelijke onderhoudsplicht te vergelijken met een vergelijkbare rechtsregel in Nederland en Zwitserland.

(16)

17-Deel II. De Belgische gemeenrechtelijke onderhoudsplicht

Hoofdstuk I. De grondslag van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht

28. Art. 205 BW is de rechtsgrond op basis waarvan behoeftige (groot)ouders hun (klein)kinderen kunnen aanspreken om in hun levensonderhoud te voorzien. De notie “levensonderhoud” wordt voor dit artikel niet verder gespecifieerd door de wetgever. Lang werd aangenomen dat dit verwijst naar het levensnoodzakelijke, zijnde voedsel, kledij, huisvesting en verwarming en daarbovenop medische kosten, een redelijke mate aan ontspanningsmogelijkheden, etc.23 Dit is beperkter dan wat kinderen van hun ouders kunnen eisen op grond van de bijzondere onderhoudsplicht van ouders, namelijk eenzelfde levensstandaard.24

29. Het Hof van Cassatie heeft echter in een recent arrest de deur opengezet voor het in acht nemen van de levensstandaard voor het bepalen van de onderhoudsbijdrage verschuldigd onder art. 205 BW.25 De zaak betrof een moeder van vier kinderen die een onderhoudsbijdrage eiste van de vader van haar ex-echtgenoot, omdat die laatste gestopt was de in hun EOT-overeenkomst bepaalde onderhoudsbijdrage van 1.250 euro per kind te betalen. Het hof van beroep meende dat een maandelijks bedrag van 1.000 euro per kind voldoende was om de kinderen uit hun staat van behoeftigheid te tillen. De grootvader tekende cassatieberoep aan op basis van het feit dat dit bedrag het levensnoodzakelijke ruimschoots overschrijdt. Het Hof verwierp deze redenering en stelde dat:

“L’état de besoin du créancier d’aliments au sens des articles 205, 206 et 208 du Code civil, qui

englobe l’ensemble des besoins élémentaires de la vie tels que notamment nourriture, logement, chauffage, vêtements, frais médicaux, s’apprécie de façon relative et concrète, en tenant compte des conditions normales de vie dont le créancier bénéficiait eu égard notamment à son éducation, sa situation sociale et son âge.”26

23 J. GERLO, Onderhoudsgelden, Deurne, Kluwer, 1994, 28, nr. 29ter; G. VERSCHELDEN, Handboek Belgisch

Personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2016, 207, nr. 471.

24 Art. 203, §1-2 BW.

25 Cass. 25 maart 2019, AR C.17.0469.F. 26 Ibid.

(17)

Hieruit blijkt dat de rechter de levensstandaard wel degelijk in acht moet nemen bij het bepalen van de grootte van de onderhoudsbijdrage wat betreft de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht.

30. De primaire grondslag van de onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders is de juridisch vastgestelde afstammingsband, ofwel de familiale solidariteit.27 Het bestaan van die afstammingsband is een noodzakelijke en in principe ook voldoende voorwaarde om een recht op onderhoud te doen ontstaan in hoofde van de behoeftige ascendent. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen wordt de onderhoudsgerechtigde onwaardig geacht om een onderhoudsbijdrage te ontvangen van de onderhoudsplichtige. Het in rekening brengen van onwaardigheid heeft tot gevolg dat de primaire grondslag afgezwakt wordt. Dit houdt immers in dat de socio-affectieve realiteit meegenomen wordt in de beoordeling van het al dan niet verschuldigd zijn van de onderhoudsbijdrage en in het uiterste geval familiale solidariteit geheel kan overrulen.

31. De rechter kan de socio-affectieve realiteit enkel in rekening brengen voor de onderhoudsplicht van kinderen ten aanzien van hun ouders. Het onderhoudsplichtige kind kan immers enkel vrijgesteld worden van zijn of haar plicht als de rechter op vordering van het openbaar ministerie de ouder geheel of gedeeltelijk uit het ouderlijk gezag ontzet.28 Door de koppeling van de opheffing van de onderhoudsplicht aan de ontzetting uit het ouderlijk gezag, kan deze bepaling niet toegepast worden in de relatie tussen kleinkinderen en hun grootouders. Ontzetting uit het ouderlijk gezag is trouwens slechts mogelijk in een limitatief aantal, zeer ernstige gevallen.29 Hierdoor kan de rechter de onderhoudsplicht niet opheffen voor minder ernstige verstoringen van de onderlinge relatie. Ten slotte laat de Belgische regeling geen ruimte om de onderhoudsplicht te matigen. De rechter kan een onwaardige ouder enkel volledig uitsluiten van het recht om levensonderhoud te vorderen.30

Hoofdstuk II. Historische evolutie van de gemeenrechtelijke onderhoudsplicht

32. De Belgische gemeenrechtelijke onderhoudsplicht is ongewijzigd gebleven sinds haar introductie in ons rechtstelsel in 1804. Daarom is het interessant om terug te grijpen naar de voorbereidende werken van de Code civil om een verklaring te vinden waarom de Franse wetgever heeft

27 Supra 3, nr. 6.

28 Art. 32-33 Jeugdbeschermingswet. 29 Art. 32 Jeugdbeschermingswet.

(18)

gekozen voor de juridisch vastgestelde afstammingsband als grondslag van deze bepaling. Voorafgaand aan deze Napoleontische codificatie was er een belangrijk revolutionair codificatieproces aan de gang waarin onder andere Jean-Jacques-Régis de Cambacérès een voortrekkersrol speelde. Ik zal daarom ook de verschillende codificatiepogingen en andere wetgevende initiatieven ten tijde van de revolutie die betrekking hebben op de onderhoudsplicht, behandelen. Aangezien de Franse revolutie een reactie is op de wantoestanden van het ancièn régime zal ik eveneens kort aandacht besteden aan de sociale en juridische ontwikkelingen binnen het prerevolutionaire huwelijksrecht. Ten slotte zal ik de evolutie van de onderhoudsplicht in België bespreken.

33. Voor de bespreking van de historische evolutie zal ik focussen op de juridische relatie tussen ouders en kinderen, wat verbonden wordt aan het huwelijk en de verplichtingen die hieruit voortvloeien. Ik zal daarom de evolutie van de onderhoudsplicht behandelen binnen het ruimer kader van de ontwikkeling van het huwelijksrecht toegespitst op de ouder-kindrelatie. Aangezien er weinig geweten is over het onderhoudsrecht in Frankrijk vóór de revolutie, zal ik voor deze periode voornamelijk kijken naar het ouderlijk gezag in Frankrijk om een beter beeld te krijgen van de juridische verhoudingen tussen ouders en hun kinderen. Daarnaast zal ik de evolutie van het huwelijk als instituut voor de revolutie aanwenden om de hervorming van het huwelijksrecht en de invloed op de familiebanden in de revolutionaire periode beter te kaderen.

Afdeling 1. De koning van de familie

34. Voor het Concilie van Trente (1545-1563) werd het huwelijksrecht in Frankrijk beheerst door zowel het canoniek recht als lokale regelgeving. In Zuid-Frankrijk (pays de droit écrit) was het recht hoofdzakelijk gebaseerd op een gevulgariseerde versie van het Romeins recht. Voor de relatie tussen ouders en kinderen betekende dit dat de vader levenslang, absoluut vaderlijk gezag uitoefende over zijn kinderen.31 In het noordelijke deel van het land (pays de droit coutumier) bestond het recht uit verschillende varianten van lokaal gewoonterecht. Hier was het recht van het ouderlijk gezag meestal

31 P. SAGNAC, La législation civile de la Révolution Française (1789-1804), Glashütten im Taunus, Verlag Detlev

(19)

veel humaner dan in het zuiden van het land.32 De vader en de moeder oefenden het ouderlijk gezag gezamenlijk uit tot het kind meerderjarig werd of trouwde.33

35. De juridische relatie tussen ouders en kinderen veranderde sterk met de secularisering van het huwelijk. De Franse koning nam hiertoe de eerste stappen terwijl het Concilie van Trente nog aan de gang was.34 Paus Paulus III had dit concilie samengeroepen om een gezamenlijk standpunt in te nemen ten opzichte van de reformatie en om bepaalde theologische twistpunten binnen de katholieke leer te beëindigen.35 Terwijl de Rooms-Katholieke Kerk haar doctrine over het huwelijk vastlegde, vaardigde de Franse koning wetgeving uit over de geldigheidsvereisten van het huwelijk.36 Daarnaast namen statelijke rechtbanken steeds meer de bevoegdheid over van religieuze tribunalen om te oordelen over huwelijksgeschillen.37 Terzelfder tijd ontwikkelden zich in de rechtsleer⸺onder andere in de traktaten

van Pothier38⸺nieuwe theorieën die het contractenrecht toepasten op huwelijksrelaties, wat de autoriteit van de vorst in deze materie bevestigde.39 Hiervoor werd het huwelijk immers louter als een sacrament en dus als een kerkelijke aangelegenheid beschouwd.40 Zo kreeg het huwelijk in de rechtswetenschap een dubbele betekenis. Het was voortaan zowel een contract als een sacrament.41

36. De introductie van koninklijke wetgeving over het huwelijk en later over het ouderlijk gezag had een zware impact op de relatie tussen ouders en kinderen. Zowel het gewoonterecht als het overgebleven Romeins recht moesten plaatsmaken voor koninklijke wetgeving die een zeer strenge regeling van ouderlijk gezag invoerde. Deze regeling was geïnspireerd op het autoritaire gezag van de Romeinse

pater familias.42 Het familiehoofd moest voortaan dezelfde autoriteit hebben als een koning over zijn

32 J.F. TRAER, Marriage and the Family in Eighteenth-Century France, Ithaca, Cornell University Press, 1980, 41. 33 P. SAGNAC, La législation civile de la Révolution Française (1789-1804), Glashütten im Taunus, Verlag Detlev

Auvermann KG, 1971, 302.

34 J.F. TRAER, Marriage and the Family in Eighteenth-Century France, Ithaca, Cornell University Press, 1980, 46. 35 R.L. BIRELEY, “Redefining Catholicism: Trent and beyond” in R. PO-CHIA HSIA (ed.), The Cambridge history

of Christianity. Christianity reform and expansion 1500-1600, Cambridge, Cambridge University Press, 2007, (145)

147.

36 J.F. TRAER, Marriage and the Family in Eighteenth-Century France, Ithaca, Cornell University Press, 1980, 31. 37 Ibid., 32.

38 Zie R.-J. POTHIER en A.M. DUPIN, Oeuvres de R.-J. Pothier, Brussel, Imprimerie de Ode et Wodon, 1830,

320-321.

39 J.F. TRAER, Marriage and the Family in Eighteenth-Century France, Ithaca, Cornell University Press, 1980, 46. 40 Ibid., 30.

41 Ibid., 24; P. SAGNAC, La législation civile de la Révolution Française (1789-1804), Glashütten im Taunus, Verlag

Detlev Auvermann KG, 1971, 277.

(20)

onderdanen.43 Een klassiek voorbeeld hiervan is de regeling op basis waarvan de vader met een koninklijke bevel, de lettre de cachet, zijn minderjarig kind kon laten opsluiten.44 Ouders maakten gebruik van dit instrument als het kind bijvoorbeeld weigerde te trouwen met een door de familie gekozen partner, weigerde een bepaalde carrière na te streven of om hun kind te disciplineren.45 Dit uiterst strenge regime riep veel afkeer op bij de latere revolutionaire wetgevers.46 De afkeer voor het autoritaire en hiërarchische familiemodel was ook zichtbaar in de Franse culturele productie doorheen de achttiende eeuw. Auteurs en toneelschrijvers romantiseerden het huwelijk en het familieleven en de tirannieke pater familias maakte plaats voor het ideaal van affectieve ouders en plichtsbewuste kinderen.47

Afdeling 2. De revolutionaire aanzet

1. De revolutionaire codificatieprojecten

37. De grondwet van de eerste Franse Republiek (1791) maakte een einde aan de duale notie van het huwelijk als sacrament en contract: “La loi ne considère le mariage que comme contrat civil.”48 Voortaan zouden de principes van vrijheid en gelijkheid als basis dienen voor de ontwikkeling van het huwelijksrecht. Zo faciliteerde een contractuele visie op het huwelijk en het revolutionaire principe van individuele vrijheid de invoering van echtscheiding in het Franse recht.49 Bovendien inspireerde het gelijkheidsprincipe de wetgever tot de verbetering van de situatie van kinderen geboren buiten het huwelijk en de verwerping van de tirannieke regeling van het ouderlijk gezag.50 In tegenstelling tot de koninklijke wetgeving van voor de revolutie die erop gericht was het hiërarchisch familiemodel te

43 J.F. TRAER, Marriage and the Family in Eighteenth-Century France, Ithaca, Cornell University Press, 1980, 32. 44 Ibid., 140.

45 Ibid.

46 P. SAGNAC, La législation civile de la Révolution Française (1789-1804), Glashütten im Taunus, Verlag Detlev

Auvermann KG, 1971, 303-305; B. SCHNAPPER, “La correction paternelle et le mouvement des idées au dix-neuvième siècle (1789-1935)”, Revue Historique 1980, (319) 321.

47 E.G. BARBER, The Bourgeoisie in 18th-Century France, Princeton, Princeton University Press, 1955, 80. 48 Art. 7 Constitution 1791 (FR),

https://www.conseil-constitutionnel.fr/les-constitutions-dans-l-histoire/constitution-de-1791.

49 J.-L. HALPERIN, L’impossible code civil, Parijs, Presses universitaires de France, 1992, 104; J.F. TRAER,

Marriage and the Family in Eighteenth-Century France, Ithaca, Cornell University Press, 1980, 135.

50 J.C. BONNET, “De la famille à la patrie” in J. DELUMEAU en D. ROCHE (eds.), Histoire des pères et de la

paternité, Parijs, Larousse-HER, 2000, (245) 265-266; J.-L. HALPERIN, L’impossible code civil, Parijs, Presses

(21)

versterken, leidden deze ontwikkelingen tot een verregaande juridische afzwakking van de familiebanden.51

38. Zoals gezegd had de koninklijke wetgeving over het ouderlijk gezag diepe sporen nagelaten bij de revolutionaire wetgevers.52 Tijdens de revolutie probeerden zij dan ook de regels over het ouderlijk gezag sterk te versoepelen. In zijn eerste ontwerp van een burgerlijk wetboek ontleedde Cambacérès het ouderlijk gezag in rechten en plichten. De rechten van ouders zijn beperkt tot toezicht en bescherming en zij hebben de verplichting hun kinderen te onderhouden en op te voeden.53 Ouders moeten bovendien hun kinderen van een opleiding voorzien die hen in staat stelt op eigen benen te staan, op straffe van levenslang voor het onderhoud van hun kinderen te moeten instaan.54 De onderhoudsplicht van ouders ten aanzien van hun minderjarige kinderen is in dit ontwerp dus nog niet dezelfde als het huidige art. 203 BW. De onderhoudsplicht van kinderen ten aanzien van hun ouders en verdere ascendenten sluit daarentegen wel sterk aan bij wat we vandaag kennen onder art. 205 BW. Het eerste ontwerp van Cambacérès omschrijft deze plicht als volgt: “Les enfans doivent, en proportion de leurs facultés,

assister leurs pères et mères et ascendans directs dans leurs besoins, et leur fournir les alimens qu’ils sont hors d’état de se procurer.”55

Deze omschrijving verschilt slechts in woordkeuze van de onderhoudsplicht vandaag. Ook de grondslag is dus gelijklopend met het huidige artikel 205 BW, de juridisch vastgestelde afstammingsband bepaalt wie onderhoudsplichtig is.

39. In zijn tweede en derde ontwerp van een burgerlijk wetboek behoudt Cambacérè in essentie dezelfde onderhoudsplicht van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders.56 De codificatiepoging van Jacqueminot voorzag trouwens in dezelfde wederkerige onderhoudsplicht tussen

51 T. LENTZ, Napoléon et le droit, Parijs, CNRS éditions, 2017, 205. 52 Supra 14-15, nr. 36.

53 Titel V, art. 1 Projet de code civil 1793 (FR) zoals weergegeven in P.A. FENET, Recueil complet des traveaux

préparatoires du code civil, I, Parijs, Au Dépôt, 1827, 24-25; P.A. FENET, Recueil complet des traveaux préparatoires du code civil, I, Parijs, Au Dépôt, 1827, 5.

54 Titel V, art. 2 Projet de code civil 1793 (FR) zoals weergegeven in P.A. FENET, Recueil complet des traveaux

préparatoires du code civil, I, Parijs, Au Dépôt, 1827, 25.

55 Titel V, art. 6 Projet de code civil 1793 (FR) zoals weergegeven in P.A. FENET, Recueil complet des traveaux

préparatoires du code civil, I, Parijs, Au Dépôt, 1827, 25.

56 Art. 156, vierde lid Projet de code civil 1793-1794 (FR) zoals weergegeven in J.-J.-R. DE CAMBACERES,

Rapport sur le code civil fait au nom du comité de législation, dans la séance du 23 fructidor, an IIe, de la République française une & indivisible, Parijs, Imprimerie Nationale, 1794, 85-86; art. 156, vierde lid Projet de code civil 1796

(FR) zoals weergegeven in J.-J.-R. DE CAMBACERES, Corps législatif projet de code civil présenté au conseil des

(22)

73-(groot)ouders en hun (klein)kinderen.57 De verschillende ontwerpen hebben het echter niet gehaald. Cambacérès eerste poging strandde omdat de Nationale Conventie vond dat het ontwerp te lang, te ingewikkeld en te juridisch was.58 Ook zijn tweede en derde poging werden nooit aangenomen en Jacqueminot heeft zijn ontwerp uiteindelijk niet op tijd kunnen afwerken.59 Portalis reflectie over de totstandkoming van de Code civil van 1804 in de préambule van de finale versie vat bondig samen waarom de revolutionairen er niet in zijn geslaagd hun principes vast te leggen in een burgerlijk wetboek: “[…] un bon code civil pouvait-il naître au milieu des crises politiques qui agitaient la France?”60

2. De filosofisch-culturele achtergrond van het revolutionaire familierecht

40. De ambitie van de revolutionairen om af te stappen van het hiërarchische familiemodel en de familiebanden te verzwakken blijkt duidelijk uit de revolutionaire codificatiepogingen. De vraag rijst dan waarop die nieuwe opvattingen over het huwelijk en de familie gebaseerd waren. Cambacérès gaf aan dat het burgerlijk wetboek van de republiek gebouwd moest worden op “la terre ferme des lois de

la nature, et sur le sol vierge de la république”.61 Hij stelde bovendien expliciet dat het huwelijk een

praktijk is die voortkomt uit het natuurrecht.62 Of het natuurrecht werkelijk als basis diende voor het familierecht in zijn ontwerpen van een burgerlijk wetboek is nog maar de vraag. Halpérin reduceert de vele verwijzingen naar de natuur in Cambacérès’ eerste ontwerp tot een techniek om de Nationale Conventie voor zich te winnen door de link tussen zijn ontwerp en het oude recht te maskeren.63

41. Mulliez daarentegen beschouwt de verwijzingen als oprecht en wijst op het conflict dat het natuurrecht oproept tussen de revolutionaire idealen en de opvattingen over het huwelijk en de familie ten tijde van het ancien régime.64 Deze auteur stelt dat de revolutionairen de familie en het huwelijk

beschouwden als uitingen van het natuurrecht en dat men er niet op uit was deze af te schaffen. Integendeel, de revolutionairen moesten deze instituten hervormen zodat ze niet meer ten dienste zouden

57 Art. 43 Projet de code civil 1799 (FR) zoals weergegeven in P.A. FENET, Recueil complet des travaux

préparatoires du code civil, I, Parijs, Au Dépôt, 1827, 339.

58 J.-L. HALPERIN, Le code civil: 1804-1904: livre du centenaire, I, Parijs, Librairie Edouard Duchemin, 1969, 9. 59 J.-L. HALPERIN, L’impossible code civil, Parijs, Presses universitaires de France, 1992, 258.

60 P.A. FENET, Recueil complet des travaux préparatoires du code civil, I, Parijs, Au Dépôt, 1827, 464. 61 Ibid., 2.

62 Ibid., 4.

63 J.-L. HALPERIN, L’impossible code civil, Parijs, Presses universitaires de France, 1992, 122.

64 J. MULLIEZ, “La volonté d’un homme” in J. DELUMEAU en D. ROCHE (eds.), Histoire des pères et de la

(23)

staan van de oude orde, maar wel van de nieuwe samenleving en het algemeen welzijn.65 Dit zou moeten leiden tot een nieuwe conceptie van ouderschap waarbij ouderlijke liefde, gelijkheid tussen kinderen en individuele vrijheid centraal staan.66

42. In zijn bespreking van de evolutie van de vaderlijke macht in het Franse recht stelt ook Schnapper dat de revolutionaire wetgever oprecht geïnspireerd was door het natuurrecht.67 Zoals gezegd probeerde men tijdens de revolutie de regels over het ouderlijk gezag sterk te versoepelen.68 Die intentie werd niet

alleen gedreven door ervaringen met misbruik van vaderlijke macht uit het verleden, maar ook door de invloed van bepaalde natuurrechtelijke filosofen zoals Christian Thomasius en vooral Jean-Jacques Rousseau.69 Volgens Rousseau heeft een vader geen macht over zijn meerderjarige kinderen. De natuurlijke band die hij met zijn kinderen deelt, verplicht hem er wel toe zijn minderjarige kinderen te beschermen. Deze beschermingsplicht is echter inherent tijdelijk omdat zij voortvloeit uit de behoefte van onzelfstandige kinderen om te overleven. De plicht is bovendien wederkerig, omdat een vader vergoed wordt door de liefde die hij voelt voor zijn kinderen. Echter, wanneer een kind de âge de raison bereikt heeft, houdt hun natuurlijke band op te bestaan. Elke verdere verbintenis die zij vanaf dan ten behoeve van elkaar aangaan is louter een vrijwillig engagement om voor elkaar te zorgen.70 Aldus correspondeert Rousseaus invulling van het natuurrecht met de revolutionaire tendens van verzwakking van de familiebanden en de grotere aandacht voor de vrijheid van het volwassen kind.

43. Hierbij moet opgemerkt worden dat Rousseaus variant van het natuurrecht geen ruimte laat voor een wederkerige onderhoudsplicht tussen (groot)ouders en meerderjarige (klein)kinderen. Het is mogelijk dat een andere opvatting over het natuurrecht voor het codificeren van de onderhoudsplicht doorslaggevend is geweest. In vele van deze andere opvattingen was het immers wel degelijk zo dat een

65 J. MULLIEZ, “La volonté d’un homme” in J. DELUMEAU en D. ROCHE (eds.), Histoire des pères et de la

paternité, Parijs, Larousse-HER, 2000, (289) 292.

66 Ibid., 292-295.

67 B. SCHNAPPER, “La correction paternelle et le mouvement des idées au dix-neuvième siècle (1789-1935)”, Revue

Historique 1980, (319) 321.

68 Supra 16, nr. 38.

69 P. GISLER, S. STEINERT-BORELLA en C. WIEDMER, “Double lives, double narratives : tracing the story of the

family in Rousseau, the Swiss Civil Code and the Fathers’ Rights Debates”, Feminist Legal Studies 2009, (185) 195-196; B. SCHNAPPER, “La correction paternelle et le mouvement des idées au dix-neuvième siècle (1789-1935)”,

Revue Historique 1980, (319) 321.

(24)

wederkerige onderhoudsplicht werd afgeleid uit de natuurlijke band die (groot)ouders en (klein)kinderen met elkaar delen. Deze andere theorieën bespreek ik uitvoeriger in deel III van deze masterproef.

44. Een gunstige filosofische onderstroom is niet noodzakelijk voldoende om bepaalde ideeën te institutionaliseren. Dat de revolutionaire wetgevers verwijzen naar het natuurrecht is niet vanzelfsprekend, maar getuigt van een zekere resonantie tussen deze filosofie en de opvattingen die leven in de samenleving. De vraag rijst dan wiens idealen de Code civil weerspiegelt. Volgens verschillende auteurs zijn dit de idealen van de Franse bourgeoisie.71 Het familie-ideaal van deze klasse was dan ook hetzelfde als het ideaal dat ten grondslag lag aan de eerder aangehaalde mentaliteitswijziging in de Franse culturele productie, namelijk deze van een harmonieus huishouden waarin de verschillende leden verbonden zijn door affectie in plaats van het tirannieke vaderlijk gezag.72

45. Aldus is het duidelijk dat Cambacérès niet louter lippendienst bewees aan het natuurrecht als een manier om de Nationale Conventie te overtuigen. Dit werd gefaciliteerd door de resonantie met de opvattingen van de bourgeoisie over het familieleven. Het is echter niet eenvoudig te achterhalen in welke mate dit nieuwe affectieve familiemodel en het natuurrecht ook in de praktijk gevolgd werden, in het bijzonder wat betreft de onderhoudsplicht tussen (klein)kinderen en hun (groot)ouders. In punt 3 en 4 van deze afdeling zal ik via twee sporen aantonen dat er wel degelijk een maatschappelijk gevoel bestond dat (klein)kinderen moeten bijdragen in het levensonderhoud van hun (groot)ouders. Punt 3 vertrekt vanuit de praktijk van landknechten, een beroepsgroep die zich gewoonlijk in de mogelijkheid bevond om bijstand aan hun (groot)ouders te verlenen. Punt 4 bekijkt de maatschappelijke opvattingen over deze onderhoudsplicht in het ruimere juridische kader van sociale bijstand tijdens de revolutie.

3. Case study: landknechten in Frankrijk en Vlaanderen

46. Hiervoor hebben we vastgesteld dat de Franse revolutionairen pleitten voor de natuurlijke band tussen (groot)ouders en (klein)kinderen als grondslag van een wettelijke onderhoudsplicht. Het bestaan van een dergelijke band is evident, maar het eraan koppelen van een onderhoudsplicht is niet

71 E.G. BARBER, The Bourgeoisie in 18th-Century France, Princeton, Princeton University Press, 1955, 79; P.

GISLER, S. STEINERT-BORELLA en C. WIEDMER, “Double lives, double narratives : tracing the story of the family in Rousseau, the Swiss Civil Code and the Fathers’ Rights Debates”, Feminist Legal Studies 2009, (185) 195-196.

(25)

vanzelfsprekend. Het Engelse recht bijvoorbeeld, heeft tot op vandaag geen algemene onderhoudsplicht tussen (groot)ouders en meerderjarige (klein)kinderen.73 Ten tijde van de Franse revolutie zochten de Engelse armen hoofdzakelijk steun bij hun lokale parochie.74 In het prerevolutionaire Frankrijk en in Vlaanderen konden families ook terugvallen op steun van parochiale armenzorg, niettemin bestond er in onze contreien wel een gebruik bij meerderjarige kinderen om hun behoeftige ouders te ondersteunen.75

47. Het spreekt voor zich dat de omstandigheden dergelijke ondersteuning moesten toelaten. De kinderen moesten in de buurt van hun ouderlijke woning werken en verblijven om geld of goederen te kunnen overmaken aan hun ouders.76 Er moest bovendien voldoende geld in omloop zijn zodat werkgevers hun werknemers in geld konden uitbetalen en werknemers dit geld vervolgens naar huis konden opsturen.77 Ten slotte moest men op regelmatige intervallen betaald worden en vooral een voldoende hoog inkomen hebben om een deel te kunnen afstaan aan behoeftige ouders.78 Lambrechts identificeerde dienstknechten op boerderijen (verder: landknechten) als een van de beroepsgroepen die meestal al deze voorwaarden vervulden in het pre-industriële Europa.79 In de achttiende eeuw waren

veel jonge mannen en vrouwen aan de slag als landknecht.80 Kinderen verlieten het ouderlijke huis en trokken in bij hun werkgever die hen naast kost en inwoon ook in geld en andere goederen uitbetaalde. De meeste kinderen traden in dienst op veertienjarige leeftijd omdat dan hun productiviteit de kost om in het huishouden van een potentiële werkgever opgenomen te worden, oversteeg.81 Ondanks hun grotere

73 J. TWIGG en A. GRAND, “Contrasting legal conceptions of family obligation and financial reciprocity in the

support of older people: France and England”, Ageing and Society 1998, (131) 138.

74 Ibid.

75 T. LAMBRECHT, “English individualism and continental altruism? Servants, remittances, and family welfare in

eighteenth-century rural Europe”, European Review of Economic History 2013, (190) 198 (hierna: T. LAMBRECHT, “English individualism and continental altruism?”).

76 Ibid., 192.; P. LASLETT, “Family, kinship and collectivity as systems of support in pre-industrial Europe: a

consideration of the ‘nuclear-hardship’ hypothesis”, Continuity and Change 1988, (153) 157.

77 T. LAMBRECHT, “English individualism and continental altruism?”, 193. 78 Ibid.

79 Ibid.

80 T. LAMBRECHT, “Peasant Labour Strategies and the Logic of Family Labour in the Southern Low Countries

during the 18th Century” in S. CAVACIOCCHI (ed.), The Economic Role of the Family in the European Economy

from the 13th to the 18th Centuries, Firenze, Firenze University Press, 2009, (637) 638-639 (hierna: T. LAMBRECHT,

“Peasant Labour Strategies and the Logic of Family Labour in the Southern Low Countries”).

81 Ibid., 639-640; L.A. POLLOCK, “Parent-Child Relations” in D.I. KERTZER en M. BARBAGLI (eds.), The

History of the European Family, Volume One Family Life in Early Modern Times 1500-1789, New Haven, Yale

(26)

productiviteit was het in vele families noodzakelijk dat de kinderen vroeg het huis zouden verlaten omdat er thuis voor hen onvoldoende werk was.82

48. Vele landknechten in Frankrijk en Vlaanderen hadden dus de mogelijkheid om hun behoeftige ouders te steunen. Uit een onderzoek naar wat we vandaag de boekhouding zouden noemen van verschillende boerderijen in Vlaanderen en Frankrijk, blijkt bovendien dat zij ook effectief van deze mogelijkheid gebruikmaakten.83 Ouders onderhandelden vaak mee de arbeidscontracten van hun jonge

kinderen en bedongen hierbij dikwijls een bijdrage in geld, goederen of zelfs gebruiksrechten op een stuk land ten voordele van hun eigen huishouden.84 Ook wanneer de ouders niet betrokken waren bij de onderhandelingen bleek dat landknechten geregeld vooruitbetalingen op hun loon vroegen om het geld naar hun ouders op te sturen.85 Hoewel het ook voorkwam dat zij deze vooruitbetalingen naar andere

familieleden verstuurden, waren de ouders de voornaamste begunstigden.86 Per kind lijken de betalingen en de leveringen van levensmiddelen en gewassen eerder beperkt. De grootte van de bijdragen van kinderen mag echter niet onderschat worden. Niet elke transactie van landknechten naar hun ouders werd immers gedocumenteerd.87 Bovendien mag men niet uit het oog verliezen dat ouders meestal

meerdere kinderen hadden die in dienst waren als landknecht waardoor, als men de verschillende bijdragen optelt, hun ondersteuning wel degelijk significant was.88

49. Het was natuurlijk niet voor alle ouders mogelijk om terug te vallen op steun van hun kinderen. Zoals we gezien hebben, bestonden er verschillende barrières die mensen verhinderden hun ouders te ondersteunen.89 In dat geval konden behoeftige ouders beroep doen op door de kerk georganiseerde armenzorg, bijvoorbeeld via liefdadigheidsziekenhuizen.90 Aan de vooravond van de revolutie stonden sommige van deze instellingen echter bekend als symbolen van inefficiëntie, klerikaal cliëntelisme en

82 T. LAMBRECHT, “Peasant Labour Strategies and the Logic of Family Labour in the Southern Low Countries”,

639-640.

83 T. LAMBRECHT, “English individualism and continental altruism?”, 193-195.

84 Ibid., 195; J.-P. GUTTON, Domestiques et serviteurs dans la France de l’Ancien Régime, Parijs,

Aubier-Montaigne, 1981, 112-114.

85 T. LAMBRECHT, “English individualism and continental altruism?”, 194-195; T. LAMBRECHT, “Peasant Labour

Strategies and the Logic of Family Labour in the Southern Low Countries”, 642-643.

86 T. LAMBRECHT, “English individualism and continental altruism?”, 195. 87 Ibid., 197.

88 Ibid.

89 Supra 20-21, nr. 47.

90 K.A. LYNCH, Individuals, Families, and Communities in Europe, 1200-1800 The Urban Foundations of Western

(27)

laksheid.91 De kritiek op het onvermogen van de kerk en de monarchie om armenzorg te organiseren was groot.92 In de Nationale Conventie sprak afgevaardigde Etienne-Christophe Maignet van “l’insouciance criminelle de l’ancien gouvernement”.93

Op het Vlaamse platteland organiseerde de kerk armenzorg voornamelijk via haar parochies.94 Uit een vergelijking tussen de ondersteuning die behoeftige ouders verkregen van parochiale armenzorg en van hun kinderen die in de omgeving in dienst waren als landknecht blijkt echter dat het aandeel van de kinderen veel groter was dan dat van de lokale parochie.95 In Franse landbouwregio’s hadden vele parochies bovendien geen middelen om aan

armenzorg te doen, wat doet vermoeden dat de rol van de naaste familie daar nog groter was.96

4. Sociale bijstand tijdens de revolutie

50. Het belang van kinderen voor de zorg van hun ouders blijkt ook uit de discussies over sociale bijstand tijdens de revolutionaire periode. Een sprekend voorbeeld hiervan zijn de sociale maatregelen ten behoeve van de ouders van soldaten. De introductie van deze maatregelen, niettegenstaande de gebreken in hun uitvoering,97 wijst op de afhankelijkheid van ouders van hun werkende kinderen. De

Parijse sectie Pont-Neuf getuigde hierover in haar “Adresse de la section du Pont-Neuf” van 18 maart 1793:

“La section du Pont-Neuf a pris toutes les mesures propres à pourvoir au besoin de ses frères

d’armes (…) Leurs femmes, leurs pères, leurs mères et leurs enfants ont été les principaux objets de sa sollicitude fraternelle, et elle leur donne un secours de 12 sols par jour pour les hommes et les femmes, et 6 sols pour les enfants.”98

91 K.A. LYNCH, Individuals, Families, and Communities in Europe, 1200-1800 The Urban Foundations of Western

Society, Cambridge, Cambridge University Press, 2003, 171.

92 Ibid., 171-173.

93 M.J. MAVIDAL en M.E. LAURENT, Archives Parlementaires de 1787 à 1860, Recueil complét des débats

législatifs & politiques des chambres françaises, LIII, Parijs, Imprimerie administrative de Paul Dupont, 1879, 595

(hierna: M.J. MADIVAL en M.E. LAURENT, Archives Parlementaires).

94 T. LAMBRECHT, “English individualism and continental altruism?”, 198. 95 Ibid., 198-199.

96 Ibid., 199.

97 K.A. LYNCH, Individuals, Families, and Communities in Europe, 1200-1800 The Urban Foundations of Western

Society, Cambridge, Cambridge University Press, 2003, 194.

(28)

Het eerste wetgevend initiatief hiertoe was de wet van 26 november 1972 die voorzag in financiële ondersteuning voor ouders, echtgenotes en kinderen van militaire vrijwilligers die van de arbeid van laatstgenoemden afhankelijk waren om te overleven.99

51. Bovendien leren we uit deze wet meer over de grondslag van de relatie tussen ouders en kinderen. De bezieler van de wet, afgevaardigde Maignet, verduidelijkte in het voorafgaand verslag dat de enigen die in aanmerking komen voor ondersteuning zij zijn die een “droit naturel direct” hebben op de vruchten van de arbeid van de vrijwilliger.100 Hiermee bevestigt hij wat we reeds in de ontwerpen van een burgerlijk wetboek van Cambacérès hebben gezien.101 Verderop in het verslag maakt Maignet echter een belangrijke nuance tussen de onderhoudsplicht van de vader en deze van het kind. De plicht van de vader om zijn kind te op te voeden en te verzorgen vloeit voort uit de natuur.102 Als het kind deze

zorg en ondersteuning ontvangt gaat hij volgens Maignet een overeenkomst aan met zijn vader om hem te verzorgen wanneer hij niet meer in staat is om in zijn eigen onderhoud te voorzien.103 Maignet beschouwde de onderhoudsplicht van het kind dus als een tegenprestatie voor de zorgen verleend door de vader, zonder de natuurlijke oorsprong van de plicht te ontkennen. Dit heeft tot gevolg dat als het kind deze zorg en ondersteuning niet heeft ontvangen, de ouder geen of in mindere mate aanspraak zou kunnen maken op bijstand wanneer hij of zij behoeftig wordt. Voor Maignet hadden kinderen dus een voorwaardelijke onderhoudsplicht ten aanzien van hun ouders.

52. Het feit dat de wet van 26 november 1972 enkel ondersteuning biedt aan de familie van militaire vrijwilligers zou ook een manier kunnen zijn van de Franse staat om meer vrijwilligers aan te trekken. Hierdoor zou de bewering dat deze wetgeving als indirect bewijs geldt van het bestaan van een sociale onderhoudsplicht onder druk komen te staan. In het verslag van Maignet zijn echter nergens dergelijke militaire overwegingen terug te vinden. Integendeel, het is duidelijk dat het sociale motief centraal staat:

“Ainsi, ces vieillards (…) parvenus aujourd’hui à cet âge où tout travail leur est interdit,

n’avaient de recours contre le besoin que dans les secours que leur fils leur fournissaient,

99 K.A. LYNCH, Individuals, Families, and Communities in Europe, 1200-1800 The Urban Foundations of Western

Society, Cambridge, Cambridge University Press, 2003, 194; M.J. MADIVAL en M.E. LAURENT, Archives Parlementaires, LIII, 595-596.

100 M.J. MAVIDAL en M.E. LAURENT, Archives Parlementaires, LIII, 594. 101 Supra 17-19, nrs. 40-43.

102 M.J. MAVIDAL en M.E. LAURENT, Archives Parlementaires, LIII, 594. 103 Ibid.

(29)

doivent encore trouver dans la bienfaisance nationale ce qu’ils trouvaient dans la pitié filiale.”104

Bovendien nam de Nationale Conventie een halfjaar later de wet van 4-5 mei 1793 aan die voorzag in een uitbreiding van het zorgstelsel naar de families van alle militairen in dienst van de Republiek.105 Daarnaast werden ook verdere ascendenten opgenomen als gerechtigden van deze sociale bijstand.106

53. De revolutionairen hadden niet alleen oog voor behoeftige families van militairen; nieuwe opvattingen over de verhouding tussen de staat en de burger leidden tot de introductie van nog ruimere sociale wetgeving. Tijdens het ancién régime heerste de koning als despoot over zijn volk en de vader als despoot over zijn familie.107 Het revolutionaire gelijkheidsprincipe verzette zich tegen het vaderlijke

en koninklijke despotisme.108 Burgers werden beschouwd als evenwaardige leden van een “grande

famile” gebaseerd op een contract tussen hen en de staat.109 Het Décret de 28 juin 1793 sur l’organisation

des secours à accorder annuellement aux enfants et aux vieillards, opnieuw gelanceerd door

afgevaardigde Maignet, installeerde een algemeen stelsel voor armenzorg ten voordele van behoeftige ouderen en kinderen.110 Uit de wet en het voorafgaand verslag van Maignet blijkt echter dat van de naaste familieleden verwacht wordt dat zij als eerste instaan voor de steun van de behoeftige.111 Slechts in subsidiaire orde dient de staat op te treden. Maignet pleitte er bovendien voor om de plicht van kinderen om eerst hulp te bieden aan hun ouders om te zetten in wet:

“quand le cœur est muet, il faut que la loi commande ; les devoirs de la société n’augmentent

pas l’ingratitude de l’enfants ; ils se bornent dans ce cas à une exacte surveillance, et à offrir à ce père, doublement malheureux, une ressource assurée dans ses lois.”112

104 M.J. MAVIDAL en M.E. LAURENT, Archives Parlementaires, LIII, 594. 105 Ibid., LXIV, 124.

106 Ibid.; K.A. LYNCH, Individuals, Families, and Communities in Europe, 1200-1800 The Urban Foundations of

Western Society, Cambridge, Cambridge University Press, 2003, 194.

107 P. SAGNAC, La législation civile de la Révolution Française (1789-1804), Glashütten im Taunus, Verlag Detlev

Auvermann KG, 1971, 278.

108 Supra 15-16, nr. 37.

109 K.A. LYNCH, Individuals, Families, and Communities in Europe, 1200-1800 The Urban Foundations of Western

Society, Cambridge, Cambridge University Press, 2003, 194; M.J. MAVIDAL en M.E. LAURENT, Archives Parlementaires, LXVII, 476.

110 M.J. MAVIDAL en M.E. LAURENT, Archives Parlementaires, LXVII, 476.

Afbeelding

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :