• No results found

Is het spreekrecht de start van een oneerlijk proces? : Een evaluatie van het Nederlandse spreekrecht van het slachtoffer en de rechten van de verdachte

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2021

Share "Is het spreekrecht de start van een oneerlijk proces? : Een evaluatie van het Nederlandse spreekrecht van het slachtoffer en de rechten van de verdachte"

Copied!
47
0
0

Bezig met laden.... (Bekijk nu de volledige tekst)

Hele tekst

(1)

Is het spreekrecht de start van een oneerlijk proces?

Een evaluatie van het Nederlandse Spreekrecht van het slachtoffer en de

rechten van de verdachte

Naam: Lisanne Burgers

Studentnummer: 11112514 Email: lisanne.burgers@student.uva.nl Mastertrack: Strafrecht Begeleider: Dhr. G. Sluiter Inleverdatum: 3 juli 2017 Versie: Finaal

(2)

Abstract

In dit onderzoek is onderzocht of de rechten van het slachtoffer in het Nederlandse strafproces in verenigbaar is het met het Victim Participation Model van Douglas Beloof en of er door de rechten van het slachtoffer een inbreuk wordt gemaakt op het recht op een eerlijk proces van de verdachte.De methode die hierbij is gebruikt is van beschrijvende en evaluerende aard. Het resultaat van de evaluatie van de rechten van het slachtoffer en het model van Beloof is dat het enigszins verenigbaar is met elkaar. De rechten die Beloof toekent aan het slachtoffer zijn nog enigszins uitgebreider dan de rechten die het slachtoffer krijgt in het Nederlandse strafproces. Hierbij gaat het met name om de omvang van het spreekrecht en de positie die het slachtoffer inneemt in de rechtszaal ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting. Indien deze rechten ook in Nederland worden toegekend dient het strafrecht daarop aangepast te worden, waarbij het slachtoffer een andere positie krijgt in het proces en waar de verdachte zichzelf kan verdedigen en de verklaringen kan betwisten. Het huidige spreekrecht is in zoverre verenigbaar met het recht op een eerlijk proces. Dit kan anders zijn indien de rechter zich laat beïnvloeden door de verklaring van het slachtoffer en deze mede gebruikt om tot een beslissing te komen. De verdachte heeft wel de mogelijkheid om vragen te stellen, dit gebeurt echter via een omweg. Deze moeten namelijk eerst aan de voorzitter van de rechtbank worden voorgelegd. Als het procesrecht en de positie van het slachtoffer niet verder wordt uitgebreid, de rechter geen gebruik maakt van de verklaringen en zich enkel laat overtuigen door de wettige bewijsmiddelen, maakt dit de kans op een inbreuk op het recht op een eerlijk proces nihil.

(3)

Inhoudsopgave

Hoofdstuk I Inleiding 4

1.1 Inleiding 4

1.2 Onderzoeksmethode 5

1.3 Relevantie van het onderzoek 5

1.4 Onderzoeksvraag en hoofdstukindeling 6

Hoofdstuk II Positie van het slachtoffer in het Nederlandse strafproces 7

2.1 Inleiding 7

2.2 Europese en Nederlandse ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer 7

2.3 Huidige positie van het slachtoffer 12

2.3.1 De definitie: Slachtoffer 13

2.4 De aangifte 13

2.5 Positie in het strafproces 14

2.5.1 Rechten van het slachtoffer 14

2.6 Schadevergoeding voor het slachtoffer 16

2.7 Tussenconclusie 17

Hoofdstuk III Het spreekrecht voor spreekgerechtigden 18

3.1 Inleiding 18

3.2 Het spreekrecht 18

3.3 Spreekgerechtigden 19

3.4 Spreekgerechtigde als getuige? 20

3.5 Tussenconclusie 22

Hoofdstuk IV Victim Participation Model 23

4.1 Inleiding 23

4.2 Algemene beginselen van The Victim Participation Model 23 4.3 Participatie van het slachtoffer per procesfase 24

4.3.1 Aangifte van het strafbare feit 24

4.3.2 Het opsporingsonderzoek 25

4.3.3 Het onderzoek ter terechtzitting 25

4.3.4 De veroordeling 26

4.3.5 Beroep 26

4.4 Tussen conclusie 26

Hoofdstuk V Waarborgen en rechten van de verdachte 28

5.1 Inleiding 28

5.2. Recht op een eerlijk proces 28

5.2.1. Onschuldpresumptie 29

5.2.2. Verdedigingsrechten 29

5.3 Tussenconclusie 34

Hoofdstuk VI Evaluatie & Conclusie 36

6.1 Evaluatie 36

6.1.1 Slachtoffers in het Nederlandse recht vs. The Victim Participation Model 36

6.1.2 Toetsing aan artikel 6 EVRM 39

6.2 Conclusie 41

Jurisprudentie & Literatuurlijst 45

(4)

Hoofdstuk I Inleiding

1.1 Inleiding

Het slachtoffer heeft de afgelopen jaren een behoorlijke opmars gemaakt in het dadergerichte Nederlandse rechtssysteem. Op aansturen van Europese regelgeving werd de rol van het slachtoffer in het strafproces steeds groter. In 1985 is er door het Comité van Ministers van Europa een aanbeveling uitgevaardigd voor de positie van het slachtoffer in de strafprocedures.1

In Nederland had het slachtoffer voorheen slechts het recht om een artikel 12 procedure te starten indien het openbaar ministerie had beslist niet te vervolgen. In 1992 kwam de ‘Wet Terwee’ tot stand waar mogelijkheden voor slachtoffers om een schadevergoeding te vorderen aanzienlijk verbeterde. Sinds 2004 is het voor slachtoffers van ernstige delicten mogelijk om een schriftelijke slachtofferverklaring in te dienen waarna het sinds 2005 ook de mogelijkheid heeft om te spreken tijdens de strafzitting over de gevolgen van het misdrijf. Als vervolg op het ingevoerde spreekrecht heeft het slachtoffer sinds 2011 een zelfstandige positie in het strafproces.

Sinds 1 juli 2016 heeft het slachtoffer en diens nabestaande meer rechten gekregen in het strafprocesrecht. Hieronder vallen onder meer het recht op informatie, een voorschot op de schadevergoeding en het onbeperkte spreekrecht. Het slachtoffer heeft niet langer slechts het recht om te spreken over de gevolgen van het strafbare feit, maar mag zich nu ook uitlaten over het bewijs, de straftoemeting en de wijze waarop de politie en justitie het onderzoek hebben verricht. Het slachtoffer krijgt de mogelijkheid te spreken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Het spreekrecht wordt al uitgeoefend voordat er door een onafhankelijke rechter is vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is van een slachtoffer. Deze voorbarige erkenning van het slachtoffer kan indirect ook tot een voorbarige veroordeling van de verdachte als dader.2 Het spreekrecht van het slachtoffer is onbeperkt en niet weerlegbaar voor de verdediging. Het onderwerp ‘slachtoffer’ blijft een lastig onderwerp in het dadergerichte strafproces nu het slachtoffer steeds een grotere positie inneemt als procesdeelnemer. De strafzaak draait om het berechten van de schuldige en het niet berechten van de onschuldige, het recht op een eerlijk proces van de verdachte (artikel 6 EVRM) is hierin een belangrijk en zwaarwegend recht. Waar

1 Aanbeveling 1985 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (28 juni 1985) 11, on the Position of

the Victim in the Framework of Criminal law and Procedure.

(5)

het recht van een procesdeelnemer, het slachtoffer, steeds groter wordt bestaat het risico dat de rechten van een andere procespartij, de verdachte, zwakker wordt.3

In dit afstudeerwerk wordt daarom een onderzoek verricht naar de rechten van het slachtoffer en de rechten van een verdachte. In het onderzoek wordt geanalyseerd of de rechten van het slachtoffer verenigbaar is met het Victim Participation Model van Douglas Beloof, waarnaast er wordt geanalyseerd of de rechten van de verdachte door de rechten van het slachtoffer niet vervagen.

1.2 Onderzoeksmethode

Het doel van het onderzoek is om te achterhalen of de rechten van de verdachte daadwerkelijk naar de achtergrond worden vervaagd indien het slachtoffer een steeds meer prominente rol krijgt in het strafproces. Er wordt gebruik gemaakt van een combinatie tussen de onderzoeksmethodes van beschrijvende en evaluerende aard. Waarbij de wetsvoorstellen en de daarbij behorende memorie van toelichtingen, de guide on article 6 alsmede het participatiemodel van Douglas Beloof worden geevalueerd. Daarnaast is er literatuur omtrent de rechten van de verdachte en het slachtoffer gebruikt.

1.3 Relevantie van het onderzoek

De wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek betreft de rechtsbescherming van de verdachte in het strafproces. Voor het slachtoffer bestaat er een groot risico wanneer het proces niet in zijn geheel als eerlijk kan worden beschouwd. Als het slachtoffer in dit strafproces een te grote positie krijgt in het strafproces, waarbij de verdachte niet mag deelnemen, loopt hij het risico dat zijn proces niet eerlijk zal verlopen.

De maatschappelijke relevantie is gelegen in gevoel van rechtsbescherming voor zowel slachtoffer als verdachte. Het slachtoffer wil graag gehoord worden en de verdachte wil het gevoel hebben dat er sprake is van een eerlijke berechting. Deze twee belangen kunnen met elkaar in conflict komen, hierin dient juiste balans worden gevonden.

3 Veraart 2005, p.254.

(6)

1.4 Onderzoeksvraag en hoofdstukindeling

De onderzoeksvraag die in dit onderzoek centraal staat is de volgende:

“Zijn de Nederlandse rechten voor slachtoffers en nabestaande verenigbaar met het strafrechtelijk opgestelde model van Douglas Beloof en het recht op een eerlijk proces voor de verdachte?”

Om tot een antwoord te komen op deze hoofdvraag wordt de volgende hoofdstukindeling gehanteerd. In hoofdstuk II wordt een algemene beschrijving gegeven van de evaluatie en de geschiedenis van de positie van het slachtoffer in het Nederlandse strafprocesrecht. In hoofdstuk III wordt het spreekrecht van het slachtoffer besproken en in hoofdstuk IV het Victim Participatie Model van Douglas Beloof waar in hoofdstuk V de waarborgen en rechten van de verdachte worden behandeld. In hoofdstuk VI wordt de evaluatie van de voorgaande hoofdstukken besproken en ten slotte een conclusie gegeven met een antwoord op de hoofdvraag.

(7)

Hoofdstuk II Positie van het slachtoffer in het Nederlandse strafproces

2.1 Inleiding

Het slachtoffer is in het Nederlandse recht de afgelopen jaren steeds populairder geworden, waarbij het slachtoffer een bijna van zelfsprekende positie heeft gekregen in het proces.4 Het slachtoffer heeft daarbij een positie verkregen waar verscheidende rechten bij horen. Er kan daarbij gedacht worden aan het recht op informatie, recht op juridische bijstand, het recht om een klacht in te dienen over niet vervolging en het spreekrecht. In dit hoofdstuk wordt een algemene omschrijving gegeven van de, zowel Europese als Nederlandse, ontwikkeling van de positie van het slachtoffer in het strafrecht. Daarnaast wordt een beschrijving gegeven van de ontwikkeling van de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Vervolgens wordt de huidige positie van het slachtoffer besproken waar de artikel 12 procedure en het recht op een compensatie worden behandeld.

2.2 Europese en Nederlandse ontwikkelingen van de positie van het slachtoffer

Het strafproces werd in de oorsprong beschouwd als een zaak tussen de overheid en de verdachte. Hierin bestond er voor het slachtoffer slechts een rol waarin er aangifte kon worden gedaan waardoor het slachtoffer de zaak op gang kon brengen. Daarnaast bestond er de mogelijkheid om als getuige op te treden voor een eventuele latere bewijsvoering.5 De eerste verandering op dit punt is dat het delict gezien werd als een inbreuk op persoonlijke rechten van slachtoffers en niet meer slechts als een schending van de publieke rechtsorde.6 Dit alles gebeurde halverwege de jaren tachtig. Als gevolg van enkele sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het mondiger worden van de burgers tegenover de overheid, de assertieve rol van de vrouwenbeweging en onder druk van internationale regelgeving7, kreeg het slachtoffer dus langzaam aan een prominentere rol in het Nederlandse strafproces.8 In de Recommendation uit 19859 is opgenomen dat lidstaten hun wetgeving omtrent de bejegening van slachtoffers moeten herzien en daarbij rekening moeten houden met in de aanbeveling gegeven richtlijnen. Met deze richtlijn wordt de positie van het slachtoffer al enigszins versterkt. Zo heeft het slachtoffer bijvoorbeeld het recht informatie te krijgen over de datum en

4 Reynaers 2006, p.461.

5 Reynaers 2006, p.462. 6 Groenhuijsen 1996, p.1531.
 7 Recommendation R(85) 11.

8 Van der Aa & Groenhuijsen 2012, p.605 9 Recommendation R(85) 11.

(8)

plaats van de hoorzitting, de mogelijkheid om een schadevergoeding te krijgen en de daarbij behorende informatie over het verkrijgen daarvan. Daarnaast werd er als richtlijn aangegeven dat de staat niet zomaar mag overgaan tot niet-vervolging zonder dat ook de belangen van het slachtoffer in acht zijn genomen.10 De eerste wet die in Nederland een echte wijziging heeft aangebracht in het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is de Wet Terwee.11 Deze wet gaf vooral voorschriften omtrent het onderzoek ter terechtzitting, terwijl het in beginsel de bedoeling was de bejegening van slachtoffers in het voorbereidend onderzoek te verbeteren.12 Het wetsvoorstel voorzag in een verruiming van de mogelijkheden voor de benadeelde partij om zich te voegen in het strafproces met betrekking tot schadevergoeding. Degenen die zich konden voegen als benadeelde partij waren de personen die rechtstreeks schade hadden geleden door het jegens hen begane strafbaar feit.13 Met deze bepalingen werden de belangen van de

nabestaanden of eventueel andere derden niet in acht genomen, omdat zij niet als rechtstreeks benadeelde partij gezien konden worden.14 Naast de mogelijk om zich te voegen als benadeelde partij werd de maatregel ‘verplichting voor de veroordeelde van betaling van een schadevergoeding’ geïntroduceerd. Het voordeel hiervan was dat de staat belast was met de vordering van de betaling en dat dit ten goede kwam van het slachtoffer.15

In 2001 is door de Raad van Europese Unie een Kaderbesluit16 uitgebracht inzake de status van

het slachtoffer in de strafprocedure. Hiermee werden lidstaten aangezet om hun strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan te passen om slachtoffers van misdrijven een hoog beschermingsniveau te bieden. In dit Kaderbesluit zijn niet alleen bepalingen opgenomen ter behartiging van de belangen van slachtoffers in het kader van de strafprocedure, maar behelst ook een aantal maatregelen voor bijstand vóór, tijdens of na het misdrijf. Daarbij werd wel vermeld in het kaderbesluit dat lidstaten niet verplicht zijn om de slachtoffers een behandeling te garanderen die gelijk staat aan die van procespartijen. Als slachtoffer in dit Kaderbesluit wordt aangemerkt: ‘de natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van de lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden’.17 De lidstaten dienen

10 Recommendation R(85) 11. 11 Kamerstukken II 1989/90, 21 345. 12 Groenhuijsen 2014/15, p.16. 13 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, p.11. 14 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, p.11. 15 Kamerstukken II 1989/90, 21 345, p.17. 16 Kaderbesluit 2001/220/JBZ.

(9)

daarbij een reële en passende rol voor het slachtoffer in de wetgeving te geven. Hierbij dient de lidstaat al het nodige te blijven doen om te kunnen waarborgen dat het slachtoffer tijdens de procedure met het gepaste respect voor zijn persoonlijke waardigheid wordt bejegend. Ten slotte dienen de rechten en de rechtmatige belangen van het slachtoffer gerespecteerd te blijven.18 Daarbij dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat het slachtoffer de mogelijkheid krijgt om tijdens de procedure gehoord te worden en bewijselementen aan te dragen.19 In dit Kaderbesluit is het recht op informatie voor het slachtoffer opgenomen. De informatie die het slachtoffer dient te ontvangen is ieder geval tot welke diensten of organisaties het slachtoffer zich kan richten met het oog op hulp, welke procedurele stappen er volgen op de klacht die is ingediend en welke rol het slachtoffer daarin speelt. Daarnaast dient het slachtoffer te worden geïnformeerd onder welke omstandigheden het slachtoffer bescherming dient te krijgen. Onder het recht op informatie valt ook informatie over het gevolg van de ingediende klacht en ingeval van een vervolging, de gegevens op basis waarvan het slachtoffer zich kan informeren over het verloop van de strafprocedure alsmede de door de rechter uitgesproken beslissing.20 Gedurende de procedure heeft het slachtoffer recht op, zo nodig kosteloos, advies over de procedure en bijstand daarvan indien het slachtoffer de status heeft van procespartij.

Met de wet van 21 juli 200421 kregen slachtoffers, en met name, nabestaanden meer rechten in

het strafproces doordat het spreekrecht werd ingevoerd. Het zou, volgens de Memorie van Toelichting22, wenselijk zijn om het spreekrecht aan het Wetboek van Strafvordering toe te voegen aangezien het afleggen van een mondelinge verklaring een bijdrage kan leveren aan het herstel van de emotionele schade die door het delict is veroorzaakt. Met de invoering van dit spreekrecht werd het voor slachtoffers en nabestaanden mogelijk om op de openbare terechtzitting kenbaar te maken welke gevolgen het ten laste gelegde feit bij het slachtoffer of de nabestaanden teweeg heeft gebracht.23 Het is daarbij uitdrukkelijk niet de bedoeling dat het slachtoffer, of diens nabestaanden, een mogelijkheid werd geboden zijn visie op de verdachte of de toe te kennen straf te geven.24 Binnen de kring van personen die gebruik mochten maken van het spreekrecht vallen het slachtoffer, of indien die overleden is of om andere reden niet in

18 Artikel 2 lid 1 kaderbesluit 2001/220/JBZ. 19 Artikel 3 kaderbesluit 2001/220/JBZ.

20 Artikel 4 lid 1 en 2 kaderbesluit 2001/220/JBZ. 21 Kamerstukken II 2000/01, 27 632.

22 Kamerstukken II 2000/01, 27 632, nr.3. 23 Kamerstukken II 2000/01, 27 632, nr.3, p.4. 24 Kamerstukken II 2000/01, 27 632, nr.3, p.4.

(10)

staat is om te kunnen verklaren, diens nabestaanden. Tot de nabestaanden behoren slechts de bloedverwanten in de eerste graad en de echtgenoot of geregistreerde partner van het slachtoffer.25 Het slachtoffer of diens nabestaanden kregen, wanneer zij gebruik maakten van het spreekrecht, de positie van getuige. Dit bracht met zich mee dat het slachtoffer of diens nabestaanden beëdigd moesten worden, met als resultaat dat niet alleen de rechter en de OvJ hen konden ondervragen, maar ook de verdachte en diens advocaat. Gevolg voor het proces daarbij is dat, indien het slachtoffer wordt beëdigd als getuige, het recht op privacy met zich mee kan brengen dat het ondervragingsrecht van de verdachte kan worden beperkt.26 Waarbij belangen van de verdediging afgewogen moeten worden tegen die van de slachtoffers.27 Het recht om te spreken kon worden uitgeoefend indien er in de delictsomschrijving een gevangenisstraf was opgenomen van acht jaar of meer. Daarnaast waren er een aantal delicten opgenomen waarbij er gebruik kon worden gemaakt van het spreekrecht. De delicten die hieronder vielen, waren onder meer kinderpornografie (art. 240b Sr), mishandeling (art. 300 Sr) en dood door schuld (art. 307 Sr).

In Nederland is de Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces28 (hierna: Wet versterking positie slachtoffer) op 1 januari 2011 in werking getreden. Uitgangspunt bij deze wet was dat aan het slachtoffer een duidelijker omschreven positie toe zou komen dan destijds in het wetboek was voorzien. Als slachtoffer in deze wet wordt aangemerkt: ‘degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit materiële of immateriële schade heeft geleden’.29 Er is een aparte titel opgenomen in het Wetboek van Strafvordering met een afdeling voor het slachtoffer van een strafbaar feit en een voor de eiser van een schadevergoeding, de benadeelde partij. Met de invoering van de ‘Wet versterking rechtspositie slachtoffer’ heeft het slachtoffer verschillende rechten gekregen, zoals het recht op informatie over de strafrechtelijke procedure (met inbegrip van de afloop) tegen de verdachte, recht op correcte bejegening, recht op informatie over de mogelijkheden van schadevergoeding in het kader van het strafproces, recht op kennisneming van processtukken en het recht op het toevoegen van stukken aan het procesdossier, recht op bijstand van een raadsman, het recht op een tolk en het spreekrecht op de zitting.30 Daarnaast zijn ook de rechten van nabestaanden uitgebreid.

25 Kamerstukken II 2000/01, 27 632, nr.3, p.5.

26 EHRM 26 maart 1996, NJ 1996, 741 (Doorson), §71. 27 EHRM 26 maart 1996, NJ 1996, 741 (Doorson), §70. 28 Kamerstukken II 2004/05, 30143.

29 Kamerstukken II 2004/05, 30143, nr.3, p.4. 30 Kamerstukken II 2004/05, 30143, nr.3, p.10.

(11)

Het slachtoffer of diens nabestaanden had destijds het recht om (beperkt) te spreken. Deze beperking was erin gelegen dat het slachtoffer of andere spreekgerechtigden een verklaring kon afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit teweeg hadden gebracht.31 Het spreekrecht had dus betrekking op de gevolgen die het slachtoffer had ondervonden, over bijvoorbeeld de gewenste strafmaat of de manier waarop het bewijs is vergaard in het vooronderzoek was het niet geoorloofd voor het slachtoffer om over te verklaren.32 De spreekgerechtigden werden niet beëdigd waardoor zij niet verplicht waren om vragen, die via de voorzitter van de rechtbank gesteld werden, te beantwoorden. Wanneer spreekgerechtigde de in de wet gestelde grens overschreed, kon er alsnog een beëdiging als getuige plaatsvinden.33 Indien het slachtoffer wordt beëdigd, is het slachtoffer niet gerechtigd om zelfstandig te verklaren. Er dient te worden afgewacht welke vragen er worden gesteld.

Ter vervanging van het Kaderbesluit, ingevoerd op 15 maart 2001, hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie op 25 oktober 2012 een Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten uitgevaardigd.34 Met deze richtlijn beoogt De Unie bescherming te bieden aan slachtoffers van misdrijven door minimumnormen te stellen. In de preambule wordt geschreven dat dit noodzakelijk is omdat ‘criminaliteit zowel een vergrijp tegen de samenleving is als een schending van individuele rechten van het slachtoffer’. Daarvoor moeten slachtoffers van strafbare feiten als zodanig worden erkend en op een respectvolle, tactvolle en professionele manier worden behandeld, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt op welke grond dan ook.35 De bescherming bestaat uit verschillende onderdelen, de definitie van het slachtoffer is in deze richtlijn bijvoorbeeld uitgebreid. Zo wordt ook onder het slachtoffer gerekend: de familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon. Ook onder de reikwijdte van het slachtoffer vallen nu zowel familieleden als de echtgenoot, de persoon die met het slachtoffer een intieme relatie, gemeenschappelijk huishouden heeft en/of duurzaam en ononderbroken samenwoont. Ook bloedverwanten in rechte lijn, broers en zussen,

31 Artikel 302 (oud) Sv.

32 Kamerstukken II 2014/15, 34 082, nr.3, p.8. 33 Kamerstukken II 2014/15, 34 082, nr.3, p.8

34 Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van

minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten.

(12)

en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn vallen nu onder de definitie van het slachtoffer.36 In deze richtlijn is het recht om het te kunnen begrijpen en het recht om begrepen te worden opgenomen. Daaronder valt het recht op informatie, waarbinnen het recht om informatie over de aangifte te ontvangen en het recht op informatie over zijn zaak valt.37 Tevens is in de richtlijn opgenomen dat het slachtoffer het recht heeft om deel te kunnen nemen aan de strafprocedure. Daaronder vallen onder andere de rechten om te worden gehoord, het recht om te kunnen toetsen indien er een beslissing tot niet-vervolging is en het recht op rechtsbijstand.38 In februari 2012 heeft in Nederland nog een uitbreiding plaatsgevonden van de kring van spreekgerechtigde.39 Vanaf dit moment mochten ook kleinkinderen, grootouders, neven, nichten, tantes en ooms namens het overleden slachtoffer spreken. Daarbij is wel een rangorde aangebracht. De levensgezel komt als eerste in aanmerking, daarna komen pas de bloedverwanten.40 De tweede uitbreiding van spreekgerechtigde betreft de toevoeging van wettelijke vertegenwoordigers van minderjarige slachtoffers, die vanwege hun leeftijd niet in staat zijn om te kunnen verklaren welke gevolgen het jegens hem gepleegde delict heeft gehad. Deze wettelijke vertegenwoordigers zijn niet alleen bevoegd om te spreken over de gevolgen voor hun kind, maar ook over de gevolgen die het voor hen heeft gehad.41

2.3 Huidige positie van het slachtoffer

Zoals hierboven staat beschreven hadden slachtoffers en diens nabestaanden een beperkt spreekrecht. Op 1 juli 2016 is de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en wijziging van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven ter uitbreiding van de mogelijkheid van uitkering aan nabestaanden42 (hierna: Wet onbeperkt spreekrecht) in werking getreden. Met invoering van deze wet behoeft de spreekgerechtigde zich niet meer te beperken tot de gevolgen van het stafbare feit. In deze paragraaf wordt een korte schets gegeven van de huidige positie van het slachtoffer in het strafproces met bijbehorende rechten, het recht van beklag (artikel 12 procedure) en de mogelijkheid tot vordering van een schadevergoeding.

36 Richtlijn 2012/29/EU art. 2 lid 1 sub a onder I, II en III. 37 Richtlijn 2012/29/EU, hoofdstuk 2.

38 Richtlijn 2012/29/EU, hoofdstuk 3. 39 Kamerstukken II 2011/12, 33 176, nr.3. 40 Van der Aa & Groenshuijsen 2012, p.604. 41 Van der Aa & Groenshuijsen 2012, p.604. 42Stb. 2016, 160.

(13)

2.3.1 De definitie: Slachtoffer

Het slachtoffer wordt gedefinieerd in artikel 51a lid 1 onder a sub 1 Sv en luidt als volgt: “degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel

heeft ondervonden. Met het slachtoffer wordt gelijkgesteld de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden”.

De nabestaanden, familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit, vallen ook onder de definitie van het slachtoffer.43 De nabestaanden worden in deze titel van het Wetboek van Strafvordering dus gelijkgesteld met het directe slachtoffer zelf en hebben dezelfde rechten als het directe slachtoffer.

2.4 De aangifte

Op grond van de wet is ieder persoon die kennis heeft van een strafbaar feit bevoegd om aangifte te doen.44 In sommige gevallen geldt er een verplichting voor het doen van aangifte.45 Deze verplichting in ieder geval voor bepaalde misdrijven. Het is onder andere verplicht om aangifte te doen van misdrijven tegen de veiligheid van de staat46, misdrijven tegen het leven gericht47 en voor het afbreken van een zwangerschap.48 Er is tevens een klachtrecht op grond

van artikel 164 Sv. De klacht bevat dat een aangifte met verzoek tot vervolging, pas dan heeft het openbaar ministerie de bevoegdheid om tot vervolging over te gaan. Indien de aangifte is ingediend, kan de aangifte niet meer worden ingetrokken. Er kan een schriftelijk verzoek worden ingediend bij de OvJ. Het openbaar ministerie heeft vervolgens de bevoegdheid om een vervolging in te stellen, het opportuniteitsbeginsel. Het openbaar ministerie kan slechts van vervolging afzien op grond van algemeen belang. Het openbaar ministerie kan daarbij onder bepaalde voorwaarde bepalen dat de vervolging voor een bepaalde termijn wordt uitgesteld.49 Het openbaar ministerie heeft daarbij de mogelijkheid tot het afzien van een vervolging, het zogenaamde sepot. Onder deze mogelijkheden vallen het technisch sepot, waar processuele vervolging een succesvolle vervolging in de weg staan. Daarnaast is er een mogelijkheid voor

43 Artikel 51a lid 1 onder a sub 2 Sv. 44 Artikel 161 Sv. 45 Artikel 160 Sv. 46 Titel I Sr. 47 Titel XIX Sr. 48 Artikel 296 Sr. 49 Artikel 167 Sv.

(14)

een beleidssepot. Bij dit beleidssepot ziet het openbaar ministerie af van vervolging omdat het onwenselijk is om de zaak bij de rechter aan te brengen op grond van beleidsmatige gronden, het algemeen belang.50 Bij de beoordeling van het algemene belang is het noodzakelijk dat het individuele belang van de dader, het slachtoffer en derden worden meegewogen. Het voordeel dat uit de vervolging wordt genoten dient op te wegen tegen de nadelen voor de betrokken individuen en de samenleving.51 Er zijn vele sepotgronden. De belangrijkste sepotgronden zijn de grond ‘gering feit’, ‘recente bestraffing’ en ‘oud feit’. Ten slotte kan er ook nog de grond ingeroepen worden ‘verhouding tot benadeelde geregeld’. Indien er sprake is van deze grond heeft er een verzoening tussen dader en slachtoffer plaatsgevonden of is de schade van het slachtoffer vergoed.52

Indien een strafbaar feit niet vervolgd wordt, de vervolging niet wordt voortgezet of vervolging plaats vindt door het uitvaardigen van een strafbeschikking, kan een rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing is genomen, de zogenoemde artikel 12 procedure. 53 Met dit recht kan de verdachte de beslissing tot niet vervolgen laten toetsen bij een gerechtshof en aantonen dat er wel degelijk een vervolging zou moeten plaatsvinden.

2.5 Positie in het strafproces

Het slachtoffer is een procesdeelnemer en heeft geen status als procespartij. Het slachtoffer, iemand die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich op grond van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces54, een uitzondering op de regel dat het slachtoffer een procesdeelnemer is.

2.5.1 Rechten van het slachtoffer

Zoals beschreven in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk, heeft het slachtoffer een stevige positie verkregen in het strafproces. In deze paragraaf worden de huidige rechten van het slachtoffer besproken. 50 Valkenburg 2017, p.6. 51 Valkenburg 2017, p.14. 52 Valkenburg 2017, p.14. 53 Artikel 12 lid 1 Sv. 54 Artikel 51f Sv

(15)

Volgens artikel 51aa Sv krijgt het slachtoffer recht op een correcte bejegening. Het slachtoffer dient in elk contact met een overheidsfunctionaris correct behandeld te worden. Dit houdt in dat de overheid de taak heeft om aan alle slachtofferrechten inhoud te geven, bijvoorbeeld wanneer het slachtoffer het recht heeft op informatie, dat deze informatie tijdig, duidelijk en toegesneden op het slachtoffer moet worden verstrekt.55

Het slachtoffer heeft het recht op informatie56 en dient hiervan onverwijld in kennis te worden gesteld door de officier van justitie (hierna: OvJ). Het slachtoffer heeft recht informatie te ontvangen omtrent de aanvang en voortgang van de zaak en dient in het bijzonder in kennis te worden gesteld van onder andere het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëindigen daarvan, het niet vervolgen van een strafbaar feit, de aard van het aan de verdachte ten laste gelegde feit, de plaats, de datum en het tijdstip van de terechtzitting en ten slotte de einduitspraak in de strafzaak tegen de verdachte. Daarnaast kunnen slachtoffers op grond van artikel 51b Sv verzoeken om kennis te nemen van processtukken die voor hen van belang zijn. Het mogen dus geen stukken zijn die betrekking hebben op andere feiten. Naast het verzoek om kennis te nemen van stukken, kan het slachtoffer ook verzoeken om relevante documenten toe te voegen aan het dossier.57Het dient te gaan om documenten die het slachtoffer relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of de vordering op de verdachte.58

Daarnaast mag het verzoek ook gedaan worden in algemene zin om bijvoorbeeld invloed te kunnen uitoefenen op de samenstelling en de inhoudt van het strafdossier.59

Indien het slachtoffer de Nederlandse taal niet of onvoldoende begrijpt kan er een verzoek worden ingediend om de schriftelijke informatie te laten vertalen in een voor hem begrijpelijke taal.60 Daarnaast kan het slachtoffer een verzoek indienen om zich bij te laten staan door een tolk.61 Daarin wordt geen onderscheid gemaakt of het slachtoffer zich voegt als benadeelde partij, wil gaan voegen als benadeelde partij of slechts als procesdeelnemer aan het strafproces deelneemt.62 Het slachtoffer heeft het recht om zich bij te laten staan door een persoon. Dit kan een vriend, familielid of zelfs een advocaat zijn. Deze bijstand zal vaak bestaan uit het geven

55 Hoendervoogt e.a. 2013, p.17. 56 Artikel 51ac Sv. 57 Artikel 51b lid 2 Sv. 58 Corstens 2014, p.67. 59 Corstens 2014, p.67. 60 Artikel 51ac Sv. 61 Artikel 51c lid 3 Sv. 62 Hoendervoogt e.a. 2013, p.34.

(16)

van toelichtingen op de vordering van de benadeelde partij of tot bijstand buiten de terechtzitting, bijvoorbeeld bij het slachtoffergesprek met de OvJ.63

2.6 Schadevergoeding voor het slachtoffer

Vanaf 2011 kent de wet een voorschotregeling voor de slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven. Dit heeft de wetgever destijds ingevoerd om de financiële afwikkeling voor slachtoffers eenvoudiger te maken. Deze voorschotregeling houdt in dat wanneer het slachtoffer na acht maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de volledige schadevergoeding nog niet heeft ontvangen, deze wordt betaald door het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJI). Vanaf 1 januari 2016 geldt deze voorschotregeling voor slachtoffers van alle misdrijven. In dit geval geldt er wel een maximum aan het voorschot, namelijk €5000,-.64 Dit maximum

geldt niet voor slachtoffers van gewelds- of zedendelicten.65 Degenen die aanspraak kunnen

maken op de schadevergoeding zijn de personen die rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit. Het slachtoffer kan zich op grond van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.66 Hier is dus sprake van een procespartij. Indien het slachtoffer zich voegt als een benadeelde partij, geldt ook het recht op een eerlijk proces, zoals opgenomen in artikel 6 EVRM, voor het slachtoffer.67 Dit geldt zowel voor de benadeelde partij als voor de verdachte tegen wie een vordering tot schadevergoeding is ingesteld. Daarbij is met name de redelijke termijn van belang. Doordat de vordering is gekoppeld aan de strafzaak levert dit echter wel enkele beperkingen op.68 De benadeelde partij heeft de mogelijkheid om de vordering toe te lichten en om bewijsstukken in te dienen. De benadeelde partij kan echter geen getuigen of deskundigen op later roepen en tevens bestaat er geen mogelijkheid om rechters te laten wraken.69

Indien het slachtoffer is overleden, kunnen diens erfgenamen zich voegen op grond van de onder algemene titel verkregen vordering tot schadevergoeding.70 Bij de gegeven mededeling aan het slachtoffer omtrent de vervolging die tegen een verdachte is ingesteld, wordt een formulier voor voeging gevoegd.

63 Hoendervoogt e.a. 2013, p.32.

64 Van der Aa & Groenshuijsen, 2012, p.606. 65 Artikel 36f lid 7 Sr. 66 Artikel 51f lid 1 Sv. 67 Langemeijer 2010, p.89. 68 Langemeijer 2010, p.89. 69 Langemeijer 2010, p.89. 70 Artikel 51f lid 2 Sv.

(17)

De hiervoor beschreven voorschotregeling is alleen mogelijk indien er een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd na 1 januari 2016.71 Om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen dient er sprake te zijn van een veroordeling en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit teweeg is gebracht.72

2.7 Tussenconclusie

De positie van het slachtoffer in het strafproces is de afgelopen jaren sterk verstevigd. Het slachtoffer heeft nu meer rechten en kan zich als procesdeelnemer meer mengen in het proces. Waar het strafproces voorheen veelal dadergericht was, wordt de focus langzaam ook meer gevestigd op het slachtoffer. Zo heeft het slachtoffer met de ‘Wet Terwee’ een verstevigende positie verkregen als het gaat om de vordering tot schadevergoeding, in 2004 het recht om een schriftelijke verklaring in te dienen en in 2005 kwam daar het spreekrecht bij, ook voor de nabestaanden van het slachtoffer. Sinds de invoering van de wet in 2011, waarmee de positie van het slachtoffer verstevigd zou moeten worden in het strafproces, heeft het slachtoffer nog meer rechten gekregen. Er werd een aparte titel aan het Wetboek van Strafvordering toegevoegd waarin meer rechten werden neergelegd. Het slachtoffer kon rekenen op het recht op informatie over de mogelijkheden van schadevergoeding, recht op kennisneming van processtukken van het procesdossier, recht op rechtsbijstand, het recht op een tolk en het recht om te spreken op de zitting. Het recht om te spreken is op dat moment nog beperkt en mag alleen gaan over de gevolgen van het strafbare feit. In 2016 wordt de positie van het slachtoffer nog verder verstevigd. Naast de verkregen rechten in 2011 heeft het slachtoffer nu ook recht op meer informatie, het recht op een correcte bejegening, recht op vertaling van processtukken, bijstand van een tolk en recht op een voorschot van de toegekende schadevergoeding. Daarnaast kan het slachtoffer, indien het OM ervoor kiest om geen vervolging in te stellen, een artikel 12 procedure starten en een klacht indienen om de vervolging alsnog te laten plaatsvinden. Al met al is de positie als procesdeelnemer van het slachtoffer aanzienlijk verruimd en kan er met recht gezegd worden dat het slachtoffer daadwerkelijk deelneemt aan het proces.

71https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2015/12/23/per-1-januari-2016-voorschot-voor-alle-slachtoffers

<geraadpleegd op 5 mei 2017>

(18)

Hoofdstuk III Het spreekrecht voor spreekgerechtigden

3.1 Inleiding

In hoofdstuk II is een algemene weergave beschreven van de ontwikkeling van de positie van het slachtoffer en diens nabestaanden met de daarbij behorende rechten in het strafproces. Zoals in het vorige hoofdstuk werd besproken heeft het slachtoffer steeds meer rechten verkregen, één recht dat onbesproken is gebleven is het huidige spreekrecht in het Wetboek van Strafvordering. In onderstaand hoofdstuk wordt het huidige spreekrecht besproken.

3.2 Het spreekrecht

Het spreekrecht zoals we dat hedendaags kennen is ingevoerd met de Wet van 14 april 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en wijziging van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven ter uitbreiding van de mogelijkheid van uitkeringen aan nabestaanden (hierna: Wet onbeperkt spreekrecht).73 Het doel van deze wet was het opheffen van alle wettelijke belemmeringen voor het uitoefenen van het spreekrecht.74

Van het spreekrecht kan niet bij elk strafbaar feit gebruik worden gemaakt, dit kan alleen bij delicten waarop, naar de wettelijke omschrijving, een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Naast deze acht-jaars feiten wordt in het wetsartikel nog een aantal artikelen genoemd waarbij ook het spreekrecht kan worden uitgeoefend. Slachtoffers van de volgende feiten kunnen gebruik maken van het spreekrecht. Onder deze feiten valt het verbod op kinderpornografie (art. 240b Wetboek van Strafrecht. Hierna: Sr), het verbod op ontucht met wilsonbekwame (art. 247 Sr), het verleiden van minderjarige tot ontucht (art. 248a Sr), het verbod op prostitutie door een minderjarige (art. 248b Sr), het verbod op ontucht met misbruik van gezag (art. 249 Sr), verbod op koppelarij (art. 250 Sr), verbod op bedreiging (art. 285 Sr), het verbod op intimidatie (art. 285b Sr), eenvoudige mishandeling indien dit heeft geleid tot lichamelijk letsel of de dood ten gevolg heeft (art. 300 lid 2 en 3 Sr), mishandeling met voorbedachten rade indien het feit zwaar lichamelijk letsel oplevert of indien het feit de dood tot gevolg heeft (art. 301 lid 2 en 3 Sr), deelneming aan aanval of vechterij (art. 306 Sr), dood

73Stb 2016, 160.

(19)

door schuld (art. 307 Sr), zwaar lichamelijk letsel door schuld (art. 308 Sr), het verbod op afdreiging (art. 318 Sr) en het veroorzaken van een verkeersongeval (art. 6 WvW 1994).75 Het slachtoffer heeft het recht om vrij te spreken voor zover de verklaring gaat over de ervaringen van het slachtoffer. In beginsel geldt dat er geen vragen gesteld mogen worden en dat de verklaring niet voor weerlegging vatbaar is. Het spreekrecht is in die zin onbeperkt omdat spreekgerechtigden zich ook mogen uitlaten over de mogelijke bewezenverklaring, het strafbare feit, de schuld van de verdachte en de hoogte van de straf.76 De voorzitter en de rechters kunnen de spreekgerechtigde vragen stellen over de afgelegde verklaring. Indien de OvJ en/of de verdachte vragen willen stellen, dienen deze eerst voorgelegd te worden aan de voorzitter.77

3.3 Spreekgerechtigden

In artikel 51e lid 2 Sv wordt het spreekrecht toegekend aan het slachtoffer.78 Onder het slachtoffer vallen ook de nabestaanden van de persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit.79 Het spreekrecht kan dus zowel door het slachtoffer zelf worden gebruikt als door nabestaanden van het directe slachtoffer van het strafbare feit. Dit spreekrecht kan ook worden uitgeoefend door de vader of moeder van een minderjarig slachtoffer die een nauwe band met het slachtoffer heeft, of door een persoon die het minderjarige kind verzorgd en opvoedt en in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Het spreekrecht kan dan gezamenlijk of elk afzonderlijk gebruikt worden.80 Tot de slachtoffers die gebruik kunnen maken van het spreekrecht behoren ook minderjarige slachtoffers die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt. Dit geldt ook voor een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen.81 Indien het minderjarige slachtoffer de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, kan het spreekrecht worden uitgeoefend door zijn wettelijke vertegenwoordiger voor zover deze wettelijke vertegenwoordiging niet in strijd is met de

75 Artikel 51e lid 1 Sv.

76

https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Onbeperkt-spreekrecht-slachtoffers-en-nabestaanden.aspx <geraadpleegd op 5 mei 2017).

77 Artikel 302 Sv. 78 Zie §2.2.1.

79 Artikel 51a lid 1 onder a sub 2 Sv. 80 Artikel 51e lid 3 Sv.

(20)

belangen van de minderjarige. De wettelijke vertegenwoordigers kunnen op de terechtzitting een verklaring afleggen over de gevolgen, die de strafbare feiten zowel bij hen als bij het minderjarige slachtoffer, teweeg hebben gebracht.82 Wanneer het slachtoffer feitelijk niet bij machte is het spreekrecht uit te oefenen, kan het spreekrecht over de gevolgen van het strafbare feit worden uitgeoefend door de echtgenoot, de geregistreerde partner, een andere levensgezel van het slachtoffer, de bloedverwanten in rechte lijn, de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn.83

Het aantal spreekgerechtigden op een terechtzitting is niet ongelimiteerd. Wanneer er namelijk meer dan drie personen gebruik willen maken van het spreekrecht en zij het er niet over eens kunnen worden met elkaar wie er gaat spreken, beslist de voorzitter welke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken. De beslissing van de voorzitter laat onverlet dat de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het woord kan voeren ter uitoefening van het spreekrecht.84 Deze regel houdt in dat dus niet meer dan drie personen gebruik kunnen maken van het spreekrecht, waaronder in ieder geval de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van het directe slachtoffer.

3.4 Spreekgerechtigde als getuige?

Spreekgerechtigden worden uitdrukkelijk niet als getuigen aangemerkt. Indien zij informatie verschaffen in hun verklaring die als bewijs kunnen dienen, dan kan hun verklaring op dat punt alleen worden gebruikt wanneer zij als getuigen worden beëdigd.85 De verdachte en OvJ kunnen aan de spreekgerechtigde slechts vragen via de voorzitter stellen.86 Hier is een belangrijk verschil met het getuigenverhoor. In dit geval dient de voorzitter dus te bepalen of de vragen die de OvJ en de verdediging aan het slachtoffer willen stellen, uitsluitend betrekking hebben op de afgelegde verklaring.87 Deze manier van ondervraging kan volgens De Wilde niet gelijk gesteld worden met de ondervraging van een getuige, omdat de spreekgerechtigde niet wordt beëdigd als getuige en kan dus niet worden gegijzeld indien hij zonder verschoningsrecht weigert te verklaren.88 Omdat de spreekgerechtigde niet als getuige wordt gezien, zal de op de

82 Artikel 51e lid 6 Sv.

83 Artikel 51e lid 7 jo. artikel 51a lid 2 onder b Sv. 84 Artikel 51e lid 4 Sv.

85 De Wilde, 2015, p.110/111. 86 Artikel 302 Sv.

87 De Wilde 2015, p.111. 88 De Wilde 2015, p.112.

(21)

terechtzitting afgelegde verklaring niet als bewijs worden gebruikt. Via de OvJ kunnen de verdachte en de raadsman een getuige oproepen.89 De OvJ kan beslissen te weigeren een getuige op te roepen op grond van bijvoorbeeld de gezondheidstoestand van de getuige.90 Enkele personen kunnen zich verschonen van de plicht om te getuigen. Zo bestaat er ook een verschoningsrecht wegens een familiebetrekking en komt toe aan de echtgenoot of de ex-echtgenoot, de bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de zijlijn tot de derde graad.91 Op grond van artikel 338 Sv moet de rechter zich laten overtuigen door wettelijke bewijsmiddelen. Nu een verklaring van een spreekgerechtigde niet als een verklaring van een getuige gezien kan worden mag de rechter hier zich niet door laten leiden. Er kan echter niet uitgesloten worden dat de rechter beïnvloed wordt door de verklaring van de verdachte. De Wilde merkt op in zijn proefschrift dat dit lastig te controleren is nu de rechter niet verplicht is om te motiveren waar zijn overtuigingen op gebaseerd zijn.92 De verklaring van de spreekgerechtigde kan echter wel gebruikt worden voor de straftoemeting.93 De Hoge Raad heeft het gebruik van de verklaring van een spreekgerechtigde voor de straftoemeting geaccepteerd.94 Indien de rechter de verklaring van de spreekgerechtigde gebruikt voor de straftoemeting, is het aannemelijk dat de spreekgerechtigde ook binnen het begrip getuige valt, aangezien het dan gaat om een verklaring die heeft bijgedragen aan de beslissing van de rechter.95

De kwestie omtrent de verklaring van de spreekgerechtigde wordt iets gecompliceerder nu de spreekgerechtigde niet slechts geoorloofd is te verklaren over gevolgen van het strafbare feit, maar ook mag verklaren over de mogelijke bewezenverklaring, het strafbare feit, de schuld van de verdachte en de hoogte van de straf. Een verklaring over de voorgaande beschreven onderdelen hebben betrekking op de beraadslagingsvragen van de rechtbank. Het ligt voor de hand dat een verklaring omtrent deze factoren de rechten kan beïnvloeden en belastend kan zijn voor de verdachte. Hierdoor kunnen verscheidende rechten van de verdachte in het geding komen, zoals hieronder beschreven onschuldpresumptie en het ondervragingsrecht.

89 Artikel 263 Sv. 90 Langemeijer 2010, p.82. 91 Langemeijer 2010, p.83. 92 De Wilde 2015, p.114. 93 HR 2 oktober 2012, NJ 2012, 574. 94 ECLI:NL:HR:2012:BX5402. 95 De Wilde 2015, p.115.

(22)

Indien de rechter de verklaring van de spreekgerechtigde wil gebruiken als bewijsmiddel, moet deze onder ede verklaard worden en dus, zoals genoemd, beëdigd worden. Dit brengt mijns inziens een nadeel mee voor zowel de spreekgerechtigde als voor de procedure van de terechtzitting. Het nadeel voor de spreekgerechtigde is dat een beëdiging als getuige als zeer belastend kan worden aangemerkt. Door de beëdiging als getuige kunnen de OvJ en de verdediging de getuige bestoken met vragen. Daarnaast kan, indien een spreekgerechtigde in de vorm van getuige, niet meer verder wil verklaren maar wanneer dit wel nodig is voor het onderzoek, gegijzeld worden. Dit kan voor ten hoogste 12 dagen, hetgeen een behoorlijk lange periode is. Dit brengt dus een groot risico mee voor de spreekgerechtigde, waardoor zij wellicht geen of beperkt gebruik zullen maken van het spreekrecht. Dit kan er dus toe leiden dat het onbeperkte spreekrecht voor het slachtoffer niet goed tot zijn recht kan komen. Daarnaast kan het een belasting meebrengen voor de terechtzitting als de spreekgerechtigde beëdigd moet worden als getuige. Dit brengt namelijk met zich mee dat de verdachte nieuwe tijd moet krijgen om zijn verdediging voor te kunnen bereiden, waardoor het proces vertraagt kan raken, of wanneer de verdachte geen tijd krijgt voor de voorbereiding het recht op tijd en voldoende faciliteiten in het geding komt.96

3.5 Tussenconclusie

Het spreekrecht het slachtoffer is veelomvattend, want niet alleen is het spreekrecht onbeperkt, deze is ook nog eens niet voor weerlegging vatbaar en vragen vanuit de OvJ en de verdediging kunnen alleen gesteld worden via de voorzitter en de rechters. Niet voor iedereen is het spreekrecht weggelegd. Alleen degenen die slachtoffer zijn geworden van een strafbaar feit waar wettelijk een gevangenisstraf van acht jaar of meer wordt geriskeerd en voor bepaalde misdrijven zoals zedendelicten, geweldsmisdrijven of bedreiging. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling geweest van de wetgever om de spreekgerechtigde als getuige aan te merken waardoor, met name door de uitbreiding van het spreekrecht, een aantal rechten en waarborgen van de verdachte in het geding kunnen komen.

96 Waarover in hoofdstuk V meer.

(23)

Hoofdstuk IV Victim Participation Model

4.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken zijn de rechten van het slachtoffer in het strafproces en diens nabestaanden beschreven. In dit hoofdstuk wordt The Victim Participation Model van Douglas Beloof besproken. Achtereenvolgend worden de algemene beginselen bij dit beginsel en vervolgens het model, zoals Douglas Beloof zijn artikel heeft ingedeeld, per procesfase besproken.

4.2 Algemene beginselen van The Victim Participation Model

Beloof geeft in zijn model aan dat het participatiemodel drie belangrijke voorschriften omvat, namelijk rechtvaardigheid voor het slachtoffer, respect voor het slachtoffer en waardigheid voor het slachtoffer. De rechtvaardiging voor het verstrekken van participatierecht voor het slachtoffer is er volgens Beloof in gelegen om twee soorten schade te beperken en te voorkomen. De eerste schade die toegebracht wordt aan het slachtoffer is de primaire schade. Dit is de schade die opgelopen is als gevolg van het jegens het slachtoffer gepleegde strafbare feit. De tweede schade die kan worden toegebracht is de secundaire schade. Dit is de schade die toegebracht kan worden door overheidsinstanties, zoals het OM of de rechtbank.97 Deze beide schades plaatsen de belangrijke waardes als waardigheid, rechtvaardigheid en respect in context en vormen volgens Beloof de fundamentele basis voor participatie van het slachtoffer in het strafproces. De primaire schade is de basis voor deelname van het slachtoffer op grond van gelede schade, zowel materieel als immaterieel. Voorkomen van secundaire schade vormt de basis voor fundamentele rechten om slachtoffers met primaire schade te beschermen tegen overheidsinstanties.98 De intentie achter dit model is dat slachtoffers worden betrokken bij het strafproces. Bij een formeel proces mogen slachtoffers spreken indien dit van toepassing is en op een gepaste wijze kan gebeuren. Slachtoffers behoren te worden gehoord door de OvJ en de rechters.99

97 Beloof 1999, p.291.

98 Beloof 1999, p.291. 99 Beloof 1999, p.291.

(24)

Door slachtoffers te laten participeren in het strafproces wordt het belang van het individuele slachtoffer erkend. Voor het slachtoffer is de waarheidsvinding daarbij van groot belang.100 Participatie van het slachtoffer komt uit een beslissing van het slachtoffer zelf, met de uitzondering van het optreden als getuige natuurlijk. Indien het slachtoffer ervoor kiest om niet te participeren is er vanzelfsprekend een beperkte mogelijkheid om het proces te kunnen beïnvloeden. Deze keuze moet echter wel bij het slachtoffer blijven. Als deze het slachtoffer wordt ontzegd, resulteert dit in een oneerlijk proces voor het slachtoffer, het is oneerbiedig en doet een grote afbreuk aan de waardigheid van het slachtoffer. Ten slotte wordt de omvang van de secundaire schade groter indien deze keuze niet bij het slachtoffer wordt neergelegd.101

4.3 Participatie van het slachtoffer per procesfase

In zijn artikel bespreekt Beloof per procesfase het belang van participatie en de daarbij behorende rechten van het slachtoffer. In dezelfde, en tevens meest logische, volgorde zal ik deze in de navolgende paragrafen behandelen.

4.3.1 Aangifte van het strafbare feit

Het slachtoffer heeft zelf de keuze om aangifte te doen van het strafbare feit dat jegens hem gepleegd is. Immers, niet alleen het publieke belang is door het strafbare feit geschaad, maar juist ook het slachtoffer heeft hierdoor schade geleden. Om die reden moet de keuze om aangifte te doen, volgens Beloof, bij het slachtoffer liggen. Daarbij is het van belang dat dit het slachtoffer niet verplicht wordt. Uit deze keuze volgt de blijk van waardering en respect voor het slachtoffer. Deze keuze kan bevorderd worden door ondersteuning van maatschappelijke organisaties of door bijvoorbeeld de privacy en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer te beschermen. Deze aansporingen beogen impliciet te erkennen dat het slachtoffer degene is die schade heeft geleden en behoren daarmee een waardige en rechtvaardige behandeling te bieden.102

100 Beloof 1999, p.293.

101 Beloof 1999, p.293. 102 Beloof 1999, p.298.

(25)

4.3.2 Het opsporingsonderzoek

Indien het slachtoffer aangifte heeft gedaan van een jegens hem gepleegd strafbaar feit, heeft het slachtoffer recht op een officieel onderzoek naar dat strafbare feit. Het onderzoek dient professioneel en rechtvaardig te zijn en ten tijde van het onderzoek dient het slachtoffer op de hoogte te worden gesteld van de vorderingen van het onderzoek dat is ingesteld vanwege zijn aangifte. Er moet volgens Beloof een zinvolle procedure bestaan om een adequaat officieel onderzoek te waarborgen. Het ingestelde onderzoek van de staat en de verdediging mag geen inbreuk maken op het privéleven van het slachtoffer voor zover dat niet noodzakelijk is in het kader van het onderzoek, zodat de primaire en/of secundaire schade niet groter wordt. Hieronder valt bijvoorbeeld het niet vaker verhoren van het slachtoffer dan noodzakelijk wordt geacht.103

4.3.3 Het onderzoek ter terechtzitting

Het eerste recht van het slachtoffer in deze fase van het strafproces is het recht om de terechtzitting bij te wonen, een minimale voorziening in de participatie van het slachtoffer. Het slachtoffer verkrijgt dit recht omdat er primaire schade geleden is door het gepleegde strafbare feit, daarnaast is de kans groot dat het slachtoffer secundaire schade zal lijden indien hij niet aanwezig mag zijn bij de terechtzitting. Door het slachtoffer uit te sluiten van het onderzoek ter terechtzitting wordt het belang van het slachtoffer ontkent en kan dit als een offensief worden ervaren jegens het slachtoffer zelf en de beginselen van een respectvolle behandeling van het slachtoffer.104 Bij ernstige misdrijven, bij misdrijven waarbij het slachtoffer een zwak persoon is in de samenleving (zoals een kind of een gehandicapt persoon) of waar een conflict kan ontstaan tussen het slachtoffer en de OvJ heeft het slachtoffer het recht om zich bij te laten staan door een advocaat. Volgens Beloof zou het slachtoffer daarnaast een meer prominente plek in de gerechtszaal moeten krijgen. Hij is van mening dat er, naast de plek voor de verdediging en de OvJ, een tafel moet komen voor het slachtoffer en zijn advocaat. Dit is volgens Beloof van belang omdat het slachtoffer op die manier een reactie kan geven op verklaringen, ondervraging en oproeping van getuigen, zodat er bijvoorbeeld bezwaar kan worden gemaakt tegen bewijs en een reactie gegeven kan worden op het slotpleidooi van de verdediging en de OvJ. Indien het slachtoffer in deze fase participeert in het strafproces zijn het slachtoffer en zijn advocaat onderworpen aan dezelfde procesregels als de verdediging en de OvJ.105

103 Beloof 1999, p.299.

104 Beloof 1999, p.303. 105 Beloof 1999, p.303.

(26)

4.3.4 De veroordeling

Aangezien het slachtoffer degene is die geschaad is door het gepleegde strafbare feit, moet het slachtoffer volgens Beloof een mening kunnen geven over een gepaste straf én een advies kunnen geven over de veroordeling van de verdachte. Beloof geeft aan dat het slachtoffer het recht toekomt om de omvang en de gevolgen van de primaire schade te kunnen formuleren. Indien dit recht wordt ontkend kan dit namelijk secundaire schade veroorzaken. Het slachtoffer moet in de gelegenheid worden gesteld om de redenen te kunnen presenteren ter ondersteuning van zijn gegeven mening omtrent de gepaste straf. Deze redenen omvatten bijvoorbeeld informatie over het slachtoffer en de gevolgen van het gepleegde strafbare feit op het slachtoffer, de gevolgen voor de familie van het slachtoffer en de leden van de gemeenschap. Een rechter kan ervoor kiezen om de aanbevelingen van het slachtoffer te laten prevaleren boven die van de verdediging of van de OvJ. Een reden hiervoor kan zijn dat bijvoorbeeld de aanbevelingen van het slachtoffer het algemeen belang van de gemeenschap beter ondersteunen.106

4.3.5 Beroep

Naast de bovenstaande toegekende rechten aan het slachtoffer, moet het slachtoffer de mogelijkheid hebben om een bezwaar of beroep aan te tekenen tegen een beslissing waaruit volgt dat de participatierechten van het slachtoffer worden beperkt, genegeerd of ontkend. Daarnaast moeten slachtoffers de mogelijkheid hebben om op te kunnen treden tegen overheidsactoren die burgerrechten van slachtoffers schenden. Elke beslissing van een rechterlijke instantie waarin het slachtoffer geen gebruik kan maken van zijn rechten moet worden hersteld.107

4.4 Tussen conclusie

Door het participatiemodel van Beloof krijgt het slachtoffer een verstevigde positie in het strafproces. Deze worden door Beloof in verschillende stadia van het strafproces toebedeeld. Het slachtoffer heeft in de voorfase van het onderzoek het recht en de beslissingsvrijheid om aangifte te doen van het jegens hem gepleegde strafbare feit. Indien een vervolging van het strafbare feit begint heeft het slachtoffer het recht om te participeren in het strafproces. Hieruit vloeien verschillende deelrechten. Tijdens het proces moet het slachtoffer het recht krijgen om

106 Beloof 1999, p.305.

(27)

te verklaren over de gevolgen van het strafbare feit en volgens Beloof op dezelfde plek in de zaal zitten als de verdediging en de OvJ. Hierdoor ontstaat een vorm van equality of arms, ofwel een gelijkwaardig strafproces van partijen. Ten tijde van de veroordeling moet het slachtoffer zijn mening kunnen geven over de gepaste straf, waarbij hij zijn mening kan beargumenteren waarom een bepaalde straf gepast is. Daarbij kunnen redenen worden aangevoerd met betrekking tot de gevolgen voor het slachtoffer zelf, zijn familie of andere leden van de gemeenschap. Volgens Beloof dienen deze rechten te worden toegekend om primaire schade te beperken en de secundaire schade te voorkomen. De legitimatie voor het verstrekken van participatierechten aan het slachtoffer is daarin gelegen. De onderliggende waardes voor het model van Beloof zijn rechtvaardigheid, respect en waardigheid voor het slachtoffer en dienen altijd in ogenschouw te worden gehouden.

(28)

Hoofdstuk V Waarborgen en rechten van de verdachte

5.1 Inleiding

In de vorige hoofdstukken zijn de rechten van het slachtoffer in het strafproces en het spreekrecht beschreven. De uitgebreide rechten van het slachtoffer kunnen een beperking opleveren voor de rechten van de verdachte. Om het recht van het slachtoffer en de rechten van de verdachte te kunnen evalueren, met het participatiemodel van Beloof, is het van belang om ook de rechten van de verdachte scherp te hebben. In dit hoofdstuk worden voor deze scriptie de belangrijkste rechten van de verdachte besproken. Eerst wordt het eerlijk proces behandeld, in deze paragraaf worden de onschuldpresumptie en de verdedigingsrechten besproken. Bij de behandeling van de verdedigingsrechten wordt het recht op voldoende faciliteiten en tijd voor een goede voorbereiding en het recht om getuigen te kunnen horen besproken. Ten slotte wordt een tussenconclusie gegeven van dit hoofdstuk.

5.2. Recht op een eerlijk proces

Iedere verdachte heeft het recht op een eerlijk proces, neergelegd in artikel 6 Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Er is daarbij sprake van een verdachte indien er sprake is van een criminal charge. Om vast te stellen of er sprake is van een criminal charge wordt door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aan drie criteria getoetst. Ten eerste dient er gekeken te worden of de overtreding tot het strafrecht van het nationale recht behoort. Daarnaast dient er gekeken te worden naar de aard van de overtreding en ten slotte dient er betekenis toegekend te worden aan de aard, karakter en de zwaarte van de straf, waarbij het lijkt dat indien er een vrijheidsstraf wordt geriskeerd, er in ieder geval sprake is van een criminal charge.108 In deze paragraaf worden bepaalde rechten uit artikel 6 EVRM beschreven.

Voor de vraag of de procedure in zijn geheel als een eerlijk proces kan worden beschouwd zijn vier maatstaven van belang. Ten eerste moet men zich afvragen of er de mogelijkheid is geweest om de betrouwbaarheid van het bewijs te betwisten. Daarbij is ten tweede van belang dat bewijs aangevochten kan worden. Als derde maatstaf dient er geoordeeld te worden op welke manier het bewijs vergaard is en ten slotte is het van belang of er sprake is van steunbewijs.109

108 ECLI:NL:XX:1984:AC9954 § 49-50 (Öztürk). 109 Fedorova 2012, p.338.

(29)

5.2.1. Onschuldpresumptie

De onschuldpresumptie, opgenomen in artikel 6 lid 2 EVRM, houdt in dat eenieder tegen wie een vordering is ingesteld onschuldig is, totdat zijn schuld in recht is komen vast te staan. De onschuldpresumptie brengt met zich mee dat de leden van de rechtbank niet met het vooropgestelde idee dat de beschuldigde het ten laste gelegde misdrijf heeft gepleegd de zaak beginnen. De bewijslast ligt bij het OM en bij twijfel moet de beschuldigde in het voordeel zijn. Daarbij is het van belang dat het OM de beschuldigde informeert, zodat hij zijn verdediging kan voorbereiden. Indien de bewijslast verschuift van het OM naar de verdediging wordt er een inbreuk gemaakt op de onschuldpresumptie van de verdachte.110 Het EHRM heeft in Falk v. Nederland111 beslist dat het recht om als onschuldig te worden beschouwd, geen absoluut recht is van de verdachte. Artikel 6 lid 2 EVRM vereist dat vermoedens van schuld binnen redelijke grenzen worden beperkt. Er dient rekening te worden gehouden met de belangen en de verdedigingsrechten van de verdachte.112 Oftewel; de middelen moeten redelijk evenredig zijn aan het legitieme doel dat wordt beoogd te bereiken.

Ook in het Nederlandse strafprocesrecht is de onschuldpresumptie opgenomen. In artikel 271 lid 2 Sv staat dat de voorzitters noch één van de rechters op terechtzitting een blijk mag geven van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte. Uit de onschuldpresumptie vloeien deelrechten voort, zoals het recht voor de verdachte om te zwijgen en om zichzelf niet te hoeven belasten, het nemo-tenetur-beginsel.

5.2.2. Verdedigingsrechten

In het derde lid van artikel 6 EVRM worden de verdedigingsrechten van de verdachte ten tijde van het strafproces weergegeven. In deze paragraaf wordt het recht op tijd en faciliteiten voor een goede voorbereiding en het recht om getuigen te kunnen horen van artikel 6 lid 3 EVRM besproken.

110 Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, p.34.

111 EHRM 19 oktober 2004, 66273/01 (Falk t. Nederland).

(30)

5.2.2.1 Recht op tijd en faciliteiten voor een goede voorbereiding

Het recht om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van de verdediging is opgenomen in artikel 6 lid 3 onder b van het EVRM. Dit recht moet opgesplitst worden in twee onderdelen; het recht op voldoende tijd en het recht op voldoende faciliteiten.

Recht op voldoende tijd

Ten eerste het recht op voldoende tijd. Dit recht beschermt de verdachte tegen een te gehaast proces. Voldoende snelheid in het proces is van belang, maar dit mag niet ten koste gaan van de procedurele rechten van de verdachte. Of de verdachte voldoende tijd heeft gehad voor de voorbereiding van zijn verdediging hangt af van de complexiteit van de zaak en de procedure. Indien er bepaalde gebeurtenissen, zoals wijzigingen in de aanklacht of nieuw bewijs, plaatsvinden dient de verdediging meer tijd te krijgen om zijn verdediging voor te bereiden.113 Voldoende faciliteiten

Het recht op voldoende faciliteiten valt uiteen in twee onderdelen, toegang tot bewijs en overleg met een advocaat. Voor de toegang tot bewijs is het voldoende dat de verdachte op de hoogte wordt gesteld van het door hem in zijn dossier ingediende materiaal. Een beperkte toegang tot het dossier is toegestaan, wel moet voordat de zaak begint het bewijs overlegd worden aan de verdediging. Niet voldoende is dat de verdachte mondeling, op terechtzitting, op de hoogte wordt gesteld van het bewijs.114 De verdachte mag namelijk niet belemmerd worden bij het verkrijgen van kopieën van relevante documenten. Toch is het recht niet absoluut, in sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om bepaalde documenten niet te overleggen met het oog op de nationale veiligheid, de noodzaak om getuigen te beschermen of ter bescherming van het onderzoek. Indien ontlastend bewijsmateriaal voor de verdachte niet overlegd wordt, kan dit een inbreuk of schending opleveren van het in artikel 6 lid 3 sub b neergelegde recht.115 Het tweede onderdeel, overleg met een advocaat, houdt in dat de verdachte voldoende tijd moet krijgen om met zijn advocaat te overleggen over de te voeren verdediging. Dit recht overlapt met het recht op rechtsbijstand.116

113 Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, p.41. 114 Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, p.42. 115 Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, p.42/43. 116 Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, p.43.

(31)

5.2.2.2 Recht op het horen van getuigen

Het voor dit onderzoek belangrijkste recht is het recht op het kunnen horen van getuigen. Dit recht is opgenomen in artikel 6 lid 3 onder d van het EVRM. Onder dit recht valt dat een verdachte een getuige à charge te ondervragen of te doen ondervragen en na het oproepen de getuige vervolgens à décharge te kunnen ondervragen. Daarbij is van belang dat de verdachte de geuite beschuldigingen moet kunnen weerleggen door middel van ondervraging van de getuigen en ook op een gelijkwaardige voet als de aanklager getuigen kunnen oproepen.117 Op grond van artikel 6 lid 3 onder d EVRM moeten alle bewijzen tegen de verdachte in zijn aanwezigheid op een openbare zitting gepresenteerd zijn voordat de verdachte veroordeeld kan worden.118 Dit volgt uit het onmiddellijkheidsbeginsel en het beginsel van externe

openbaarheid.119 Dit betekent niet dat elke getuige door middel van directe ondervraging

ondervraagd hoeft te worden, er dient voor de verdediging een adequate en voldoende gelegenheid te zijn geweest om de getuige te kunnen ondervragen.120 Uitzonderingen zijn geoorloofd, maar mogen geen inbreuk maken op de rechten van de verdachte. Het EHRM heeft uitgemaakt dat het recht om getuigen te horen geen absoluut recht is en dat er uitzonderingen op het ondervragingsrecht mogelijk zijn.121 Om te beoordelen of er een inbreuk wordt gemaakt op het ondervragingsrecht dienen er drie vragen gesteld te worden. Ten eerste moet men zich afvragen of er een goede reden is om af te zien van het horen van getuigen. Dit kan bijvoorbeeld de gezondheid van de getuige betreffen. Indien de rede niet goed genoeg is kan het zo zijn dat er een schending van het recht om getuigen te horen is.122 Daarnaast moet geoordeeld worden of de getuigenverklaring ‘sole or decisive’ (uitsluitend of van beslissende mate) bewijs is. Voor het beslissende bewijs is het van belang dat de verklaring van de getuige niet van doorslaggevend belang mag zijn. Wanneer dit wel zo is, kan het steunbewijs in de procedure belangrijk zijn. Hoe meer steunbewijs aanwezig, hoe aannemelijker het is dat een verklaring van een getuige niet van doorslaggevend belang zal zijn.123 Dit hoeft niet te betekenen dat elk stukje bewijs beslissend behoeft te zijn, of indien er een goede reden is om af te zien van het ondervragingsrecht en het bewijs is van doorslaggevende mate, dat het proces als oneerlijk

117 Fedorova 2012, p.337.

118 Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, p.47. 119 Fedorova 2012, p.339.

120 Fedorova 2012, p.339.

121 ECHR 15 december 2011, 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery) 122 ECHR 15 december 2011, 26766/05 & 22228/06 §120 (Al-Khawaja & Tahery) 123 Fedorova 2012, p.340.

Referenties

GERELATEERDE DOCUMENTEN

Copyright and moral rights for the publications made accessible in the public portal are retained by the authors and/or other copyright owners and it is a condition of

- Het is onduidelijk welke inventarisatiemethode gevolgd wordt: op welke manier de trajecten afgebakend worden en welke kensoorten (gebruikte typologie) specifiek worden

Bij slachtoffers en hun naasten kan wat betreft de ruimtelijke privacy worden gedacht aan onder meer het, als gewenst, vermijden van confrontaties met de verdachte, pers en

Er zijn tijdens de survey 2 mosselstrata (M1 &amp; M2) en 3 kokkelstrata (K1 t/m K3) onderscheiden met ieder een andere verwachting voor het aantreffen van de mosselen en

Ik kom dan nu toe aan de vraag wat de implicaties zijn van deze analyse voor de positie van de gedupeerde partij in het strafproces en herstelrecht.. Mijn voorstellen zouden

Door de gedupeerde voice te geven binnen het strafproces kunnen de sacrificiële trekken ervan wellicht zowel voor het slachtoffer zelf als voor de dader worden verzwakt.. 5

14Voorgesteld wordt om hiervoor preferenties te reserveren die uit de uit- zonderingsmarge der industriële landen komen.. eventueel begeleidt door additionele hulp15. Tegen

Veel van dit materiaal is heden ten dage voor de bouw in- teressant; tras, gemalen tuf is zeer geschikt als specie voor waterdicht metselwerk.. Bims, puimsteenkorrels tot