Een onderzoek naar de oorzaken en de bestrijding van het z.g.n. van den wortel gaan van narcissen en hyacinthen

106  Download (0)

Full text

(1)

RIJKSLANDBOUWPROEFSTATION GRONINGEN.

Een onderzoek naar de oorzaken en de bestrijding van

het z.g.n. van den wortel gaan van Narcissen

en Hyacinthen

DOOR

Dr. F. C. GERRETSEN, Dr. D. J. HISSINK, Ir. K. VOLKERSZ en Dr. K. ZIJLSTRA.

(Ingezonden 31 Mei 1927).

I N L E I D I N G .

Sinds eenige tientallen van jaren h a d m e n i n de practijk geconsta-teerd, dat vaak narcissen op bepaalde plekken slecht groeiden en spoediger afstierven dan normaal het geval was. Zoolang h e t duidelijk inzicht in het ziektebeeld ontbrak, werd h e t optreden aan geheel verschillende oorzaken toegeschreven als verzuring, infectie, k w a d e grond etc. Vooral in de laatste j a r e n was het aantal zieke plekken i n de narcissen zeer toegenomen, niet alleen schijnbaar doordat m e n meer aandacht aan het ziektebeeld begon t e schenken, m a a r in het bijzonder door de sterke uitbreiding die de narcissencultuur onderging tengevolge v a n de gunstige financieele r e s u l t a t e n .

H e t onderzoek, door het Phytopatbologisch i n s t i t u u t te Wageningen verricht, t e n einde na t e gaan, in hoeverre m e n m e t een parasitaire ziekte t e doen had, leverde geen positieve r e s u l t a t e n op, weshalve geadviseerd werd h e t onderzoek in de richting van chemische bodem-analyse voort t e z e t t e n .

Aanvankelijk m e e n d e m e n eenige aanwijzingen t e vinden, dat inder-daad de oorzaak gezocht moest worden in den bodem : in den grond afkomstig van een enkele zieke plek werd nitriet aangetoond en het advies l u i d d e : „ o n t w a t e r e n , goed bewerken en b e k a l k e n " . E e n l a t e r onderzoek gaf als r e s u l t a a t een abnormale verhouding t u s s c h e n h u m u s -zuren in de goede en slechte plekken, zoodat ook hier h e t advies op bekalking neerkwam. Ondertusschen was in 1921 door den Eijkstuin-bouwconsulent te Lisse bij het Eijkslandbouwproefstation t e Groningen

(2)

303

een onderzoek aanhangig gemaakt betreffende het verband tu ssc he n de bolleneultures en verschillende grondsoorten, wat tevens een leiding was om ook aan de zieke plekken in de narcissen speciale aan-dacht te wijden, in het bijzonder langs de richtlijnen v a n p H , kalk-gehalte en bekalking, vooral ook o m d a t de practici, wanneer iets-dergelijks in de h y a c i n t h e n optrad, vaak bekalking toepasten.

Door dit onderzoek, dat verricht werd door de toenmalige B o d e m -kundige Afdeeling v a n het Eijkslandbouwproefstation, werd positief aangetoond, dat de oorzaak van de ziekte onmogelijk kan liggen in d e n a t u u r - en scheikundige samenstelling van den grond en dat m e n dus in een andere richting zou m o e t e n zoeken, weshalve in 1922 d e hulp werd ingeroepen van de Botanische en Bacteriologische afdee-lingen van het Eijkslandbouwproefstation t e Groningen.

Bij h e t bacteriologisch onderzoek van den grond bleek, dat het verloop v a n de nitrificatie in gronden, afkomstig van vijf verschillende tuinen geheel normaal verliep en dat er geen noemenswaardige ver-schillen optraden in nitrificatiesnelheid tusschen de zieke en gezonde plekken dezer tuinen. Zooals bekend, kan de nitrificatiesnelheid i n een aantal gevallen eenige aanwijzingen geven o m t r e n t een meer of minder gunstige bodemconditie. I n dit geval trad steeds binnen 3 weken een sterke nitraatreactie op, zonder dat in dien tijd aantoon-bare hoeveelheden nitriet gevormd waren. Hierdoor was h e t onwaar-schijnlijk, dat nitrietvorming voor de directe of indirecte oorzaak v a n het verschijnsel moest worden gehouden.

Van andere zijde heeft m e n de oorzaak gezocht in de aanwezigheid v a n sulfiden tengevolge van bacteriologische reductieprocessen. *) Ook deze veronderstelling bleek onhoudbaar, daar de ziekte op t a l v a n plaatsen voorkwam, waar de condities voor het optreden van deze reductieverschijnselen geheel afwezig waren en waar dan ook geen sulfiden aantoonbaar bleken.

N a a r m a t e m e n m e e r op de verschijnselen ging letten, t r a c h t t e m e n het euvel m e t verschillende middelen te bestrijden. E e n van de meest gebruikelijke m e t h o d e n was wel h e t zgn. delven, waarbij de grond tot op drie steek ( = ± 75 cm.) werd omgewerkt, zoodanig, dat de boven-grond onder en de onderboven-grond boven k w a m . Dit was alleen dààr mogelijk, waar in den ondergrond geen veen of zware klei voorkwam en gaf inderdaad in het eerste jaar vaak een m e e r of minder belangrijke verbetering. Dit was echter zelden blijvend en vaak ook slechts schijn, o m d a t m e n op die plekken het tweede jaar een ander gewas ging telen, terwijl dan later bleek, dat de plek toch weer t e voorschijn k w a m , wanneer de grond weer voor de narcissencultuur in gebruik genomen werd.

Ook paste m e n in de practijk nogal vaak bekalking toe, soms m e t eenig resultaat, doch het m e e s t waarschijnlijk is, dat in die gevallen

(3)

304

het resultaat te wijten was aan de intensievere grondbewerking, die bijna steeds met die bekalking gepaard ging.

I n enkele gevallen heeft m e n den grond ook wel zgn. „ u i t g e v a r e n " , dat wil zeggen twee of drie steek uitgegraven en weggebracht en geheel door nieuwen goeden grond vervangen. Ook deze m e t h o d e leverde geen blijvend succes en was bovendien uiterst kostbaar.

Doordat m e n langzamerhand steeds meer aandacht aan de ziekte was gaan schenken, was ten slotte ook het ziektebeeld duidelijker vastgesteld.

Ziektebeeld van het te velde staande gewas.

Op de zieke plekken ziet m e n vaak reeds bij het begin v a n den groei de planten achterblijven, doch in de meeste gevallen is dit niet sprekend, uitgezonderd wanneer de bollen pas het 2de jaar worden opgenomen, zooals bij Nare. poeticus ornatus vaak geschiedt. D a n zijn de plekken bij het begin van den groei in het 2de jaar en zelfs reeds bij het opkomen duidelijk waar t e n e m e n . (Zie foto fig. g.)

Bij de eenjarige cultures ziet m e n de ziekte eerst duidelijk naar voren k o m e n tegen het einde van den groei, in de periode der grootste verdamping. De p l a n t e n s t a a n lager en dunner in het kruid, de toppen der bladeren zijn geel en op de flink zieke plekken zijn vaak de meeste p l a n t e n reeds afgestorven, terwijl de gezonde planten nog groen staan, waardoor in die periode de grens tusschen gezonden en zieken grond vrij scherp n a a r voren k o m t . H a a l t m e n de zieke p l a n t e n uit den grond, dan blijkt, dat het wortelstelsel grootendeels is afgestorven. Op doorsnede zijn de bollen volkomen gezond, terwijl meerdere, overigens gave, wortels dikwijls kleine bruine plekjes vertoonen. (Zie foto's fig. b en c.)

De ligging der plekken is willekeurig, soms midden in het land, soms aan den kant, nu eens in de laagte, dan weer op hoogere plaatsen, zoodat m e n niet den indruk krijgt dat hiervoor eenige regel geldt. Wel k o m e n de volgende jaren de bestaande plekken op dezelfde plaats weer t e r u g en breiden zij zich geleidelijk uit, in den regel langzaam, bijv. in 1 à 2 jaar niet verder d a n een meter, doch soms ook heel snel, waar-schijnlijk in verband m e t het vast blijven s t a a n van de narcissen, zooals bij Ornatus, waarbij zeer vaak betrekkelijk onbelangrijke plekjes van het eerste jaar zich in het tweede jaar onrustbarend vergroot hebben.

Meermalen is het, vooral in de laatste jaren, voorgekomen, dat in sommige t u i n e n de ziekte plotseling in vrij hevige m a t e optrad op plaatsen, waar m e n er vroeger nooit iets van gemerkt had, ook op gronden, die nieuw in cultuur genomen zijn, zoodat de oorzaak niet kan liggen in een zekere bodemmoeheid tengevolge v a n herhaalde

cultuur van narcissen; toch werkt dit laatste het verschijnsel in de h a n d .

(4)

805

Hoewel het onderzoek zieh aanvankelijk beperkte tot de narcissen, bleek al spoedig, dat dergelijke plekken ook in de hyacinthen voor-kwamen, terwijl soms op dezelfde plaatsen waar de narcissen ziek werden, ook de hyacinthen van den wortel gingen. H e t ziektebeeld is hier analoog aan dat van de narcissen. W a t betreft de gevoeligheid v a n de verschillende narcissen-soorten is gebleken, dat heel vatbaar, is de geheele groep Nare. poeticus (en in 't bijzonder ornatus) ; verder ook bicolor Victoria, E m p e r o r iets minder, Glory of Leyden, M a d a m e de Graaf, Ajax, Mad. P l e m p .

Bij de h y a c i n t h e n zijn het vooral de fijnwortelige soorten, die van de ziekte te lijden hebben, o.a. Gertrude, Queen of t h e P i n k s , Yellow H a m m e r .

Tulpen hebben van deze ziekte waarschijnlijk weinig hinder.

De Schade.

De bollen van de zieke planten zijn in het algemeen volkomen gaaf, alleen het wortelstelsel is grootendeels afgestorven, terwijl er vaak een gewichtsafname te constateeren is in plaats van de normale t o e n a m e .

W a n n e e r de bollen, afkomstig van zelfs flink zieke plekken, het volgende jaar in gezonden grond worden geplant, groeien ze uitstekend en leveren een normaal gewas, zoodat de ziekte niet aan den bol, doch geheel aan den grond gebonden is. Men heeft om die reden in som-mige gevallen tuinen geheel verlaten, omdat de cultuur daar steeds mislukte, waartoe m e n slechts zelden overgaat, daar de oppervlakte, die voor de cultuur van bloembollen geschikt is, beperkt is.

E e n indruk van den omvang der schade, welke door deze ziekte aan het gewas wordt toegebracht, krijgt m e n uit de volgende cijfers.

Bij den kweeker TANIS werd geoogst van een gezond gedeelte van een tuin, beplant m e t Nare. poeticus ornatus per bed van 2 J E . B .

47,2 45,4 en 47,1 E . G . = gem. 46,6 E . G . van het zieke perceel daarentegen

9,1 8,3 en 9,4 E . G . = gem. 8,9 E . G .

Bij den kweeker VERDEGAAL was de opbrengst van Nare. Victoria van de gezonde bedden (van 3 B . R . lengte) 64 à 70 E . G . , van de zieke bedden gemiddeld 26 E . G . , waarbij nog moet worden opgemerkt, dat de bedden niet egaal ziek waren, in welk geval de opbrengst op niet meer dan 18 à 20 E . G . geschat werd.

De financieele schade is natuurlijk afhankelijk van de marktprijzen; bij een sterk zieke plek en de in 1925 geldende (vrij hooge) prijzen bedroeg bij de h y a c i n t h e n de schade per bed ongeveer f 60—f 70. Bij één firma bedroeg de schade in de narcissen van 135 zieke bedden f 4725. Gezien het feit, dat deze plekken vrij veelvuldig voorkomen, kan m e n zeker zijn, dat de schade, welke er door veroorzaakt wordt,

(5)

306

zeer belangrijk is, niet alleen door de geringere opbrengst aan bollen, m a a r ook, omdat dergelijke gronden verder voor de cultuur van ver-schillende bolgewassen ongeschikt zijn.

W a a r m e t het mislukken v a n zelfs enkele bedden vaak groote be-dragen gemoeid zijn, is het te begrijpen, dat bij de bestrijding van deze ziekte zelfs een betrekkelijk kostbare behandeling v a n den grond nog rendabel kan zijn en m e n hierdoor in de gelegenheid is om mid-delen toe t e passen, die voor geen andere cultuur in a a n m e r k i n g zouden komen.

Oriënteerend onderzoek.

W a a r het alzoo den schijn had, dat het wortelstelsel van de plant het ergst van de ziekte te lijden had, lag het voor de h a n d het wortel-stelsel der zieke plant aan een nauwkeurig onderzoek t e onderwerpen, hetgeen door de Botanische afdeeling van het Eijkslandbouwproef-station ter h a n d genomen werd.

Dit microscopisch-anatomisch onderzoek, waarover aanstonds nadere bijzonderheden, wees in de richting v a n een schimmelinfectie; de vraag of deze infectie de primaire oorzaak van de ziekte was of wel een begeleidend verschijnsel tengevolge van een verzwakking van het plantenorganisme onder invloed van ongunstige uitwendige fac-toren, is hiermede niet opgelost. Positieve aanwijzingen hieromtrent k u n n e n op tweeërlei wijze verkregen worden, nl. door de isolatie v a n de schimmel en geslaagde infectieproeven, en door in den zieken grond alle eventueel aanwezige microben te dooden en na te gaan, of de daarna geplante bollen al dan niet gezond blijven.

D a a r h e t ons voorkomt, dat de eerstgenoemde werkwijze meer ligt op den weg van den phytopatbologischen dienst, en bovendien het isoleeren van de schimmel groote moeilijkheden opleverde, hebben wij in de eerste plaats het steriliseeren en desinfecteeren van den grond toegepast, zoowel door w a r m t e als m e t behulp van chemische stoffen, welk onderzoek door de Bacteriologische afdeeling ter h a n d werd ge-n o m e ge-n ige-n samege-nwerkige-ng m e t de Botage-nische afdeelige-ng ege-n dege-n Bijks-tuinbouwconsulent te Lisse. r)

H e t meest overtuigende zou in dit geval een proef zijn, waarbij geen chemicaliën aan den grond werden toegevoegd, doch de grond een-voudig m e t stoom gesteriliseerd werd. Voor dat doel werd een hoeveel-heid grond, afkomstig van een ziek perceel t e Lisse, op verschillende t e m p e r a t u r e n door stoom onder druk gesteriliseerd. 2)

1) I n r u i m e m a t e h e b b e n wij hierbij medewerking o n d e r v o n d e n van de H H . W. F . A. G R I M M E , Drs. M. A. J . GOEDEWAAGEN, B. D O N K en Dr. J . SACK, w a a r v o o r wij ook hierbij onzen d a n k b e t u i g e n .

t) l.'e r e s u l t a t e n van enkele analoge p r e e v e n , n a gemeenschappelijk overleg, door ijT. E. v. SLOGTEREN genomen, zijn n i m m e r in ons bezit gekomen.

(6)

307

Om t e constateeren of de grond eventueel hierdoor in een abnor-male conditie k w a m , werd ook een partij gezonde grond gesteriliseerd, terwijl alles vergeleken werd m e t ongesteriliseerde grond, zoowel ziek als gezond. De proeven werden gedaan aan de Bijkstuinbouwschool te Lisse, waarbij de grond in zgn. Grèsbuizen van 70 c.M. lengte en 20 c.M. diameter werd gebracht, welke buizen in den grond werden ingegraven.

Elke buis werd beplant m e t 5 even groote bollen van Narcis poeti-cus ornatus. Reeds na 1 jaar t r a d e n verrassende verschillen op. D e bollen werden door een misverstand niet het 2de m a a r het 3de jaar geoogst.

Wijze van behandeling.

Oogstgewicht van 20 bollen

zieke grond. gezonde grond.

Onbehandeld Gesteriliseerd op 100° id. 120° id. 135° 435 gr. 1148 „ 1352 „ 1146 „ 1230 gr. 1380 „ 1502 „ 1442 ,,

H e t is duidelijk, dat door het steriliseeren de groeivoorwaarden voor de bollen in 't algemeen verbeterd zijn geworden, o m d a t ook de normale grond meer heeft opgebracht. Ook schijnt het, dat sterilisatie bij een te hooge t e m p e r a t u u r m i n d e r gunstig is dan bij iets lagere t e m p e r a t u u r . Zeer duidelijk echter blijkt het, dat de zieke grond, dank zij de sterilisatie, zoo goed als geheel normale opbrengst heeft gegeven, w a a r m e e het zeer waarschijnlijk wordt, dat m e n hier inder-daad m e t een bodemorganisme te doen heeft. H e t onderzoek is dan ook in deze richting voortgezet.

Voordat wij uitvoeriger ingaan op de onderzoekingen inzake de gronddesinfectie, geven wij hier eerst een overzicht van het scheikundig en natuurkundig onderzoek van een aantal bollengronden en van het botanisch onderzoek der wortels van zieke narcissen.

§ 1. Het scheikundig en natuurkundig onderzoek van een

aantal bollengronden.

I n den zomer van 1921 werden in verschillende tuinen een aantal vlak bij elkander gelegen goede en slechte plekken bemonsterd. De gronden zijn onderzocht op koolzure kalk ( C a C 03) , organische stof (gloeiverlies), uitwisselbare kalk (kalk in de organische stof) en

(7)

zuur-308

graad ( p H ) . Bovendien werd een gedeelte van de grondmonsters op mechanische samenstelling onderzocht. l)

Hieronder volgen nog eenige gegevens, aan het schrijven van den Eijkstuinbouwconsulent van 25 Augustus 1921 ontleend :

De t u m A te Sassenheim werd in het voorjaar van 1920 bemest m e t 1 kruiwagen koemest per vierkante Eijnl. Hoe, en beteeld m e t heereboonen, die een goed gewas opleverden. Najaar 1920 werden er zonder verdere bemesting narcissen op geplant. I n 1918 en 1919 is niet bemest en beteeld m e t narcissen, beide jaren een best gewas. De ziekte heeft zich dit voorjaar (1921) op dien t u i n voor het eerst geopenbaard : vroeg afsterven, bruine wortels.

H e t terrein van den tuin C te Xoordwijkerhout is in 1909 en 1910 opgehoogd m e t 1\ M3. duinzand per vierkante Eijnl. E o e . Hoeveel er later nog is opgebracht, i s , n i e t precies meer bekend, doch totaal is op de E . E . ongeveer 2 M3. gekomen en het terrein 15 à 20 c.M. opgehoogd.

Betreffende het terrein van t u i n E t e Noordwijkerhout k u n n e n nog de volgende gegevens verstrekt worden : vóór ± 20 jaren was het bosch, zandgrond, enkele m a l e n bezand met kalkarm zand. Onder-grond tot den waterspiegel: veen. Hoogteligging + 60 c.M. boven den w a t e r s t a n d ; afwatering voldoende (draineerbuizen). Vruchtw's-seling driejarig, n.1. narcissen, geen bolgewas (erwten, boonen), t u l p e n ; dan weer narcissen, enz. De narcissen waren in October 1920 bemest m e t 1 K . G . patentkali per vierkante E . E . en 1 J a n u a r i 1921 nog | K.G. zwavelzure ammoniak. H e t gedeelte, beplant m e t Victoria, najaar 1920 ook nog J K . G . slakkenmeel. De ziekte heeft zich dit jaar voor 't eerst geopenbaard. De groote zieke plek in de „ V i c t o r i a " houdt op bij het hoofdpad; aan den anderen kant hiervan zijn de E m p e r o r s gezond.

Tuin B bevatte geen zieke plekken. De grond van dezen t u i n werd in het onderzoek opgenomen, o m d a t zich hier op sterk zuren grond ( p H = 4) prachtige narcissen van Sion ontwikkelden.

De r e s u l t a t e n van het onderzoek zijn in tabel I opgenomen.

1) Voor de m e t h o d e n van grondonderzoek wordt verwezen n a a r de verhandelingen, die reeds in deze Verslagen verschenen zijn. De methode van het mechanisch grond-onderzoek is in N ° . X X X I (1926) beschreven. H i e r zij nog h e t volgende o p g e m e r k t . ATTERBERG heeft als grenzen voor zijne fractie's d e volgende w a a r d e n a a n g e n o m e n

( d i a m e t e r in duizendste m i l l i m e t e r s ) : 2 — 20 — 200 — 2Ö(M>; d a t wil dus zeggen, dat. de deeltjes van fractie I kleiner zijn d a n 0,002 m i l l i m e t e r ; die van fractie I I liggen tusschen 0,002—0,02 m i l l i m e t e r ; e n z . B e r e k e n t men evenwel deze fractie's uit de formule van STOKES (zie V e r s l a g e n X X X I , blz. 285 en verder 313), d a n vindt m e n d e grenzen : 2 — 16 — 76 — 20IK). Onder klei wordt nu de som van fractie I + I I v e r s t a a n , d a t zijn dus de deeltjes kleiner d a n 0,016 millimeter d i a m e t e r (of volgens ATTERBERG 0,020 m i l l i m e t e r ) . Op h e t Bodemkundig Congres t e W a s h i n g t o n in 1927 zal g e t r a c h t worden, deze zaak definitief t e regelen.

(8)

309 T A B E L I . Plaats van her-komst. Tui n A , Sassenheim . Tui n B . Sassen -heim . ^3 Tui l No c wijk e

.s 1 <

a

°

s

c fc 1 -^ 1 - to d » . a •+-> < t-i a O Grond-monster N°. B. 960 961 962 963 964 965 966 967 968 969 Stand dei- Nar-cissen. Ziek. Gezond. Gezond. Ziek. Gezond. 993 Ziek. 994 995 996 997 998 999 1000 1001 1002 Ziek. G e z o n d . Ziek. Ziek. 1003 Gezond. 1004 1088 1089 1090 1091 Diepte in cM. onder maai-veld. 0—15 15—40 0—15 1 5 - 4 0 0—20 20—40 0—20 20—40 0 - 2 0 20—40 0—20 20—40 0—20 2 0 - 4 0 0—20 20—40 0 - 2 0 20—40 0—20 20—40 0 - 2 0 20—40 Ziek. ' 0—20 |20—40 Gezond. 0 - 2 0 2 0 - 4 0 Gehalt in procent droge sto * » o

s s

o ~~~ o M 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 1.6 1.8 1.6 1.6 0.(1 0.0 0.0 0.0 0.7 0.0 0.3 0.4 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 o 1.0 1.0 1.1 1.0 4.8 5.4 2.3 1.6 2.4 2.5 3.4 2.6 2.3 2.2 1.5 3.7 4.3 4.4 4.5 4.6 3.7 3.3 2.8 2.5 3.5 3.6 en en op f aan o H & 9 tn

's a

5 a p 0.006 0.005 0.004 0.003 < i.i 125 0.040 0.161 0.130 0.158 0.170 0.134 0.093 0.119 0.016 0.112 0.048 0.306 0.327 0.216 0.203 0.201 0.212 0.073 0.094 0.072 0.102 Gehalte n aa n kal k i n procente n o p organisch e sto f = K (humus) . 0.6. 0.5 0.4 0.3 0.5 0.8 6.9 8.3 6.7 6.7 3.9 3.6 5.1 0.7 7.4 1.3 7.2 7.4 4.8 4.4 5.5 6.4 2.6 3.8 2.1 2.9 a a> xt e X

11

ä> S 3 4.6 5.1 4.6 5.1 4.0 4.1 7.4 7.6 7.4 7.7 6.0 5.4 7.0 4.7 7.3 4.7 7.0 7.1 6.1 5.8 6.8 6.8 5.3 5.6 5.0 5.2 Mechanische samenstelling. + "a> i—i 2.S oa 0.7 0.8 0.8 1.2 18.4 22.2 0.3 0.7 0.3 0.8 0.6 1.1 1.5 •^ tf •S s

J l

«'S'

^1

10.8 13.5 3 | >

f « «

87.5 84.7 11.1 1 87.0 12.1 85.7 15.4 16.7 10.4 11.9 12.1 14.9 13.3 13.8 10.4 61.4 55.7 85.4 84.0 83.6 80.2 82.7 82.5 85.8 De overige m o n s t e r s zijn niet op m e c h a n i s c h e s a m e n -s t e l l i n g onderzocht.

Uit de r e s u l t a t e n van tabel I blijkt, dat alle onderzochte gronden, m e t uitzondering van die van tuin B , tot het type behooren, waarin het waterdoorlatende zand (fractie IV) de hoofdrol speelt. Gemiddeld b e v a t t e n deze monsters ongeveer 85 % water doorlatend zand (fractie

(9)

310

I V ) , ongeveer 12 °L waterhoudend zand (fractie I I I ) en slechts zeer geringe hoeveelheden kleisubstantie (fractie I + I I , deeltjes kleiner dan 0,016 millimeter diameter).

Slechts een zevental monsters b e v a t t e n geringe hoeveelheden kool-zure kalk, van 0,3 °L tot 1,8 °/0 (2). H e t gehalte aan organische stof ligt t u s s c h e n 1 % en 4,6 °/0 in.

De uitwisselbare kalk is in deze zandige gronden practisch geheel als h u m u s k a l k aanwezig; alleen de monsters v a n t u i n B b e v a t t e n nog eenige kleikalk. Men kan n u berekenen, hoeveel gram h u m u s k a l k per 100 gram organische stof voorkomt. Voor B 960 is dit 100 x 0,006 : 1.0 = 0,6. Deze grootheid wordt K (humus) genoemd. E r is eenig verband tusschen deze K (humus)-waarde en den zuurgraad van den grond ( p H ) . Bij zure p H ' s belmoren in het algemeen lagere Iv

w a a r d e n ; bij minder zure p H ' s in het algemeen hoogere K (humus)-waarden. Zoo reageert de bovengrond B 995 neutraal ( p H = 7,0); de K (humus) is hier 5,1. De ondergrond B 996 is vrij sterk zuur ( p H

= 4,7) en bezit slechts 0,7 gram CaO per 100 gram organische stof, dus K (humus) = 0,7.

H e t grondonderzoek heeft geen verband tusschen het optreden van de ziekte eenerzijds en den zuurgraad van den grond ( p H ) , de ge-halten aan koolzure kalk en h u m u s en de Iv (humus)-waarden ander-zijds aan het licht gebracht. Gezonde en zieke planten worden zoowel op m e e r of minder sterk zure gronden, als op nagenoeg neutrale' tot zwak alcalische gronden, n a a s t elkander aangetroffen. Op den zuursten grond bleken zelfs de beste narcissen te groeien. Dit is in overeen-s t e m m i n g m e t de vrij algemeen heerovereen-schende meening, dat de meeovereen-ste narcissen op neutraal tot zwak zuur reageerende gronden het best groeien, doch strijdig met het beknlken van de slechte plekken ter voorkoming van het van den wortel gaan. Wij komen op dit punt nog kort terug. Ook bij het mechanisch grondonderzoek k w a m e n geen verschillen tusschen zieke en gezonde plekken voor den dag. M e t uitzondering van de gronden uit t u i n B behooren alle zochte gronden tot het type der watercloorlatende z a n d e n ; de 11 onder-zochte z a n d m o n s t e r s hebben zelfs vrijwel geheel dezelfde mechanische samenstelling.

Verder grondonderzoek.

I n den zomer van 1922 zijn een aantal monsters op vochtgehalte, nitrietreactie, koolzure kalk en reactie op zwavelwaterstof onderzocht. H e t onderzoek vond plaats in de versehe monsters, onmiddellijk na de m o n s t e r n e m i n g en wel door den analist A. DEKKER in het gebouw van de Tuinbouwschool te Lisse.

Op nitriet werd als volgt gereageerd. 100 gram grond werden in een cilinder m e t goed ingeslepen stop af en toe m e t gedestilleerd water geschud; 's avonds werd aluin toegevoegd, om de vloeistof te 2) De g r o n d e n in t a b e l I , w a a r v a n vermeld is, d a t ze geen koolzure kalk b e v a t t e n , geven bij de koolzuurbepaling alle sporen koolzuur, overeenkomende m e t 0,1 o/^ koolsure kalk of minder.

(10)

311

klaren en den volgenden morgen werd in een gedeelte van de heldere vloeistof op nitriet gereageerd. Gereageerd werd volgens de voor-schriften van den Codex alimentarius, N°. 3 (Water) 1914, blz. 105, m e t het reagens van GRIESS-BOMI.IN. Slechts bij een viertal grond-monsters (N°. 1136, 1149, 1155 en 1156) werd een zeer zwakke nitriet-reactie waargenomen.

Op koolzure kalk werd alleen kwalitatief gereageerd; br. in tabel I I beteekent, dat het m o n s t e r m e t zoutzuur iets opbruiste; n beteekent, dat geen opbruisen werd waargenomen. Ook de p H is gemeten. Zooals uit tabel I I blijkt, k u n n e n monsters, die m e t H C l iets opbruisen en dus een kleine hoeveelheid koolzure kalk b e v a t t e n , nog een zure p H geven. Dit is als volgt te verklaren. De koolzure kalk is in dit geval in den vorm van meer of minder grof schelpenmateriaal aanwezig. De

T A B E L I I . Tuin te o S

ä

V 1 o o \A 3 ( ù I CD

s

<D U s o ' ru " | r-l CS K I S | r i 'S £•§ < S § 2 i N°. B 1136 37 38 1L30 40 41 1142 43 44 1145 1146 1147 48 49 50 1151 52 53 54 1155 56 57 Stand van het gewas. Ziek Ziek Gezond Gezond Ziek Gezond Ziek Gezond Diepte in c m . onder maaiveld. 0—25 25—45 45—70 0—20 2 0 - 4 5 45—70 0 - 2 0 2 0 - 4 5 45—75 5—22 5 - 2 2 0 - 2 5 25—54 54—75 75—95 0—20 20—37 37—69 69—90 0—16 16—36 36—60 Gehalte aan water van den oorspron-kelijken grond in 0/ /O' 14.1 17.9 15.5 15.8 18.5 37.2 13.2 18.1 31.3 11.0 11.2 11.8 47.9 64.4 50.1 19.1 24.0 49.7 72.7 30.9 33.7 37.0 Zuur-graad = pH 6.5 6.5 6.4 6.9 7.0 6.2 6.3 6.1 5.8 5.0 5.2 5.3 5.6 3.5 7.6 4.7 4.9 5.4 3.6 5.0 4.7 4.8 Op-bruisen met verdund zoutzuur. br br br br. br. br. zwak br n n n n br. n n br. flink n br. n n br br br Reactie op zwavel-waterstof (H2S). a a a a a spoor a a a a a a a a duidelijk a a a a spoortje a a

(11)

312

organische stof in den grond reageert nog zuur, maar is eveneens in

vrij groven toestand aanwezig. Beide stoffen, organische stof en

kool-zure kalk, kunnen blijkbaar niet in voldoende mate op elkander

inwer-ken; er komt dus geen evenwicht tot stand. Bij de electrische meting

wordt de pH van de zure organische stof gemeten.

De reactie op zwavelwaterstof geschiedde door koken van den grond

met verdund azijnzuur en reageeren met een loodacetaat-papiertje.

Een a in tabel I I beteekent, dat geen reactie op zwavelwaterstof

werd waargenomen.

TABEL I I I .

Onderzoek op zwavelwaterstof en ferroverbindingen.

Gezonde plekken.

N°.

1 2 3 7 8 9 13 14 15 19 20 21 25 25 27 31 32 33 37 38 39 Toestand van den grond. t d z k n z k n z dz t d z n z n z k n z n z n z n z k n z dkl n k l k n k l dz n z k n z t d z n z k n z Ferro.

+

+

+ +

0 0 0

+

+ + +

fl.

+ + +

+ + +

+ + +

ü 0 0

+

+

+

+ + +

++

++ +

Zieke plekken. N». 4 5 6 10 11 12 16 17 18 22 23 24 28 29 30 34 35 36 40 41 42 43 '44 45 Toestand van den grond. d z . n z k n z t d z t d z k n z k n z n z n z n z n z k n z d k l n k l k n k l t d z n z k n z d z n z k n z d z d z k n z Ferro.

+

+

+

0 0 0

+++

+ + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ +

+

++ +

fl.

+ + +

+ + +

+ + +

+ + +

++

++

+

+

+

d z = droog zand: t d z = tamelijk droog zand; n z = nat zand; k n z = kletsnat z a n d ; d kl = droog kleiïg: n kl = nat kleiïg; kn kl = kletsnat kleiïg.

0 = geen of nagenoeg geen ferroreactie; + = oenige verkleuring; + + = duidelijke ver-kleuring; + + -f = iets meer verver-kleuring; fl. =: flinke verkleuring.

(12)

313

H e t resultaat van dit onderzoek kan als volgt kort worden samen-gevat.

I n de verschillende lagen van vlak bij elkander liggende zieke en gezonde plekken konden geen bepaalde verschillen in gehalte aan water worden waargenomen. Gezonde en zieke planten k w a m e n zoo-wel op n a t t e als op vrij droge gronden voor. E e n zwakke nitrietreactie werd éénmaal in den bovengrond v a n een zieke plek (B 1136) en eveneens éénmaal in den bovengrond van een gezonde plek (B 1155) w a a r g e n o m e n ; verder nog tweemaal in ondergronden van gezonde plekken (1149 en 1156). Zwavelwaterstof werd slechts éénmaal in een bovengrond waargenomen (B 1150, gezonde plek) en tweemaal in den ondergrond, resp. op een zieke en op een gezonde plek.

Verder blijkt uit de resultaten van tabel I I nogmaals, dat er geen verband tusschen het gehalte aan koolzure kalk en de p H van de onderzochte gronden eenerzijds en het optreden van de ziekte ander-zijds bestaat.

Verder onderzoek op zwavelwaterstof.

Nà het onderzoek van 1922 m e e n d e n wij geen verder natuur- en scheikundig grondonderzoek in verband m e t deze ziekte meer te m o e t e n instellen, temeer niet, o m d a t onze pogingen, om de ziekte door eene behandeling van den grond m e t formaline t e bestrijden succes hadden.

I n het Weekblad voor Bloembollencultuur van 25 J a n u a r i 1924 (34ste J a a r g a n g , N°. 59) verscheen evenwel een artikel van den H e e r O. DE W I T , leeraar aan de Bijksbloembollenschool te Lisse, over h e t v a n den wortel gaan v a n h y a c i n t h e n en narcissen. E e n zeer uitvoerig onderzoek van een groot aantal grondmonsters had bij den H e e r DE W I T de meening doen post v a t t e n , d a t het van den wortel gaan veroorzaakt werd door de aanwezigheid van sulfiden in den grond. Geheel zeker was de H e e r DE W I T intusschen nog niet van zijn zaak, w a n t op blz. 266 schreef hij : ,,Of de sulfiden de oorzaak zijn v a n h e t van den wortel gaan, weet ik niet m e t zekerheid, al heb ik een sterk vermoeden van w e l " .

I n verband m e t het onderzoek van den H e e r DE W I T werden in Mei 1924 bij een bezoek van twee onzer m e t den H e e r GBIMME aan onze proefvelden, een aantal grondmonsters genomen en wel v a n 7 ge-zonde plekken en van 7 vlak daarbij gelegen zieke plekken. Bovendien werd nog een achtste zieke plek bemonsterd. De bemonstering ge-schiedde m e t een monsterboor, telkens op elke plek op drie verschil-lende diepten. De n u m m e r s 1, 2 en 3 (zie tabel I I I ) zijn dus drie steken van één gezonde plek; de n u m m e r s 4, 5 en 6 drie steken van de bijgelegen zieke plek. De m o n s t e r s werden onmiddellijk in goed sluitende kleine fleschjes gebracht en zijn direct bij aankomst t e

(13)

314

Groningen onderzocht. Alleen N°. 15 rook n a a r zwavelwaterstof en gaf een positieve reactie op sulfiden. Dit monster is toevallig afkomstig uit den ondergrond van een gezonde plek. H i e r zij nog opgemerkt, dat m o n s t e r N°. 30 een dargaehtige laag was, die evenwel geen H , S vertoonde.

I n de azijnzuurextracten is op ferro gereageerd. Bovendien is van elk grondmonster de vochtigheidstoestand genoteerd. Deze gegevens zijn in tabel I I I opgenomen.

H e t vermoeden van den H e e r DE W I T , dat sulfiden in den grond de oorzaak van de ziekte zijn, wordt dus door de r e s u l t a t e n van het onderzoek niet bevestigd. Ook het optreden van een ferro-reactie blijkt niet m e t het optreden van de ziekte in verband te s t a a n ; evenmin is d i t m e t het vochtgehalte van den grond het geval.

GEVOLGTREKKIXG .

Een verband tusschen het optreden van de ziekte, het zoogenaamde van den wortel gaan, eenerzijds en de natuurkundige en scheikundige •samenstelling van de onderzochte gronden anderzijds is niet ivaar-genomen.

Zooals reeds in den aanvang van deze Verhandeling werd mede-gedeeld, heerschte in het jaar 1921, toen het Bijkslandbouwproef-station m e t het grondonderzoek een aanvang m a a k t e , vrij algemeen

de meening, dat het optreden van de ziekte in verband zou staan m e t een zeer gering kalkgehalte in den grond. Bij ons bezoek in den zomer van 1921 bleek zelfs, dat vele kweekers van meening waren, dat een zure reactie van den grond in het algemeen schadelijk voor alle bollen was. W a a r een zure reactie werd waargenomen, werd dan ook vrijwel geregeld eene kalkbemesting toegepast. Evenwel was het den kweekers bekend, dat sommige narcissoorten, zooals b.v. D u b b . v. Sion, Golden Spur, „gevoelig" waren voor een kalkbemesting.

Uit den aard der zaak komt m e n eenigszins onder den indruk van e e n dergelijke o p v a t t i n g ; vandaar ook onze verbazing, toen wij op onzen tocht in t u i n B op sterk zuren grond de prachtigste narcissen zagen, die m e n zich denken kan. Op een aan den anderen kant van .den weg gelegen perceel, dat aanvankelijk ook sterk zuur reageerde, h a d de eigenaar kalk gegeven, m e t minder goed resultaat voor de narcissen.

(14)

315

Bij ons bezoek aan dezen kweeker in 1922 deelde hij ons de volgende resultaten van een door h e m genomen proef m e d e . I n pot A werd, de zure grond van tuin B gebracht; in pot B deze grond, goed m e t kalk vermengd. I n beide potten werden bollen van tulpen en nar-cissen gebracht. I n pot A ontwikkelden zich alleen de narnar-cissen, in pot B alleen de tulpen.

I n dit verband is ook h e t volgende onderzoek de vermelding waard. I n 1925 ontvingen wij v a n den Bijkstuinbouwconsulent t e Lisse grondmonsters uit een kweekerij t e Lisse van plaatsen, waar de narcis „ G o l d e n S p u r " best groeide en v a n plaatsen van een anderen akker, waar de Golden Spur het slecht deed, terwijl verschillende andere narcissensoorten daar goed groeiden. Met „slecht groeien" wordt hier niet „ h e t van den wortel g a a n " bedoeld, doch gewoon eene minder goede ontwikkeling. Tabel I V bevat de r e s u l t a t e n van het onderzoek.

T A B E L I V .

Stand van het

gewas.

Gehalten in procenten op droge stof. X". B. Diepte CaCO, orga-nische stof. uit-wissel bare kalk. stik-stof (N) phos-p hor-zuur (P205). Kalk in procenten op organi-sche s t o f = K (humus). Zuur-graad van den grond = pH. goed slecht 1989 1990 1991 1992 0 - 2 0 20—40 0 - 2 0 20—40 0 0 0.8 0.6 2.7 : 0.153 1 0.10 2.7 1 0.081 0.10 l.o 2.1 0.137 0.145 0,09 0.09 0.099 0.096 0.104 0.084 5.6 3.0 7.3 7.1 6.5 -,.8 7.3 7.5

Ten slotte laten wij hier nog de resultaten volgen van h e t onderzoek van den grond van een drietal perceelen eerste klasse narcissenland te Lisse (zie Tabel V ) .

N". B. 1106 1107 1108 1109 1110 1111 T A B E L V. Diepte in cm. 0—20 20—40 0—20 20—40 0 - 2 0 20—40 ' CaCOs in procenten. 0 0 0 0 0.2 0.1 Zuurgraad = pH. 5.0 5.4 5.6 5.8 6.2 5.9

(15)

316

I n verband m e t deze resultaten is een onderzoek naar de ontwikke-ling van de verschillende bloembollengewassen en van de verschil-lende soorten van eenzelfde gewas in verband m e t het kalkgehalte en den zuurgraad van den grond wel gewenscht. 3) Wil m e n derge-lijke proeven op één en denzelfden grond n e m e n , en dezen grond daartoe m e t opklimmende hoeveelheden koolzure kalk bemesten, dan dient m e n wel te bedenken, dat de gegeven koolzure kalkbemesting niet direct in haar geheel op de organische stoffen in den grond zal inwerken. I n het algemeen krijgt m e n het eerste jaar nà de bekalking den volgenden toestand in den grond. E e n gedeelte van de koolzure kalk zal op de organische stof hebben ingewerkt, tengevolge waarvan het kalkgehalte van de organische stof gestegen zal zijn, wat weer m e t eene stijging van de p H zal samengaan. De organische stof bevat dan meer kalk en reageert dientengevolge minder zuur. E e n gedeelte van de koolzure kalk zal nog als zoodanig in den grond zijn achter-gebleven, terwijl ook reeds een gedeelte van de koolzure kalk in dit eerste jaar door het regenwater uit den grond zal zijn uitgeloogd. I n de bollengronden, waarin de organische stof dikwerf vrij ongelijk-matig verdeeld voorkomt, zal m e n dus in het eerste jaar nà de bekal-king h u m u s van uiteenloopend kalkgehalte en uiteenloopenden zuur-graad k u n n e n aantreffen en daarnaast nog stukjes C a C 03. De moge-lijkheid bestaat nu, dat de plantenwortels de meer zure plekjes of de meer alcalische plekjes in den grond zullen opzoeken, al naargelang zij aan een m e e r z u u r of een m e e r alcalisch milieu de voorkeur geven. Dit alles moge nog iets speculatiefs zijn, m e n zal er toch rekening mee dienen te houden en in allen gevalle zal m e n , vóór m e n zijn eigenlijke cultuurproeven gaat a a n z e t t e n , dienen na t e gaan, wat het lot van de kalkbemesting geweest is.

§ 2. Het botanisch onderzoek der wortels van Narcissen.

H e t onderzoek werd v a n botanische zijde aangevat in de verwach-ting, dat een nadere bestudeering van de organen der zieke p l a n t e n wel een aanwijzing zou geven omtrent de ziekteoorzaak. De opmer-kingen van de kweekers wezen ook reeds in die richting, evenals de verschijnselen in de bollenvelden.

I n den tijd, dat de planten, na het bloeien, nog groen m o e t e n staan, sterven ze op de slechte plekken af; de bladeren verwelken. De bollen der zieke planten k u n n e n gemakkelijk uit den grond worden getrokken,

3) Een systematisch onderzoek van onze bollengronden ook op a n d e r e p u n t e n , zooals mechanische samenstelling, poriënvolume, d o o r l a a t b a a r h e i d voor w a t e r , capil-l a r i t e i t , h u m u s g e h a capil-l t e , om de v o o r n a a m s t e factoren te n o e m e n , w a r e wecapil-l gewenscht.

(16)

317

in tegenstelling m e t de gezonde planten, wier bollen m e t de talrijke, lange en sterke wortels zeer vast in den grond verankerd zijn. Trekt m e n dan een zieke plant uit den grond, dan vindt m e n geen of slechts enkele gave wortels aan den bol en voor het grootste deel slechts geheel of half vergane wortelstompen. Vandaar dan ook de n a a m ,,van den wortel g a a n " , welken de praktijk aan deze ziekte heeft gegeven.

De verschijnselen, zooals ze zich op het veld voordoen, geven aan-leiding tot de voorstelling, dat het te niet gaan der wortels het primaire is en dat tengevolge daarvan de bladeren verwelken. H e t onderzoek leert trouwens ook, dat er noch in de bladeren, noch in den bol bepaalde afwijkingen te vinden zijn, waardoor het afsterven der bladeren zou k u n n e n worden verklaard.

D e bollen van zieke planten, op goede bollengronden overgeplant, geven geen ziek gewas, t e n m i n s t e niet in het eerste jaar, hoewel toch sommige bollen wel in de schijf gaan rotten.

De ziekte begint in de bollenvelden pleksgewijs op t e treden, in kleine plekken van dikwijls nog geen vierkante m e t e r oppervlakte. Jaarlijks breidt zulk een plek zich uit, zij het in wisselende m a t e . Dit is een verschijnsel, dat wel wijst op een zich in den grond uitbreidend ziekteverwekkend organisme.

W a t is er m e t het bloote oog aan de zieke wortels t e zien? Gezonde wortels zijn helder wit. (Zie foto a.) Op slechte plekken in den grond echter ziet m e n al vroeg, soms reeds drie weken na het planten der bollen, dat de worteltoppen een bruine kleur a a n n e m e n . Spoedig ziet m e n ook, op eenigen afstand v a n den top, het wortelliehaam wan-kleurig, grauwachtig, worden, terwijl m e n daar ook fijne, bruine, hoogstens een paar millimeter lange, overlangs gerichte streepjes op het worteloppervlak k a n ontdekken. Dergelijke kleine bruine vlekjes komen vaak in wisselend aantal voor midden op den wortel, dikwijls reeds vrij dicht bij de bolschijf. Zij breiden zich geleidelijk uit, zoodat de wortel daar ter plaatse geheel bruin wordt en juist daar gemakkelijk afknapt bij het uit den grond halen. Zoo'n afgebroken wortel wekt dan den schijn alsof hij van den worteltop af is afgestorven. Sommige kweekers h a d d e n dit reeds waargenomen.

E e n verder gevorderd ziektestadium geeft gedeeltelijk afgestorven wortels t e zien; de ondereinden zijn dan dood, de boveneinden echter meestal nog vrijwel gaaf en normaal v a n kleur, behoudens een aantal overlangsche gele of bruine streepjes van verschillende afmetingen : meestal ongeveer l m . M . breed en 1 tot 10 m . M . lang. Op den, meestal vrij plotselingen, overgang van het zieke in het nog gezonde deel, breekt de wortel gemakkelijk af; geen wonder dus, dat de bol, bij een eenigszins gevorderd ziektestadium, gemakkelijk uit den grond kan worden getrokken. H e t nog gave worteldeel vertoont op den overgang n a a r het zieke gedeelte dikwijls een duidelijke opzwelling, waarvan de tint ook niet meer geheel normaal is. (Zie de foto's b en c.)

(17)

318

De zieke worteldeelen bestaan in een vergevorderd stadium vrijwel alleen nog uit een huidje, gevormd door de opperhuid en de onmiddel-lijk daaronder gelegen cellaag; daarbinnen bevindt zieh het overige wortelweefsel in verganen toestand.

Op zeer slechte plekken in de bollenvelden vindt m e n tenslotte omstreeks het m i d d e n van Mei aan de bollen geen enkelen gaven wortel meer, doch slechts nog stompjes, of ledige vliezen, bestaande uit de overgebleven, grauw verkleurde, beide buitenste cellagen.

Om n u de oorzaak van het „ v a n den wortel g a a n " op het spoor te komen, begonnen wij m e t in de eerste plaats jonge ziektestacliën te onderzoeken. Deze kan m e n reeds vrij spoedig, soms zelfs reeds enkele weken na het planten der bollen, aantreffen, zooals in het voorgaande ook reeds werd vermeld. Men vindt dan wortels van een paar c.M. lengte, m e t bruinen top, terwijl het wortellichaam hier en daar wan-kleurige, grauwachtige tot bruinachtige plekken vertoont, hoewel de geheele wortel er overigens nog geheel gaaf uitziet. G a a t m e n dan den top mikroskopisch onderzoeken in dwarse en overlangsche door-sneden, dan ziet m e n , dat de celkernen van calyptra, epidermis en schors geelbruin getint zijn. I n het c e n t r u m van den worteltop, den lateren centralen cylinder, zijn de kernen echter nauwelijks geelachtig. De kleur der kernen is het donkerst in de calyptra- en epidermiscellen en n e e m t geleidelijk af naar het c e n t r u m van den wortel toe. De cel-wanden zoowel als het protoplasma zijn ongekleurd. Behalve deze kernverkleuring was er echter in de toppen niets bijzonders t e vinden.

Anders is het evenwel gesteld met de wankleurige gedeelten van het wortellichaam. Bij nauwkeurige beschouwing van deze grauw-achtige of bruingrauw-achtige deelen bij zeer jonge wortels kan m e n meestal, soms echter m e t -zeer veel moeite, een fijn, bruinachtig, overlangs gericht streepje onderscheiden. P l u i s t m e n zulk een verkleurd stukje wortellichaam m e t naalden uiteen, bij voorkeur in een druppel lacto-phenol, en bekijkt m e n het bij sterke vergrooting onder het mikroskoop, dan vindt m e n er geregeld schimmelhyphen in. Meestal zijn die h y p h e n buitengewoon dun en zeer moeilijk in ongekleurde p r e p a r a t e n te vinden. Door kleuring m e t Methylblau O, opgelost in melkzuur, of door aluinhaematoxyline van Ehrlich, zijn zij evenwel zeer goed zichtbaar t e m a k e n .

Zeer vaak vindt m e n de schimmel in het uitgeplozen weefsel het duidelijkst liggen in geelwandige cellen.

Voordat wij een beschrijving geven van hetgeen zich bij het afster-ven in het inwendige v a n de wortels afspeelt, is het noodig, ons eerst een topographisch beeld van den inwendigen bouw te vormen. Ook zullen wij dan nog nader m o e t e n ingaan op de bijzonderheden der cellen, waaruit de weefsels, welke voor ons van belang zijn, zijn samengesteld.

W a n n e e r wij een dwarse doorsnede m a k e n van een flinken, krach-tigen wortel van 1,64 m . M . dikte v a n Narcissus bicolor Victoria, dan k u n n e n wij daarin de volgende weefsels gemakkelijk onderscheiden

(18)

319

(zie fig. 1). Van buiten naar het m i d d e n gaande zien we eerst d e opperhuid (epidermis), uit 1 laag van cellen bestaande en 20 à 30 u dik. Onmiddellijk daarbinnen tegenaan ligt een duidelijk te onder-scheiden, eveneens 1 cel dikke laag, de exodermis, ter dikte van 40 à 50 u. Daarop volgt het schorsparenehym, een laag van vele cellen dik v o r m e n d e ; de dikte van deze laag bedraagt in ons voorbeeld 571 p. Ze wordt n a a r binnen, dus n a a r het midden van den wortel, begrensd en afgesloten door de endodermis, die weer slechts 1 cel dik is en zich duidelijk afteekent. I n het c e n t r u m van den wortel vinden wij ten-slotte den centralen cylinder, of stele, die hier een diameter heeft van 260 p.

De afmetingen verschillen natuurlijk, n a a r m a t e de wortel dikker of dunner is; doch ze worden hier opgegeven, om de verhouding van de weefsels t e n opzichte van elkander aan t e duiden.

Eenigszins andere verhoudingen tusschen de weefsels en ook andere afmetingen treffen we aan bij onderzoek van andere Narcis variëteiten, m a a r in het wezen der zaak blijft de anatomische bouw vrijwel dezelfde.

Wij gaan n u over tot een korte beschrijving der cellen van epidermis,, exodermis en schorsparenehym bij Narcissus bicolor Victoria.

Epidermiscelleji: B 20 à 30 p.; T 30 à 40 p; L 102 à 350 p. l)

V a n onregelmatig prismatische tot cylindrische gedaante, m e t afgeronde uiteinden. W a n d zeer dun, glad, kleurloos, verkurkt (reactie m e t K O H , Sudan I I I ) . Sommige cellen dragen een wortel-h a a r van ongev. 30 p dikte. Cellen vast aaneengesloten. Geen inhoud of hoogstens een klein restje van afgestorven protoplasma. Exodermiscellen : er zijn 2 soorten te onderscheiden, nl. lange en korte.

a. Lange cellen: R 40 à 50 p.; T 40 à 50 M; L 150 à 210 p. Vrijwel cylindrisch m e t bijna rechte, soms echter scheefstaande eindvlakken. W a n d zeer dun, ongev. 1 p, glad; alleen de radiale lengtewanden fijn geplooid of eigenlijk gegolfd, m e t ongeveer 6 plooien op de 50 a', zeer lichtgeel getint; verkurkt. Cellen vast aaneengesloten. Meest zonder inhoud, behalve soms een kernrest.

b. Korte cellen: E 35 à 40 p; T 25 à 30 p; L 40 à 50 p. D e gedaante nagenoeg een afgeknotte pyramide, waarvan de recht-hoekige of onregelmatig vierrecht-hoekige basis n a a r buiten, de t o p naar binnen gekeerd is. W a n d dun, als bij de lange cellen; ook hier de radiale lengtewanden geplooid en eveneens zeer lichtgeel getint en verkurkt. Cellen zonder intercellulaire r u i m t e n t u sschen de lange exodermiscellen ingesloten.

1) R beteekent : in radiale richting; T: in tangentiale; L : in longitudinale rich-ting.

(19)

320

I n h o u d : wandstandig protoplasma in een ongeveer 2 p dikke laag. Celkern ovaal, 10 bij 12 p, soms ook wel onregelmatiger van v o r m ; zeer licht geel getint.

Schorsparenchymcellen : V a n buiten naar het m i d d e n van de schorslaag n e e m t de celgrootte t o e ; daarna, tot aan de endoder-mis n e e m t de grootte weer af.

I n de buitenste lagen : E 30 à 60 p; T 50 à 70 p\ L 180 à 400 p. I n de middenlaag : E 60 à 90 p; T 70 à 90 p; L 310 à 400 p. I n de binnenste lagen : E 20 à 50 «; T 35 à 50 p; L 240 à 400 p. De gedaante in h e t algemeen cylindervormig, m e t eenigszins toeloopende einden en meestal dwarsstaande eindvlakken; de cylinders k u n n e n in dwarse doorsnede echter ook wel een onregel-matigen vorm a a n n e m e n .

W a n d zeer dun, niet m e e r dan 1 p; kleurloos; onverkurkt; cellulose. Zeer kleine ronde tot eenigszins spleetvormige gewone stippels..

I n de middenlaag der schors vrij groote intercellulaire r u i m t e n in de dwarse doorsneden; hoofdzakelijk ruitvormig, b.v. m e t diagonalen van 40 en 50 p; ook soms wel onregelmatig gevormde r u i m t e n .

I n de buitenlaag der schors de intercelluairen zeer klein, meestal driehoekig.

I n de binnenlagen der schors de intercellulairen ook vrij groot en ruitvormig of driehoekig; hoewel niet zoo groot als in de middenlaag.

I n overlangsche doorsneden de intercellulaire r u i m t e n schaarsch en uiterst klein en driehoekig.

Celinhoud : een zeer dun laagje wandstandig protoplasma, waarin een langwerpig ronde kern, 12 bij 15 p, m e t 1 nucleolus; kleurloos. Enkele cellen nagenoeg geheel gevuld m e t r a p h i d e n ; de kristalnaalden ongeveer 30 p lang en 1 a dik.

I n het voorgaande werd reeds gezegd, dat in de wankleurige deelen van de jonge zieke wortels steeds een schimmel t e vinden is. Wij willen n u iets m e e r v a n h e t verloop v a n de ziekte der wortels t r a c h t e n t e weten te komen en zoeken daarom verschillende stadiën van aan-tasting.

H e t blijkt dan niet moeilijk te zijn, op vele schijnbaar nog geheel gave en gezonde wortels m e t een loupe zeer smalle, slechts een paar m . M . lange, overlangsche, bruine of oranjekleurige streepjes t e ont-dekken. H e t nader onderzoek daarvan leert, dat m e n daar t e m a k e n heeft m e t een zeer jonge infectie van den wortel door een schimmel. H e t bruine streepje dankt namelijk zijn oorsprong hieraan, dat daar t e r plaatse, onmiddellijk onder de laag, gevormd door epidermis en exodermis, in een overlangs gericht strookje de schorsparenchym-cellen gedesorganiseerd zijn en dat de celwanden, die in een gezonden wortel geheel kleurloos zijn, geel of bruingeel zijn geworden. Maken

(20)
(21)

-r—r-0 tmM

(22)

L

2.5" h)M

\-l M

U

US

M

Fig. 3. Fig. 4.

(23)

Q

'•>«! » S A * - V • - V ^

X > <

^

rî\

H,

^\M

N

7"

i k

':i4\>

A' / € \v.

H

OJ Fig. 5. "«An-M.

'ir

'S^

y

':> - V

//''

a^!Â-3?

/o/

0.05 ö.iO 0JSH.H. Fie. 0.

(24)

0.1-n» Jb "VcSy

w

»

T^iür

5

*'' I'

-Clf~f y** I r T

F is. 7.

mm

\&&.'-y~

lil i L J

N

c

L 0.20 m M L

o

Fig. 8.

(25)

I o.is mH L 0.10 0.03 I o F is. 9. O.IS îr>M Fig. 10.

(26)

m.M O.IS -I Fig. 11.

/ f i n

y î

W I j '•j; '-Û ' - ' , "

i ir

B

?v7 y

-x,..

^

-P

Fig. 12.

(27)

ep ex .;• i l l seh

W •[/ 'I ijLf/ /

— /

ƒ

I

5.2 m M Fig. 13.

(28)

321

we hier een dwarse doorsnede door den wortel, tevens dwars door het gele streepje, dan vinden we iets als b.v. in figuur 1 f L). I n het

buitenste schorsparenchym zien we een rond plekje geel gekleurd weefsel, onmiddellijk onder de exoderms gelegen (het dicht gestip-pelde in fig. 1) en omgeven door een kring van sterk vergroote, kleur-looze sehorsparenchymcellen (het holler gestippelde), welke zich door dunne wanden in 2 tot 5 dochtercellen hebben verdeeld. De deelings-wanden staan alle ongeveer loodrecht op den straal van h e t ronde gele plekje. I n dezen ring van gedeelde sehorsparenchymcellen heb-ben wij een wondkurkweefsel (wondperiderm) te zien, zooals in p l a n t e n algemeen optreedt, waar wonden of zieke plekken van het aangrenzende gezonde weefsel m o e t e n worden afgesloten. (Zie b.v. E . KÜSTER, „Pathologische P f l a n z e n a n a t o m i e " , 2. Aufl., pag. 104—115).

I n het geel gekleurde weefsel treffen we nu steeds een schimmel aan. Maken we dwarse doorsneden door breedere en langere strepen, die soms een weinig in het wortellichaam zijn ingezonken, of w a a r h e t wortellichaam t e n m i n s t e een afplatting vertoont, dan krijgen we een beeld te zien als b.v. in fig. 2. H e t geelbruine weefsel is uitgebreider, zoowel in de diepte, als in de breedte, m a a r wordt ook hier omgeven door een kring van vergroote en gedeelde, kleurlooze sehorsparenchym-cellen en daardoor duidelijk van het aangrenzende, gewone schors-p a r e n c h y m afgegrensd. Veelal zijn de eschors-pidermis en de exodermis nog geheel gaaf, en ziet m e n slechts in enkele cellen daarvan schimmel-hyphen, ef ook wel eens sporen. De epidermiscellen zijn gewoonlijk geheel vrij van schimmelhyphen, evenals de lange exodermiscellen. I n de korte exodermiscellen evenwel treft m e n vaak buitengewoon duidelijke en krachtige h y p h e n a a n ; deze cellen, d.w.z. voor zoover ze boven een bruin streepje liggen, zijn dikwijls geheel volgepropt m e t hyphen ; soms kan m e n er ook sporen in vinden.

I n sommige gevallen ziet men, dat het gele wortelstreepje open is e n dus feitelijk een spleetje in het wortellichaam vormt. I n dwarse doorsneden zien wij in zulk een geval iets als in fig. 3 A ; een spleet in het bruine, m e t schimmel doorwoekerde weefsel, welk laatste ook weer door wondperiderm van het nog gezonde deel van den wortel wordt gescheiden.

Figuur 3 B laat ons een overlangsche doorsnede zien door hetzelfde wortelstreepje als in 3 A; m e n moet zich voorstellen, dat de dwarse doorsnede gesneden is van het ondereinde van B . Door de stippeling is in de figuur de uitbreiding van het gedesorganiseerde, geelwandige e n schimmel bevattende schorsparenchymweefsel aangeduid.

Dergelijke doorsneden leeren, dat de schimmel zich in de lengte-richting van den wortel sterker uitbreidt, dan in de dwarse lengte-richting, hetgeen waarschijnlijk een gevolg zal zijn van de aanwezigheid van de groote, evenwijdig aan de wortels verloopende intercellulaire r u i m t e n tusschen de sehorsparenchymcellen, in tegenstelling m e t de

1) Alle t e e k e n i n g e n zijn g e m a a k t n a a r mikroskopische p r e p a r a t e n van wortels v a n Narcissus bicolor Victoria.

(29)

322

uiterst kleine en schaarsche intereellulairen in dwarse richting. Veelal toch kan m e n de eerstgenoemde intercellulaire r u i m t e n opgevuld zien m e t schimmelhyphen.

E v e n a l s in dwarse doorsneden, zien we ook in de overlangsche het m e t de schimmel geïnfecteerde weefsel aan de beidfc uiteinden door wondperiderm van het nog onaangetaste parenchym afgescheiden. Hier s t a a n de deelingswanden in de peridermmoedercellen dwars gericht, dus ook weer loodrecht op de richting van den straal, dien m e n zich van het m i d d e n van het bruine streepje uitgaande kan denken. H e t periderm ontstaat hier, doordat de lange parenchym-cellen zich, nu zonder voorafgaanden sterken groei, eenvoudig door dwarswanden in eenige dochtercellen v e r d e d e n .

E e n nog verder voortgeschreden infectie is afgebeeld in fig. 4, weer een dwarse doorsnede voorstellende, op dezelfde schaal als fig. 3. De eene helft van het wortellichaam en bovendien de omgeving van den centralen cylinder is geheel gedesorganiseerd en door de schimmel doorwoekerd, die ook doorgedrongen bleek t e zijn in den centralen cylinder. De wortel, die aan deze zijde sterk is geschrompeld, heeft reeds zooveel geleden, dat ook het overige schorsparenchym stervende is en groote holten is gaan bevatten. Alleen de verkurkte epidermis en exordermis blijven een gesloten zak of buis vormen.

Zoo wordt tenslotte de geheele wortel door de schimmel ver-nietigd. M e n vindt in vergevorderde ziektestadiën vaak nog wortels, w a a r v a n alleen nog het basale gedeelte van een paar c.M. lengte in gezonden toestand verkeert; terwijl dit gezonde deel dan vrij plotseling overgaat in een totaal uitgeteerd gedeelte, slechts bestaande uit een gedesorganiseerde massa, ingesloten in de overblijfselen van de epider-mis en exoderepider-mis. Op den overgang van het gezonde en zieke deel vindt m e n dan in het inwendige van den wortel veel schimmelhyphen, die in het gezonde deel doordringen tot aan de laag wondperiderm, waarmee ook dan nog door de Narcis beproefd wordt, het nog onaan-getaste weefsel af te sluiten.

W a n n e e r de wortel eindelijk geheel vernietigd is, vindt m e n de schimmel nog over een korten afstand in de bolschijf doorgedrongen, waar zij plotseling eindigt, in de nabijheid van een wondperiderm. Al zijn dus tenslotte ook alle wortels van den bol bij h e t rooien verdwenen, is het niet uitgesloten, dat de schimmel, bij het weer uitpoten van den bol, op de nieuwe groeiplaats wordt overgebracht. Wij hebben in het voorgaande meegedeeld, hoe een jonge infectie zich als een overlangsch bruin streepje kan voordoen, waarin zich soms een spleetvormige opening b e v i n d t ; een voorbeeld hiervan werd afgebeeld in fig. 3 A, bij zwakke vergrooting m e t behulp v a n het t e e k e n p n s m a naar een dwarse doorsnede geteekend. E e n afbeelding van deze zelfde infectieplaats werd bij sterke vergrooting vervaardigd (zie fig. 5), eveneens, zooals ook de verdere mikroskopische teeke-ningen, geheel natuurgetrouw, m e t behulp van het teekenprisma. Met een stippeling werd daarin aangegeven, welke celwanden geel gekleurd zijn en bovendien verkurkt. D a t zijn de wanden der cellen,

(30)

323

die door de schimmel, die hier niet in is aangegeven, doorwoekerd en gedesorganiseerd zijn. Om deze celgroep heen bevindt zich een boog v a n schorsparenchymcellen, welke zich eerst sterk hebben ver-groot en daarna gedeeld door 1 tot 3 nagenoeg evenwijdige, zeer dunne wanden. D a t is het in het voorgaande besproken wondperiderm, of wondkurk. De celwanden hiervan zijn weliswaar kleurloos, m a a r toch verkurkt, hetgeen met kaliloog en m e t kleuring door S u d a n I I I ge-makkelijk kon worden aangetoond. Alleen de aan het normale schors-p a r e n e h y m grenzende schors-peridermwanden zijn meestal niet verkurkt.

B u i t e n den peridermboog vinden we normale schorsparenchym-cellen, welker w a n d e n soms echter eenigszins verdikt zijn.

I n fig. 6, 7 en 8 zien we gedeelten van dwarse doorsneden door bruine streepjes zonder spleet van andere wortels, waarin zeer duide-lijk gedeelten van h y p h e n zijn te zien; bovendien een gedeelte van het wondperiderm. Dwarscoupes zijn niet zeer geschikt, om goede beelden van de schimmel te verkrijgen, daar de h y p h e n bij voorkeur in de lengterichting v a n den wortel voortwoekeren; dientengevolge krijgt m e n in die doorsneden gewoonlijk slechts k r o m m e uiteinden of zij-t a k k e n der h y p h e n zij-te zien. D e fig. 7 en 8 geven goede voorbeelden van een sterke wondperidermontwikkeling, en v a n de buitengewone grootte der moedercellen, in vergelijking m e t de normale schors-parenchymcellen.

De h y p h e n worden in het wortelweefsel in zeer uiteenloopende dikte aangetroffen; de dikste worden gewoonlijk gevonden in de korte exodermiscellen en in de buitenste schorsparenchymcellen; hier zijn ze vaak 4 a dik en grauwachtig getint; elders veel dunner, n.1. 2 ^ of minder. De dikkere h y p h e n bezitten duidelijke d w a r s w a n d e n ; in de dunnere zijn deze soms niet te bespeuren. D e dunste h y p h e n zijn soms moeilijk in de p r e p a r a t e n t e vinden, ook al komen ze er veelvuldig in voor; door kleuring m e t aluin-haematoxyline volgens E H E L I C H zijn ze echter zeer goed zichtbaar te m a k e n . I n fig. 9 zien wij ecnige h y p h e n in een schorsparenchymcel uit een overlangsche (radiale) door-snede door een wortel.

I n enkele gevallen werden sporen gevonden in schorsparenchym-cellen; zie b.v. fig. 10, voorstellende een schorsparenchymcel uit een overlangsche doorsnede. Zoo vonden we ook in enkele p r e p a r a t e n ver-scheiden parenchymcellen, geheel gevuld m e t sporen; deze zijn hol-rond, m e t een diameter van ongeveer 15 fx, dunwandig, m e t een geel-bruinen, korreligen inhoud. Fig. 11 geeft hiervan een voorbeeld; dit is een stuk v a n een dwarse doorsnede, waarin een deel van het geel-wandige, m e t schimmel doorwoekerde weefsel en een gedeelte van het wondperiderm voorkomt ; een der schorsparenchymcellen buiten het wondperiderm is ook reeds geïnfecteerd.

Verder vonden wij vele cellen m e t ledige sporenblazen, sommige ingevallen, andere echter nog bolrond; in sommige gevallen waren vele parenchymcellen hiermee volgepropt. Eenige v a n die ledige sporen zien we in fig. 12 ; behalve de uit geïnfecteerde cellen en wond-p a r e n c h y m bestaande celgroewond-p (A), vinden we hier nog een cel (B)

(31)

324

afzonderlijk geteekend m e t 2 ledige sporenblazen en een dwarse door-snede door een h y p h e ; bij diepere instelling v a n h e t mikroskoop op deze cel werd zichtbaar, wat binnen de enkelvoudige contour er n a a s t werd geteekend (C), n.1. 4 ledige sporenblazen en een dwarse door-snede door een hyphe.

H e t is voor ons lang de vraag geweest, op welke wijze deze schimmel zich toegang verschaft tot het inwendige van den wortel. Op grond v a n waarnemingen bij zeer jonge infecties, die we t e n slotte hebben gevonden, k u n n e n wij ook hieromtrent iets mededeelen.

Zooals in het voorgaande reeds werd opgemerkt, bevindt zich in sommige der korte exodermiseellen, welke het dichtst bij een bruin streepje zijn gelegen, een ophooping van krachtig ontwikkelde hyphen. Dit deed vermoeden, dat de schimmel wel langs dezen weg het wortel-lichaam zou k u n n e n binnendringen, t e meer, daar de korte epidermis-cellen door h u n rijkdom aan protoplasma allicht goede voedingsbodems opleveren. I n d e r d a a d vonden wij eindelijk ook een p a a r gevallen, waarin de infectie nog in zulk een jong s t a d i u m verkeerde, dat alleen nog m a a r een korte exodermiscel en de aangrenzende epidermiscellen de geelgetinte h y p h e n bevatten, terwijl van die exodermiscel een bundel jonge h y p h e n n a a r het schorsparenchym uitstraalde. I n een geval, w a a r v a n wij in fig. 13 een afbeelding geven, waren er wel een twintigtal h y p h e n t e onderscheiden (niet alle geteekend), 2 à 3 ^ dik, m e t tusschenschotten, en sommige vertakt. W a a r ze parenchymcel-w a n d e n treffen, buigen ze meestal onder een hoek van 90° om, loopen een klein eindje langs den wand en gaan er dan doorheen ; waar ze langs den wand in tangentiale richting loopen, krijgt m e n ze in over-langsche (radiale) wortelcoupes, w a a r v a n fig. 13 een voorbeeld is, in optische dwarse doorsneden t e zien. ( I n deze fig. beteekent ep. epider-mis, ex. is de exodermis en sch. is het schorsparenchym).

De h y p h e n gaan in hoofdzaak rechtuit en de langste dringen door 5 à 6 cellen heen. Van een paar zijn de uiteinden een weinig opge-zwollen tot ongeveer 4 a, en hier schijnt de inhoud der h y p h e iets sterker lichtbrekend, m e t zeer kleine, vacuoleachtige lichaampjes er in.

I n de onmiddellijke nabijheid bevonden zich in hetzelfde preparaat nog 2 korte exodermiseellen, eveneens met uitstralende hyphen, m a a r in kleiner aantal.

Deze uitstralende h y p h e n waren hier blijkbaar pas in het schors-p a r e n c h y m doorgedrongen, dat dan ook nog in het geheel geen ver-andering heeft ondergaan ; er is nog geen geelkleuring en verkurking, noch vorming van wondperiderm t e bespeuren.

E e n nog jongere infectie werd in dezen zelfden wortel aangetroffen; uit een der korte exodermiseellen n.1. die m e t hyphen was gevuld, w a r e n zes h y p h e n juist de aangrenzende schorsparenchymcel binnen-gedrongen; verder was het weefsel geheel vrij van schimmel.

De in het voorgaande beschreven verschijnselen, het optreden r a n de schimmel, cle verbreidingswijze in het wortelweefsel en de reactie v a n den wortel op deze aantasting, werden steeds weer gevonden in

(32)

325

de zeer vele, door ons onderzochte gevallen van het ,,van den wortel gaan", niet alleen bij Narcissus bicolor Victoria, m a a r ook bij N. poeti-eus ornatus en nndere variëteiten, afkomstig uit de tuinen van vele verschillende bollenkweekers. D a a r m e d e wordt h e t wel in hooge m a t e waarschijnlijk, dat de schimmel als de ziekteverwekker moet worden beschouwd. H e t stricte bewijs zou intusschen pas geleverd zijn, wan-neer de ziekte werd verwekt door reinkulturen van deze schimmel, bij uitsluiting van alle andere parasieten. Door groote moeilijkheden, aan het isoleeren v a n de schimmel verbonden, is deze proef op de som echter tot dusverre nog niet mogen gelukken.

H e t „ v a n den wortel g a a n " is niet beperkt tot de Narcissenkultuur. Ook bij de Hyacinthen treedt deze kwaal op, en wel in niet mindere m a t e , dan bij de eerstgenoemde planten. Geheel analoge verschijnselen doen zich hier, blijkens door ons ingesteld onderzoek voor; alleen m e t dit verschil, dat het wondperiderm dikwijls ontbreekt. H e t is alsof de H y a c i n t h nog minder bestand is tegen deze infectie dan de Narcis, en daardoor zóó snel door de h y p h e n wordt doorwoekerd en gedes-organiseerd, dat de plant dikwijls geen gelegenheid heeft een poging te doen tot afsluiting v a n het aangetaste weefsel.

§ 3. De desinfectie van den grond en het bacteriologisch

onderzoek van de werking der verschillende desinfectantia.

Voor de sterilisatie van den grond worden tal van middelen aan-gewend, waarvan wij n o e m e n : carbolineum, kresol, phenol, chloor-kresol, zwavelkoolstof, toluol, formaline, chloorkalk. Door ons werden gebruikt carbolineum, formaline, zwavelkoolstof, zwavel, chloorkalk, caporiet, chloorwater en uspulun.

Teneinde een voorloopigen indruk te krijgen van de desinfecteerende werking dezer stoffen werden aan hoeveelheden van 10 gr. grond de desinfectantia toegevoegd in toenemende sterkte en na een bepaalde inwerkingsduur van 20 uur nagegaan, hoeveel de bacteriën en schim-mels in aantal achteruit gegaan waren. Alle bepalingen werden in 5-voud verricht. E e n enkele m a a l k w a m het voor, dat sommige platen geheel m e t schimmel overgroeid waren ; deze platen werden dan niet meegeteld.

Voor de proef werd aan 10 gr. grond 2,5 c c . van de desinfecteerende vloeistof toegevoegd, waarmee de grond juist geheel verzadigd was. Dit geldt niet voor de zwavelkoolstof, die door h a a r groote vluchtig-heid ook in kleine hoeveelheden in alle poriën binnendringt. Na ge-durende 20 uur in gesloten stopfleschjes m e t de desinfectantia in aan-raking te zijn geweest, werd alles in een gesteriliseerde erlemeyer gespoeld m e t 50 c c . H20 , gedurende 5 m i n u t e n flink geschud en tot 10 000 m a a l verdund. V a n de laatste verdunning werd 1 c c . in een

(33)

326

steriele petrisehaal gemengd m e t 10 e.c. van de voedingsagar, welke voor de bacteriën bestond uit KaH P 04 \ gr., glucose 10 gr., H2() gedest. 1000, M g S 04 0,2 gr., albumine 0,25 gr. (opgelost in 0,1 n . N a O H ) ; p H 6,8—7,0.

Voor schimmels werd de p H gebracht op 4,0 (een en ander volgens het uitstekend voorschrift van WAKSMAX, Soil Science, Bd. 19.

1 )e resultaten vindt m e n in onderstaande tabel vereenigd. T A B E L V I .

Proef ter vergelijking van de werking van verschillende desinfectantia op grond.

Cijfers uitgedrukt in 1000-tallen bact. per gr. vochtige grond na 20 uur inwerking. I. Formaline. 6 % 20 ' 20 10 15 20 0 ) 2 °/o 30 '

50 1

20 32 30 l

- '

i »/ 1 /o 30 j 30 f — , 30 - |

- 1

0.5 % 30 j 20 ! 90 45 40 i

- I

Blanco 2650 \

2600 1

2550 > 2650 2730 2560 / 99.5% 98.5% 98.9»/0 93.3 %

van h e t totaal aantal bacteriën werd door de behandeling gedood. I I . Ca porie t. o 7o 350 \ 210 | 220 ) 234

190 1

200 ]

u.u 380 600 210 -/o 397 265U V1..Ü ,'0 85.0% gedood. I I I . Carbolineum.

3 %

360 )

39(J 1

•370 384 430 \ 370 ) u J- 2 570 480 580 590 620 0/ 568 0.5 % 700 \ 870 960 8^3

— 1

— ) Blanco. 2650 85.5 7o 78.6 % 68.2 % gedood.

(34)

327

I V . Chloorwater (bevattend 0,34 gr. chloor per 100 c c . ) .

Onverdund. 4 X verdund. 10 X verdund. Blanco.

520 470 590 620 (',4o > 5 6 8 1 1 690 800 680 500 490 632 1500 ] 1150 1530 —

— J

1393 2650 78.6 »/o 76.1% 47.4% gedood. V. Zwavelkoolstof. 0.1 cc 0.05 cc 0.02 cc 0.01 cc Blanco. 140 160 290 220 190 200 450 470 460 480 510

j

1

K 477 \ ) 1050 ' 1040 1 1000 1150 1 1300 , 1108 1330 ^ 1380 | 1420 ; 1700 1 1485 2780 ' 2700 — — , 2740 92.5 % 58.2 44.0% gedood.

Bij beschouwing van de bovenstaande r e s u l t a t e n blijkt, dat de formaline het best gewerkt heeft. Opmerkelijk is het geringe verschil in werking tusschen de 2 °L en 0,5 % oplossing. De werking van het caporiet s t a a t hierbij ver ten achter en dit niettegenstaande door de firma BAYER wordt aangegeven, dat het reeds in een verdunde oplossing van 0,2 °L sterk desinfecteerend werkt. Waarschijnlijk moet de oorzaak hiervan gezocht worden in de aanwezigheid van humusverbindingen in den grond, welke het vrijkomende chloor onmiddellijk binden. Hetzelfde geldt voor het chloorwater, dat tegen de verwachting in, bij een concentratie van ongeveer 0,3 °L zeer onvoldoende desinfecteert, niettegenstaande m e n vindt opgegeven, dat chloor in een veel ge-ringere concentratie reeds sterk desinfecteerend werkt. Ook de wer-king van carbolineum viel tegen.

Opmerkelijk is, dat de zwavelkoolstof, toegediend in een betrekkelijk zeer geringe hoeveelheid van 0,1—0,05 c c . een belangrijk desinfec-teerende werking vertoonde.

Bij de beoordeeling in hoeverre een desinfectiemiddel voor de praktijk voldoen zal, moet m e n in de eerste plaats naar een zoover mogelijk doorgevoerde desinfectie streven bij m i n i m u m onkosten.

W a n n e e r bijv. 90 °/0 van de aanwezige bacteriën gedood zijn, dan

zijn er nog 10 % over. Slechts wanneer de verhouding van het aantal ziekteverwekkers tot het aantal getelde bacteriën op zijn minst 1 : 10 is, is deze grond voldoende gedesinfecteerd. I n de meeste gevallen zal m e n grootere zekerheid m o e t e n hebben, wanneer m e n de ziekte niet binnen betrekkelijk korten tijd terug wil hebben.

Figure

Updating...

References

Related subjects :