Verguld Verleden. De representatie van de Nederlandse zeventiende eeuw in drie Amsterdamse musea.

Hele tekst

(1)

R om y M onde el U ni ve rs it ei t va n A m st er da m

(2)

2 This page is intentionally left blank

(3)

3

Verguld Verleden

Een comparatieve studie over de representatie van de Nederlandse zeventiende

eeuw in drie Amsterdamse musea

Masterscriptie Geschiedenis Romy Mondeel 11020458 Scriptiebegeleider: dr. Djoeke van Netten Tweede lezer: drs. Laura van Hasselt Universiteit van Amsterdam 23321 woorden 20 september 2020

(4)

4

Voorwoord

Hier ligt dan mijn masterscriptie; een product en combinatie van mijn bachelor Antropologie en master Geschiedenis. Tijdens het tweede en derde jaar van mijn bachelor volgde ik keuzevakken uit de bachelor Geschiedenis en werd ik hier steeds enthousiaster over. Hoewel ik tot die tijd ook interessante vakken had gevolgd, leek mijn passie nu gevonden: het kritisch kijken naar het verleden en de effecten ervan terugzien in de samenlevingen van nu.

Geschiedenis zit, bewust of onbewust, altijd in ons achterhoofd. Het heeft invloed op de keuzes die we maken en de meningen die we denken te hebben. Al die verschillende gedachtes over de geschiedenis van een land vormen samen het collectief geheugen. Een voorbeeld van een onderdeel hiervan zijn de Nederlandse soldaten in Nederlands-Indië tijdens de onafhankelijkheidstrijd die plaatsvond na de Tweede Wereldoorlog. Heel lang werd er gezwegen over wat er was gebeurd. In een vak dat ik volgde over de effecten van de Tweede Wereldoorlog op Nederland ben ik op onderzoek uitgegaan naar mijn opa zijn tijd in

Nederlands-Indië. Ik was niet alleen geïnteresseerd in wat er zich precies had afgespeeld en waarom, maar vooral in hoe er binnen zijn gezin destijds (niet) over gesproken werd en wat er zich in de media afspeelde en afspeelt. Waarover werd wel gesproken en waarover niet? Welk beeld probeerde men te creëren en waarom? En wie was ‘men’ eigenlijk? En: hoe is zo’n collectief geheugen aan te passen? Nu weten we dat Nederland oorlogsmisdaden heeft begaan en de heldenverhalen veelal onterecht waren, maar dit beeld is nog altijd niet wijdverspreid en wordt nog steeds gedeeltelijk verborgen gehouden. Is het wel mogelijk om een collectief geheugen aan te passen, en wat is hiervoor nodig? Genoeg vragen dus.

Ik zal het in deze scriptie niet hebben over Nederlands-Indië, maar over een periode die veel eerder plaatsvond, namelijk de zeventiende eeuw van Nederland. Deze eeuw wordt veelal ‘de gouden eeuw’ genoemd. Zo leren kinderen het kennen op de basisschool en zo wordt er in films als Michiel de Ruyter over gesproken. De rijkdom, de kunstschilders, dichters, schrijvers, handelaars: Nederland was een wereldmacht, misschien wel dé

wereldmacht. Ook hier zit een keerzijde aan die wel redelijk bekend is, maar toch vaak los wordt gezien van ‘het goud’ dat de bloei van de Republiek bracht. Ook dat heeft te maken met het collectieve geheugen: hoe informatie wordt opgeslagen en welke verbanden er worden gelegd.

(5)

5 Mijn motivatie komt uiteraard niet alleen bij mijzelf vandaan, maar heb ik te danken aan de onderwerpen die mij tijdens mijn studie zijn voorgeschoteld en mij aan het denken hebben gezet. Hierbij wil ik noemen Mitchell Esajas, wie bij een gasthoorcollege kwam vertellen over (het gebrek aan) dekolonisatie in Nederland en mij vervolgens prikkelde om me te verdiepen in koloniale geschiedenis. Clé Lesger, bij wie ik mijn eerste geschiedenis vak volgde, namelijk Wereldgeschiedenis. Dit vak hielp mij om verbanden te zien binnen het ontstaan en verhouden van wereldmogendheden vanaf de allereerste nederzettingen. Peter Romijn, die mij in zijn vak over de Tweede Wereldoorlog en haar nasleep liet zien dat Antropologie en Geschiedenis goed te combineren zijn. Ik bedank alle educatoren en

marketingmedewerkers van de musea voor hun tijd en aandacht. Ik heb met veel plezier met jullie gesproken over jullie functie in het museum en jullie kijk op de representatie van de zeventiende eeuw in het museum. Ik bedank Laura van Hasselt voor het beoordelen van mijn scriptie als tweede lezer. Als laatste en wellicht belangrijkste bedank ik Djoeke van Netten heel erg voor haar hulp, inspiratie en geduld bij het begeleiden van mijn scriptie.

(6)

6

Inhoudsopgave

TITELPAGINA ... 0 VOORWOORD ... 4 INHOUDSOPGAVE ... 6 ABSTRACT ... 7 INLEIDING ... 8 COLLECTIEF GEHEUGEN ... 14 ONDERZOEK ... 16 1. BEZOEKEN ... 16 AMSTERDAM MUSEUM ... 18 RIJKSMUSEUM ... 22 SCHEEPVAARTMUSEUM ... 26 2. INTERVIEWS ... 30 AMSTERDAM MUSEUM ... 32 RIJKSMUSEUM ... 36 SCHEEPVAARTMUSEUM ... 40

3. LITERATUURONDERZOEK EN COMPARATIEVE STUDIE ... 44

ERFGOED ... 45 HERINNEREN EN VERGETEN ... 47 MACHT EN IDENTITEIT ... 51 CONTINUÏTEIT ... 54 VERANDERING ... 57 CONCLUSIE ... 63 LITERATUURLIJST ... 70

(7)

7 ABSTRACT

This comparative and interdisciplinary study will research three different Dutch museums that display the seventeenth century as part of Dutch history. The Amsterdam Museum, Rijksmuseum and Scheepvaartmuseum are all located in Amsterdam and inform visitors about the Dutch seventeenth century in their own way. Public debate in The Netherlands discusses whether the term ‘Golden Age’ should still be used and accepted or that a different term should cover the seventeenth century due to its dark side that included slavery and exploitation. This thesis will study the collective memory of Dutch society and discuss options on how to deal with the past. I will do so by using three research methods: 1) my own experience in the museums, 2) interviewing educators and marketing advisers within the museums and, 3) literature research. It will show that silences, often constructed by pride and shame regarding the national past, are in the way of a more complete and fulfilling collective memory of Dutch society. A solution to this is focussing on education to grow a better collective memory with the new generations. Museums have an educational responsibility in this regard, which they can fulfil by on the one hand interacting with the visitors (more) and on the other by incorporating alternative voices that will create more inclusive and complete collections.

(8)

8

Inleiding

‘Those who cannot remember the past are condemned to repeat it.’ -George Santayana1

‘Onzin waar ik niks mee kan’, noemde minister-president Rutte het besluit van het Amsterdam Museum om de benaming ‘Gouden Eeuw’ te schrappen.2 In september 2019

kwam het nieuws naar buiten dat het museum voorzichtiger – of helemaal niet meer – om wil gaan met de term, waarna hierover door verschillende media werd gerapporteerd.3 Reden tot

het veranderen van de benoeming van de Nederlandse zeventiende eeuw was het geven van een vollediger en meer waarheidsgetrouw beeld. De titel ‘goud’ past volgens het museum niet langer bij de rol van slavernij en uitbuiting waarop een groot deel van rijkdom berustte. Maar volgens president (en historicus) Rutte wel, hij zegt het ‘een prachtige term te vinden’, ‘al zijn er vast ook dingen te bedenken die niet goed waren aan de gouden eeuw’.

Door de vele media-aandacht die het Amsterdam Museum kreeg en de ophef over het onderwerp, werden ook andere musea benaderd voor een reactie, en verschillende

beleidsvormingen betreft de omgang met de term werden beargumenteerd. Sommige musea houden vast aan de benaming van ‘De (Nederlandse) Gouden Eeuw’ omdat zij van mening zijn dat de term betrekking heeft op de grote schilders, dichters en andere grootheden uit de zeventiende eeuw. ‘Dat deze periode ook een keerzijde kent, wordt niet verzwegen en verdient ook een plek in het museum’, zo zegt het Rijksmuseum, ‘maar dit maakt niet dat de term veranderd moet worden.’4 Musea voeren hun eigen beleid, dat onder andere wordt

beïnvloed door het politieke klimaat en het beeld dat het museum hierbinnen wil uitstralen. Nu we een jaar verder zijn, wil ik kijken welke invloed deze discussie op het

Amsterdam Museum, maar ook het Rijksmuseum en het Scheepvaartmuseum heeft gehad. Dit gaat verder dan ‘slechts’ het onderzoeken van terminologie; ik zal namelijk onderzoeken hoe de representatie van de zeventiende eeuw er in de drie Amsterdamse musea uit ziet.

Deze representatie wordt onder andere vormgegeven door wat wel en niet wordt opgenomen (en veranderd) in de canon van de Nederlandse geschiedenis. In mei 2019 werd door minister Van Engelshoven van het ministerie van Onderwijs aangekondigd dat zij de

1 Santayana, George. Reason in Common Sense (1905), p. 284.

2 Minister-president Mark Rutte, 13 september 2019 tijdens een wekelijkse persconferentie. 3‘Amsterdam Museum schrapt term Gouden Eeuw’. De Volkskrant, 13 september 2019. 4 ‘Kritiek op ban Gouden Eeuw, Rijksmuseum handhaaft de term’. NOS, 13 september 2019.

(9)

9 commissie van ‘Canon van Nederland’, de organisatie die de belangrijkste onderwerpen van de Nederlandse geschiedenis in een canon samenvat, heeft verzocht om opnieuw naar de canon te kijken. Daarbij heeft ze de commissie gevraagd om meer aandacht te besteden aan ‘de schaduwkanten van de geschiedenis’.5 Op de feestdag zelf; 1 juli 2020, werd bekend

gemaakt dat Keti Koti, de viering van de afschaffing van de slavernij in Suriname, wordt opgenomen in de Nederlandse canon. Het verzoek van de minister en de aanpassing van het canon geven weer dat de geschiedenis in het heden wordt geconstrueerd en dus daadwerkelijk kan worden aangepast.

Terug naar het statement van het Amsterdam Museum, want ook internationaal was er veel media-aandacht voor de beslissing.6 Het in twijfel trekken van de eigen (koloniale)

geschiedenis is ook in andere landen een gevoelig onderwerp. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld, waar ongeveer rond dezelfde tijd als in Nederland een publiek debat ontstond over het koloniale verleden van het land. 7 Hier lag de focus op het onderwijs, aangezien het

in het Verenigd Koninkrijk niet verplicht is om les te geven over de Britse rol in het koloniale verleden en de slavenhandel.8 Een nationale petitie, met als eis meer aandacht voor het

koloniale verleden in het onderwijs, werd in juni 2020 door de overheid beantwoord door te zeggen dat ‘de thema’s in het curriculum al worden aangestipt, maar het aan de leraren is om hier verder op in te gaan op hun eigen manier.’9 In Nederland is een soortgelijke petitie

ontstaan die inmiddels meer dan 60.000 handtekening heeft verzameld.10 Het Verenigd

Koninkrijk en Nederland zijn niet de uitzondering. In meerdere Europese landen speelt de discussie of komt deze langzaam op. Zo ook in Portugal, waar in Lissabon een

suikerrietplantage van donker aluminium als monument zal worden nagebouwd.11

Nederland was tijdens de zeventiende eeuw een wereldmacht en dit roept voor veel Nederlanders een gevoel van trots op. Steden als Amsterdam en Leiden breidden zich snel uit en werden het centrum van de welvaart. Het sociale milieu in de Republiek tijdens de

zeventiende eeuw wordt als tolerant gezien met ruimte voor verschillende religies en

5 ‘Aangepaste geschiedeniscanon krijgt meer aandacht voor schaduwkanten’. NOS, 13 mei 2019. 6 Enkele voorbeelden van nieuwsberichten uit het buitenland:

‘End of Golden Age: Amsterdam Museum bans term from exhibits.’ The Guardian, 13 september 2019. Bovenstaand artikel werd gepubliceerd door onder andere The Taiwan Times, South-East Asian Archeology, Al Bawaba, Suriname Times, The Los Angeles Times en South-East Asian Archeology.

7 ‘Britain’s past weighs on our present: learning about it would mean a better debate about race and migration’. The Guardian, 5 december 2019.

8 National curriculum in England, Department of Education.

9 Petitie ‘Teach Britain’s colonial past as part of the UK’s compulsory curriculum’. 10 Petitie ‘Racisme moet verplicht behandeld worden op school’.

(10)

10 meningen, die weer geuit konden worden in de gedrukte kranten en pamfletten die massaal verspreid werden in binnen- en buitenland.12 De Schouwburg van Amsterdam was uniek in

haar omvang en reputatie binnen Europa.13 Boeken, kranten, dichtbundels en pamfletten

werden gedrukt en verspreid door Amsterdam en andere steden. Via waternetwerken werden goederen en mensen vervoerd van de ene stad naar de andere.14 Goederen uit verre landen

werden onderdeel van de Nederlandse huishoudens, waaronder specerijen, tapijten en porselein.15 Kaarten en globes waren populaire producten van aanzien: de wereld werd in

kaart gebracht en tastbaar dankzij cartografen als Jodocus Hondius en Johan Blaeu.16 De

Republiek groeide in bevolking en rijkdom en steden als Amsterdam werden het culturele en politieke bloeicentrum van de wereld. De VOC en WIC werden opgericht en de welvaart van Nederland bleef groeien tot ongeveer het eind van de zeventiende eeuw.

Over in hoeverre deze welvaart zich berustte op uitbuitingen en slavernij zijn historici het niet altijd met elkaar eens, maar dat de causaliteit aanwezig is wordt niet in twijfel

getrokken. Desondanks wordt het grote aandeel van de Republiek in de slavenhandel niet altijd genoemd. Nog minder worden de langere termijneffecten ervan uitgelegd, terwijl de continuïteit juist de geschiedenis zo relevant maakt. De kloof tussen arm en rijk die in de zeventiende eeuw is ontstaan door de uitbuiting, slavernij, genocides en ontregeling van de samenlevingen hoe zij waren voordat Europeanen de kolonies ‘ontdekten’ is enorm, maar wordt vaak niet gelinkt aan het verleden.

Juist nu, in de zomer van 2020, is dit onderzoek relevant. De Black Lives Matter beweging (of revolutie) en de protesten tegen racisme en politiegeweld naar aanleiding van de moord op George Floyd afgelopen 25 mei, vinden over de hele wereld plaats.17 In Nederland

kwamen meer dan tienduizend mensen samen op de Dam om te protesteren tegen racisme in het eigen land en uit solidariteit met de protesten tegen het racistische politiegeweld en systeem in de Verenigde Staten. Een week later kwamen nog eens meer dan elfduizend mensen samen in het Nelson Mandelapark in Amsterdam Zuidoost.18 Het is duidelijk

geworden dat racisme nog steeds een grote rol speelt in Nederland en dat er protesten nodig zijn om hier aandacht voor te krijgen. Bijvoorbeeld voor het institutioneel racisme waarbij er

12 Helmers, Popular Participation and Public Debate (2018), p. 132. 13 Kooi, Religious Tolerance (2018), p. 208.

14 Ibid (2018), p. 33.

15 Rasterhoff, The Markets for Art, Books, and Luxury Goods (2018), p. 259. 16 Van Netten, The New World Map and the Old (2020), p. 1.

17 ‘Wereldwijd protest tegen racisme, tienduizenden demonstranten in Washington’. NOS, 6 juni 2020. 18 ‘Duizenden demonstranten en twee minuten stilte in De Bijlmer’. Metro Nieuws, 10 juni 2020.

(11)

11 ongelijke kansen op het gebied van onderwijs zijn, waar kinderen met een

migratieachtergrond onder andere een lager advies voor het voortgezet onderwijs krijgen dan kinderen zonder een migratieachtergrond19. Ook discriminatie op de arbeidsmarkt op basis

van huidskleur komt nog veel voor.20 Dit zijn voorbeelden van – voor witte mensen – vaak

onzichtbare vormen van racisme, die belicht moeten worden om verandering mogelijk te maken. 21

Racisme is nog altijd ingebakken in de Nederlandse samenleving, wat deels te maken heeft met de representatie van onze geschiedenis. Ik probeer duidelijk te maken dat de manier waarop deze geschiedenis geconstrueerd en geframed wordt, dus wat herinnerd wordt en hóe dat herinnerd wordt, medebepalend is voor hoe wij naar de maatschappelijke situatie van het heden kijken.

Een museum is een zichtbare manier waarbij mensen bewust de representatie van de geschiedenis opzoeken. Het verhaal, de collectie binnen een historisch museum, wordt al snel aanschouwd als ‘de waarheid’ en daarbij wordt soms vergeten dat het een construct is.

Onderzoek van The American Association for State and Local History heeft laten zien dat de duizend deelnemers meer vertrouwen hebben in musea voor waarheidsgetrouwe informatie dan in onder andere geschiedenisleraren of het internet.22 Het vertrouwen in musea wordt

door de AASLH als positief ervaren, omdat musea een educatieve rol kunnen vervullen die niet (geheel) aan het internet of leraren kan worden overgelaten.

Museumcollecties ‘reflecteren cultuurhistorische en politieke ontwikkelingen’23,

zowel uit het verleden als die van nu. Bijzonder hoogleraar Cultuurgeschiedenis, Ad de Jong beargumenteert in zijn rede ‘Vitrines vol Verhalen’ dat musea geen neutrale plaatsen zijn waar het erfgoed bewaard wordt,24 en dat hoe wij nu de nationale geschiedenis presenteren

veel zegt over de maatschappij in haar huidige vorm. Musea zijn daardoor galerijen waar bezoekers leren over de geschiedenis, maar ook waar – bewust of onbewust – de huidige samenleving wordt vormgegeven en bevestigd.25

19 De waarde van eindtoetsen in het primair onderwijs. Centraal Planbureau, Rijksoverheid 2019. 20 Thijssen et al, Etnische discriminatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (2010).

21 Ik bedoel hier dat bepaalde geïnstitutionaliseerde vormen van racisme voor witte mensen (zoals ik) niet (direct) zichtbaar zijn, omdat het niet zelf wordt meegemaakt en gevoeld.

22 ‘Most Trust Museums as Sources of Historical Information’. The American Association for State and Local History, februari 2018.

23 De Jong, Vitrines vol verhalen (2017) p. 12. 24 Ibid (2017) 28.

(12)

12 Deze scriptie zal die verschillende invullingen aan de beleidsvoering van de musea rondom de zeventiende eeuw uitlichten, waarbij het doel bestaat uit het analyseren van welke invloed een museumbeleid kan uitoefenen op de bezoeker en op het collectieve geheugen van Nederland. Ik onderzoek hoe de representatie van de positieve aspecten van de zeventiende eeuw opweegt tegen de representatie van het verleden van slavernij en onderdrukking. In dit onderzoek zal ik drie Amsterdamse musea vergelijken in hun benadering tot het koloniale verleden van Nederland, met een focus op de zeventiende eeuw.

Mijn bovengenoemde selectie van musea berust zich op het feit dat de drie musea zich op hun eigen manier bekommeren om de Nederlandse geschiedenis en de zeventiende eeuw. Daarbij kunnen deze musea worden aanschouwd als trekpleisters voor zowel binnen- als buitenlandse bezoekers en dragen zij voor een groot deel bij aan het de representatie van de Nederlandse geschiedenis. Ik ben mij ervan bewust dat deze Amsterdamse musea niet representatief zijn voor alle musea in Nederland en dat zij niet volledig het collectief

geheugen vormen. Hoewel ik geen algemeen geldende conclusies zal kunnen geven, kan het wel een indruk geven over hoe er met de nationale geschiedenis wordt omgegaan in drie bekende musea en hoe dit zou kunnen reflecteren op de Nederlandse samenleving. Anders gezegd: met dit onderzoek voor mijn scriptie zoom ik in, maar kan er door de lezer worden uitgezoomd om zelf te kijken hoe de representatie er in andere instituties, steden of dialogen uitziet.

Mijn onderzoek is driedelig, waarbij de onderzoeksmethoden op elkaar aansluiten en zo een completer beeld vormen dan wanneer ik bijvoorbeeld alleen literatuuronderzoek zou doen. Dit is een combinatie van met name (maar niet uitsluitend) antropologie en

geschiedkunde, twee disciplines die elkaar in deze scriptie niet alleen tegenkomen, maar ook complementeren.

Het eerste onderdeel bestaat uit participerende observatie, wat betekent dat ik dit deel zal uitvoeren als bezoeker van het museum. Hoewel het niet (meer) mogelijk is om het museum te bezoeken zonder vooroordelen en een zekere ‘zoekopdracht’ in gedachten, zal ik proberen om mij hiervan bewust te blijven en mij als bezoeker te gedragen. Deze eerste onderzoeksmethode zal mij inzicht geven in de presentatie van het museum en de indrukken die zowel binnen- als buitenlandse bezoekers krijgen.

Daarna begint het tweede deel van mijn onderzoek waarin ik interviews zal houden met educatoren en marketingadviseurs binnen elk museum. Door de informatie die ik bij de interviews verkrijg, verwacht ik een beter inzicht te krijgen in het beleid van het museum en de bedoelingen van de collecties.

(13)

13 Dit leidt tot het derde en laatste deel waarin ik uiteenzet waar het Rijksmuseum, het Scheepvaartmuseum en het Amsterdam Museum voor gekozen hebben in hun beleid rondom de zeventiende eeuw van Nederland. Dit zal ik doen binnen een kader van wetenschappelijke literatuur die mij begeleidt in het vergelijken van de musea en hun invloed op het collectief geheugen. In de conclusie wil ik de volgende vragen beantwoorden: Welke invloed hebben de drie musea op het collectief geheugen? Hoe wordt dit gevormd? Ten slotte zal ik

(14)

14

Collectief geheugen

Voordat ik begin met onderzoeken welke invloed de musea kunnen uitoefenen op het collectief geheugen, wil ik eerst uitleggen wat ik hier precies mee bedoel. Een collectief geheugen wordt - begrijpelijk - vaak verward met het nationaal geheugen. Dit is begrijpelijk omdat ze inderdaad grotendeels overlappen. Het verschil is dat het nationaal geheugen onderdeel uitmaakt van het collectief geheugen, dat naast het nationaal geheugen bestaat uit opvoeding, educatie en de invloed van spirituele ervaringen zoals religies.26

Hierdoor bestaat het collectief geheugen niet enkel uit opgeschreven gebeurtenissen, zoals die bijvoorbeeld worden genoemd in de canon van de Nederlandse geschiedenis27, maar

ook uit orale geschiedenis die wordt doorgegeven op generaties en tijdens bijvoorbeeld de opvoeding. Hoewel er leidraden bestaan waaraan leraren op basis- en middelbare scholen zich moeten houden bij het lesgeven, is wat er aan de leerlingen wordt verteld altijd afhankelijk van wie er voor de klas staat en waar diens kennis en meningen uit bestaat.

Het collectief geheugen is daardoor ook niet iets tastbaars; het is onmogelijk te definiëren hoe een collectief geheugen van een samenleving er op een bepaald moment uitziet.28 Toch bestaat er een gevoel van een community van Nederlanders dat ontstaat door

het idee van eenheid door bijvoorbeeld taal en een gedeelde geschiedenis. Dit idee werd door Benedict Anderson beschreven in zijn boek Imagined Communities. Het houdt in dat mensen – ook al kennen zij elkaar niet – een denkbeeldige groep vormen. Anderson’s theorie is essentieel voor het begrijpen van een collectief geheugen omdat het zonder het idee of het gevoel van een bestaande (geconstrueerde) groep, niet duidelijk is van wie dat gedeelde geheugen is. In één van zijn hoofdstukken legt Anderson uit hoe onder andere kaarten (zoals Blaeu die maakte) en musea de geschiedenis van een land kunnen creëren.29 Onder andere

Engeland en Nederland hebben op deze manier de geschiedenis van hun koloniën – in ieder geval deels – vormgegeven. Dit alleen al door de naamgeving van deze koloniën: Nederlands-Indië bijvoorbeeld, of Nieuw-Zeeland, van wie de naam die door eerdergenoemde

kaartenmaker Johan Blaeu in opdracht van de VOC voor het eerst werd weergegeven op een kaart – deze naam nog steeds draagt. 30

26 Gedi en Elam, Collective Memory – What is it? (1996), p. 37. 27 Wat is de canon van Nederland? Website Rijksoverheid. 28 Gedi en Elam, Collective Memory – What is it? (1996), p. 34. 29 Anderson, Imagined Communities (1983), pp. 183-184.

(15)

15 Maar ook in musea wordt de geschiedenis van landen weergegeven door objecten en verhalen. Zoals Blaeu andere landen weergaf op zijn kaarten door aspecten opgeschreven door de ‘ontdekkingsreizigers’ af te beelden door middel van kleine tekeningen van dieren en mensen, geven musea ook een beeld van andere landen.31 Zelfs (of juist) in een museum waar

wordt verteld over de eigen geschiedenis kan dit het geval zijn.

Hoe (en of) er over slavernij wordt verteld zorgt voor een constructie van de

geschiedenis van het andere land en daardoor, ook van het zelfbeeld van het eigen land. Dit wordt door Edward Said behandeld in zijn boek Oriëntalism. Heel kort samengevat

beargumenteert Said dat het construeren van the other met name het construeren van the self betekent.32 Dit betekent dat het collectief geheugen niet alleen ontstaat door hoe we naar onze

eigen geschiedenis kijken, maar dat we ook (vaak onbewust) onze eigen geschiedenis

definiëren door hoe we naar andere landen hun geschiedenis kijken. Zeker wanneer deze twee vertellingen in contact zijn gekomen met elkaar door bijvoorbeeld een conflict. Hoe het beeld van de ander en de bijbehorende geschiedenis wordt ingevuld in musea, construeert dus ook mede het beeld van de eigen nationale geschiedenis.

Zoals ik eerder benoemd heb, kan ik niet bewijzen hoe het collectief geheugen verandert door de agency van medewerkers binnen het beleid van musea.33 Ik kan wel

proberen na te gaan welke invloed bepaalde keuzes kunnen hebben op de bezoeker, en daarmee – door de in totaal miljoenen bezoekers per jaar – invloed hebben op het geheugen van Nederland. De informatie die door de bezoeker is opgedaan in een museum blijft vaak niet beperkt tot alleen die persoon. Ideeën worden gedeeld en verspreid door het delen van ervaringen. Meningen kunnen worden versterkt of worden bijgewerkt door wat een museum tentoonstelt. Leren over de geschiedenis heeft dus invloed op het geheugen van de

samenleving op een actieve manier. In het volgende deel van mijn scriptie probeer ik als bezoeker te ervaren hoe de zeventiende eeuw aan mij wordt verteld.

31 Van Netten, The New World Map and the Old (2020), p. 1. 32 Saïd, Orientalism (1978), onder andere op pagina 12-14. 33 Trouillot, Silencing the Past (1995), p. 48.

(16)

16

1. Bezoeken

‘The mistake most of us academics make is starting with theory rather than experience.’

– James Miller.34

De meeste mensen bezoeken het museum voor hun plezier. Dit kan door het hebben van een leuk dagje uit met de familie, en/of plezier halen uit het bekijken van kunst en/of het leren over gebeurtenissen in het verleden. Veel van die bezoekers hebben geen (kunst)historische achtergrond en verwachten dat het museum hen wat bijbrengt aan indrukken en kennis. Het bezoeken van musea is erg populair en hoewel er in 2008 door de financiële crisis een kleine terugval was in het aantal bezoeken, krabbelde dit daarna weer op en zorgde de crisis ervoor dat de musea meer campagnes dan ooit voerden, wat ook weer meer bezoekers opleverde.35

Om een beeld te geven van het totale aantal museumbezoekers: in 2018 waren er 33.646.000 mensen die een museum bezochten binnen Nederland. Amsterdam staat bovenaan de lijst van steden met de meeste bezoekers met 12 miljoen bezoekers. Alleen het

Rijksmuseum al trok meer dan 2 miljoen bezoekers in 2018. 395 van de in totaal 616 musea in Nederland zijn historische musea.36 In 2018 waren 1,4 miljoen Nederlanders in het bezit

van een Museumkaart, wie gemiddeld 6,6 museums per jaar bezochten.37 Deze cijfers

illustreren het gewicht van musea in Nederland en de kennis die zij meegeven aan haar bezoekers.

In de eerste fase van mijn onderzoek bezoek ik de drie musea zoveel mogelijk als ‘de gemiddelde bezoeker’; de bezoeker die voor zijn of haar plezier het museum bezoekt. Die bestaat natuurlijk niet; elk persoon neemt zijn eigen kennis en voorgeschiedenis mee het museum in. Toch wil ik proberen zowel mijn voorkennis als het doel van mijn scriptie even te vergeten. Dit zal nooit volledig mogelijk zijn doordat die ‘uitknop’ niet bestaat, maar ik zal proberen zoveel mogelijk te observeren zonder een wetenschappelijke bril op te zetten. Doordat ik de rol van bezoeker aanneem, zal ik participerend observeren door onderdeel te zijn van het publiek van het museum.38 Dit zorgt ervoor dat de informatie die in het museum

te verkrijgen is door middel van indeling van het museum, de bordjes en de audiotour, mij kunnen begeleiden door het museum.

34 Miller, Museums and the Academy: Towards Building an Alliance (1986).

35 Ariese, Amsterdam Museum(s): In Search of a History, an Identity, and a Future. (2019), pp. 7-8. 36 Centraal Bureau Statistiek Open data.

37 Jaarverslag Stichting Museumkaart 2018. 38 Fine, Particpant Observation (2015), p. 530.

(17)

17 Een bezoeker zal over het algemeen niet per sé nadenken over elementen als inrichting van het museum of de hoeveelheid informatie die gegeven wordt bij een kunstvoorwerp, maar omdat ik specifiek de representatie van de Nederlandse zeventiende eeuw wil onderzoeken, lijkt het me belangrijk om ook te onderzoeken wat bezoekers mogelijk onbewust ervaren. Het onbewuste is namelijk niet minder relevant, het beweegt vaak ongezien ons brein binnen waar het meedraagt aan onze mening, opvatting, of herinneringen.39 Een voorbeeld hiervan is dat

de kunst die in het Rijksmuseum in de Eregalerij hangt, door de naam, de positie en het prestige van deze galerij die door het publiek worden aangenomen als het belangrijkst.

Ik bekijk alleen de inhoud die over de zeventiende eeuw gaat, of hieraan gelinkt kan worden. Verder bezoek ik alleen de vaste collecties en laat dus de tijdelijke tentoonstellingen achterwege. Deze zijn namelijk subject aan het moment van bezoek en hoewel ze qua

actualiteit en als aanvulling zeker waardevol kunnen zijn, ga ik alleen uit van wat bezoekers tijdens hun bezoek aan de musea in de vaste collectie hebben kunnen zien. Er is buiten de musea zelf ook veel informatie over de collecties te vinden op de websites van de musea.De aankondigingen en beschrijvingen van tentoonstellingen zijn zowel als een korte

samenvatting als een trekpleister te beschouwen en deze neem ik daarom mee in mijn onderzoek. Ook audio en/of multimediatours zal ik beluisteren terwijl ik in het museum ben om te ervaren welke context bij de objecten wordt gegeven.

Voordat ik begin vermeld ik nog dat het bij participerende observatie hoofdzakelijk gaat om welke indruk ik krijg van de collectie. Het is voor dit onderzoek niet mogelijk of gewenst om elk object en elke uitleg te bespreken. Dit maakt mijn onderzoek niet minder wetenschappelijk; als antropoloog ben ik getraind in het zien van verbanden, het interpreteren van ruimtes en het herkennen van verschillende perspectieven. Ik zal tijdens mijn bezoeken notities en foto’s maken om later te kunnen uitwerken. Het is essentieel dat dit gedeelte als eerst wordt uitgevoerd, om beïnvloeding van de literatuur of de museummedewerkers op mijn observaties te voorkomen. De informatie die ik in het eerste deel van mijn onderzoek zal verzamelen, zal ik vergelijken en combineren met de informatie die ik uit mijn interviews haal en het literatuuronderzoek dat ik zal uitvoeren.

(18)

18

Het Amsterdam Museum

Tijd voor mijn eerste bezoek aan het Amsterdam Museum. Zonder mij in te lezen liep ik via de Kalverstraat naar binnen en begon ik aan mijn wandeltocht door het gebouw. Ik liep de trap op en begon direct met de Amsterdam DNA tentoonstelling. Aan het begin hiervan wordt duidelijk dat je door verschillende periodes van de geschiedenis van Amsterdam wordt

meegenomen aan de hand van vier kernwaarden: ondernemerschap, vrijheid, burgerschap en creativiteit. Er zijn zeven perioden waarvan de derde de zeventiende eeuw omvat.

De audiotour wordt door mij en veel mensen om mij heen gebruikt en begint in deze periode met: ‘In de zeventiende eeuw breekt een gouden tijd aan: met hun snelle schepen domineren Amsterdammers de wereldhandel.’ De focus ligt in dit museum logischerwijs op Amsterdam, en de stad wordt hier weggezet als centrum van de wereld dat in volle bloei verkeert: ‘Alles wat de Amsterdammers aanraken lijkt in goud te veranderen.’40

De nadruk ligt ook op de bestuursvorm van Amsterdam als hoofdstad van de

Republiek, ‘waar een stadhuis wordt gebouwd voor burgers in plaats van een paleis voor een vorst.’ Als laatste thema worden de migranten en vluchtelingen genoemd die naar Amsterdam trekken voor de religieuze vrijheid. Waar synagogen elders niet zijn toegestaan en censuur in de drukkerijen heerst, is er in Amsterdam in naam van de bloeiende economie veel meer mogelijk.

Vervolgens loop ik een ruimte in waar portretten de muren van beneden naar boven vullen en de nadruk ligt op de handel en bijbehorende kooplieden en VOC-leden. Er zijn marktplaatsen te zien en de internationaliteit van Amsterdam staat centraal. Als bezoeker krijg ik een duidelijk beeld van de Republiek als wereldmacht en Amsterdam’s hoofdrol in deze bloei en rijkdom. Verder staat er een miniatuur van het stadhuis van Amsterdam en in de hoek, aan het eind van de zeventiende eeuw binnen de Amsterdam DNA tentoonstelling, is er een muur gewijd aan de slavernij. In een soort kijkluik is een impressie van plantage

Waterlant in Suriname te zien waar slaven op de plantage werken. Op de voorgrond is te zien hoe een zwarte vrouw een slavenhouder bedient en het lijkt erop dat zij een kind met hem heeft gekregen, dat door zijn moeder wordt verzorgd. Op het bordje ernaast is ‘Slaven van Amsterdam’ te lezen41, hetgeen wordt uitgelegd door te benoemen dat Amsterdam samen met

de WIC, eigenaar was van Suriname.

40 Audiotour Amsterdam Museum.

41 ‘Slaven van Amsterdam’. Een impressie van de Waterlant plantage in Suriname. Geen collectienummer, door het museum zelf opgesteld.

(19)

19 In de volgende zaal van de tentoonstelling wordt begonnen met het weergeven van Artikel 1 op de muur geschreven: ‘Alle menschen als menschen aan elkander gelijk; zij hebben als zoodanigen dezelfde rechten’. Hiermee wordt de zeventiende eeuw afgesloten en wordt Amsterdam als stad door de opvolgende eeuwen weergegeven. De gebeurtenissen van de achttiende en negentiende eeuw in en omtrent Amsterdam worden uitgelicht met onder andere de Industriële Revolutie en de Tweede Wereldoorlog, waarbij niet meer gesproken wordt over de effecten van de zeventiende eeuw. Op de bordjes wordt duidelijk gemaakt dat hoewel Amsterdam als stad nog steeds groeit, het niet te vergelijken is met de bloei en bijbehorende machtspositie in de zeventiende eeuw.

Een stuk verderop wordt de twintigste eeuw tentoongesteld waarbij in en omstreeks 1975 Surinamers, na de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland trokken. Op filmpjes is te zien hoe destijds in het Nederlandse journaal werd weergegeven hoe zij aankwamen in bussen en naar buurten als de Bijlmer werden gebracht.

Ik loop na deze tentoonstelling te hebben bezocht door naar de andere vaste tentoonstelling: Wereld – Stad, die volgens de website een vervolg en verdieping op de Amsterdam DNA-tentoonstelling is. Op de website, die ik tegelijk met mijn bezoek aan het museum bekijk, word ik bovenal uitgenodigd om de ‘prachtige verhalen over Amsterdam’ te bekijken. Wereld – Stad begint met een indrukwekkende ruimte waarbij de vloer bestaat uit kaarten. Hierop zijn veelal kenmerken te vinden van het desbetreffend land of continent.42 In

het geval van (Nederlands-)Brazilië bestaan de kenmerken uit naakte mensen, diersoorten, plantages en huizen van de plantage-eigenaren.

Er is ook een kaart van Suriname te zien, en aan de muur naast deze kaarten hangt een schilderij van een suikerplantage in Suriname. Het betreft dezelfde plantage als in de DNA tentoonstelling; plantage Waterlant.43 Bij het schilderij wordt uitgelegd hoe slaven op de

plantages suikerriet verbouwden en verwerkten. De rol van Amsterdam bij de kolonie wordt wederom benadrukt door te vermelden dat Amsterdam een grote stempel op het bestuur ervan drukte. Ook de webpagina wordt uitgelegd dat ‘Suriname in feite een buitenwijk van

Amsterdam was’.44

Bij het volgende van de in de totaal zes thema’s, staat het imago van Amsterdam centraal. Op het bord lees ik:

42 Van Netten, The New World Map and the Old (2020), p. 12.

43 ‘Een suikerplantage in Suriname’. Dirk Valkenburg, 1708. Amsterdam Museum, collectienummer: SA35413. 44 ‘Wereld-Stad’ tentoonstelling, website Amsterdam Museum.

(20)

20

‘Stadsmarketing is een positieve selectie uit de werkelijkheid. Oftewel: je presenteert stralend

je successen. (…) Hoe je je voordoet hangt af van de tijd. In de Middeleeuwen ontleent Amsterdam zijn imago aan hogere machten, zoals een goddelijk wonder of een keizer. In de zeventiende eeuw wil Amsterdam zélf die macht uitstralen en positioneert zich als koningin der steden. Dan komt economisch de klad erin. Resteert, in de negentiende eeuw, een groots verleden. Admiralen en kunstenaars van toen worden opgepoetst tot helden van nu,

Rembrandt voorop. (…) Na de Tweede Wereldoorlog gaat Amsterdam het beeld uitstralen van een vrije, tolerante en eigenwijze stad. Dit nieuwe imago wordt met graagte voorzien van historische wortels. Zou het kloppen, dit beeld? En wat wordt het volgende?’

Er wordt hier door het museum een beroep op mij als bezoeker gedaan om zelf na te denken over de presentatie van de stad in de geschiedenis en in de toekomst. Ik benoem verder niet alle thema’s omdat de zeventiende eeuw niet in elk thema aan bod komt.

Binnen het thema Dader-Slachtoffer wordt de zeventiende eeuw aangehaald door de keerzijde van de groei van de Republiek te benoemen: ‘Voor de handel overzee moest alles wijken en nam de stad gemakkelijker haar toevlucht tot geweld.’ Verderop lees ik op een bordje over de moord op ‘bijna 8.000 Chinezen in Batavia door Europese inwoners van het eiland uit angst voor een opstand’. Als dader en hoofdschuldige wordt Gouverneur-Generaal Adriaan Valckenier aangewezen, die werd opgesloten in de gevangenis van Batavia.

Een paar meter verder wordt een boek uit 1796 tentoongesteld.45 Het is een dagboek

geschreven door John Gabriël Stedman, een legeraanvoerder die werd ingezet tegen de marrons (gevluchte slaven) van de suikerplantages in Suriname. Tussen 1772 en 1777 maakt hij aantekeningen over hoe slaven behandeld worden. Hoewel hij niet tegen slavernij is, toont hij begrip voor de marrons, zo vermeldt het bordje bij het tentoongestelde boek. Op de

openliggende bladzijde is een zwarte vrouw te zien, die aan haar handen is opgehangen aan een boom. Als toelichten schreef Stedman eronder: ‘Eene samboe Slavin, wier lichaam door zweepslagen is van één gereten.’

Het laatste thema van de tentoonstelling heet ‘Wereld – Stad Revisited’ en legt uit hoe Amsterdam door haar geschiedenis is beïnvloed en hoe dat zich uit in het heden. De Gouden Koets, in gebruik sinds 1898, is hier een goed voorbeeld van. Op de zijkant van de koets zijn

45 ‘Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana.’ Dagboek van John Gabriël Stedman. 1799-1800. Amsterdam Museum, collectienummer: A39084.1/4.

(21)

21 inwoners van koloniën te zien die hun producten aan de voeten van de Nederlandse Maagd leggen. Volgens kunstenaar Iswanto Hartono hoort dit paneel niet langer op de koets en moet het worden overgeschilderd. Zijn ijzerdraden kunstwerk in de vorm van de koets hangt op een kleine afstand van de muur in het museum, waarbij de afbeeldingen die op de koets staan ijzerdraad zijn nagemaakt. Door het licht wat erop schijnt is de schaduw ervan op de muur te zien. Het doel van Hartono is hierbij het letterlijk laten zien van de schaduwkant van de koets en het tot stand brengen van een dialoog, staat er op het bordje naast de ijzeren koets.46

Ertegenover is een schilderij met daarop een Surinaamse vrouw te zien, geschilderd door Ken Doorson. De vrouw houdt een bewijs vast dat zij is vrijgekocht. Doorson stamt volgens de begeleidende tekst ‘zelf af van mensen die tot slaaf zijn gemaakt’.47 Door zijn

werk krijgt Jacoba Paulina Huizum een gezicht en een verhaal. Ik lees dat ze is vrijgekocht door een ex-slaaf die nog 128 andere slaven had vrijgekocht. Ik merk dat in deze ruimte meer dan in de rest van het museum aandacht gegeven wordt aan persoonlijke verhalen en er plek is voor het toekennen van agency aan de personen uit de geschiedenis.

46 ‘Colonies’, Iswanto Hartono, 2017. Amsterdam Museum, collectienummer: 3763.1/4 47 ‘Manumission Pauline’, Ken Doorson 2016. Amsterdam Museum, collectienummer: 2160.

(22)

22

Het Rijksmuseum

Het Rijksmuseum had ik al vaker bezocht en de inrichting was mij daarom al enigszins bekend. De indeling is vrij overzichtelijk en indien gewenst zijn de collecties in

chronologische volgorde te bekijken, aangezien de vaste collectie per eeuw is onderverdeeld. Ik loop naar de zalen over de zeventiende eeuw en de Eregalerij en realiseer me daarbij dat deze zalen maar een onderdeel zijn van het museum. De Eregalerij is echter wel te zien als ‘het pronkstuk’ van het museum en hier zijn tijdens mijn bezoek dan ook de meeste mensen te vinden. De restauratie van de Nachtwacht is in volle gang en bezoekers staan aandachtig te kijken. Maar ook de schilderijen van Vermeer, Steen en Hals die in de gang naar de Nachtwacht hangen, worden drukbezocht. Aan de vorm van de zaal (die van een galerij) en de ligging ervan, is te merken dat het hier om het hart van het museum gaat.

In de begeleidende app van het museum zijn verschillende audiotours te vinden. Je kunt per periode een tour volgen waarbij je langs enkele schilderijen en/of voorwerpen wordt rondgeleid. Dit doe ik en ik begin in de voorhal van de Eregalerij. ‘’Alles hangt met elkaar samen’’, hoor ik, ‘’en wijst op de grootsheid van de Nederlandse kunst en geschiedenis.’’ De nationale geschiedenis wordt verheerlijkt weergegeven op de muren, via de app hoor ik dat dit vroeger als een vruchtbaar begin van een museumbezoek werd gezien, maar dat hier

tegenwoordig anders over wordt gedacht. Er wordt niet genoemd waarom, of hoe er dan nu over wordt gedacht. Ik merk dat ik zelf – anders dan bij de meeste musea – overweldigd word door de zaal en als bezoeker het gevoel krijg dat ik inderdaad bij een belangrijke galerij aankom. In de Eregalerij zelf luidt de introductie: ‘’In deze Eregalerij hangt de belangrijkste kunst uit de Nederlandse gouden zeventiende eeuw.’’ Ik loop er doorheen en zie de bekende schilderijen. De zaal is niet interactief maar pronkt vooral met haar collectie, die vooral kunsthistorisch interessant is en de bezoeker niet aan de hand neemt door de geschiedenis van de zeventiende eeuw om de kunst heen. Althans, niet zonder de multimediatour in de app te gebruiken.

Een stukje verderop, op het nog grotere schilderij rechts naast De Nachtwacht, ‘Schuttersstuk Bicker en Blaeuw’ zie ik een zwart jongetje afgebeeld tussen alle witte mannen.48 Ik vraag me af waarom hij daar zo verdwaald is afgebeeld. In de audiotour wordt

dezelfde vraag gesteld. In de app staat bij ‘meer weten’ een geluidsopname van

(23)

23 rechtshistoricus Christian Korbeld.49 Hij vertelt dat het andere (witte) jongetje, op links

waarschijnlijk geen slaaf geweest zal zijn maar het donkere jongetje misschien wel. Korbeld vertelt dat op het moment dat het schilderij werd gemaakt, net de slavenhandel van de Portugezen overgenomen werd. Hij vertelt over het knooppunt aan de West-Afrikaanse kust en de slavenhandel die daardoor goed begon te lopen voor Nederland. Korbeld verwacht dat de schilder ‘het slaafje’ naast kapitein Bicker heeft afgebeeld om status op te roepen. Onder ‘meer zien’ in de app is een filmpje te zien waarop zwarte kinderen op zeventiende-eeuwse schilderijen te zien zijn. Officieel zijn het geen slaven, wordt aan mij uitgelegd, omdat in de Republiek slavernij officieel niet voor kwam door het natuurrecht waarin ieder gelijk was.

Ik loop verder naar de zaal van de eerste helft van de zeventiende eeuw. Hier vind ik verschillende thema’s en wordt er begonnen met Willem van Oranje waarbij De Tachtigjarige Oorlog centraal staat. Dit wordt uitgebreid uitgelegd, waarbij schilderijen zoals die van de Slag bij Gibraltar te zien zijn. Ook voor de (naar mijn mening, prachtige) winterlandschappen en andere alledaagse scènes is er aandacht.

In de tweede helft van de eeuw gaat het vooral over de bloei, groei en handel van de Republiek. Er zijn meerdere modelschepen te zien en schilderijen van de zeeslagen met Engeland te vinden. Er hangen portretten van onder andere Michiel de Ruyter die trots afgebeeld is met zijn arm rustend op een globe en achter hem een zeeslag die hij gewonnen heeft. De multimediatour in de app spreekt door de gehele eeuw heen niet over kolonies en de rol van de Republiek bij slavernij of uitbuiting.

Verderop zijn er geschilderde landschappen tentoongesteld van onder andere Frans Jansz Post. Er is een Braziliaans landschap te zien en het bordje geeft aan dat het om de provincie Pernambuco gaat.50 Op het schilderij staat voor het huis een Nederlands echtpaar en

zie ik verder (volgens de uitleg) een Indiaanse familie op de voorgrond, een Portugese vrouw en een slaaf. Wat me tot nu toe steeds weer opvalt is dat ik af en toe een zwarte man, vrouw of kind als slaaf op een schilderij tegenkom maar dat er nog geen context gegeven is door middel van een bordje of de begeleidende teksten op de muren in de zalen.

In de app vind ik de multimedia tour genaamd ‘koloniaal verleden’. Het betreft tweeëntwintig objecten waarover meer informatie wordt gegeven. Als introductie hoor ik:

49 Rechtshistoricus Christian Korbeld over de juridische kant van ‘slaven’ in de Republiek. Via de ‘koloniaal verleden’ tour in de multimedia app van het Rijksmuseum.

(24)

24 ‘Welkom bij deze tour door de koloniale geschiedenis. U ontdekt hoe de kolonies Nederland hebben verrijkt, én bepaald. Welke sporen over en weer zijn achtergelaten, van de vroege zeventiende eeuw tot op de dag van vandaag. Daarom voert deze tour u dwars door het museum, als een ware ontdekkingstocht.’

Acht van de in totaal tweeëntwintig objecten binnen de tour gaan over de zeventiende eeuw. Het portret van de familie Cnoll in Batavia, geschilderd door Jacob Coeman wordt ook belicht in de audiotour. 51 Eerst wordt er uitleg gegeven over de familie, waarna je wederom op ‘meer

weten’ en ‘meer zien’ kunt klikken voor meer informatie. Hoogleraar Leonard Blussé van de Universiteit Leiden schijnt in het fragment licht op de persoonlijke verhalen van de mensen op het schilderij. De slaaf die achter Pieter Cnoll op het schilderij staat, Untung, loopt weg nadat Cnoll overlijdt en sluit zich aan bij een roversbende, waarna hij uiteindelijk koning werd op het oosten van Java.52 Ik vind het een bijzonder verhaal waar ik anders als bezoeker

niet aan had gedacht. Als ik om mij heen kijk – wat wel een momentopname is – zie ik weinig mensen op hun smartphone en vraag ik me af hoeveel dit verhaal beluisterd wordt. In het extra fragment wordt ook aangekaart dat de slavernij op Java veel omvangrijker was dan tot kortgeleden werd gedacht.

Bij een volgend schilderij van Banda Neyra53 krijgt historicus Wim Manuhutu het

woord.54 Hij vertelt over de resten van de VOC op Banda en het erfgoed voor de Molukse

bevolking. In 1621, onder leiding van Jan Pieterszoon Coen, werd een genocide gepleegd op de inwoners van het eiland om wraak te nemen op een rebellie die optrad toen Nederlanders een monopolie op de nootmuskaathandel wilden opleggen. Manuhutu vertelt dat de daden van de VOC nog altijd herinnerd worden op het eiland. Tegelijkertijd streven de inwoners ernaar om Banda op de werelderfgoedlijst te krijgen om haar bijzondere geschiedenis en uniekheid. Ik merk dat ik, nu ik de ‘koloniaal verleden’ tour volg, ik bij schilderijen en objecten terecht kom waar ik normaal gesproken langs heen zou lopen of waar ik de betekenis niet van op zou zoeken. Dit geldt ook voor de ‘Kroon van Ardra’, een niet-kostbare kroon die werd gemaakt voor de koning van Ardra in West-Afrika.55 In het geluidsfragment wordt mij verteld

51 ‘Pieter Cnoll, Cornelia van Nijenrode en hun dochters.’ Jacob Coeman, 1665. Rijksmuseum, collectienummer: SK-A4062

52 Vertelling door emeritus-hoogleraar Leonard Blussé van de Universiteit Leiden in een fragment bij het schilderij in de ‘koloniaal verleden’ tour via de multimedia app van het Rijksmuseum.

53 ‘Gezicht op Banda’. Johannes Vinckboons, ca. 1662-1663. Rijksmuseum, collectienummer SK-A-4476. 54 Historicus Wim Manuhutu in de multimediatour ‘koloniaal verleden’ in de Rijksmuseum app. Manuhutu was de voormalige directeur van het Moluks Historisch Museum.

(25)

25 dat de koning de supervisie had op de slavenhandel die vanuit het koninkrijk Ardra (nu

Benin) plaatsvond. Slaven werden gekeurd en vervolgens via slavenschepen vervoerd. Deze kroon werd opgestuurd door Engeland maar kwam nooit aan doordat Michiel de Ruyter hem onderschepte toen hij met zijn schepen Ardra heroverde op de Engelsen. In een extra

fragment vertelt gids Jennifer Tosch over de kroon en slavenhandel in Afrika.56 Ze vertelt

over de dorpshoofden die meewerkten aan de slavernij. Zij gaven niet hun eigen volk op bij het verkopen van slaven, maar dat van een stam of groep waarmee zij in oorlog waren. Ze werden er door Europeanen ingeluisd met beloftes en cadeaus, waarvan de kroon een voorbeeld is.

Een ander en laatste voorbeeld is wanneer Carla Boos het woord krijgt in de app, die haar emotie laat doorschijnen wanneer zij vertelt over de slavenhandel:

‘Ongeveer 600.000 slaven vervoerde de Republiek. (…) Ze hadden weken in het ruim

gezeten, nauwelijks bewogen of gegeten en waren scharminkelig, ongezond. Op de markt moesten ze op een verhoginkje omdraaien, armen omhoog. Dit was slaven keuren, als koeien. De massaliteit en de efficiency van slavernij treft me enorm. Slavernij heeft Nederland

ongelofelijk verrijkt en daar hebben heel veel zwarte mensen ontzettend onder geleden.’57

Zoals ik aangaf ben ik eerder in het museum geweest maar heb ik nooit eerder deze tour gebruikt. Ik krijg hierdoor als bezoeker een gevarieerde en persoonlijke indruk van sommige objecten binnen de collectie en leer ik over de continuïteit van het koloniale verleden.

56 Jennifer Tosch, Black Heritage Amsterdam Tours, auteur van het boek ‘Amsterdam Slavery Heritage Guide’. 57 Carla Boos, televisiemaker, vertelt over de slavenhandel van de Republiek in de multimedia tour ‘koloniaal verleden’ in de Rijksmuseum app.

(26)

26

Het Scheepvaartmuseum

Tijdens mijn Bachelor Antropologie ben ik één keer eerder in het Scheepvaartmuseum geweest. Hierbij keken we naar slavernij in het algemeen en kregen we ook een rondvaart door Amsterdam om te kijken naar details aan bijvoorbeeld grachtenpanden die verwezen naar de geschiedenis van de slavernij. Van tevoren wist ik dat met een volledig open blik naar de collectie kijken mij hier niet zou lukken, er was mij nu eenmaal al het een en ander

aangewezen tijdens mijn vorige bezoek. Toch heb ik geprobeerd zo open mogelijk door het museum te wandelen.

In het Scheepvaartmuseum is er al een lange tijd een semipermanente collectie genaamd ‘zie je in de gouden eeuw’, te vinden op de eerste verdieping. De tentoonstelling is sinds 5 juli na 15 jaar gesloten en is dus intussen niet meer te bekijken. Ik neem het toch mee in mijn onderzoek, omdat het de afgelopen jaren in de vaste collectie bekeken kon worden en het dus heeft bijgedragen aan de representatie van de zeventiende eeuw binnen het museum.

Aan de hand van beeld en geluid, opgenomen en ingesproken door onder andere Waldemar Torenstra, word je bij ‘zie je in de gouden eeuw’ door de zeventiende eeuw begeleid, waar modelschepen en andere objecten te zien zijn. Het doel van de zaal lijkt het vertellen van een verhaal te zijn. Hierbij wordt de rijkdom van Nederland in de eeuw meermaals aangehaald en kun je door middel van een computerspel ook zelf handelen in goederen. Kaarten van Blaeu en globes van Jodocus Hondius en Adriaen Veen58 zijn te

bewonderen en versterken het internationale gevoel dat de zaal mij geeft.

Er wordt aandacht besteed aan slavernij door middel van beeld- en geluidsmateriaal. Zo krijgt het personage Amimba, de slavin van een Nederlands gezin in Zeeland, het woord om uit te leggen hoe het voelt om zonder haar eigen familie te zijn en te werken als slavin in Nederland.59 Ze dreigt terug te worden gestuurd naar Suriname, omdat de vrouw van het huis

niet langer tevreden is met haar. Ze vertelt dat ze dit aan de ene kant wel wil, aangezien ze dan terug kan naar haar familie, maar aan de andere kant heeft ze het goed in Nederland en wil ze dit niet kwijt. Ook de slavenschepen en de plantages van onder andere suikerbiet in de vitrines, worden aangehaald. Door het geluid- en beeldmateriaal lijken de zwarte mensen agency toegespeeld te krijgen in het verhaal van de zeventiende eeuw.

58 ‘Aardglobe door Jodocus Hondius junior en Adraen Veen, met opdracht aan de Staten-Generaal.’ 1613, Het Scheepvaartmuseum, collectienummer: S.3300(01).

59 Uit het beeldmateriaal in de tentoonstelling ‘zie je in de gouden eeuw’. Er zijn meerdere schermen opgehangen waarop nagespeelde scènes uit de zeventiende eeuw te zien zijn.

(27)

27 Op de begane grond bevindt zich de hoofdgalerij met de vaste tentoonstelling

‘Republiek aan Zee’, dat ‘met vijftig objecten de groei, bloei en neergang Nederland als wereldmacht weergeeft’.60 In deze ruimte vol met maritieme geschiedenis ligt de focus op de

zeventiende en achttiende eeuw waarin Hollanders per schip de wereld over reizen. Ook wordt er veel aandacht geschonken aan de zeeslagen met Spanje en Engeland. In de

tentoonstelling wordt duidelijk hoe de Republiek het rijkste land ter wereld werd, grotendeels door de oprichting van de VOC en de WIC en haar handelsklimaat.

Waar ik boven werd begeleid door de video en spraakopnames aan het begin, tussendoor en aan het einde van de tentoonstelling, geldt dat in de hoofdgalerij niet vanzelfsprekend. Wanneer je als bezoeker gebruikt maakt van een audiotour, krijg je wel extra begeleiding en context. Er is ook een junior audiotour, die wat speelser en eenvoudiger uitleg geeft over de collectie. In de audiotour wordt inleidend verteld over de Republiek en haar maritieme

geschiedenis. Het legt uit hoe de VOC het eerste internationale bedrijf was op beurs en hoe er aandelen werden verkocht waardoor Nederlanders steeds rijker werden. Nederlanders waren machtig op zee en dwongen respect af door de gewonnen zeeslagen en overzeese

handelsroutes. Na de handel en groei van de steden in het vaderland te benoemen, gaat de audiotour verder:

‘Maar er is niet alleen succes van de zogenaamde gouden eeuw. De grote welvaart heeft ook een keerzijde. De groei in de Republiek gaat ten koste van anderen. Oorlogen, koloniale overheersing en slavernij maken wereldwijd veel slachtoffers.’61

Bij ‘Braziliaans landschap’ door Frans Post62 hangt een bordje waarop te lezen is wat er op

het schilderij te zien is: ‘een arcadisch landschap met palmen en een zeilboot op een rivier’. Daarnaast laat het weten wat er ontbreekt: ‘Wat het niet laat zien zijn de 25.000 tot slaaf gemaakte Afrikanen die gedwongen voor de WIC werkten op de suikerrietplantages.’ In de audiotour wordt hier nog verder op ingegaan. Er wordt uitgelegd hoe de slaven werden vervoerd en hoe met name de WIC dit organiseerde en hoe Nederlanders over de rug van honderdduizenden mensen, rijk werden.63

60 Via de website van Het Scheepvaartmuseum.

61 Audiotour ‘Republiek aan Zee’, Het Scheepvaartmuseum.

62 ‘Braziliaans landschap’, Frans Post ca. 1650. Het Scheepvaartmuseum, collectienummer: A.0089(01)b. 63 Audiotour ‘Republiek aan Zee’, Het Scheepvaartmuseum.

(28)

28 Na een heleboel schilderijen met daarop zeeslagen, portretten van machtige admiralen zoals Michiel de Ruyter en een modelschip kom ik aan bij glazen vitrines met objecten erin. In één van de vitrines is een zwart, porseleinen poppetje te zien. Het mannetje, ‘famille noir’64

is gemaakt in China. Bij de beschrijving lees ik dat het gemaakt is in opdracht van een Europeaan. Omdat er in China geen zwarte mensen leefden, is het beeldje gemaakt op basis van vooroordelen en fantasie.

Op de website van het museum wordt uitgelegd dat het beeldje aan de collectie is toegevoegd, samen met een ander object dat ik zo zal benoemen, om een discussie te starten. De beeldjes werden gemaakt in opdracht van Europeanen en vooral de ‘exotische’ beeldjes waren populair, omdat hierbij ‘de ander’ werd geportretteerd en dit, vooral in de zeventiende eeuw in de tijd van ontdekkingen en veroveringen, erg interessant was.65 Het

Scheepvaartmuseum legt uit dat het lastig is om te herleiden waarop de uiterlijke kenmerken van het beeldje waren gebaseerd, doordat:

‘(…) het uiterlijk van de figuur een interculturele samenstelling is van westerse en Chinese aannames over de verbeelding van de ‘ander’. De rode, geprononceerde lippen, de bolle, uitpuilende ogen en de schaarse kleding zijn karikaturale en racistische kenmerken waarmee in de westerse cultuur mensen van Afrikaanse herkomst werden weergegeven. Maar ook binnen de Chinese cultuur behoren deze uiterlijkheden tot de vaststaande beeldtaal voor het uitbeelden van donkergekleurde mensen.’66

Een ander voorbeeld van othering, is het tweede door het museum aangeschafte object; een portret van Admiraal Tromp geschilderd door Ferdinand Bol.67 De admiraal staat trots met

zijn harnas aan en verrekijker in zijn hand. Achter hem wordt een zeeslag weergegeven en daaronder, bij hem in de kamer, is een zwarte slaaf te zien. Hij draagt pareloorbellen en een net kostuum en is afgebeeld om de rijkdom en status van de admiraal te benadrukken. De zwarte man is op zichzelf niet belangrijk voor het portret maar staat in dienst van het definiëren van Admiraal Tromp.

64 ‘Famille noir van een staande man, porselein met email’. China, ca. 1720. Het Scheepvaartmuseum, collectienummer: 2018.0652.

65 ‘Het beeld van ‘de ander’: Afrika door Chinees-Europese ogen.’ Website Het Scheepvaartmuseum.

66 Bosmans, Sarah. ‘Het beeld van ‘de ander’: Afrika door Chinees-Europese ogen. Artikel op de website van Het Scheepvaartmuseum, november 2019.

(29)

29 Ik zou bijna vergeten het schip buiten het museum te bezoeken en loop er nog even langs. Ik kan me voorstellen dat dit een grote indruk maakt op kinderen en dat het een trekpleister is voor de jeugd. Voor de boot, op de steiger, staat een bord met uitleg over De Amsterdam en haar rol binnen de VOC. Er wordt zowel binnen de audiotour als op het bord geen verband gelegd met de handel in slaven of de uitbuiting en uitputting van de koloniën, waardoor het schip vooral een token van trots wordt door haar indrukwekkende uitstraling.

(30)

30

2. Interviews

Om de musea te kunnen vergelijken in hun representatie van de zeventiende eeuw, is er informatie van binnenuit nodig. Op die manier krijg ik een kijkje in het beleid en kan ik kijken waar er overeenkomsten of verschillen aanwezig zijn – en waar deze in resulteren.

Hiervoor ben ik gesprek gegaan met zes personen; twee binnen elk museum. Ik sprak met een educator en met een marketing adviseur. Met educatoren omdat zij de mensen zijn die het verhaal van de collectie over proberen te brengen op de bezoeker. Met marketingadviseurs omdat zij met die verhalen adverteren en zo het museum presenteren naar de buitenwereld. Elk gesprek duurde ergens tussen een half uur en een uur, waar sommigen kort en bondig antwoord konden geven op mijn vragen en anderen diep nadachten en hun uitgesproken mening gaven over het onderwerp.

Hieronder staan de interviewvragen opgesteld. Hoewel ik mij hier zoveel mogelijk aan heb proberen te houden, gaat een gesprek vaak verschillende kanten op, iets wat ik zelf erg kon waarderen. Bij de zesde vraag voor de marketingmedewerkers wil ik kort toelichten dat ik mij ervan bewust ben dat de marketingadviseurs niet per se een (kunst)historische

achtergrond hebben en niet genoodzaakt zijn hier een mening over te hebben. Ik vond het toch interessant om ook aan hen de vraag te stellen en hier kwamen boeiende antwoorden uit. De specifieke vraag over september 2019 en de terminologie ‘de gouden eeuw’ vond ik relevant omdat het vraagt naar het beleid over de zeventiende eeuw vóór en na de aankondiging van het Amsterdam Museum.

Voor de rest heb ik mijn vragen zo open mogelijk gehouden om zoveel mogelijk een verhaal en/of mening uit te lokken. Om het leesbaar te houden heb ik de antwoorden verweven tot een verhaal, waarbij ik de annotaties van de interviews zo nauw mogelijk heb gevolgd. Ik heb toestemming van alle geïnterviewde personen in hoe ik hun antwoorden heb geparafraseerd.

De geïnterviewde medewerkers van het Rijksmuseum hebben ten opzichte van de medewerkers van de andere twee musea, meer wijzigingen doorgebracht in mijn tekst over het interview. Dit is door hen deels in samenwerking met de persafdeling van het

Rijksmuseum gebeurd. Hoewel zij dus achteraf nuances hebben toegevoegd waar de andere geïnterviewde medewerkers dit niet of nauwelijks nodig achtten, blijft de strekking en het gevoel van het interview gelijk aan mijn interpretatie na het gesprek.

(31)

31 Ik stelde de volgende vragen aan de educatoren:

1. Welke plek heeft de zeventiende eeuw volgens u in het museum? Welk verhaal wordt er verteld?

2. Hoe wordt bepaald welke informatie er wordt getoond?

3. Wat was uw ervaring omstreeks september 2019 toen het Amsterdam Museum besloot om de term ‘de gouden eeuw’ te verbannen en er veel media-aandacht ontstond? Wat was het beleid?

4. Vergelijkt u de informatie die u presenteert in het museum met andere (Amsterdamse) musea?

5. Als u het mocht bepalen, hoe zag de representatie van de zeventiende eeuw er dan uit in het museum? Wat zou u toevoegen, weglaten of aanpassen?

En aan de marketingadviseurs:

1. Welke plek heeft de eeuw volgens u in het museum? Welk verhaal wordt verteld? 2. Welke plek neemt de eeuw in binnen de marketing van het museum? Wordt er

veel mee geadverteerd?

3. Krijgt u feedback over welke advertenties/reclames de meeste bezoekers

opleveren? Denkt u dat de term ‘de gouden eeuw’ belangrijk is voor het trekken van binnen- en buitenlandse bezoekers?

4. Ontstond er een bepaalde druk omstreeks september 2019, toen het Amsterdam Museum besloot de term ‘de gouden eeuw’ te verbannen? Wat was de taak van de marketingafdeling hierbij?

5. Vergelijkt u de informatie die u adverteert met andere (Amsterdamse) musea? 6. Als u het mocht bepalen, hoe zag de representatie van de zeventiende eeuw er dan

(32)

32

Het Amsterdam Museum – educator/conservator

Op 10 juni 2020 sprak ik met Tom van der Molen, conservator bij het Amsterdam Museum. Aangezien hij samen met zijn collega’s verantwoordelijk was voor alle media-aandacht in september 2019, leek het mij goed om hem te spreken over zijn ervaringen hiermee en zijn kijk op de zeventiende eeuw in het museum. Volgens Tom is er in het Amsterdam Museum geen strikte scheiding tussen het werk van educatoren en conservatoren en werken zij

grotendeels samen. Voor mijn onderzoeksmethoden kon het dus geen kwaad dat hij officieel conservator en geen educator is, en ik begon met mijn eerste vraag over de plek van de Nederlandse zeventiende eeuw in het museum.

‘De collectie is grotendeels van de gemeente Amsterdam. We werken onafhankelijk maar zijn toch deels afhankelijk. Het Amsterdam Museum is een stadsmuseum,

voortgekomen uit het idee van stedentrots. Dit is iets waar we deels wel langzaam van weg proberen te bewegen maar het zit er zeker nog wel in. Het is hoe dan ook een feit, ook zonder de gevoelens van trots, dat Amsterdam in de zeventiende eeuw enorm is gegroeid, daarom speelt die tijd hoe dan ook een grote rol. Het perspectief hierop in het museum heeft wel andere narratieven nodig, het huidige perspectief is er nog te veel één van de witte Europeaan. Wat we zien in de collectie is met name de luxecultuur; de objecten van mensen met geld en macht. Dat is niet vreemd, deze producten zijn lang als het erfgoed beschouwd en werden daarom ook het best bewaard. Hiervan moet worden weggestuurd, waarbij de realisatie nodig is dat exploitatie en slavernij geen uitzondering of zwarte bladzijden waren, want dat was het niet. Het is diep verweven en de rijkdom kan niet los gezien worden van deze uitbuitingen en slavernij’.

‘Ik kan me voorstellen dat de bezoekers worden overweldigd door de rijkdom van de zeventiende eeuw. Er worden wel nuances aangegeven op tekstbordjes bij sommige

voorwerpen, maar dit zal niet door iedereen worden opgepikt. Ik vind het te makkelijk om te denken van ‘we hebben de collectie niet, dus we kunnen het verhaal niet vertellen’. Hoewel we op zoek zijn naar nieuwe objecten, is het los daarvan al mogelijk om meer context te geven bij de objecten die wel al hebben. We draaien niet om slavernij heen, maar het moet uitgebreider. Een voorbeeld hiervan is een schilderij van een Surinaamse plantage van een Amsterdamse slavenhouder. De bezoeker ziet een vredig landschap en er is nauwelijks een zwart persoon te zien. Hier is context nodig.’

(33)

33 ‘We praten over kolonialisme, over de positie van de vrouw, over religieuze tolerantie en soms het gebrek eraan, want vaak wordt aangenomen dat Amsterdam zo tolerant was en dit was lang niet altijd het geval. Het is soms ook lastig om van het beeld van de stad als

welvarend en tolerant af te wijken, gezien de thema’s waarmee het museum adverteert. De Amsterdam DNA tentoonstelling bijvoorbeeld, gaat uit van vier positieve punten waaronder die tolerantie. Dit is problematisch en we zijn bezig met het realiseren van het belichten van meerdere kanten, door meer dynamiek in te voeren. De Amsterdam DNA tentoonstelling gaat binnenkort dan ook weg, wat ruimte maakt voor meer verhalen, meningen en andere

perspectieven.

Op mijn vraag of de collectie van het Amsterdam Museum door hem of zijn collega’s vergeleken wordt met andere musea, was het antwoord dat hij zich bewust is van andere -vooral Amsterdamse - musea en dat er deels concurrerend en deels collegiaal contact is waarbij er natuurlijk moet worden gedacht aan de economische werkelijkheid van het binnenhalen van bezoekers.

Over zijn ervaring met de media-aandacht in september van vorig jaar vertelt Tom: ‘Deze commotie hebben we grotendeels zelf teweeggebracht en de reacties zijn pittig geweest. Zelf gebruikte ik de term ‘de gouden eeuw’ al een tijd niet meer omdat ik het niet meer passen vond en vindt. Ik sprak veel met onder andere Surinaamse en Antilliaanse mensen en ik trok me de kritiek aan. Een trotse term was inderdaad niet passend, en ik wilde het als medewerker van een museum niet langer in stand houden. Na het door ons

uitgebrachte persbericht ontstond er een heleboel kritisch commentaar, vooral van de rechtse kant van Nederland. Er is ons wel gevraagd of we het wel zo openbaar naar buiten moesten brengen, maar ik heb geen spijt: het is onze taak als museum. Het had wel tactischer gekund, maar aan de andere kant is de discussie die erdoor is ontstaan nodig en belangrijk geweest, en is deze nog steeds belangrijk.’

(34)

34

Het Amsterdam Museum – marketingmedewerker

Cristina Fodor werkt als marketingmedewerker in het Amsterdam Museum. Op 25 juni 2020 maakte zij de tijd vrij om met mij in gesprek te gaan. Ik vertelde haar over mijn onderzoek, en legde uit dat ik specifiek onderzoek doe naar de hoofdlocatie van het museum in de

Kalverstraat. Ik vroeg haar wat haar mening is over de representatie van de zeventiende eeuw in het museum.

‘Binnen de Hermitage en andere locaties van het Amsterdam Museum wordt de

volledige eeuw wel goed uitgelicht en de nadruk op slavernij gelegd, maar dit blijft nog achter in het hoofdmuseum. De vaste collectie in het hoofdmuseum is grotendeels gericht op

buitenlandse toeristen om hen te leren over de stad Amsterdam en haar geschiedenis. We geven het beeld van een veelzijdige en progressieve stad. Dit wordt wel steeds genuanceerder, maar het is nog niet genuanceerd genoeg. Want ja, het was een gouden eeuw, maar zeker niet voor iedereen.’

Over het uitgebrachte persbericht in september 2019 vertelt ze dat het een hele

spannende tijd is geweest. ‘De insteek was dat we onze inhoud objectiever wilden weergeven, maar dit werd een politieke keuze met hele heftige reacties. We moesten keuzes maken qua het reageren op de berichten en we besloten alleen te reageren als er een goede dialoog uit voort zou kunnen komen. De reactie van president Rutte in de media was een schok voor ons, we hadden niet verwacht dat er openlijk door politici zou worden gereageerd, en zeker niet op zo’n oppervlakkige manier. Ik had ook niet verwacht dat een museum als het Rijksmuseum zich niet enigszins zou aansluiten bij onze verandering. Dat ze er juist tegenin gingen door aan te geven dat ze de term ‘Gouden Eeuw’ zouden behouden, hadden we niet verwacht.’ ‘Als museum hebben we de taak’, zo gaat Cristina verder, ‘om de geschiedenis te blijven herleren en ons daarop aan te passen, ook als dit het gevoel van trots aantast.’ Ons nieuwe beleid was ook voor de beslissing om de term niet meer te gebruiken, al in gang gezet. Het duurt even tot deze veranderingen worden doorgevoerd maar we waren al veel langer bezig met het aanpassen van de kijk op de zeventiende eeuw. Hierbij kijken we vanuit de marketing ook wel naar andere musea om te zien hoe zij met bepaalde onderwerpen omgaan, niet om onze eigen collectie aan te passen maar juist om te zien hoe we origineel kunnen blijven.

Cristina vertelt dat zestig tot zeventig procent van de bezoekers internationale toeristen zijn, waar op ingespeeld moet worden. Ze gelooft niet dat het museum buitenlandse toeristen misloopt door het weglaten van de term, en dat zij ook met een andere term wel kunnen

(35)

35 begrijpen waar het over gaat en geïnteresseerd zullen zijn. Er is op een kleine dip in

september na een blijvende groei in het algehele bezoekersaantal, dus er is geen reden om aan te nemen dat het weglaten van de term een negatieve invloed heeft gehad.

Vanuit de marketing is er weinig invloed op de tentoonstellingen zelf, wat jammer is volgens Cristina; ‘Onze feedback zou bruikbaar kunnen zijn. We kijken wel mee, maar

kunnen alleen adviseren als het bijna af is en dan een kleine kanttekening plaatsen. Net als dat bezoekers bij ons een kaartje kunnen achterlaten met feedback. Die zijn niet allemaal

bruikbaar, maar we lezen ze allemaal en af en toe kunnen we er echt iets mee.’

Op de vraag van wat ze zou doen als zij het hele museum in zou mogen richten, antwoordt ze: ‘Meer teksten, meer uitleg en meer context. En meer representatie, vooral van vrouwen en zwarte mensen. Ook zou ik meer interactie toevoegen om de bezoeker bij de thema’s betrekken. Vanuit de marketing is dit wel een lastige vraag, wat ik moet natuurlijk ook commercieel denken, maar ik zou niets weg willen halen, ik zou vooral veel context en representatie toevoegen.’

Afbeelding

Updating...

Referenties

Updating...

Gerelateerde onderwerpen :