• No results found

De oorzaak van de groeiverschillen op de "matig humusarme en matig humeuze duinvaaggronden op profiel" in de boswachterij Austerlitz

N/A
N/A
Protected

Academic year: 2021

Share "De oorzaak van de groeiverschillen op de "matig humusarme en matig humeuze duinvaaggronden op profiel" in de boswachterij Austerlitz"

Copied!
11
0
0

Bezig met laden.... (Bekijk nu de volledige tekst)

Hele tekst

(1)

STICHTING VOOR

BODEHKARTEPJNG Bc Nmi:KOM Bliii.iO i j icci\

Rapport no. 633A

DE QORZAAK_VAN_DE GROEIVERSCHip^N_OP DE_ "MATIG HÜMUSARME H^_MTIG_HWffiUZE_DUINVÄAGGRONDEN_OP PROFIEL"_ DIJDE

BOSWACHTERIJ AUSTERLITZ

door: Ir. K.R. Baron van Lynden

Bennekom, december

196k-N.B. Niets uit dit rapport mag zonder toestemming van de Stichting voor Bodemkartering vermenigvuldigd of in andere publikaties worden overgenomen.

Stichting voor Bodemkartering Wageningen

(2)

2

-' I_N=L E_I D I N G

In de reeks opdrachtkarteringen voor het Staatsbosbeheer is in 1963 een bodemkaart van de boswachter!j Austerlitz vervaardigd. Bij de bosbouwkun­ dige geschiktheidsbeoordeling van de gronden bleken binnen de matig humusarme en matig humeuze Duinvaaggronden (stuifzandgronden) met een overstoven profiel in de ondergrond belangrijke groeiverschillen voor te komen.

Duidelijk kwam dit tot uiting bij enkele eikenopstanden in de vakken 8 en 12. Op verzoek van de houtvester, ir. H.H.G Overbeek, die ons op deze ver­ schillen attent maakte, is nagegaan of de oorzaak misschien van bodem-kundige aard zou kunnen zijn.

1 )

De historie vermeldt dat omstreeks 1800, nabij het huidige dorp Auster­ litz een groot legerkamp van het Bataafs Legioen was gevestigd. Dit leger­ kamp is in 1807 opgeheven.

Om de economisch aan het kamp gebonden bevolking aan nieuwe bestaansmoge­ lijkheden te helpen heeft men toen vrij veel grond uitgegeven om landbouw op uit te oefenen. Deze weinig deskundig opgezette ontginningen hadden over het algemeen een gering succes; de meeste zijn na kortere of langere tijd verdwenen en later bebost.

Het is bekend dat het fosfaatgehalte en het stikstofgehalte van de orga­ nische stof van gronden, waarop landbouw is uitgeoefend, gewoonlijk hoger is dan op overeenkomstige "natuurlijke" gronden en dat bos doorgaans beter groeit naarmate het fosfaatgehalte en het stikstofgehalte van de organische stof hoger is. Het ligt dan ook voor de hand te veronderstellen dat de ge­ constateerde groeiverschillen verband houden met de eertijds uitgeoefende landbouw. Om na te gaan of deze veronderstelling juist is, zijn onder goed en slecht groeiende eikenopstanden grondmonsters genomen, waarin onder meer het fosfaat- en het stikstofgehalte werden bepaald.

') De historische gegevens zijn ons door de houtvester en de bosbouw-consulent ter beschikking gesteld.

(3)
(4)

U I T V O E R I N G V A N H E T O N D E R Z O E K

Als proefobject dienden drie eikenopstanden. Deze zijn aangeduid met de cijfers I, II en III (zie afb. 1.)- Opstand II groeit opvallend goed; de beide andere matig tot slecht. De leeftijd is volgens de opstandslegger 61 jaar, dit komt redelijk overeen met globale tellingen van jaarringen aan vers gekapte stammen. De drie opstanden komen voor op een Duinvaag-grond met een vrij sterk ontwikkeld micropodzol (bospodzol) in matig hu-musarm en matig humeus (org. stofgehalte 1-jy-5% gemiddeld 2,5%) stuifzand met een overstoven profiel in de ondergrond. De dikte van het stuifzand-dek bedraagt bij opstand I en II ongeveer 180 cm, bij opstand III ongeveer 200 cm. Het stuifzanddek is opvallend homogeen, tussen de drie percelen is geen noemenswaardig verschil in profielopbouw waargenomen.

Om een mogelijke cultuurinvloed aan te tonen zijn in iedere opstand drie proefperken uitgezet ter grootte van ongeveer één are. In elk proefperk is met de steekboor een grondmonster genomen van de laag van 0-25 cm. Een monster is samengesteld dit 30-ij-O steken. Van alle monsters werd de pH, het gehalte aan organische stof, het fosfaatgehalte (P-tot.) en het stik­ stofgehalte (N-tot.) bepaald. Deze bepalingen zijn uitgevoerd door het Laboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek te Oosterbeek.

Voorts is per proefperk de hoogte gemeten van een aantal op het oog ge­ schatte middenbomen,hieruit is de gemiddelde hoogte berekend. Uit deze gegevens werd met de opbrengsttabel van Maller 1953 de boniteit vastge­ steld. De opname vond plaats in februari 196k.

(5)

Opstand Nummer proef­ veld je Gemiddelde boomhoogte in m Boniteit naar Maller Humus-gehalte in % (glv)

pH KCl P-tot.in mg/100 g N-tot. in % N-gehalte v/d humus in % I 450 10,8 rv 2,2 3,8 19 0,056 2,5 I 451 10,0 IV 2,4 3,8 17 0,061 2,5 I 452 12,0 rv 2,0 3,9 24 0,060 3,0 II 453 16,5 II 2,3 3,8 29 0,066 2,9 II 454 16,3 Il/lII 2,1 3,8 29 0,064 3,0 II 455 16,3 II/III 2,1 3,8 34 0,060 2,8 III 456 12,7 IV 2,2 3,8 12 0,054 2,5 III 457 10,0 rv 2,1 3,9 13 0,045 2,0 III 458 13,0 IV 2,3 3,8 13 0,060 2,6

(6)

k

-D E R E _ S _ U _ L T A T E N

De resultaten zijn in een tabel samengevat (afb.2.). De groeiverschillen tussen opstand II en de opstanden I en III komen duidelijk in de hoogte en boniteit tot uiting. De gemiddelde hoogte van opstand II is l6,ij- m (boni-teit II), die van de opstanden I en III 11,1+ m (boni(boni-teit IV). Zij blijken bij statistische toetsing (t-toets) significant, (bijlage 1.)

Het gehalte aan organische stof en de pH-KC1 zijn voor alle proefperken vrijwel gelijk.

Bij het fosfaatgehalte zien we een opmerkelijk verschil tussen de opstand II (P-tot. gemiddeld 30,7) en de opstanden I en III (P-tot. gemiddeld 16,3). Ook hier wijst een statistische toetsing significantie uit. (bijlage 2.) Bij beschouwing van het stikstofgehalte van de organische stof blijkt het

gehalte in opstand II een weinig hoger te zijn dan in de opstanden I en III. De gemiddelden bedragen respectievelijk 2,9 en 2,5» Het verschil is echter niet significant, (bijlage 3«)

(7)

5

-B_E S_P_R g_K_I N G _V_A N DE R E S U L T_A T_E N g N C 0_N_C_L_U S I E S

De fosfaatgehalten van opstand II liggen voor een Duinvaaggrond uitzonder­ lijk hoog. Schelling (1955) geeft in Duinvaaggronden bij een gehalte aan organische stof van 2,0-2,5/^ een P-tot. van ongeveer 10-20.

Van een aantal (li)-) laagsgewijs bemonsterde Duinvaaggronden met een goed ontwikkeld micropodzol (bospodzolen) in de bosuachterij Ugchelen is het fosfaatgehalte van de laag van 0-25 cm berekend. De fosfaatcijfers lopen uiteen van 1k-25, gemiddeld 19» Hoewel het gehalte aan organische stof van deze gronden hoger is dan van die van Austerlitz, blijkt het fosfaat­ gehalte aanmerkelijk lager te zijn dan in opstand II.

Uit het voorgaande willen wij nu twee conclusies trekken:

1. De fosfaatgehalten in opstand II (goed groeiende eik) zijn belangrijk hoger dan in de opstanden I en III (slecht groeiende eik).

2. Daar de in opstand II voorkomende hoge fosfaatcijfers nooit op overeen­ komstige "natuurlijke" gronden zijn waargenomen en mede gelet op de in de inleiding vermelde historische achtergrond, is het waarschijnlijk dat zij het gevolg zijn van eertijds uitgeoefende landbouw.

(8)

- 6

-L_I_T_T_E_R_A T_U U R

Schelling, J. 1955 Stuifzandgronden. Wageningen. Uitvoerige verslagen van het Bosbouwproefstation T.N.O., Band 2, verslag no.1.

(9)

Toetsing (t—toets) van het verschil in boomhoogte tussen opstand Hen de opstanden J^IEE

h: gemiddelde boomhoogte per proef perk a : h minus 11 in opstand i j l I L

B : h minus 11 in opstand I I

opstand Ijm opstand H

h A A2 10,8 - 0,2 0,04 10,0 -1," 1," 12,0 + 1," 1,-12,7 + 1,7 2,89 10,0 - 1,- 1,-13,0 +2,- 4 h B B2 16,5 5,5 30,25 16,3 5,3 28,09 16,3 5,3 28,09 IA= 2 , 5 Ia2 = 9 , 9 3 IB = 16,1 I b2=86,43 nA = 6 mA = 0,42 nB= 3 mB =5,37 2,52 2 9'9 6 _ 1 77H 1612 86,4 y-s2 _ 3 _ nni«; A — g SA = 1,34 B 2 SB = 0/12 t ~ toets : v = mA- mB = 0 , 4 2 - 5 , 3 7 = 4 , 9 5 Ka • Kb 8,889 + 0,030 8,859 S2 = = = = 1,266 sv= 1,125 5 + 2 7 mA ~ mB "4,95 t = — = = — 6,1 (p = 7 significant

(10)

bijlage 2

I D n D

3 Toetsing (t~toets)van het verschil in P-tot. tussen de

^ opstand H en de opstanden I / H E

7* r-* O

A l P - t o t . minus 19 in opstand i / l H b ! P—tot. minus 19 in opstand IC

opstand i / m opstand H P-tot A A2 R-tot B B2 19 0 0 29 10 100 17 -2 4 29 10 100 24 5 25 34 15 225 12 -7 49 13 -6 36 13 -6 36 Ea=-16 Iaz=150 Zg=35 Ib2 = 425 nA = 6 ne = 3 mA= -2.7 mB=ll.7 S2A = -1 c 2 1 5 0 '-T- =21.5 352 _2 425 - o l S p) = 3 = 8.4 5 2 SA = 4.63 SB = 2.90 t~toets: v= mA_mB =-2.7-11-7=-14.4 s! K^K„ =1Q».16.7^77 2 ipi+(pB 5 + 2 4. rnA- fTlg _ -14.4 _ IM - * on (ü_7 siqnificant

(11)

O in KO

^ Toetsing (t—toets) van het verschil in stikstofgehalte van

I de organische stof tussen opstand I en

« de opstanden i / H

10

N: stikstofgehalte van de humus A:N minus 2.5 in opstand l/HL B:N minus 2.5 in opstand 31

opstand i/m opstand H

N A A2 N B B2 2.5 0 0 2.9 0.4 0.16 2.5 0 0 3.0 0.5 0.25 3.0 -0.5 0.2 5 2.8 0.3 0,09 2.5 0 0 2.0 -0,5 0,25 2.6 0,1 0.01 IA=0.1 1^=0.51 EB =1.2 Ib2=0.50 NA= 6 mA= -51-= 0.017 SA = (0-1) 0.51- 6 0.5083 nB = 3 mB = — = 0.4 =0.1016 (1.2) s2 _ 050- 3 ^ 0.02 _QQi B - 2 2 V» mA-rnB = 0.017-0.4 =-0.383 KA+ KB_ 0.5083 0,02 _ 0,5283 00755 CPA+ <PB 5+2 SV= 0.27 t ~ toets : , _ MA MB —-H383 -0.383 _,r „_7 njet significant sV,/n+yn„ »-2' *WW °-27*°-7

Referenties

GERELATEERDE DOCUMENTEN

A study of typical sound paths and their time intervals indicates that a transition time point may exist between early reflected sound and late reflected sound

Copyright and moral rights for the publications made accessible in the public portal are retained by the authors and/or other copyright owners and it is a condition of

3260 Enkele locaties waar ‘historische’ gegevens van zijn (periode 1989 – 1994), maar waar er recent (periode 2001 – 2007) geen habitat werd teruggevonden (hoewel er elders

Hoewel met een beetje goede wil de 'meer wetenschappelijke' artikelen over de geschiedenis van het boek nog wel bestempeld kunnen worden als 'geschiedenis van de media' en op

Bij de destillatie zou er uit het ook in de bo ter aanwezige acetylmethylcarbinol door oxydatie diacetyl gevormd kunnen worden.. Met doorleiding van N2 voor en

With this article the author intends to fill one of these gaps in the narrative of social history and focuses specifically on the experiences of teachers who taught

The aim of this research was to analyse the profile of nutrition interventions for combating micronutrient deficiency with particular focus on food fortification reported in

Lise Rijnierse, programmaleider van ZZ-GGZ benadrukte dat dit het moment was om argumenten voor deze signalen aan te scherpen of te komen met argumenten voor alternatieve