Wettelijke Regeling der Arbeids- Arbeids-verhouding in Nederlandsch-Indië

In document TIJDSCHRIFT VAN DE VEREENIGING VOOR STUDIE VAN KOLONIAAL- MAATSCHAPPELIJKE VRAAGSTUKKEN (pagina 171-200)

door

MR. G. H. C. HART.

„Das Recht wird nicht gemacht; es ist und wird mit dem Volke".

von Savigny.

Toen in 1906 de Staten-Generaal het ontwerp-wet op de arbeids-overeenkomst behandelde, bleek een van de gewichtigste punten van principieelen aard, over welke verschil van opinie bestond, de vraag of een wettelijke regeling der arbeidsovereenkomst alle vormen van loonarbeid behoorde te beheerschen, of dat het de voorkeur verdiende, desnoods naast enkele algemeene beginselen, voor de verschillende soorten van arbeid bijzondere regelingen te treffen.

Het in beide Kamers meermalen gebezigde argument, dat het bijna ridicuul is de arbeidsverhoudingen van den directeur der Nederlandsche Bank en van den Rotterdamschen bootwerker aan eenvormige wetsbepalingen te onderwerpen, sprak, zooals de Mi-nister van Justitie het uitdrukte, tot de verbeelding; een dergelijke

regeling zou, wilde zij voor den een niet te slecht blijken, voor den ander niet heel goed kunnen zijn.

Inderdaad kan gereedelijk worden erkend, dat de bezwaren tegen een uniforme en daarbij vrij gedetailleerde regeling dezer materie voor de hand liggen en zij werden door de Regeering bij de ver-dediging van haar ontwerp dan ook allerminst geloochend: het zijn bijkans uitsluitend utiliteitsoverwegingen en nog wel utiliteits-overwegingen van negatieven aard geweest (nl., dat aan het

door-voeren van een aantal speciale regelingen nog aanzienlijk grooter bezwaren zouden kleven) welke Minister van Raalte voor de verde-diging van zijn stelsel naar voren bracht en die ten slotte toch tot de aanvaarding van dit stelsel hebben geleid; erkend werd telkens, dat deze kwestie er bij uitstek een van practischen aard was.

Slechts bij de beraadslagingen in de Eerste Kamer vond de Minis-ter het noodig ook de principieele zijde van de zaak te belichten,

inzooverre hij betoogde, dat „de verschillende toestanden" der diverse categorieën van werknemers „toch eigenlijk maar betreffen uiterlijkheden".

Men kan het met deze zienswijze al dan niet eens zijn — niet ieder was destijds overtuigd en ik meen, dat deze bewering ook thans nog op goede gronden kan worden aangevochten — het is een feit, dat in de veertienjarige practijk der wet deze uniformiteit geen aperte, laat staan onoverkomelijke bezwaren heeft opgeleverd *)

en dat de ervaringen met een eenvormige regeling in Holland opgedaan, gunstiger zijn, dan destijds met de gedifferentieerde regeling in Duitschland, waar men voortdurend op „grensgeschillen"

tusschen de onderdeden der speciale legislatie, ten deze stuitte.

Het is niet onwaarschijnlijk, dat, wanneer bij de behandeling der binnenkort in uitzicht gestelde wettelijke regeling der arbeids-overeenkomst voor alle bevolkingsgroepen van Nederlandsch-Indië tegen een uniforme regeling van sommige zijden 2) verzet wordt aangeteekend, door anderen deze, ondanks de verwachting van mannen als Stork en Regoüt, in Nederland gunstige ervaring, zal worden uitgespeeld.

Van orthodox-unificistische zijde, van de zijde der mannen van

1) Een enkele maal heeft men er zich — vooral in de dagbladen — mede bezig gehouden, dat een geding tusschen den Directeur eener groote naamlooze vennootschap en zijn principaal voor den Kantonrechter moet wor-den gevoerd. Ik wor-denk hierbij aan de befaamde, eindelooze procedure van de N. V. Petroleum Mij. Zuid Perlak tegen Deen.

2) De beschouwingen bij de behandeling van de begrooting voor het dienstjaar— 1925 in den Volksraad door leden van zeer velschillende richting nopens het denkbeeld eener algemeene regeling gehouden, wijzen er wel op, dat de bedenkingen zich niet tot een aanval slechts van ééne zijde zullen beperken.

IN NEDERLANDSCH-INDIË, 159 de nivelleering óm de nivelleering, die uit een soort staatshuismoe-derlijke netheid en rechtsordentelijkheid zich ergeren aan al hetgeen buiten de rooilijn en boven het maaiveld komt, zal men niet kunnen inzien, waarom, nu elders verschillende behandeling van boezeroen en colbert onnoodig is gebleken, hier hoed en hoofddoek een uit-eenloopende atoeran zouden behoeven.

Ook de politici van socialistische overtuiging zullen, getrouwer aan hunne beginselen dan hun leider Stokvis bij de jongste be-grootingsdebatten in den Volksraad, moeten staande houden, dat differentiatie van wetgeving voor Indië uit den booze is. „Holland"

— zal men zeggen „heeft destijds, en naar gebleken is terecht, onderscheidingen gebaseerd op verstand, welstand en weerstand verworpen" l) j de koloniale rassen-tegenstellingen mogen slechts worden gezien als bijzondere verschijningsvormen der algemeene Wassen-tegenstellingen en kunnen daarom reeds niet aanleiding zijn voor onderscheiding; in de koloniën immers is de geëxploiteerde arbeider de Inlander, die in den Europeeschen overheerscher den alom aanwezigen kapitalistischen uitbuiter heeft te bestrijden".

En tenslotte zullen ook de zachtaardige naturen, die door het wegwerken — en wanneer dit niet gelukt, wegdenken — van ras-verschillen, in Indië het duizendjarig rijk willen stichten, waar leeuw en lam tezamen zullen wandelen, geen aanleiding vinden dieper in te gaan op de vraag of dit terrein voor unificistische proefne-mingen niet te geaccidenteerd is.

Daarbij komt, dat ook de drie groepen, die economisch het meest direct bij een wettelijke regeling der arbeidsovereenkomst zijn be-trokken, te weten de werkgevers, de Europeesche en de Inheemsche werknemers, het ontwerp voor een dusdanige regeling waarschijnlijk in de eerste en voornaamste plaats van uit haar belangenstandpunt zullen bezien.

Zoo zal van de zijde der Europeesche ondernemers wellicht worden overwogen, dat een regeling, die ook de sociaal gemeenlijk nog zeer achterlijke Chineesche en Inheemsche werkgevers moei omvatten, voor de Europeanen, als meest vooruitstrevenden, be-zwaarlijk te knellend zal kunnen zijn; zij zullen voorts de bepa-1) Ik laat hier de enkele bijzondere waarborgen, die de HoUandsche wet voor bepaalde categorieën incidenteel eischt, rusten.

Kol. Studiën 11

lingen van hét ontwerp onder de loupe nemen, waarbij zal blijken, dat daarvan een aantal, laten wij zeggen de helft of een derde desnoods te aanvaarden is. Een eventueele oppositie zal zich dan concentreeren op incidenteele bestrijding van een aantal concrete voorschriften.

De Europeesche werknemers, en in het bijzonder de cultuurgeem-ployeerden op Java - een groote en belangrijke groep voora waar de arbeidsverhouding hunner collega's op Sumatra's Oostkust bereids is geregeld in de bekende assistentenregeling - zullen waarschijnlijk met scherpte elke poging tot uniformiseenng van de wettelijke regeling van het arbeidscontract bestrijden. Doch deze bestrijding zal niet nalaten de principieele bezwaren tegen unificatie te vertroebelen, daar zij niet tot opzet heeft een verkeerde regeling

te bekampen, doch een verkeerden maatregel te verkrijgen.

Doel is immers voor de cultuurgeëmployeerden slechts de tot-standkoming op Java eener ordonnantie in den geest der z.g.

Assistentenregeling. Afgezien nog van de omstandigheid, dat een onbevooroordeeld buitenstaander, die de verhoudingen op Java eenigszins kent, zal moeten toegeven, dat een regeling, waarbij de werkgever ten aanzien van al zijn employe's wordt verplicht tot het verleenen van acht maanden verlof na elk zes jaren dienst, tot een dienstverband van ten minste één jaar, tot een opzegtermijn van vier maanden, voor Java eenvoudig onaannemelijk is, wordt aldus in den strijd tegen unificatie een sterk element van groeps- en rasegoïsme gebracht, hetwelk aan dezen beginselstrijd, die aller-minst als vooral negatief mag worden beschouwd, volstrekt vreemd behoort te zijn. Waar ten deze de krachtigste oppositie van de groep der Europeesche geëmployeerden in de cultures is te wachten, vrees ik, dat hun leuze: „geen algemeene regeling, doch de assis-tentenregeling voor ons" wederom tengevolge zal hebben, dat men

in het onverzettelijk verzet, dat sedert jaren van verschillende zijden tegen het unificatiestreven wordt gevoerd, niet adders zal willen zien dan de zucht om den Inlander iets te onthouden dan wel den Europeaan te bevoorrechten.

Daarom, en niet omdat men het den leiders der Europeesche vakvereenigingen euvel zou kunnen duiden, dat zij de bijzondere belangen hunner leden naar hun beste vermogen en naar hun beste weten behartigen, zullen de tegenstanders van de unificatie-idee

IN NEDERLANDSCH-INDIË. 161 juist handelen door zich in deze vrij te houden. Non tali auxilio!

En het standpunt der Inheemsche werknemers? Aanstonds kom ik terug op de mentaliteit van deze groep zelve, van een collectieve opvatting over dit onderwerp is uiteraard bij hen geen sprake.

De Inlandsche leden van den Volksraad, die bij de jongste be-grootingsdebatten over deze aangelegenheid het woord voerden, betuigden met een uniforme regeling hun instemming, naar ik meen

ten onrechte: waarschijnlijk hebben ook zij zich geen rekenschap ervan gegeven, dat een complex van privaatrechtelijke voorschriften den Inlander geen stap verder zal brengen en zoo daarvan al eenig effect kan sorteeren, dit waarschijnlijk slechts daarin zou bestaan, dat de invloed der, ook door hen als funest voor de harmonische, evenwichtige ontwikkeling hunner rasgenooten bestreden destruc-tieve elementen in de Inlandsche maatschappij, zou worden ge-stimuleerd.

De onwetenschappelijke misvatting, waarop het unificatiestreven schijnt te berusten, is, dat men niet slechts onze westersche maat-schappelijke, staatkundige en rechtsinstellingen beschouwt als nood-wendige sequeelen van, en noodzakelijke stadia in onze westersche ontwikkeling, maar ook, dat men aan die westersche ontwikkeling een volstrekte, immers exclusieve waarde toekent.

Met andere woorden, doch in omgekeerde volgorde gezegd:

a. de richting der westersche beschaving is de eenige, immers de goede; voor Indië is het dan ook onontbeerlijk, dat de ontwikkeling der maatschappij snel in deze richting wordt geleid.

b. de westersche politieke, sociale en juridische instellingen zijn noodzakelijke en onontkoombare voorwaarden voor den op-gang tot het westersche ontwikkelingsniveau.

Waarschijnlijk zal met klem worden geloochend, dat men derge-lijke opvattingen huldigt. Maar is er dan een andere reden denkbaar voor het op maat kappen van den Inlander en het omsmelten van zijn samenleving?

De beroemde uitspraak, welke ik boven dit opstel plaatste en die werd neergeschreven in 1813, toen von Savigny zich in zijn

„Vom Beruf unserer Zeit für Gezetsgebung und Rechtswissen-schaft" verzette tegen den na de Fransche Revolutie alles onder

den voet loopenden drang naar codificatie, codificatie, let wel, van wat men meende, dat recht was, is al bijzonder juist, ook heden nog, wanneer het geldt het toepasselijk verklaren van het recht van het eene volk op de samenleving van een ander en zij wordt zelfs een ernstige waarschuwing, wanneer die volkeren behooren tot rassen, wier levens-, maatschappij- en rechtsbeschou-wing zoo volslagen verschillend zijn.

Doch wij behoeven niet tot von Savigny terug te gaan. Ook heden ten dage zijn de waarschuwingen dringend en overtuigend, al is het object daarvan wat veranderd.

Eenheid van recht voor alle bewoners van Indië is in het tegen-woordig stadium van ontwikkeling der bevolking een

onmogehjk-"heid De zeer uiteenloopende volksgesteldheid brengt divergeerende

"rechtsopvattingen en rechtsovertuigingen mede, die het sterkst uitkomen

"op het gebied van het materieel privaatrecht. Waar het de.taak des 'wetgevers is te zorgen voor de doelmatigste voorziening in de rechts-','behoeften der bevolking, zal hij rekening hebben te houden met die

"uiteenloopende eischen van de uit zooveel heterogene bestanddeelen ge-vormde maatschappij. Vandaar, behoudens uitzonderingen, onderschei-dden recht voor de drie bevolkingsgroepen: „Europeanen, Inlanders

„en vreemde Oosterlingen".

Aldus Prof. Kleintjes in den onlangs (Juni 1924) verschenen vierden druk van zijn „Staatsinstellingen van Nederlandsch-lndië".

(tweede deel, bldz. 134).

' Deze uitspraak is ondubbelzinnig: zij veroordeelt onvoorwaar-delijk hef streven naar rechtsunificatie óm de unificatie; zij legt nog eens kernachtig vast, dat het positieve recht tot taak heeft de rechtsovertuiging van de justitiabelen te constateeren, te formu-leeren, te preciseeren, en dat in beginsel niet de wet aan het recht, maar het recht aan de wet den weg wijst.

Het is trouwens niet slechts één richting van juristen en econo-men, die de unificatie bestrijdt: wij vinden in de gelederen der

tegenstanders, behalve Prof. Kleintjes, zulke verschillende geesten als Ritsema van Eek, Prof. van Vollenhoven, Prof. Kielstra. Niet-temin gaat men rustig voort met de nivellatie, al is er op staatkundig gebied eenige kentering in het inzicht terzake gekomen.

Doch op het gebied van het privaatrecht, dus buiten de politiek, vrees ik, dat aan de unificatie voorloopig nog rustig zal worden voortgebouwd.

IN NEDERLANDSCH-INDIË. 163 Merkwaardig is het intusschen, hoeveel bestrijding de grondge-dachte, die de tegenstanders der unificatie bezielt, juist hier te lande heeft gevonden; men zou hebben mogen verwachten, dat haar elders algemeen erkende rationaliteit eigenlijk tot ieder, die deel uitmaakt van een dualistische samenleving als onze Indische, al bijzonder sterk moest spreken. In enkele ambtelijke kringen vooral wordt sedert jaar en dag systematisch, dogmatisch, bijkans auto-matisch de unificatie op vrijwel elk gebied nagestreefd.

Bij schrijven van 12 Augustus 1920 bood de toenmalige Direc-teur van Justitie, Mr. H. J. Scheuer, den Landvoogd het ontwerp aan voor een op alle bevolkingsgroepen toepasselijk burgelijk wet-boek voor Nederlandsch-Indië.

In de laatste helft van het vorig jaar werd hetzelve, waar men over den inhoud ook hier te lande nog adviezen moest inwinnen, gepubliceerd.

Intusschen is uit de mededeelingen van Mr. Cowan in den Volksraad gebleken, dat het spoedig in te dienen ontwerp voor een algemeene regeling der arbeidsovereenkomst op verschillende pun-ten niet indentiek zal zijn met de betreffende artikelen (1733 tot

en met 1808) in het ontwerp-Scheuer.

Toch is de officieele publicatie daarvan nog zóó recent, dat de beschouwingen in den geleidebrief van dit laatste ontwerp, nopens unificatie van wetgeving interessant zijn voor een inzicht in de gemakkelijkheid, om niet te zeggen oppervlakkigheid, waarmede rechtsnivellatie in westerschen zin wordt aanbevolen; deze

opvat-tingen waren, zooals gezegd althans tot voor kort, in sommige regeeringskringen heerschende.

In den hierbedoelden aanbiedingsbrief worden allereerst de woor-den van Macaulay, die in 1833 een rede hield in verband met de toenmalige plannen voor een Britsch-Indische codificatie, aange-haald: „uniformity when you can have it; diversity when you must have it, but in all cases certainty".

Men doet het vervolgens voorkomen, alsof de beroemde Engel-sche historicus en staatsman zich met deze woorden heeft uitge-sproken over de noodzakelijkheid van rechtseenheid, terwijl door

hem slechts op de onontbeerlijkheid van rechtszekerheid werd gewezen; voorwaar lang geen identieke begrippen. Voor de

„Binsen-wahrheit", dat een uniforme regeling „when you can have it" de voorkeur boven gedifferentieerde regeling verdient, hadden wij waarlijk niet het gezag van een Macaulay noodig. x)

„Deze rechtseenheid", gaat men dan voort, leidt als derde eisch, no-Jens volens desnoods, tot gebruik bij het samenstellen der wetten, van

„W ester sch recht als grondslag voor het systeem".

Even hokt ons de adem bij het volgen van deze gewaagde ge-dachtesprongen, van den ideaaltop der rechtszekerheid, zonder eenig tusschensteunpunt, naar den utopischen kruin der rechtseen-heid , over de diepe kloof tusschen Oostersch en Westersch bewustzijn, over het breede ravijn van bijkans een eeuw van rechts-ontwikkeling.

Ook de stoute springer zelf moet even uitblazen vóór hij zijn Pegasus weer de sporen durft geven om verder den juridischen

Helicon op te rennen.

„Dit punt", zegt hij, „verlangt eenige nadere uitwerking", en gerust gesteld zetten wij ons tot het aanhooren van een overtuigend, zij het geserreerd pleidooi voor rechtsunificatie op Westersche basis, een pleidooi, dat bij de aanleiding van zulk een gewichtig legislatief product als het ontwerp voor een uniform Burgerlijk Wetboek voor veertig millioen Europeanen, Javanen, Soendaneezen, Madoereezen, Arabieren, Chineezen, Batakkers, Balineezen, Amboneezen,

Tora-dja's, Mentaweiers, Menadoneezen, Dajakkers, een wetboek, dat de onderlinge rechtsverhoudingen tusschen Christenen, Moslims, Boed-dhisten, Brahmanen, Animisten en Totemisten zal hebben te regelen, inderdaad niet misplaatst is.

Welke zijn dan die maatschappelijke veranderingen die tot rechts-hervorming iin Westerschen geest „nopen"?

1) Terloops mag worden opgemerkt, dat men op de uitermate wankele basis van deze foutieve lezing van een bijna honderdjarig citaat van Macaulay het beginsel der rechtsunificatie voldoende gemotiveerd schijnt te achten;

het principe zelve der unificatie wordt in het vervolg als axioma aanvaard en het geheele verdere betoog dient slechts om te bepleiten, dat die unificatie in Westerschen zin behoort te geschieden.

Overigens mag er wel op worden gewezen, dat het citaat van Macaulay ook daarom zoo misleidend is, omdat, aangenomen al, dat hij zich voor een eenvormige codificatie voor Britsch-Indië had willen uitspreken (des niet) zulks nooit codificatie naar Engelsche wetten had kunnen zijn, eenvoudig omdat, naar bekend, het privaatrecht van Engeland slechts zeer incidenteel is gecodificeerd; in 1833 was zulks vrijwel nog in het geheel niet het geval.

IN NEDERLANDSCH-INDIË. 165 Is het de omstandigheid, dat de Inlander in zijn maatschappelijke gedragingen een Westersche mentaliteit is gaan toonen, dat breede lagen der Inheemsche maatschappij gaan deelnemen aan het wereldverkeer, dat er op groote schaal Javaansche cultuurmaatschap-pijen, handelslichamen en industrieele ondernemingen zijn ontstaan?

Is er een in verhouding tot de talrijke bevolking belangrijke vaste klasse van min of meer geschoolde loonarbeiders opgekomen, die met dien loonarbeid geregeld hun brood verdienen, die daarop zijn aangewezen en die zich als afzonderlijke groep in het maatschap-pelijk verband voelen?

De motiveerimg in het, bewuste schrijven aan den Landvoogd is eenigszins anders, de beweegredenen zijn overigens uitvoerig ge-specificeerd :

„de denkbeelden omtrent politiek leven, kapitalisme, arbeidstoestanden

„in landbouw en nijverheid, door de Inlandsche pers in steeds ruimere

„kringen ook in dessa's en kampongs verspreid, alle zijn zij uit

Wes-„tersche bron afkomstig".

Men zag blijkbaar in, dat de vermelding van deze ongeregelde en nu niet bepaald alom gewaardeerde importgoederen, niet

vol-komen afdoende motieven zijn om den lezer van de noodzakelijkheid van het eveneens overnemen van de rechtsinstellingen van den im-porteur te overtuigen, zoodat men aan deze opsomming toevoegde:

„de onder Inlanders opkomende handel, industrie, coöperatie, ver-eenigingsleven en zoovele andere verschijnselen zijn van het Westen gecopieerd".

En men eindigt, wellicht om ook den meest sceptischen onder de lezers geheel te overtuigen van de rijpheid en ontvankelijkheid van de Javaansche maatschappij voor Europeesche rechtsinstelling, aldus:

„zelfs de ultra-radicale opvattingen bij zekere kringen in de allerlaatste

„tijden in het Westen opgekomen, vonden onmiddellijk weerklank en

„navolging onder de bevolking hier".

Vooral dit laatste argument is teekenend voor het inzicht in de werkelijke verhoudingen der tropische maatschappij en karakteris-tiek voor de mentaliteit, die in 1920 in sommige verantwoordelijke kringen heerschte.

Weinig zullen de heeren Wijnkoop en van Ravesteijn intusschen hebben vermoed, dat hun luidruchtige strijd tegen de rechtsinstel-lingen der bourgeoisie en tegen kapitalistische klassenjustitie nog

eens zou worden gebezigd ter bepleiting van de invoering ten be-hoeve van de ontwakende Javaansche massa van juist dat Neder-landsche burgelijke recht.

Er is intusschen sedert 1920 alom een merkwaardige kentering in deze landen gekomen in de waardeering der beteekenis van de verschijnselen, welke men pleegt samen te vatten met „Inlandsche beweging".

Ook in Regeeringskringen heeft men leeren inzien, dat niet de klakkeloos van het Westen gecopieerde stroomingen de belangstelling en de aandacht verdienen *), doch dat wat er van de Inlandsche beweging blijvends en bruikbaars zal terechtkomen zich historisch-geleidelijk zal ontwikkelen op bestaanden historischen, nationalen en religieuzen ondergrond.

Natuurlijk zal de omstandigheid, dat Indië reeds eeuwen lang zeer sterk onder Westersch-Nederlandschen invloed heeft gestaan zoowel voor de snelheid als voor het karakter dezer ontwikkeling van groote beteekenis zijn; hetgeen zonder de Nederlandsche

Natuurlijk zal de omstandigheid, dat Indië reeds eeuwen lang zeer sterk onder Westersch-Nederlandschen invloed heeft gestaan zoowel voor de snelheid als voor het karakter dezer ontwikkeling van groote beteekenis zijn; hetgeen zonder de Nederlandsche

In document TIJDSCHRIFT VAN DE VEREENIGING VOOR STUDIE VAN KOLONIAAL- MAATSCHAPPELIJKE VRAAGSTUKKEN (pagina 171-200)