Waar is het antwoord op deze rechtsvraag te vinden?

In document 3^ 3^ (pagina 34-165)

Een opzettelijke behandeling heeft het vraagstuk van

„Eenheid of Scheiding" in den zin, waarin wij dat verstaan, zelden of nooit ervaren.

Het is meestal terloops, dat het ter sprake is gebracht. Nu eens rechtvaardiging van bestaande praktijken, dan weer politieke leuze voor een meer of minder verre toekomst, is het vraagstuk wel vaak ter sprake gekomen, doch nimmer op grondige wijze onder de oogen gezien ; steeds meer als politiek strijdmiddel gebezigd, dan als voorwerp van wetenschappelijk onderzoek ontleed. Mocht het mij gelukken, het vraagstuk een schrede nader tot zijn oplossing te brengen, ik zou mijn arbeid als geslaagd beschouwen.

Waar, gelijk hier, een brandpunt bestaat van tegenstrijdige meeningen; waar de een zich met schijnbaar evenveel recht op de eene wetsbepaling beroept als de ander op een, welke vierkant daartegen indruischt, daar kan, meen ik, alleen de geschiedenis van het vraagstuk tot inzicht voeren.

Erlangen wij aan haar hand de verzekerdheid, dat een bepaald stelsel eertijds is aanvaard ; zien wij, hoe geleidelijk dat stelsel zich heeft kunnen ontwikkelen en nimmer door een grooten schok een omkeer daarin is gebracht, dan, maar ook dàn alleen, kunnen tegenstrijdige wetsbepalingen ons niet den geest van ons positieve recht doen miskennen ; dan zien wij er in betreurenswaardige inconsequentiën, die nu eenmaal onvermijdelijk zijn in de wetgeving van landen, waar periodiek het personeel, dat de wetgevende machine bedient, wisselt;

inconsequentiën, die reeds om dit haar karakter ons oordeel niet mogen leiden, terwijl haar problematische waarde, zoo mogelijk, nog daalt, wanneer men bedenkt, dat, zonder meer, daarin een ojizettelijke, incidenteele afwijking van eenmaal aanvaarde groote beginselen niet kan en niet mag worden gezien.

Staat het mitsdien bij mij vast, dat in deze van de historische methode alleen het verlangde licht is te wachten, zoo blijft nog de vraag over, tot welke bronnen wij ons te wenden hebben met kans van slagen.

Het antwoord is niet moeilijk : om een juist beeld te verkrijgen van de wording van het hedendaagsche recht of een deel daarvan, moet men gaan tot de bronnen, waarin dat recht in vroeger en later tijd tot heden zijn evolutie heeft door-gemaakt.

Ten einde het historisch uitgangspunt van ons vraagstuk te vinden, behoeven wij niet verder terug te gaan dan tot den ondergang van de oude Republiek. Vóór dien tijd immers waren de koloniën van de Republiek der Vereenigde Nederlanden overgeleverd aan semi-publiekrechtelijke handelslichamen, compagnieën, welke vermogensrechtelijk een van het moeder-land geheel gescheiden bestaan leidden. In die dagen was het luce clarius, dat het beginsel van scheiding de verhouding tusschen de Republiek en de koloniën dicteerde. De revolutie van 1795, die den statenbond tot eenheidstaat versmeedde, moest noodzakelijk den te lossen band, waarmee de koloniën aan het moederland tot dusver gehecht waren, door een steviger bindmiddel vervangen : zij werden in rechtstreeksch beheer ge-nomen.

Juist omdat de revolutie in de bedoelde verhouding zulk een radicale verandering heeft gebracht, is het logisch ge-boden en historisch verdedigbaar, ons onderzoek aan te vangen bij de Staatsregeling, die den nieuwen toestand consolideerde, en zoo vervolgens ter schole te gaan bij de volgende Staats-regelingen en Grondwetten, regeeringsreglementen, gewone wetten en lagere verordeningen, in één woord, leering te zoeken bij al die rechtsbronnen, welke nadrukkelijk of ter-loops zich met het vraagstuk hebben beziggehouden.

Met klem wensch ik er op te wijzen, dat de beslissing uit-sluitend te vinden is in het positieve recht. Dit klinkt als een

axioma, en toch is het mij gebleken, dat het noodig zijn kan, de eenvoudigste waarheden in het geheugen terug te roepen.

Niets wordt lichter vergeten.

Men heeft somtijds gemeend, dat kamerdebatten en gewis-selde stukken; dat uitspraken van autoriteiten, gemotiveerd of niet ; dat de, in casu schaarsche, rechtsgeleerde literatuur een oplossing konden aan de hand doen. De heer H. VAN K O L heeft in de „Indische Gids" van 1900, I I blz. 1142 v., een artikel geschreven, getiteld : „Bestaat er scheiding of eenheid van

Neder-„landsche en Indische financiën?" welk artikel niets anders is dan een aaneenschakeling van uitspraken, uit de Hande-lingen opgedolven. Deze verklaringen brengen den heer VAN KOL, „gesteund door onze wetgeving" '), tot de wel wat voor-barige slotsom: „Zoolang onze Wetten onveranderd blijven,

„ontkomen wij aan de wettelijke eenheid van de Indische en

„de Nederlandsche financiën niet."

Ware het vraagstuk inderdaad zóó gemakkelijk op te lossen, dit proefschrift zou niet behoeven geschreven te worden. Doch de zaak is nu eenmaal niet zoo heel eenvoudig. Een rechts-vraag wordt beantwoord niet in de eerste plaats door te ver-melden, wat A. of B. er van gezegd of er over geschreven heeft, maar wèl door zelfstandige studie van het positieve recht en van zijn groei.

Niet gaarne zou ik de eigenaardige waarde van kamer-debatten, meeningen van autoriteiten en wat dies meer zij, willen ontkennen : waar de wetgeving duister is, kan hun interpreta-tieve beteekenis vaak niet hoog genoeg worden gewaardeerd.

Doch daarbij moet het dan ook blijven. Middel van wetsduiding, mogen dergelijke debatten zich nimmer tot den rang der wet zelve verheffen. E n dat geschiedt, zoo vaak niet van de rechts-bronnen, maar van de chaotische beweringen en verklaringen, waaruit de geschiedenis van eenig positief voorschrift maar al te veelvuldig bestaat, de beslissing van een rechtsvraag wordt afhankelijk gesteld.

Het is geen weelde, dat hier op dit juridische misbruik voor de zooveelste maal wordt gewezen. W a n t het is mij opgevallen, hoe juist de aanhangers van de eenheidstheorie de waarde van de geschiedenis der wetsvoorschriften, van de debatten en de

') Is vager algemeenheid denkbaar ?

uitspraken van mannen van gezag plegen te overschatten.

Wanneer b.v. VAN HALL eens in de tweede kamer heeft beweerd, dat een Indische schuld „nonsens" is, dan is dat zulk een buitenkansje voor de aanhangers van bedoelde leer, dat zij niet kunnen nalaten zich er als een overtuigingsmiddel bij herhaling op te beroepen. E n het schijnt daarbij niet noodig, aan V A N HALL

te vragen, hoe hij aan zijn meening wel gekomen mag zijn.

Voor zoover in de kamerdebatten, in de literatuur en dergelijke, steekhoudende argumenten voorkomen, spreekt het wel vanzelf, dat ik met deze laatste rekening zal houden. Bestaan die argu-menten in wetsvoorschriften en daarop gebouwde juridische construction, zoo kunnen zij van dien aard zijn, dat zij ons oordeel bij de beslissing van de rechtsvraag bepalen: doch het zijn dan nimmer de meeningen van anderen, waardoor wij ons laten leiden; wèl de juridische gronden, waarop langs dezen weg onze aandacht viel.

I k kan er nu toe overgegaan, de leer van de eenheid der finantiën en haar tegenhanger: die van de scheiding,

achter-eenvolgens te ontwikkelen. De opbouw van de laatste zal de critiek van de eerste zijn. "Wanneer ik dan toch met veel citaten uit de kamerdebatten en de juridische literatuur den lezer aan boord kom, zoo behoef ik thans niet meer te vreezen, door hem te worden misverstaan. Die debatten enz. hebben voor de vraag

„eenheid of scheiding" slechts beslissende waarde in en door de daarin vervatte bewijsgronden. Bij ontstentenis van deze, kunnen ze nog een beteekenis hebben als middel van uitlegging of ter illustreering, terwijl het ook belang kan inboezemen, de een of andere losse bewering te vernemen, al ware het alleen om den mond die haar sprak.

Men zou, wanneer de vraag, die het opschrift van dit hoofd-stuk vormt, gedaan wordt, geneigd wezen, naar de Grondwet te grijpen om daar het antwoord te zoeken. Die geneigdheid is alleszins verklaarbaar: immers het geldt bij deze vraag niet alleen de rechtspersoonlijkheid der koloniën, maar den bouw van den ganschen Staat, die innig daarmede samenhangt.

Hoe staat de Grondwet tegenover ons vraagstuk? Vroeger anders dan thans. In het volgende hoofdstuk zal ik achtereen-volgens, uit ons oogpunt, de Staatsregelingen van 1798, 1801 en 1805, alsmede de Constitutie van 1806 beschouwen.

In de Grondwetten van 1814 en 1815 zal men vergeefs een antwoord zoeken.

De herziening van 1840 zou een argument kunnen leveren ten gunste van de rechtspersoonlijkheid van de koloniën. I k bedoel het derde lid van artikel 59, luidende: „Het gebruik van

„het batig slot, beschikbaar ten behoeve van het moederland,

„wordt bij de wet geregeld". Ik wil op deze bepaling geen nadruk leggen, omdat men daarbij aan de vraag, die ons bezig-houdt, niet heeft gedacht. Maar toch zou ik willen vragen : hoe was deze bepaling in het stelsel van „eenheid" bestaanbaar?

Dan toch zouden de koloniale, in specie Indische uitgaven en inkomsten als uitgaven en inkomsten van het Rijk op de Rijks-begrooting moeten zijn gebracht. Immers, een bepaling als van artikel 60, 2de lid der Grondwet van 1848, waarbij de koloniale geldmiddelen onder een bijzonder recht geplaatst werden, ont-brak. Nu echter dit derde lid van het artikel de bevoegdheid van de wetgevende macht tot het „gebruik" van het batig slot beperkte, zou men daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, dat men destijds overtuigd was, niet met Rijks-uitgaven en -inkomsten te doen te hebben ').

Intusschen, de vraag, in hoeverre dit argument opgaat, is sedert 1848 van geen belang meer.

Bij de herziening van 1848 werd in artikel 1 te kennen gegeven, dat het Koninkrijk der Nederlanden ook gebied buiten Europa omvatte. Daar deze bepaling alleen aanwijzing van het territoir bedoelt, zonder de vraag naar de staats-rechtelijke organisatie ook maar eenigszins te praejudicieeren, kunnen wij aan haar voorbijgaan. Bij de bespreking van de argumenten, die de leer van de eenheid van financiën schragen, kom ik trouwens nog op dit artikel nader terug.

') De Negenmannen achtten deze uitbreiding van artikel B9 „de zonder-l i n g s t e begoochezonder-ling, die in eene Grondwet ooit pzonder-laats vond." Bijzonder-lagen 1844/1845 nu. XX, blz. 453. Al ga ik met THORBECKE niet mede, waar hij de uitgaven en inkomsten van „bezittingen" van den Staat voor uitgaven en inkomsten van dien Staat zelven verklaart, zoo kan ik toch, omdat ik zijn enge opvatting van het „uitsluitende opperbestuur" deel, in het 3de lid een beperking zien van de oorspronkelijke bevoegdheid der wetgevende macht. Huldigt men de ruime opvatting van dat opperbestuur en neemt men tevens de rechtspersoonlijkheid van de koloniën aan, dan komt men tot de omgekeerde conclusie, namelijk, dat in 1840 de bevoegdheid der wetgevende macht een uitbreiding heeft ondergaan.

Hoe belangrijk ook de herziening, die aan het „uitsluitend"

opperbestuur een einde maakte, voor de koloniën was, onze rechtsvraag liet zij onbeslist. Wel wordt in het tweede lid van artikel 60 van de „koloniale" geldmiddelen gewag gemaakt, doch het is zeer wel mogelijk, dat met deze uitdrukking alleen de betrekking tot het territoir is bedoeld. Ik zou niet durven medegaan met mr. J. RÖELL, als deze zegt4) : „Wanneer ik mij

„echter alleen wilde houden aan de letter van de Grondwet,

„dan zoude die niet pleiten voor de finantiëele eenheid met

„Indie. Wanneer ik toch in artikel 60 zie gewag gemaakt van

„koloniale geldmiddelen, zoude men dan niet zeer geneigd zijn,

„daaraan een zeker afgezonderd bestaan toe te kennen, evenals

„bijv. in artikel 129, § 2 van „„provinciale"" inkomsten wordt

„gesproken?"

Bij de grondwetsherziening van 1887 werd andermaal artikel 1 aan een wijziging onderworpen. Reeds n a 1848 wapen in de hand van de aanhangers der eenheid — kwam het na 1887 als zoodanig tot zijn volle recht. Gelijk ik reeds zeide, zal dit argument in het volgende hoofdstuk door mij worden getoetst.

De overige bepalingen, die op de koloniën betrekking hebben, bleven gelijk zij waren.

Mijn slotsom kan geen andere zijn dan deze, dat de Grond-wet de vraag aangaande de rechtspersoonlijkheid der koloniën onbeantwoord laat.

V .* "'

') H a n d e l i n g e n der t w e e d e k a m e r 1884/1885 blz. 878, bij de openbare b e r a a d s l a g i n g over h e t w e t s o n t w e r p v a n h e t k a m e r l i d V A N DBDBM.

De leer van de eenheid der financiën.

§ 1. De eenheid der financiën in het parlement.

Bij het zoeken naar bewijzen voor de juistheid der theorie, dat de financiën van Rijk en koloniën één zijn, gaan wij terug tot de Staatsregeling van 1798 '), waar wij in Titul I V :

„Van het Uitvoerend Bewind", artikel 129 lid 1, lezen:

„Het (Uitvoerend Bewind) heeft de beheering van alle de

„Goederen en Bezittingen der Republiek, gelijk mede over

„haare buitenlandsche Etablissementen en Coloniën, en

der-„zelver inwendig bestuur. Het draagt zorg, dat de jaarlijksche

„inkomsten van alle dezelve verzekerd, en in de Nationale

„kas gestort worden."

Hier worden dus de inkomsten, die uit de koloniën be-trokken worden, tot nationale gestempeld, waaruit men zou kunnen afleiden, dat de koloniën eigen inkomsten missen.

In Titul V I I : „Van de Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën der Republiek, en van derzelver bestuur hier te Lande" vinden wij een bepaling, die veel heeft van een profetie en aldus luidt: „Bij aldien er een zuiver overschot, na aftrek van

het-„geen voor het volgend j a a r nodig zal zijn, plaats heeft,

') Verder teruggaan is niet noodig, zie boven blz. 21. I k deel hier de opvatting van LABAND, die voor vragen van hedendaagsch recht van zulke onderzoekingen, hoe belangrijk uit historisch oogpunt ook, weinig of geen licht verwacht (Staatsrecht des Deutschen Reiches, 4e Auflage, I blz. 9, noot 1).

„zal hetzelve in de Nationale Kas gestort worden." (Art.

242, lid. 2).

De uitwerking van de beginselen der Staatsregeling werd in de artikelen 249 en 251 aan „nieuwe Charters" voorbe-houden.

Is, kan men vragen, niet het voorschrift, volgens hetwelk het batig slot in de nationale kas gestort moet worden, een bewijs voor de eenheid der financiën, die reeds toen bestond?

Ligt het ook niet op den weg eener Staatsregeling, die de provinciën tot administratieve lichamen, tot kringen op de kaart, verlaagde (vergelijk artikel 147 j°. artikel 200) om de koloniën, die, wel verre van den rang van souvereine gewesten bekleed te hebben, voorwerpen van winst van handelscompag-nieën geweest waren, vooral niet beter te behandelen? Te meer, daar de Staatsregeling bij de beschrijving van het grondgebied der Bataafsche Republiek in artikel 3 de koloniën niet vermeldt, en deze dus schijnt buiten te sluiten ? *)

De Staatsregeling van 1801 bracht in dien toestand geen verandering : artikel 47 spreekt van subsidiën uit de nationale kas ingeval van koloniale tekorten, terwijl in het omgekeerde geval het batig slot aan dezelfde kas ten goede moet komen.

Artikel 48 eischt weer als basis van koloniale wetgeving en bestuur vaststelling van „respective chartres" en ditmaal zou dit voorschrift zijn vervulling vinden in het eerste regeerings-reglement, dat aan Indië een nieuwe bestuursinrichting, in overeenstemming met de veranderde tijden, geven moest, in het zoogenaamd Charter van EEDEBBURGH, van 1804 2). Hoe vat dit charter den rechtstoestand van Nederlandsch-Indië op ? Reeds artikel 2 geeft antwoord; het luidt: „Aan dezen Raad

„(van de Bezittingen en Etablissementen) is opgedragen de

„zorg voor de Administratie dier Policie en Justitie in de

„gemelde Bezittingen, alsmede voor derzelver verdediging,

„voor zooverre daaromtrent, door het Staats-Bewind, niet

„onmiddelijk wordt beschikt. — „De Hoge Regeering van

„Indien is aan hem rekenschap en verantwoording schuldig

') Zie d a a r t e g e n o v e r a r t i k e l 21 v a n de S t a a t s r e g e l i n g v a n 1801.

2) Te v i n d e n bij mr. Gr. G-RASHDIS, de R e g e e r i n g s r e g l e m e n t e n , blz. 189—216.

H e t o n t w e r p bij mr. P . M I J B B , V e r z a m e l i n g v a n I n s t r u c t i o n , Ordonnanciën en R e g l e m e n t e n , blz. 225—261. — H e t is n i e t in w e r k i n g g e t r e d e n .

„van alle hare verrichtingen, aangaande de Policie en Civile

„Regeering, mitsgaders de Finantiën, Goederen en Domeinen van

„de Bataafsche Republiek in Asia, alsmede" enz.

Het is duidelijk, dat hier het geheele Indische „Verwaltungs-und Finanzvermögen" tot eigenaar heeft niet Nederlandsch-Indië, maar de Bataafsche Republiek.

Artikel 3 verklaart, „dat de Raad der Asiatische Bezittingen en Etablissementen" de opperste directie heeft over de „voord-brengzelen derzelve Bezittingen", die volgens dit charter voor rekening van den Staat worden te gelde gemaakt. Deze R a a d heeft ook „de afzonderlijke Administratie over de Inkomsten van den Staat, uit de Asiatische Bezittingen en Etablissementen."

Bij artikel 37 wordt een .,Raad van Finantiën en Domeinen over (niet van) Bataafsch Indien" ingesteld, die, blijkens artikel 38, belast is met „het Algemeen Toevoorzicht over de Finan-ciën, Domeinen en Goederen van de Bataafsche Republiek, in Indien."

Voorts is het opmerkelijk, dat artikel 52 spreekt van : „Alle Ambtenaren van den Staat, in Oost-Indiën, hier te L a n d e gerepa-trieerd zijnde" enz. ; artikel 53 van „alle Civiele Ambtenaren, in de Bezittingen van den Staat in Oost-Indiën" enz., en artikel 54 van „Persoonen, niet zijnde in dienst van den Staat in Oost-Indiën, op eenige der Asiatische Bezittingen van de Bataafsche Repu-bliek aankomende", enz. Naar artikel 95 bepaalt, is het de Staat, die „alle de Producten" ontvangt, w e l k e . . . . moeten

„worden opgebragt tegen de daar voor gestipuleerde be-p a l i n g e n " en blijkens de artikelen 96 en 97 worden „de

„ p r o d u c t e n . . . . , die tot de eigen Behoeften van het Indische

„Bestuur niet benoodigd zijn, in Indië of hier te Lande voor

„Bekening van den Staat te gelde gemaakt." Gelijk artikel 98 voorschrijft, geschiedt het transport van die producten voor Bekening van den Staat. Ten slotte heeft artikel 100 het over

„de verpligtte Leverantiën van Producten i n " — niet aan —

„de Bezittingen van den Staat."

Zoo vaak van de heerschende rechtsgemeenschap de rede is, wordt zij aangeduid met de woorden Staat of Bataafsche Republiek. Naar mijn meening zijn beide uitdrukkingen syno-niemen en wordt het woord „Staat" in het charter nimmer gebruikt om een rechtspersoon Nederlandsch-Indië aan te duiden.

De woorden „Staat" en „Bataatschc Republiek" komen

her-haaldelijk in één zelfde artikel voor, zonder dat er eenige reden is om aan te nemen, dat zij verschillende begrippen achter zich hebben.d)

Zoo vaak sprake is v a n de „Bezittingen van den Staat in Indien", bedoelt het charter met die benaming uitsluitend het territoir. De voorbeelden liggen zoo voor het grijpen, dat het aanhalen v a n plaatsen mij bijna overbodig voorkomt. Men vergunne mij een sprekende plaats te noemen. Artikel 100:

„Alle verpligtte Leverantiën van Producten in de Bezittingen

„van den Staat" enz. ; ook het voorafgaande artikel 99 :

„De vrije Culture van alle Voordbrengzelen, welke in de

„Bezittingen van den Staat in Indien kunnen worden

aange-„kweekt," enz. 2).

Artikel 76 schrijft voor, dat „het Recht van het Bataaf sehe volk z a l . . . worden waargenomen door een Procureur-Generaal"

enz., terwijl artikel 86 het volgende bepaalt: „De

Rechts-„pleging, onder den Inlander, zal blijven geschieden volgens

„hunne eigene "Wetten en Gewoonten. Het Indisch Bestuur

„zal, door gepaste middelen, zorgen, dat dezelve in Territorien,

„welke onmiddelijk staan onder de Opperheerschappij van den

„Staat, zooveel mogelijk" enz

Had de Staatsregeling van 1801 de koloniën — ik zou haast zeggen — stiefmoederlijk behandeld, die van 1805 gewaagt alleen zijdelings van haar in artikel 10, en terloops in artikel 19. — Koloniale bepalingen ontbreken. 3).

Niettemin kwam onder R J . SCHIMMELPENNINCK een „Regle-m e n t " tot stand, „op het beleid van de Regering en het

„ Justitiewezen in de Aziatische Bezittingen van de Betaafsche

„Republiek en van den Handel op en in dezelve bezittingen" 4).

I n menig opzicht een copie van het charter, brengt het ook voor het onderwerp, dat mij bezighoudt, niets nieuws. H e t liet den rechtstoestand van Indië in dit opzicht, zooals hij door het charter was geregeld.

') Men zie bijv. lid 2 en 3 van artikel 2, artikel 24, 54, 70. I n artikel 116 is „Staat" identisch, met „Bataafsche Natie."

2) Zie voorts o. a. de artikelen 104, 105, 106, 107, 108, 109, 110, 111, 112 enz.

3> ZAe mr. KLEINTJES, t. a. pi. I, blz. 38.

4) Zie mr. GBASHUIS, de Begeeringsreglementen, blz. 217—235. - Het is niet in werking getreden.

<?

Ik geloof hiermede voldoende te hebben aangetoond, dat inderdaad, naar het Charter van 1804 en het Regeeringsreglement .van 1806, Nederlandsch-Indië geen rechtspersoonlijkheid had.

Ik geloof hiermede voldoende te hebben aangetoond, dat inderdaad, naar het Charter van 1804 en het Regeeringsreglement .van 1806, Nederlandsch-Indië geen rechtspersoonlijkheid had.

In document 3^ 3^ (pagina 34-165)

GERELATEERDE DOCUMENTEN