2.6. De vijfde groep letters 1. Herkennen van de vormen

2.6.2. De vijfde groep letters

Regel 12.

U vindt de vormen: lijn, gesloten breed van boven, lijn, gesloten breed van onder, lijn.

Ga nu naar bladzijde 2 van tabblad 5.

2.6.2. De vijfde groep letters

Begin links bovenaan de pagina op de eerste hele regel, dus op de regel onder de twee vormen bovenaan. Op de eerste twee regels oefent u nogmaals de vormen van de twee nieuwe letters. Daarna volgen de namen van deze letters.

Ga horizontaal met uw linkerhand of -wijsvinger over de bovenste regel.

Op de bovenste regel van deze bladzijde vindt u van links naar rechts de volgende vormen: blokje links onder open, blokje links onder open, schuin naar boven, blokje links onder open, schuin naar boven, blokje links onder open, schuin naar boven, overnameteken.

Ga met uw rechterhand naar uw linkerhand. De linkerhand gaat terug naar het begin van de regel. Met rechts gaat u verder naar het einde van de regel. U vindt de

vormen: schuin naar boven, blokje links onder open, schuin naar boven, blokje links onder open, schuin naar boven, schuin naar boven, blokje links onder open.

Regel 2.

U vindt de vormen: blokje links onder open, blokje links onder open, schuin naar boven, schuin naar boven, blokje links onder open, schuin naar boven, schuin naar boven, overnameteken, schuin naar boven, blokje links onder open, blokje links onder open, schuin naar boven, blokje links onder open, schuin naar boven, blokje links onder open.

Dan benoemen we nu de letters:

 De vorm schuin naar boven is de letter i.

 De vorm blokje links onder open is de letter d.

Begin nu weer links bovenaan de pagina. Ga horizontaal met uw linkerhand of -wijsvinger over de bovenste regel. Daar leest u van links naar rechts de volgende letters: d, d, i, d, i, d, i, overnameteken.

Ga met uw rechterhand naar uw linkerhand. De linkerhand gaat terug naar het begin van de regel. Met rechts gaat u verder naar het einde van de regel. U leest de

letters: i, d, i, d, i, i, d.

Regel 2.

U leest de letters: d, d, i, i, d, i, i, overnameteken, i, d, d, i, d, i, d.

Regel 3 is een horizontale lijn.

Op de volgende regels leest u de i, de d én de eerder geleerde letters.

Regel 4.

U leest de letters: i, b, i, b, i, b, i, overnameteken, b, b, b, i, b, i, i.

Regel 5.

U leest: c, c, i, i, c, c, i, overnameteken, i, i, c, c, i, c, c.

Regel 6.

U leest: i, e, e, i, e, i, e, overnameteken, e, e, i, i, i, e, e.

Regel 7.

U leest de letters: d, g, g, g, d, d, d, overnameteken, d, d, g, g, d, g, g.

Let op een ontspannen houding van uw armen en handen.

Regel 8.

U leest de letters: d, f, d, f, f, d, f, overnameteken, f, d, f, d, d, f, d.

Regel 9.

U leest: d, g, f, g, d, g, d, overnameteken, f, d, f, d, g, g, d.

Regel 10.

U leest de letters: l, p, v, l, p, l, v, overnameteken, k, m, o, o, m, o, k.

Regel 11.

U leest: a, b, k, l, c, g, o, overnameteken, p, e, v, m, f, i, d.

Regel 12.

U leest de letters: f, g, d, e, c, i, b, overnameteken, l, k, o, m, p, v, l.

Ga nu naar bladzijde 3 van tabblad 5.

2.6.3. Woorden met en zonder spaties

Op deze bladzijde staan woorden met de geleerde letters. Eerst staan er nog spaties tussen de letters van het woord. Na het overnameteken komt een nieuw woord op dezelfde manier.

Regel 1.

U leest: i, k, ik, overnameteken, d, a, l, dal.

Regel 2.

U leest: d, e, k, dek, overnameteken, d, a, k, dak.

Regel 3.

U leest: l, i, e, g, lieg, overnameteken, e, i, k, eik.

Regel 4.

U leest: l, i, e, f, lief, overnameteken, d, i, e, f, dief.

Regel 5.

U leest: d, o, e, l, doel, overnameteken, d, o, p, dop.

Regel 6.

U leest: v, i, e, l, viel, overnameteken, k, l, e, i, klei.

Regel 7.

U leest: m, e, i, mei, overnameteken, d, i, e, p, diep.

Regel 8.

U leest: d, i, e, die, overnameteken, m, e, i, d, meid.

Ga nu naar bladzijde 4 van tabblad 5.

2.6.4. Rijmrijtjes

Op de volgende regels leest u nog woorden met begin- of eindrijm. Dat zijn

veelvoorkomende lettercombinaties. We gebruiken nu geen overnameteken. Probeer deze regels eerst met de ene en dan met de andere hand te lezen.Let nog even op uw houding.

Regel 1.

U leest de woorden: ik, dik, fik, mik, lik, blik.

Regel 2.

U leest de woorden: dag, dak, dam, dal, daf.

Regel 3.

U leest: de, dek, dep, deel, deeg, deed.

Regel 4.

U leest: dom, dok, dol, dop, dof, doof.

Regel 5.

U leest: ei, mei, kei, lei, klei.

Regel 6.

U leest de woorden: die, diep, dief, liep, lief.

Regel 7.

U leest: ooi, kooi, mooi, fooi, dooi, plooi.

Regel 8.

U leest de woorden: doe, moe, koe, moed, goed, gloed.

Regel 9.

U leest: oei, boei, foei, loei, doei, bloei.

Regel 10.

U leest de woorden: ed, bed, kleed, gleed, moed, goed.

Regel 11.

U leest: Die, dia, dik, dille, dip, dief.

Regel 12.

U leest de woorden: Idee, ideaal, idool, idem.

Ga nu naar bladzijde 5 van tabblad 5

2.6.5. Woorden met de geleerde letters

Op deze bladzijde vindt u elf regels met woorden met de tot nu toe geleerde letters.

Let op uw houding: zit rustig rechtop. Houd uw handen ontspannen op het papier.

Beweeg de vingers van links naar rechts, nooit van boven naar beneden!

Regel 1.

U leest de woorden: bad, klad, glad, overnameteken, dak, dal, de, adem.

Regel 2.

U leest de woorden: baai, maai, aai, ik, overnameteken, big, blik, klik.

Regel 3.

U leest: daal, deel, bodem, overnameteken, doek, doel, moed.

Regel 4.

U leest: iep, liep, diep, overnameteken, ei, eik, lief, doe.

Regel 5.

U leest de woorden: dief, mooi, kil, overnameteken, klim, bid, bed, kip.

Regel 6.

U leest: lied, leed, leid, overnameteken, dop, dol, dom, dok.

Regel 7.

U leest de woorden: kooi, boei, dooi, overnameteken, pedaal, dia, pil.

Regel 8.

U leest de woorden: idool, ideaal, overnameteken, middag, middel.

Regel 9.

U leest de woorden: medaille, gedoe, overnameteken, file, film, goed.

Regel 10.

U leest: daad, deed, edel, overnameteken, idee, beide, bod.

Regel 11.

U leest de woorden: eikel, diadeem, overnameteken, vlieg, lieg, de.

Ga nu naar bladzijde 6 van tabblad 5.

2.6.6. Zinnen met de geleerde letters

Begin elke regel met de linkerhand. Ga na het derde woord van elke zin met rechts verder.

Regel 1.

U leest de zin: die lieve dame deed veel goed.

Regel 2.

U leest: geef de adel alle geld.

Regel 3.

U leest de zin: die dikke big viel vaak om.

Regel 4.

U leest: koop die mooie diadeem ida.

Regel 5.

U leest de zin: die baai leek me ideaal Regel 6.

U leest: die meid gaf de familie gebak.

Regel 7.

U leest de zin: de boom bloeide mooi Ga nu naar pagina 1 van tabblad 6.

2.7. De zesde groep letters

In document Braille Zelfstudie; instructie bij module 2 en 3. Module 2: De letters van het alfabet (pagina 28-33)