VII, Lijkwagens

In document 0013 6802 (pagina 138-155)

ART. 42. Het is een ieder geoorloofd, na daartoe bekomen uitdrukkelijk verlof van den Resident, rouw- of lijkwagens te houden en te verhuren, mits deze zijn ingericht overeenkomstig de navolgende bepalingen.

Het hierboven bedoeld verlof kan, wegens het voortdurend niet voldoen aan de bepalingen, weder worden ingetrokken.

ART. 43, De rouw- of lijkwagens moeten zijn op vier wielen, waarvan de twee voorste half onder-door moeten kunnen draaien; de vloer van die lengte, dat de grootste kisten ge-makkelijk kunnen worden ingezet, op den vloer twee klampen, omtrent zes duim hoog, en op twee voet van ieder einde voor-zien van de noodige houten nagels of pennen, tenware die vloer zoodanig zij ingericht, dat de kist van achteren op rollen, die in den wagen bevestigd zijn, naar binnen wordt geschoven; de tent op vier stijlen, vier voet hoog, overdekt en omhangen met de noodige rouwkleeden en franjes, als naar gebruik.

De wagens worden getrokken door zes, vier of twee zwarte of zeer donkerbruine goed gedresseerde paarden, minstens vier voet hoog, met zwarte en met zwart ijzer beslagen tuigen en met lange rouwkleeden, als naar gebruik.

Hij, ten wiens laste de begrafenis geschiedt, of de lasthebber van dezen, bepaalt het aantal paarden, 6, 4 of 2, waarmede het lijk ter aarde zal worden besteld.

De rouw- en lijkwagens staan onder het onmiddellijk toezicht van den Resident.

Het reglement op het houden en gebruiken van paarden en rijtuigen, gearresteerd bij Stbl. 1833 No. 100, is op de verhuur-ders van rouw- en lijkwagens van toepassing'.

ART. 44. Voor een rouw- of lijkwagen wordt niet meer in rekening gebracht dan :

voor een lijkwagen met 6 paarden / 25.

„ idem „ 4 „ „ 12.

9 fi

)! )! !) " » » "*

Voor lijkwagens voor kinderen wordt een derde minder gerekend.

Wanneer de begrafenis des avonds plaats heeft, wordt een derde meer gerekend.

Wanneer het lijk wordt afgehaald buiten de limieten der stad en voorsteden van Soerabaia, kan een derde meer in reke-ning worden gebracht, dan wel, naar gelang van den afstand, zooveel meer als de billijkheid zal medebrengen.

AKT. 45. De verhuurders van rouw- en lijkwagens zorgen dat de bestelde wagens tijdig aan het sterfhuis zijn.

Bij gebreke daarvan verbeuren zij eene boete van f 25.— tot f 100.—

ART. 46. De rouw- en lijkwagens rijden met het lijk stapvoets.

Bij ieder paard is een in het zwart gekleede looper geplaatst, die het paard bij den toom leidt.

De koetsier is mede in het zwart gekleed.

VIII. Doodkistenmakers.

ART. 47. Een ieder is bevoegd, na daartoe bekomen schrifte-lijk verlof van den Resident, het beroep van doodkistenmaker uit te oefenen.

De doodkistenmakers zijn gehouden met groote en duidelijke witte letters, op een zwart veld boven hunne deur te plaatsen:

„Doodkistenmaker", met hunnen naam daaronder.

ART. 48. Voor doodkisten, overeenkomstig op de begraafplaats bestaande modellen, wordt niet meer in rekening gebracht dan :

1. voor eene doodkist van djatihout, de planken ter dikte van Vs d u i m rnl-> m e t verwulfd deksel, met ijzeren schroeven in elkander gezet, met zwart kopal gevernisd, met acht ijzeren handvatsels, inwendig bekleed met fijn linnen, met zwart zijden lint vastgespijkerd, het deksel voorzien van twaalf koperen schroeven, / 100.

2. voor eene doodkist van djatihout, de planken ter dikte van i/g rhl. duim, minder kostbaar bewerkt en bekleed ƒ 70.

3. voor eene doodkist van deugdzaam hout, de planken ter.

dikte van l/.2 rhl. duim, net bewerkt en bekleed ƒ 40.

4. voor eene gelijke doodkist van deugdzaam hout, de planken ter dikte van 1/2 rhl. duim, / 1 0 .

Voor doodkisten voor kinderen van twaalf jaren en daar beneden, wordt een derde minder gerekend.

Wanneer iemand eene doodkist verlangt, anders gemaakt dan hierboven is aangegeven, moet des wege met den doodkisten-maker vooraf een accoord worden getroffen.

Bij gebreke van dien bepaalt de commissie den prijs naar billijkheid.

ART. 49. Bij een doodkistenmaker eene doodkist besteld zijnde, is deze gehouden die binnen den bepaalden tijd te leveren op verbeurte van intrekking van het verlof tot uitoefening van dit beroep.

134

ART. 50. De doodkistenmaker levert bij iedere kist de noodige schragen en bankjes, benevens knechts en koelies voor het dicht-schroeven, te huis brengen en stellen der kist, enz., zonder daar-voor iets meer in rekening te mogen brengen, dan bij het tarief is vastgesteld.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

AKT. 51. Het onbevoegd uitoefenen der beroepen in de art.

29, 36, 42 en 47 omschreven, wordt gestraft met eene geldboete van f 10— tot / 50.—

ART. 52. Eene rekening van den opziener, den bedienaar van het sterfhuis, den lijkwagenverhuurder en den doodkistenmaker, behoeft niet te worden voldaan, alsvorens die voor gezien ge-teekend is door den President der commissie.

ART. 53. Minvermogenden, zooals bij het reglement worden bedoeld, moeten, des gevorderd, van hun onvermogen doen blijken, door een behoorlijk bewijs van het plaatselijk bestuur.

ART. 54. Dit reglement treedt in werking met den eersten Januari 1864.

(Verordening van den Resident van Soerabaia dd. 17 September 1863, Javasche Courant van 14 October 1863 No. 53.

Gewijzigd bij verordening van den Resident van Soerabaia dd.

22 September 1869, Javasche Courant van 28 September 1869 No. 78 en bij verordening dd. 10 September 1896, Javasche Cou-rant dd. 15 September 1896 iVo. 74.

R E d j E H I E r V T op h e t b e h e e r der b e g r a a f p l a a t s e n en h e t b e g r a v e n der lijken v a n E u -r o p e a n e n en m e t dezen gelijkgestel-d e n voor gelijkgestel-de afgelijkgestel-deeling Mogelijkgestel-djokerto (').

ART. 1. Het beheer der begraafplaats voor lijken van Eu-ropeanen en met dezen gelijkgestelden in de afdeeling Modjo-kerto is opgedragen aan een commissie van vijf leden, door het hoofd van plaatselijk bestuur te benoemen, waarvan een fun-geert als president en één als secretaris, tevens kashouder.

ART. 2. De commissie is belast met het toezicht over de begraafplaats en over alles, wat tot de teraardebestelling van lijken aldaar behoort.

Zij wordt daarin bijgestaan door een opziener der begraafplaats.

ART. 3. De begraafplaats wordt minstens eenmaal 's maands door een der leden van de commissie bezocht, welk lid verplicht is van zijne bevinding schriftelijk verslag in te dienen aan den voorzitter.

(]) De bevoegdheid voor deze keur is ontleend aan art. V van Staatsblad 1864 No. 196, zie No. O*, in deel I I .

ART. 4. De gelden, overeenkomstig dit reglement ten behoeve der begrafenissen en der begraafplaats verkregen, staan onder het beheer der commissie, die daarover ten nutte der begraaf-plaats en ten dienste der begrafenissen beschikt.

ART. 5. De commissie zorgt voor het aan- en bijhouden : a. van eene plattegrond-teekening der begraafplaats, waarop de graven en gedenkteekenen nummersgewijze zijn aangeduid.

b. van een door het hoofd van plaatselijk bestuur gefolieerd en geparafeerd register der gedenkteekenen en graven, waarin deze vaks- en nummersgewijze worden opgenomen met vermelding of daarin lijken zijn bijgezet, en

c. van een door het hoofd van plaatselijk bestuur gefolieerd en geparafeerd register der teraardebestelling, bevattende den naam van den ter aarde bestelden persoon, den dag zijner be-grafenis, zijn ouderdom, zijn beroep of hoedanigheid en het vak en nummer van het graf.

Ook de reeds bestaande graven en gedenkteekenen worden in het register opgenomen, met vermelding der eigenaren of be-langhebbenden van graven, voor zoover deze bekend zijn of worden, waartoe door de commissie het noodige wordt verricht.

Zij zorgt mede, dat steeds een genoegzaam aantal graven ge-reed is en dat deze volgens de bepalingen behoorlijk worden gemaakt.

ART. 6. De commissie is belast met het toezicht over den opziener der begraafplaats en over de benoodigdheden voor een teraardebestelling.

Zoolang in die benoodigdheden niet door de particuliere nijver-heid wordt voorzien, zorgt de commissie, dat dezelve bij haar tegen billijke vergoeding verkrijgbaar zijn.

De secretaris levens kashouder houdt nauwkeurig aanteeke-ning van alles, wat in de vergadering ten opzichte der begraaf-plaats en begrafenissen wordt verhandeld en vastgesteld.

Hij is persoonlijk verantwoordelijk voor de onder zijne berus-tiug zijnde gelden en doet jaarlijks in de maand Januari alge-meene rekening en verantwoording van zijn beheer over het afgeloopen jaar aan de commissie, behoudens het recht van deze, om zoo dikwijls zij dit noodig oordeelt, den staat der kas te onderzoeken.

ART. 7. De begraafplaats is verdeeld in vakken of afdeelingen.

De graven hebben doorloopende registernummers, door duidelijk zichtbare teekenen op de begraafplaats kenbaar gemaakt.

De teraardebestelling geschiedt naar de volgorde der nummers, welke de graven dragen.

ART. 8. De graven zijn verdeeld in eigen- en gehuurde graven.

Van de in eigendom bezeten graven wordt het noodige bewijs in duplo opgemaakt, geteekend door den president en den se-cretaris der commissie.

136

Een exemplaar wordt aan den eigenaar uitgereikt, het andere blijft onder berusting der commissie.

Gehuurde graven kunnen, naarmate van de behoefte aan ruimte op de begraafplaats, na verloop van tien jaren op last der com-missie worden opgeruimd.

ART. 9. Elk graf heeft eene lengte van * 10 voet en eene breedte en diepte van 6 voet (Rijnlandseh).

Graven voor kinderen beneden den leeftijd van 8 jaren zijn lang 5 voet, breed 4 voet en diep 6 voet of meer.

Wanneer voor een graf grootere lengte of breedte verlangd wordt, is men verplicht voor twee of meer graven te betalen, naarmate van de begeerde uitgestrektheid.

ART. 10. Grafsteenen en grafteekenen mogen niet overschrij-den de lengte en breedte voor een graf bepaald.

Wanneer zij grooter uitgestrektheid beslaan, moet de belang-hebbende voor twee of meer graven betalen, naarmate van de ingenomen uitgestrektheid.

ART. 11. Wanneer voor een graf grooter uitgestrektheid is toegestaan dan de in het eerste of tweede lid van art. 9 bedoelde, behoudt het de volgnummers der graven, welker uitgestrektheid het inneemt.

ART. 12. Voor de vergunning om op de begraafplaats te be-graven wordt betaald:

Voor een gehuurd graf der 1<=. kl. (vak No. 1) f 8, 2e. kl.

(vak No. 2) f 4, en 3°. kl. (vak No. III) niets.

De 3e. kl. is alleen voor hen, die een door het hoofd van plaatselijk bestuur afgegeven bewijs van onvermogen kunnen overleggen.

Voor een gehuurd graf voor een kind beneden den leeftijd van 8 jaren wordt de halve prijs betaald.

Gemetselde graven worden gemaakt door belanghebbenden, met medeweten van de commissie der begraafplaats en onder toezicht van een der leden, door die commissie aan te wijzen.

Voor het begraven buiten de rij der volgnummers, hetzij in een gehuurd, hetzij in een eigen graf, is eene buitengewone bijdrage van f 10.— verschuldigd.

ART. 13. Voor het recht om een gedenkteeken op een graf te plaatsen, wordt betaald:

Voor een staand kruis of steen, mits niet hooger dan een halve Ned. el boven den beganen grond, op gehuurde graven:

der 1". kl. f 8, en 2e. kl. / 4.

Voor een eenvoudig kruis, niet hooger dan drie palm, is geene betaling verschuldigd.

Voor een grafzerk op gehuurde graven der Ie kl. f 10.— eii 2e kl. / 5.— en op graven in eigendom bezeten f 15.—

Monumenten mogen niet gesteld, noch grafkelders gemaakt worden, dan op of in graven, in eigendom bezeten.

Het daarvoor verschuldigde recht is bepaald op ƒ 25.— per graf.

ART. 14. Het onderhoud van alle gedenkteekenen, van welken aard ook, en van de gemetselde graven en grafkelders, komt ten laste van de eigenaren of belanghebbenden.

Zij kunnen echter met de commissie eene schriftelijke over-eenkomst aangaan, waarbij deze, tegen betaling van eene jaar-lijksche contributie aan de kas der begraafplaats, dat onderhoud op zich neemt.

Gedenkteekenen, welke niet in behoorlijken staat worden on-derhouden, kunnen op last der commissie worden opgeruimd.

Daartoe zal de commissie, nadat deze keur is in werking ge-treden, driemaal in de Javasche Courant en in een ander door haar te kiezen dagblad, telkens met eene tusschenruimte van drie maanden, de eigenaren der bestaande grafteekenen oproepen om die te herstellen.

Indien gedurende drie maanden na de laatste oproeping geen eigenaar zich heeft opgedaan of deze nalatig is gebleven in het onderhoud, kunnen de verwaarloosde grafteekenen op last der commissie worden opgeruimd.

AKT. 15. Voor eene vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur, om elders dan op de algemeene begraafplaats een lijk te begraven, is ten behoeve van het fonds der begraafplaats een buitengewone bijdrage van ƒ 10.— verschuldigd.

ART. 16. De opziener der begraafplaats wordt door de com-missie benoemd en ontslagen en geniet uit het fonds eene vaste bezoldiging.

Hij is belast met het dagelijksch toezicht op en het schoon-houden van de begraafplaats. Zoowel voor het laatste als voor de teraardebestelling worden hem ten koste van het begrafenis-fonds de noodige arbeiders toegevoegd.

Hij zorgt, dat de bepalingen ten opzichte van de uitgestrekt-heid van elk graf en de volgorde der graven bij het delven niet worden overtreden, en dat elk graf, ten koste van het fonds der begraafplaats, voorzien worde van een duidelijk zichtbaar nummer, overeenstemmend met het register.

Hij is verantwoordelijk voor hetgeen op de begraafplaats in strijd met dit reglement geschiedt.

Hij houdt aan eene plattegrondteekening der begraafplaats, waarop de graven en gedenkteekenen nummersgewijze zijn aan-geduid, en een register van de teraardebestellingen, met vermel-ding van den naam, den ouderdom en het beroep van den per-soon, wiens lijk is bijgezet, en het nummer van het graf.

138

Hij vordert het door den ambtenaar van den burgerlijken stand verleend consent van begrafenis en mag, zonder dit docu-ment, niet tot de teraardebestelling overgaan.

Wordt het bedoeld consent niet overgelegd, zoo geeft de opziener daarvan onmiddellijk kennis aan het hoofd van plaatselijk bestuur, die het noodige beveelt.

In geen geval mag de opziener een lijk van de begraafplaats terugzenden.

ART. 17. De opziener moet bij elke teraardebestelling op de begraafplaats tegenwoordig zijn en daarbij de noodige hulp ver-leenen.

B j wettige verhindering, ter beoordeeling der commissie, kan de opziener zich daarbij onder zijne aansprakelijkheid door een geschikt persoon doen vervangen.

Hij zorgt dat zijne bedienden bij begrafenissen zindelijk in het zwart gekleed en hunne gereedschappen zwart geschilderd zijn.

Hij zorgt voorts, dal op aanzegging van belanghebbenden of namens deze, het te delven graf op den bepaalden tijd gereed zij.

_ De inning der rekeningen van aan het fonds wegens begrafe-niskosten verschuldigde gelden wordt hem door den kashouder opgedragen.

ART. 18. De opziener is belast met en verantwoordelijk voor de bewaring in eene daarvoor ten koste van het fonds der be-graafplaats ingerichte plaats van alle zaken, welke ten dienste der begraafplaats en begrafenissen door de commissie worden aangeschaft.

Hij zorgt voor de tijdige bezorging aan het sterfhuis der benoodigdheden tot de begrafenis.

ART. 19. Voor de werkzaamheden van den opziener der be-graafplaats bij de begrafenissen wordt door belanghebbenden ten bate van het fonds der begraafplaats betaald;

voor het bezorgen en gebruikmaken van lijkbaar, roef en doodkleed f 6.—, voor het laten delven en ter aarde bestellen, in een eigen graf / 10.— voor het laten delven van en ter aarde bestellen in een gehuurd graf ƒ 8.—

Voor begrafenis van kinderen beneden den leeftijd van 8 jaar wordt de prijs met de helft verminderd.

Voor het gebruikmaken van den lijkwagen is verschuldigd:

bij begrafenis Ie kl. ƒ 8.—, 2e kl. 4.— en 3e kl. gratis.

Ingeval het sterfhuis drie paal of' meer verwijderd is van de begraafplaats, wordt door de belanghebbenden bovendien betaald

/' 1 0 .

-Deze werkzaamheden geschieden kosteloos bij het begraven van behoeftigen.

ART. 20. Geen begrafenis mag plaats hebben dan bij dag, tusschen 6 uur 's morgens en 6 uur 's avonds, tenzij het tegen-deel door buitengewone omstandigheden mocht worden vereischt,

i

ter beoordeeling van het hoofd van plaatselijk bestuur of van den plaatselijken geneesheer.

Voor'het begraven buiten den vastgestelden tijd kan vergun-ning worden verleend door het plaatselijk bestuur tegen betaling van / 10.— ten behoeve van het fonds der begraafplaats, tenzij dit mocht geschieden in buitengewone omstandigheden en op last van het bestuur.

ART. 21. De benoodigdheden voor eene begrafenis worden aan behoeftigen, bedoeld bij art. 19 laatste alinea, kosteloos verstrekt.

ART. 22. Voor eiken drager wordt betaald ƒ 1.— en voor hem, die de dragers aanvoert / 2— ; zij, die van een gehuurd graf der 2e kl. gebruikmaken, betalen de helft; behoeftigen niets.

ART. 23. Het staat een ieder vrij, andere dan de door de commissie aangestelde dragers te gebruiken, mits voor elk hunner aan het fonds der begraafplaats betalende de helft van het bovenbedoelde draagloon.

SLOTBEPALING.

ART. 24. Geschillen, die op de begraafplaats, de begrafenissen en wat daarmede in verband staat, betrekking hebben, worden door de commissie in overleg met het hoofd van plaatselijk bestuur beslist.

ART. 25. Dit reglement treedt in werking met den dag der plaatsing in het officieel nieuwsblad.

(Verordening van den Resident van Soerabaia dd. 17 Augustus 1887, Javasche Courant dd. 30 Augustus 1887 No. 48).

V E R O R D E N I N G o p de b r o o d b a k k e r i j e n in de r e s i d e n t i e S o e r a b a i a .

ART. 1. Niemand mag het bedrijf van broodbakker uitoe-fenen zonder daartoe eene schriftelijke vergunning van den Resident te hebben verkregen.

Deze vergunning wordt niet geweigerd dan om redenen, ontleend aan de openbare orde of het algemeen belang.

De redenen der weigering worden den aanvrager medegedeeld.

ART. 2. De broodbakkers zijn verplicht hunne bakkerijen steeds in goeden en zindelijken staat te houden, en mogen niet anders bakken dan goed brood uit goede zuivere tarwe of rogge, zonder vermenging met rijst, turksche tarwe, boonen of andere vreemde bestanddeelen, voorts tweebak of beschuit en ander klein gebak, evenzoo van goede hoedanigheid.

140

ART. 3. De broodbakkerijen worden door den Resident of door iemand van zijnentwege, hetzij alleen, hetzij vergezeld van een der stadsgeneesheeren of van een apotheker, zoo dikwijls als zulks noodig wordt geoordeeld, bezocht, teneinde omtrent den staat der bakkerijen en de hoedanigheid van het voorhanden brood en ander gebak een onderzoek in te stellen.

ART. 4. De broodbakkers zijn gehouden de gebreken, welke bij hunne bakkerijen worden bevonden en hen worden aange-wezen, terstond te doen herstellen.

ART. 5. Geschillen naar aanleidig van klachten over onvol-doende hoedanigheid van brood of ander gebak, of van meel worden door den Resident beslist.

Zoo de Resident dit noodig oordeelt wordt de commissie van geneeskundig toezicht ter hoofdplaats Soerabaia vooraf gehoord.

ART. 6. Overteding dezer verordening wordt gestraft: van art. 1 met geldboete van hoogstens / 25.— ; bij herhaling van hoogstens f 60.—

Van art. 2 met geldboete van hoogstens f 25.— ; bij herhaling van hoogstens f 60.— en intrekking van de bij art. 1 bedoelde vergunning met verbeurd verklaring van het afgekeurd brood of ander gebak.

Van art. 4 met geldboete van hoogstens f 25.—; bij herhaling van hoogstens / 60.— en intrekking der bij art. 1 bedoelde vergunning.

Alles onverhinderd de bepalingen vervat in art. 231, 232 en 233 van het wetboek van strafrecht voor Europeanen en art. 233, 234 en 235 van het wetboek van strafrecht voor Inlanders.

ART. 7. Deze verordening treedt in werking een maand na hare afkondiging in de Javasche Courant.

Alle vroegere verordeningen, dit onderwerp betreffende, worden dan gehouden voor vervallen.

(Verordening van den Resident van Soerabaia dd. 30 November 1880, Javasche Courant dd. 14 December 1880).

R E G L E M E N T op h e t s l a c h t e n v a n vee en op h e t v e r k o o p e n v a n vleesch i n de resi-d e n t i e S o e r a b a i a .

ART. 1. Runderen, buffels en paarden mogen, behoudens de uitzonderingen in de art. 3 en 9 hieronder omschreven, ter hoofdplaats Soerabaia alleen geslacht worden op de volgens aan-wijzing en met vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur bestaande of aldaar op te richten algemeene slachtplaatsen te Kapassan-lor en in de bijzondere slachterijen te Kapassan-lor en te Rebalen.

Varkens, schapen, bokken en geiten worden ter hoofdplaats Soerabaia uitsluitend geslacht in bijzondere slachterijen, tot welker oprichting de vereischte vergunning is verleend.

Buiten de hoofdplaats Soerabaia worden de in de vorige alinea's van dit artikel genoemde dieren geslacht in bijzondere slachte-rijen, tot welker oprichting de vereischte vergunning is verleend."

I I I T T K E H S E L uit de pachtvoorwaarden.

I I I T T K E H S E L uit de pachtvoorwaarden.

In document 0013 6802 (pagina 138-155)