3. Eigen onderzoek

3.4. Dataverzameling

3.4.1. De vragenlijst

3.4.1.1. Verspreiding en respons

3.4. Dataverzameling

3.4.1. De vragenlijst

Het eerste deel van de dataverzameling voor dit onderzoek bestond uit een korte vragenlijst die peilde naar zowel objectieve gegevens als naar ervaringen van dove leerlingen en studenten met afstandsonderwijs. Het doel van de vragenlijst was om de eerste algemene tendensen vast te kunnen stellen, om meer inzicht te krijgen in welke factoren een belangrijke rol speelden in de communicatieve toegankelijkheid van het afstandsonderwijs.

De vragenlijst was volledig tweetalig in het Nederlands en in Vlaamse Gebarentaal. De volledige vragenlijst is toegevoegd als bijlage bij deze masterproef (zie bijlage A). Ze werd opgesteld in Qualtrics.

Er werd in de vragenlijst gepeild naar verschillende aspecten:

1) Algemene tevredenheid rond afstandsonderwijs

2) Aanpassingen die voorzien werden om te communiceren 3) Toegankelijkheid van de leerstof

4) Betrokkenheid en mogelijkheid tot interactie 5) Technologische aspecten

6) Het inzetten van tolken

De vraagstelling werd op verschillende manieren vormgegeven. Voor de meeste vragen werd gekozen voor een likertschaal, waarbij de respondenten moesten aanduiden in welke mate ze akkoord gingen met stellingen. Ook meerkeuzevragen, vragen waarbij ze de kwaliteit van communicatie tijdens het afstandsonderwijs moesten scoren, en frequentievragen kwamen aan bod. De respondenten werd ook gevraagd verschillende communicatiemogelijkheden (live lessen met tolk VGT, asynchrone lesopnames, zelfstudie met geschreven lesmateriaal, live les met schrijftolk…) te ordenen naar voorkeur.

3.4.1.1. Verspreiding en respons

De vragenlijst werd via verschillende kanalen verspreid. Om respondenten te contacteren, werden verschillende stappen gezet. Het bericht dat via verschillende kanalen werd verspreid, is opgenomen als bijlage (bijlage B) aan het eind van deze masterproef.

• Ten eerste werd aan vrienden en kennissen gevraagd om de vragenlijst in te vullen en werd de vragenlijst op sociale media verspreid. Daarnaast werden ook acht kinder- en jeugdclubs aangeschreven. Dat zijn jongerenclubs gebonden aan een dovenclub, die activiteiten en kampen voor dove kinderen en jongeren organiseren. Specifiek ging het om De Witte Beer, de Blauwe Valken en De dolfijntjes (kinder- en jeugdclubs van Nowedo uit Brugge), Kedokids en Jeugdclub de Kempen (kinder- en jeugdclub van Piramime in Turnhout), kinderclub de cocoon en jeugdclub de vlinder (Madosa in Antwerpen) en

Kajong. Ook Mano, de Vlaamse studentenclub voor dove studenten, werd gevraagd de vragenlijst te verspreiden.

• Ten tweede werd aan verschillende organisaties en instanties gevraagd of ze de vragenlijst verder konden verspreiden. Zo heeft ook het CAB de vragenlijst aan alle gebruikers van onderwijstolken doorgegeven en hebben verschillende ondersteuningsnetwerken van over heel Vlaanderen de vragenlijst verspreid.

Ondersteuningsnetwerken coördineren de onderwijsondersteuning van kinderen en jongeren die les volgen in het regulier onderwijs, en vormden dus op die manier een brug naar de doelpopulatie. Aan Doof Vlaanderen, de organisatie voor belangenbehartiging van Vlaamse doven, en hun dochterorganisatie Doof & Jong werd eveneens gevraagd de vragenlijst onder hun leden te verspreiden. Door het contact met Doof & Jong, pikte ook VLOK-CI, de oudervereniging voor kinderen met een CI, de vragenlijst op en bezorgde die aan haar leden.

• Toen bleek dat er initieel weinig respons op de vragenlijst kwam, werd aan verschillende instanties gevraagd de vragenlijst nogmaals te verspreiden.

Samengevat werd de vragenlijst verspreid aan de hand van een ‘sneeuwbalmethode’ (Hale & Napier, 2013, p.69) en door organisaties te contacteren die reeds een netwerk met de populatie hebben. De grootste methodologische barrière bestond uit het omgaan met de non-respons. Vele verenigingen reageerden niet in op de vraag om de vragenlijst te verspreiden. Bepaalde verenigingen en organisaties gaven zelf aan dat het niet tot hun visie en takenpakket behoort om een rol te spelen in het verspreiden van vragenlijsten voor onderzoeken van studenten. Daarnaast gaven ze aan dove kinderen en jongeren niet te willen belasten met dergelijke vragen, ondanks het feit dat ze de waarde van het onderzoek wel inzagen. Doof & Jong reageerde daarenboven dat ze reeds ondervonden hadden dat hun doelpubliek het niet steeds op prijs stelt om gevraagd te worden deel te nemen aan onderzoeken. Hoewel die zaken het verzamelen van data voor dit onderzoek bemoeilijkten, werd er door de onderzoeker rekening mee gehouden.

Bij die oproep moet nog een kanttekening gemaakt worden. In eerste instantie was de vragenlijst enkel bedoeld voor dove gebarentalige leerlingen uit het lager en secundair onderwijs en studenten hoger onderwijs. Lagere scholieren vulden de vragenlijst niet zelf in, dat deden de ouders, al dan niet samen met hun kind. Toch is de vragenlijst ook ingevuld door één ouder van een gebarentalige kleuter, en twee niet-gebarentalige dove studenten. Er werd een weloverwogen keuze gemaakt om ook die antwoorden mee op te nemen in de analyse, omdat het vermoeden bestond dat bepaalde tendensen ook algemeen op dove personen van toepassing zouden zijn, onafhankelijk hun taal of taalvoorkeur.

Uiteindelijk werd de vragenlijst ingevuld door 26 respondenten met verschillende profielen, waarvan 21 van hen de volledige vragenlijst invulden. De gedeeltelijk ingevulde vragenlijsten werden niet mee

opgenomen in de resultaten. Vermits de periode van afstandsonderwijs over verschillende schooljaren liep, konden de respondenten meer dan één onderwijsinstelling waaraan ze les volgden in die periode aangeven. De grootste groep respondenten (zie figuur 2) volgde les aan de hogeschool (8), gevolgd door de universiteit (5) en het middelbaar onderwijs (4), het lager onderwijs (4) en andere onderwijs instellingen (1 kleuter en 1 student aan een Centrum voor Volwassenenonderwijs).

Figuur 2: Antwoorden op de vraag “aan wat voor een onderwijsinstelling studeert/studeerde u in het huidige en/of vorige schooljaar (2019-2020 en 2020-2021)?”.

De meerderheid van de respondenten kregen vooral les vanop afstand (zie figuur 3). Drie respondenten kregen ongeveer evenveel contactonderwijs als afstandsonderwijs en twee respondenten volgden vooral contactonderwijs.

Figuur 3: Antwoorden op de vraag “volgde u sinds maart 2020 vooral online onderwijs of contactonderwijs (lessen op school/ de campus)?”.

In document Inclusie op afstand. Communicatieve ervaringen van dove leerlingen en studenten tijdens het afstandsonderwijs in de COVID-19-pandemie. (pagina 39-42)