• No results found

CULTUURHISTORISCHE CONTEXT

IV. Typering van het Nederlandse volkskarakter

Hoewel er in het begin van de negentiende eeuw op verschillende terreinen van het maat-schappelijk en economisch leven heel wat initiatieven werden getoond, hebben de liberalen van het midden van de negentiende eeuw zich toch in negatieve zin over hun ouders en groot-ouders uitgelaten door te spreken van hun “Jan-Saliegeest”183, waarvan de trekschuit als het symbool werd gezien184. Zij doelden hiermee op de Nederlandse natie, die in het bezit was van vele deugden of wat daarvoor kon doorgaan: ze was milddadig, huiselijk, godvruchtig, verdraagzaam, eenvoudig, vaderlandlievend, Oranjegezind. Bovendien was ze bekrompen, kleinburgerlijk, en bovenal niet of nauwelijks vatbaar voor kunst, schoonheid en geestdrift voor de hogere dingen van het leven185.

De Engelse dichter John Bowring (1792-1872), die in 1827-1828 een bezoek aan ons land heeft gebracht, sprak van “een land zonder hartstogtelijkheid”186. Hij kreeg tijdens zijn rondreis de indruk dat in Holland “iedere gedachte en ieder gevoelen” in bedwang schijnt te worden gehouden “door den karigen invloed van het klimaat of volkskarakter”187.

Jean Charles Isaac Secrétan188, Waals predikant in Den Haag, werd bij zijn aankomst in ons land getroffen door de Hollandse apathie van die dagen. Willem de Clercq schreef over Sécretan in zijn Dagboek dat deze Zwitser zeer verwonderd was over “de groote dorheid en flauwheid bij de menschen”189. Ook De Clercq zelf sprak in negatieve bewoordingen over de lethargische houding van de Nederlandse natie. In een beschouwing over de politieke situatie in 1834 luidt zijn oordeel: “In Noord-Nederland kan men een blad hooren vallen, (…). Alles is hier zoo doodsch mogelijk”190.

181

Zie voor een biografie: hoofdstuk 5, noot 24.

182

Zie voor een biografie: hoofdstuk 3, noot 35.

183

In de allegorie “Jan, Jannetje en hun jongste kind”, een opstel van E.J. Potgieter, is Jan Salie de jongste zoon. Jan Salie is de verpersoonlijking van de natie in verval: lamlendig en karakterloos (W.D―s., “Jan, Jannetje en hun jongste kind”, in: De Gids, januari 1842, 6e jg., deel II, “Mengelingen”, Amsterdam 1842, 22-46, 29). W.D―s. is het pseudoniem van de dichter en prozaschrijver Everhardus Johannes Potgieter (1808-1875). Zie: Jacob Smit, Leven en werken van E.J. Potgieter 1808-1876, 2e herz. dr., Leiden 1983; J.I. van Doorninck en A. de Kempenaer, Vermomde en naamlooze schrijvers opgespoord op het gebied der Nederlandsche en Vlaamsche

letteren, Amsterdam 1970, 649.

184 Cf. A. de Groot, “Sociocultureel en godsdienstig leven in de Noordelijke Nederlanden 1813-circa 1840”, in:

Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel XI, Weesp 1983, 84-106, 102.

185

Ibidem, 84-87.

186

John Bowring, Brieven, 189.

187

Ibidem, 189. Een goede tekening van het Nederlandse volkskarakter in het Nederland van de jaren twintig van

de negentiende eeuw treffen we aan in het dagboek van Jacob van Lennep (1802-1868), die met zijn vriend Dirk van Hogendorp (1797-1845) (zie voor biografieën respectievelijk hoofdstuk 4, noot 206 en noot 139) in de zo-mer van 1823 een voetreis door Nederland maakte. Zie: Jacob van Lennep, Nederland in den goeden ouden tijd

zijnde het dagboek van hunne reis te voet, per trekschuit en per diligence van Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp door de Noord-Nederlandsche provintiën in den jare 1823. Volgens het nagelaten

manu-script van Mr. Jacob van Lennep verzorgd door M. Elisabeth Kluit, Utrecht 1942.

188

De Zwitser Jean Charles Isaac Secrétan (1797-1875) werd in 1822 gouverneur bij een Amsterdamse patrici-sche familie. Van 1825 tot 1828 was hij predikant te Stockholm. Op 3 augustus 1828 werd hij bevestigd als pre-dikant van de Waalse Gemeente in Den Haag. Tevens trad hij op als hofprediker. Hij trok vele toehoorders en maakte met een kring geestverwanten deel uit van het Haagse Réveil. Na zijn emeritaat in 1861 heeft hij te Lau-sanne onder blinden en arme kinderen gewerkt.

189

A. Pierson en De Clercq’s jongste kleindochter, Willem de Clercq naar zijn dagboek, twee delen, Haarlem 1888, deel II, 96.

190

Afb. 7. John Bowring.

De Duitse oriëntalist en opwekkingstheoloog Friedrich August Gotttreu Tholuck191, die in het voorjaar van 1825 enige tijd in ons land verbleef, doet in een brief aan een vriend zijn beklag over het Nederlandse volkskarakter: “Ein Jahr hier, und ich wäre tot, rein tot! Denn je mehr ich mir langsame, schläfrige Leute gegenüber sehe, desto mehr verzehre ich mich in mir selber”192. Zijn conclusie was dat de Nederlanders “alle sluimerig und slape-rig”193 zijn.

In zijn analyse van de Nederlandse volksaard spreekt de jurist Jeronimo de Bosch Kemper194 van een nationaal karakter dat al vanouds gekenmerkt wordt door “bedaardheid van gemoedsgesteldheid”195. Deze eigenschap heeft volgens de auteur in het verleden “ontel-bare rampen”196 voorkomen. Hij voegt hieraan toe dat dit volkskarakter ook negatieve impli-caties heeft gehad, waar zij in “traagheid en onverschilligheid oversloeg, in de behandeling

191

Friedrich August Gotttreu Tholuck (1799-1877) was hoogleraar te Halle en heeft als opwekkingstheoloog vele studenten beïnvloed. Tholuck bedreef zending onder de Joden als vertegenwoordiger van de London So-ciety for promoting Christianity Amongst the Jews.

192

Leopold Witte, Das Leben D. Friedrich August Gotttreu Tholuck’s, Erster Band 1799-1826, Bielefeld/Leipzig 1884, 387.

193

Ibidem, 387.

194

Jeronimo de Bosch Kemper (1808-1876) was advocaat in Den Haag. In 1834 werd hij substituut-officier van justitie te Amsterdam. In 1841 volgde een benoeming tot advocaat-generaal bij het Hof van Noord-Holland. Een benoeming tot hoogleraar aan het Athenaeum te Amsterdam volgde in 1852. Ter verheffing van het volk gaf hij het Volksblad uit. Van zijn hand verscheen een reeks van geschriften.

195

(J. de Bosch Kemper), De staatkundige Partijen in Noord-Nederland, geschetst in een historisch Overzigt van

deszelfs binnenlandsche Staatsgesteldheid van het Einde der grafelijke Regering tot op het Jaar 1813,

Am-sterdam 1837, 13 (De Staatkundige Partijen in Noord-Nederland). De anonimiteit van dit geschrift bleef tot 1842 vrijwel bewaard. Cf. H.Th. Ambagtsheer, Jhr. Mr. Jeronimo de Bosch Kemper. Behoudend

maatschappij-hervormer, Amsterdam 1959, 23.

196

van openbare zaken, die het algemeen belang betroffen, en de gewigtigste zaken deed ver-waarloozen”197.

In het staatkundige blad De Standaard van 18 september 1830 worden in een redac-tioneel artikel bij een terugblik op de jaren 1813-1830 de “hoofdtrekken van den volksgeest, zoowel in het Zuiden (…) als in het Noorden des rijks” als volgt omschreven: “Tevredenheid toch in den aanvang, met de nieuwe orde van zaken, welke niets scheen te voorspellen, dan eene rust en kalmte, waarnaar men gedurende eenen zoo geruimen tijd verlangd had; ingeno-menheid met eene vrijheid, die in tegenoverstelling van het afgeworpen juk der dwingelandij, ieders gemoed met een zeker gevoel van dankbaarheid vervulde; geneigdheid bij de meesten, om allereerst tot herstel van hunnen eigen verachterden toestand handen aan het werk te slaan, en zekere daaruit voortgevloeide laauwheid en onverschilligheid, jegens algemeene en open-bare belangen, welke vrij algemeen, door de behartiging van eigene bijzondere belangen, wierden verdrongen”198. De auteur beschrijft hoe in de loop van deze periode door sommigen aan de volksgeest meer leven werd gegeven en hoe dit vooral in het Zuiden, maar ook in het Noorden tot een krachtige oppositie op politiek en staatkundig gebied heeft geleid199.

Twee jaar later typeert een anonymus in De Standaard Nederland als een land, waar alles “rustig, vreedzaam en levenloos” is en waar alles en iedereen “van levenskracht schijnt beroofd”200. De oorzaak van deze lethargische houding is volgens de auteur niet gelegen in de toegenomen voorspoed en welvaart en een daaruit voortvloeiende tevredenheid; het zijn de afgelopen jaren van oorlogsdreiging geweest, die tot een “volslagen laauwheid en onverschil-ligheid”201 hebben geleid.

De Amsterdamse hoogleraar Joannes Pieter van Cappelle202 kan zijn ergernis niet be-dwingen, telkens als hij hoort dat de Nederlander “een koud wezen” genoemd wordt, “ge-neigd tot rust, traag, ongevoelig voor edele prikkelingen, en uit dien hoofde onvatbaar voor hetgeen groot en verheven”203 is. Toch kan Van Cappelle niet anders dan concluderen dat “het levend geslacht”, wat betreft “zelfstandigheid en volksgevoel taant bij den helderen gloed der vaderen”204.

Volgens Nicolaas Godfried van Kampen205, die als letterkundige en historicus de Ne-derlandse volksaard vergeleek met de Duitse, is bij de Nederlanders een “zeker streven naar het zakelijke, het reéle en substantiéle niet te miskennen”206. Bij onze oosterburen, zo heeft

197

Ibidem, 13.

198

De Standaard. Staatkundig Blad, 18 september 1830, No. 1, ’s-Gravenhage 1830, 1-4, 1. Het artikel, dat het

voorwoord van de redactie is in het eerste nummer van dit tijdschrift, is anoniem en heeft geen titel. Zie voor een typering van dit tijdschrift Bijlage I.

199 Als voorbeeld van een opwekkende kracht in het Noorden wordt Isaac da Costa genoemd, die zich met zijn

Bezwaren tegen den Geest der Eeuw heeft afgezet “tegen alles wat naar grondwets- en vrijheids-gezindheid

zweefde” (Ibidem, 2). Zie hoofdstuk 5.

200

De Standaard, 9 september 1832, 150. Het artikel is anoniem en heeft geen titel.

201

Ibidem, 150.

202 Joannes Pieter van Cappelle (1783-1829) was van oorsprong wis- en natuurkundige, maar werd in 1815 be-noemd tot hoogleraar in het Nederlands, waarmee Bilderdijk werd gepasseerd. In 1819 werd Van Cappelle hoog-leraar in de geschiedenis.

203

J.P. van Cappelle, “Over het volkskarakter der Noord-Nederlanders”, in: J.P. van Cappelle, Nagelatene

Bij-dragen tot Natuurkunde en Geschiedenis. Uitgegeven door D.J. van Lennep, Haarlem 1831, 93-120, 94.

204

Ibidem, 95.

205

Nicolaas Godfried van Kampen (1776-1839) was boekhandelaar en is als gematigd liberaal en verlicht te kwalificeren. Deze autodidact was sinds 1815 lector in de Duitse taal aan de universiteit van Leiden en sinds 1823 leraar geschiedenis en letterkunde aan het instituut Noorthey. In 1829 volgde een benoeming tot hoogleraar in de Nederlandse letterkunde en de vaderlandse geschiedenis aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam. Van Kampen heeft veel geschreven op allerlei gebied en veel vertaald. Zie voor Van Kampen hoofdstuk 5, de para-grafen III.2 en VII.5.a; Bijlage IV.

206 N.G. van Kampen, “Over de bijzondere geaardheid der Nederlanders en Duitschers, ook blijkbaar in derzel-ver taal, kunsten en letteren”, in: Vaderlandsche Letteroefeningen, 1835, 2e stuk, “Mengelwerk”, 53-66, 55.

Van Kampen vernomen, leidt deze karakteristiek tot de spotternij, “dat het eenvoudige men-schenverstand (…) der Nederlanders te grof is, om al het fijne en scherpzinnige van hunnen (…) wijsheidsgeest te doorgronden”207. Op de vraag of deze bewering in overeenstemming is met de werkelijkheid gaat Van Kampen nauwelijks in. Hij stelt alleen vast dat het Duitse volkskarakter meer gericht is op het “denkbeeldige” en het Nederlandse meer op het “zakelij-ke”208. Dit verschil ziet de auteur vooral tot uiting komen in enerzijds de grootsheid van “de geheele Duitsche natie, als toonkunstenaar” en anderzijds in een begaafdheid voor de schil-derkunst bij opmerkelijk veel Nederlanders 209.

Met het algemene volkskarakter zoals dat uit de contemporaine bronnen naar voren komt, is de geest die destijds in het onderwijs en in de opvoeding van de jeugd heerste in overeenstemming. Deze mentaliteit wordt treffend weergegeven door het schoolleesboekje De

brave Hendrik (1810) van de hand van Nicolaas Anslijn210. Dit boekje, door Nicolaas Beets (1814-1903) getypeerd als een “kleine kinderbijbel”211, was gedurende vele tientallen jaren, samen met de vrouwelijke pendant: De brave Maria (1811), buitengewoon populair. De men-sen hielden deze moraliserende leesboekjes voor pedagogische meesterstukken212. In het slot-versje van De brave Hendrik komen de verlichte opvoedingsidealen, volgens welke het kind gevormd moet worden tot een deugdzaam en godvruchtig mens, nadrukkelijk naar voren:

Een deugdzaam kind Ziet zich bemind

Bij alle brave menschen;

Wie zou daar niet naar wenschen! Maar grooter loon

En eerekroon

Kan hij bij God verwachten; Wie zou daar niet naar trachten!213

Het lauwe conservatisme dat in de eerste decennia van de negentiende eeuw heerste in de toonaangevende kringen in ons land, was als erfenis van de achttiende eeuw door de erva-ringen van de Franse Tijd nog versterkt. Men probeerde scherpe tegenstellingen op politiek en kerkelijk gebied weg te werken of te verdoezelen. Men streefde naar eenheid en verbroede-ring zonder een diepere grond. Johannes van der Linden van Spranckhuysen (1766-1855), vrijzinnig hervormd predikant te Kantens, betreurde het dat de Nederlanders die elkaar in een sfeer van godsdienstige verdraagzaamheid weliswaar “gaarne als broeders omhelzen”,

207 Ibidem, 55. 208 Ibidem, 56. 209Ibidem, 56. 210

Nicolaas Anslijn Nz. (1777-1838) was vanaf 1804 onderwijzer aan een stadsarmenschool te Amsterdam. In 1807 werd hij hoofdonderwijzer van een armenschool in Haarlem. Van zijn hand verschenen behalve moralisti-sche kinderboeken ook school- en leerboeken.

211

Nicolaas Beets, “Nicolaas Anslijn Nz.. Een woord aan allen die “De brave Hendrik” gelezen hebben”, in: Ni-colaas Beets, Sparsa. Verzameling van verstrooide opstellen en kleine geschriften, Amsterdam 1882, 13-26, 13. (Ook afzonderlijk verschenen: Haarlem 1838). In 1846 heeft Beets zijn mening over het leesboekje genuanceerd. Zie: Nicolaas Beets, “Verklaring”, in: Nijmeegsch schoolblad voor het christelijk onderwijs, Nijmegen 1846, 2e

jg., nr. 7, 59-60. Cf. Anca van der Sluys en Peter van Zonneveld, “Inleiding”, in: Nicolaas Anslijn Nz., De brave

Hendrik gevolgd door De brave Maria. Leesboekjes voor jonge kinderen. Ingeleid en toegelicht door Anca van

der Sluys en Peter van Zonneveld, s.l., s.a., 12-13.

212

Cf. A.M. Brouwer, “De oorsprong van het Réveil in Nederland”, in: Stemmen voor waarheid en vrede, 1912, jg. 49, 19-23.

213

naast verweten kunnen worden dat zij de warme “Godsdienstijver” van weleer tot “laauwe onverschilligheid en koelheid”214 hebben laten verworden.

Een andere geest dan die in de toenmalige toonaangevende kringen dominant was, leefde onder de bredere volksmassa. In een romantisch omzien achtte zij de waarde van het verleden in vele opzichten hoger dan die van de contemporaine situatie. Hoewel er ook onder deze mensen godsdienstige lijdelijkheid en geestelijke inactiviteit215 voorkwamen, ontstond onder hen toch een toenemende verontrusting over de gevolgen van de doorwerkende Ver-lichting. Men kreeg een groeiende afkeer van de Neologie, zoals het geheel van de verlichte theologische denkbeelden wel genoemd werd. De neologen leerden dat de zin van de religie gelegen is in haar praktische, ethische toepasbaarheid tot verbetering van de mens en zijn wereld216. De verkondiging van deze optimistische mens- en wereldbeschouwing had ten ge-volge dat een deel van die verontruste mensen zich uit de kerk terugtrok in gezelschappen of conventikels, omdat zij onder de prediking in de officiële kerkdiensten geen brood voor het hart ontving. Zoals we in een ander verband al hebben gesteld, moeten we dit verschijnsel enerzijds duiden als een protest tegen de tijdgeest en anderzijds als een allereerste begin van een geestelijke ontwaking217.