In het hoofd van art. io8, 5e lid n°. 1, zijn de personen, tegen wie de vorderingen voor den residentierechter worden ingesteld, beperkt tot hen, die woonplaats, gekozen woon-plaats of werkelijke verblijfwoon-plaats hebben op Java en Madura.

Deze beperking schijnt noodig in een geding, dat de per-soonlijke verschijning van partijen veronderstelt, en zich ook overigens met het oog op eene spoedige, eenvoudige en min-kostbare afdoening en op de eigenaardige wijze van procedeeren aan te bevelen. Bij het Inlandsch Regle-ment, dat bij het regeeringsvoorstel op de rechtspleging voor den residentierechter wordt toegepast, is de quaestie dan ook feitelijk in den geest van het hier voorgestelde uitgemaakt. Dat reglement toch geeft geene andere gelegen-heid tot indiening der vordering dan aan den president van den landraad der woonplaats, der gekozen woonplaats of der werkelijke verblijfplaats van den gedaagde. Vrage echter wat, bij toepassing van dat Reglement op de

rechts-pleging voor den residentierechter, moet geschieden met vorderingen tot en met f 500.— tegen gedaagden, die geene bekende woonplaats of verblijfplaats op Java en Madura hebben ? Volgens de rechterlijke organisatie zullen ook die vorderingen tot de competentie van den residentie-rechter behooren, maar de burgerlijke rechtsvordering zal geene gelegenheid geven ze bij hem aan te brengen.

Het schijnt dus duidelijk, dat, zoo men de beperking wil, zij in de rechterlijke organisatie zelve zal moeten worden aangebracht.

De vorderingen tegen personen, die geen woonplaats, gekozen woonplaats, of werkelijke verblijfplaats op 'Java en Madura hebben, blijven dan op de gewone wijze be-handeld voor de raden van justitie.

Ten aanzien van den gedaagde in reconventie levert de beperking geen bezwaar op daar deze steeds woonplaats of gekozen woonplaats op Java en Madura zal hebben, indien art. 791 van Bijlage III, dat ook om andere redenen wenschelijk wordt geacht, in het Reglement op de burger-lijke rechtsvordering wordt opgenomen.

Overigens vereischt het hoofd van art. 108, 5e lid n°. 1 geen toelichting dan alleen in zooverre, dat aan de ruimere redactie van „vrijwillige onderwerping", ook voorkomende in art. 75 Regeerings-Reglement, art. 11 Algemeene Bepa-lingen en art. 7 Rechterlijke Organisatie de voorkeur wordt gegeven boven de beperkte redactie van het Regeerings-ontwerp, ontleend aan art. 124 Rechterlijke Organisatie sub 2, en zulks met het oog op eventueele uitbreiding van de regeling der vrijwillige onderwerping in den geest van algemeene onderwerping aan de Europeesche bur-gerlijke en handelswetgeving (vgl. art. 15 Ov., welk artikel door het Koninklijk Besluit omtrent de gemengde huwelijken (Ind. Stbl. 1898 n°. 158) is ingetrokken).

ad a. De redactie der hiergenoemde vorderingen is hoofdzakelijk ontleend aan de wet van 1861 (Stbl. n°. 49), welke, door zeer bekwame handen ontworpen, om redenen, buiten het hier behandelde ontwerp gelegen, nimmer in werking is getreden.

eene bepaalde waarde als duidelijke tegenstelling tegenover vorderingen van eene onbepaalde waarde, welke, voor-zooveel zij niet afzonderlijk worden genoemd, niet tot de competentie van den residentierechter behooren.

Dat „bepaalde waarde" en „geldsom" niet synoniem zijn, volgt reeds uit de gebezigde uitdrukking zelve en uit a 3, waarbij van „opeisching van roerende zaken"

sprake is. Hoe daarvan de waarde bepaald wordt, moet bij de rechtsvordering worden geregeld.

ad b. Het komt doelmatig voor deze rechtsvorderingen, die meer van feitelijken dan juridischen aard zijn en uiter-aard plaatselijke berechting, althans in eersten aanleg, vereischen, uitdrukkelijk en voor ieder bedrag voor den residentierechter, evenals in Nederland (art. 39 Rechter-lijke Organisatie) voor den kantonrechter te brengen.

/ O

Hierbij valt nog op te merken, dat de wet van 1861, in art. 45, n°. 1 deed vervallen en als n°. 3 in de plaats stelde de vordering thans omschreven bij art. 40 Nederl.

Rechterl. Organisatie.

De reden, waarom dit voorbeeld niet is gevolgd, ligt hierin, dat de vordering sub 1 voor plaatselijke berechting in eersten aanleg tot elk bedrag voor Indie' zeer schijnt aan te bevelen.

Daarentegen kwam het voor Indie niet wenschelijk voor de vordering van art. 40 Nederl. Rechterl. Organisatie die reeds tot een bedrag van ƒ 500 onder litt, a valt, tot een ongelimiteerd bedrag uit te breiden.

ad b2. vgl. art. 39 sub 2 Nederl. Rechterl. Organisatie juncto art. 98 sub 3 Nederl. Burgerl. Rechtsvordering, waar

de verhuurde goederen worden gespecificeerd.

Art. 45 sub 1 der wet van 1861 spreekt van „herstel aan verhuurde onroerende goederen". Die algemeene uit-drukking is overgenomen. Wenschelijk komt het voor naast de vordering tot herstel ook die tot vergoeding van schade te noemen, bedoeld bij de artt. 1564 en 1566 van het Burgerl. Wetboek (artt. 1600 en 1602 Nederl. Burgerl.

Wetboek).

ad c. Deze bepaling is ontleend aan art. 54 Nederl.

Rechterl. Organisatie, alwaar de hier genoemde rechtsvor-deringen aan de arrondissementsrechtbanken zijn opgedra-gen, die daarvan in het hoogste ressort kennis nemen. Zij omvat aldaar echter ook de rechtsvorderingen wegens bezitrecht, waarvan de met name genoemde gevallen slechts als voorbeeld zijn te beschouwen. Bij art. 47 sub 2 der wet van 1861, dat de vorderingen wegens bezitrecht over-brengt bij den kantonrechter, wordt dan ook de vermelding der met name genoemde gevallen weggelaten.

Gelijke bevoegdheid als de wet van 1861 aan den kan-tonrechter geeft ook aan den residentierechter toe te kennen, wordt met het oog op Indische toestanden niet raadzaam geoordeeld. Zij zou voor een klein deel te ver gaan en voor een groot deel niet toepasselijk blijken te zijn.

Voor een klein deel te ver gaan. Bij Europeeschen eigendom van onroerend goed en vooral bij de particuliere landerijen kunnen bezitacties tot belangrijke en moeilijke quaesties aanleiding geven, die beter aan den raad van justitie ter berechting worden overgelaten.

Voor een groot deel niet van toepassing. De grond op Java en Madura is slechts voor een betrekkelijk klein deel in eigendom uitgegeven, en wordt, voorzooveel dit niet geschied is, als domein van den staat beschouwd (Ind. Stbl. 1870 n°. 118 H. 1 art. 1), behoudens de daarop uitgeoefende inlandsche gebruiksrechten, waarover eener-zijds niet door den staat kan worden beschikt dan ten algemeenen nutte (eodem sub 30), anderzijds niet door den inlander mag worden beschikt ten behoeve van niet-inlan-ders (Ind. Stbl. 1875 n°. 179).

Datzelfde verbod van beschikking ten behoeve van

niet-inlanders geldt ook voorzooveel bedoelde gronden door den staat aan inlanders in zoogenaamden agrarischen eigen-dom zijn afgestaan (Ind. Stbl. 1872 n°. 117, art. 19).

Van bezitrecht op die gronden, als gevolg van feitelijk-heden door Europeanen gepleegd, schijnt onder die omstan-digheden geen sprake te kunnen zijn (vergel. ook art. 554 Burgerl. Wetboek).

Rechtsvorderingen wegens bezitrecht treffen dus voor een groot deel van den Indischen bodem geen doel.

Daarentegen kan van art. 54 Nederl. Rechterl. Organi-satie, losgemaakt van de rechtsvorderingen wegens be-zitrecht, voor Indië nuttig gebruik worden gemaakt.

Het moet toch zeer wenschelijk geacht worden den inlandschen grondbezitter in de gelegenheid te stellen, de aldaar met name genoemde feitelijkheden, wanneer zij te zijnen nadeele worden gepleegd, voor den plaatselijken rechter te brengen.

In deze littera is getracht die bedoeling te formuleeren.

Worden de feitelijkheden op of ten nadeele van krach-tens Europeesch recht bezeten gronden gepleegd, dan blijven zij in eersten aanleg voor de raden van justitie.

ad d. De sub 1 en 2 omschreven vorderingen zijn ont-leend aan artt. 41 en 42 Nederl. Rechterl. Organisatie en worden ook in de wet van 1861 teruggevonden onder artt.

46 en 47 sub 1.

De cijfers ƒ 600.— in de beide rubrieken voorkomende, zijn berekend op een huurprijs van / 5 0 . — 's maands, die in Indië tot de matige huurprijzen behoort.

Wijders wordt nog opgemerkt op:

dl. Indien de waarde der huur, waarover het schrif-telijk bewijs loopt, berekend over den nog te verloopen huurtijd, geen f 600.— overschrijdt, schijnt er geene aan-leiding te bestaan, om de kennisneming van het geschil aan den residentierechter te onttrekken.

De woorden aan het slot van art. 47 der wet van 1861 : aanleiding gevende tot een geschil over eene waarde van meer dan f 300.— hebben dezelfde bedoeling, doch slaan daar tevens op bezitacties. Waar deze niet worden overgenomen, schijnen de in d 1 gebezigde woorden de bedoeling duidelijker te preciseeren.

ad d 2. De redactie voor de berekening van de waarde van den huurprijs is ontleend aan art. 46 der wet van 1861.

ad e, f en g. Deze bepalingen zijn nagenoeg geheel ontleend aan de artt. 48, 49 en 50 van de wet van 1861.

Het tweede lid van art. 50 dier wet is niet overgenomen, omdat den rechter daarbij de keuze wordt gelaten tusschen twee alternatieven, en het eerste alternatief, dat bij gebreke van het tweede lid van zelf moet worden toegepast, voor Indië de voorkeur schijnt te verdienen.

ad h. Zie § 6 Algemeene Beschouwingen op Bijlage III.

De formule is ontleend aan art. 442, eerste lid Burgerl.

Rechtsvord.

72

De bevoegdheid toegekend bij art. 43 NederJandsche Rechterlijke Organisatie en art. 52 der wet van 1861, is niet overgenomen. Zij wordt niet vrij van bedenking geacht in geschillen, waarbij inlanders of met dezen gelijk-gestelde partijen betrokken zijn. Dading of compromis blijft ook hun vrijstaan, maar biedt minder gelegenheid tot overrompeling.

Art. 109 Rechterlijke Organisatie. Voor het hooger beroep zijn, mutatis mutandis, in dit artikel de regelen samengevat, die in de wet van 1861 bij de verschillende artikelen afzonderlijk zijn gesteld, met enkele afwijkingen.

i°. sub a = art. 42, Ie lid en art. 44, met dit onder-scheid, dat uit art. 44 niet is overgenomen de maximum-grens van den betwisten rechtstitel ad ƒ 300 ( = ƒ 500 voor den residentierechter). De reden waarom van die maximum-grens aldaar . melding wordt gemaakt, schijnt deze te zijn dat boven die grens de kantonrechter onbe-voegd is om van die vordering kennis te nemen. Hoe dan echter indien hij er toch van kennis neemt ? Het hooger beroep zal dan niet zijn toegekend. Waar het ook overigens geheel voldoende schijnt het bedrag te bepalen, waarop de appellabiliteit begint, schijnt er geen bezwaar te bestaan om die maximum-grens weg te laten.

Daarentegen is duidelijk uitgedrukt, dat, ook wanneer de vordering minder bedraagt dan ƒ 75, het appèl toch is toegelaten, indien de betwiste rechtstitel dat bedrag te boven gaat. Bij de afzonderlijke regeling van het appèl sub 1 van art. 109 zou hieromtrent allicht twijfel kunnen ontstaan, die bij de redactie der wet van 1861 is uit-gesloten.

ad 2 sub c, e, f en h. Het schijnt wenschelijk deze vonnissen, waarvan de waardebepaling tot moeilijkheden kan leiden, steeds appellabel te maken.

ad 3 sub d 1 = art. 47, behoudens wijziging van het cijfer 75 in 120, gelijkstaande met eene huurwaarde van ƒ 10.— 's maands berekend over een jaar.

ad 4 sub d 2 = art. 46, behoudens wijziging van ƒ 7 5 in 120 als voren, en in beide gevallen weglating van een maximum-huurprijs om de reden boven bij i°. sub a aangevoerd.

ad S sub g •= art. 51, 2," en 3e lid.

Het eerste lid schijnt bij de hier gevolgde redactie overbodig.

Ten slotte wordt opgemerkt, dat bij regeling van de bevoegdheid der residentierechters en van het appèl hunner vonnissen in vorenstaanden geest, het doelmatig toeschijnt deze materie af te scheiden van de gelijksoortige materie in overtredingszaken, door indeeling in afzonderlijke artikelen.

Het opschrift van het Reglement op de Burgerlijke Rechtsvordering enz. wordt gelezen als volgt :

„Reglement op de burgerlijke rechtsvordering voor de raden van justitie op Java en het hoog gerechtshof van Neder landsch-Indic, alsmede voor de residentiegerechten op Java en Madura."

Het opschrift van den zevenden titel van het eerste boek van dat Reglement wordt gelezen :

„Van het rechtsgeding in hooger beroep in zaken, be-handeld bij de inlandsche rechtbanken."

Het opschrift van den zesden titel van het derde boek van dat Reglement wordt gelezen :

„Van de behandeling der zaken, die tot de bevoegdheid van de residentiegerechten bchooren, alsmede van eenige bijzondere rechtsplegingen."

De eerste afdeeling van dien titel wordt gelezen als volgt :

E E R S T E AFDEELING.

Van de behandeling der zaken, die tot de bevoegdheid van de residentiegerechten behooren.

E E R S T E ONDERAFDEELING.

Van het rechtsgeding voor de residentiegerechten.

788. De bepalingen van den eersten, tweeden, derden en tienden titel van het eerste boek, van den vierden titel, eerste, tweede, vierde en vijfde afdeeling, en van den zesden titel, derde, vierde, negende, tiende, twaalfde en dertiende afdeeling van het derde boek worden, voor zoo-veel zij vereenigbaar zijn met de bijzondere voorschriften van deze onderafdeeling, van toepassing verklaard op het rechtsgeding bij de residentiegerechten.

789. Elke rechtsingang voor het residentiegerecht, waar-omtrent bij deze onderafdeeling geene uitzondering is ge-maakt, vangt aan met een verzoekschrift, door den eischer of diens, overeenkomstig het bepaalde bij art. 791, 3e lid, daartoe gemachtigde, onderteekend, ingediend aan den bevoegden residentierechter, die daarmede handelt, als bij deze onderafdeeling is bepaald.

Wanneer de eischer niet kan schrijven noch zijn naam teekenen, kan hij zijne vordering mondeling voordragen aan den residentierechter, die daarvan aanteekening houdt

10

( "

7 4

of doet houden. Deze bevoegdheid tot mondelinge voor-dracht geldt niet voor den gemachtigde.

Incidenteele vorderingen, tusschenkomst en vorderingen worden ten dage dienende schriftelijk of mondeling ter

terechtzitting aangebracht.

789«. De vorderingen, bedoeld bij art. 108, 5 e lid sub 1 van het Reglement op de Rechterlijke Organisatie (zie art. y v a n het ontwerp = art. 1ï6e van het schema bijlage I) worden ingediend als volgt:

die onder de letters b\ en 2, c en d-a&n den residentie-rechter der plaats, waar het goed gelegen is;

die onder de letters ƒ, g, en Ji aan den residentierechter bij het Reglement op de burgerlijke rechtsvordering tot de kennisneming van het geschil aangewezen;

alle overige, aan den residentierechter van de woonplaats van den gedaagde; indien er meerdere gedaagden zijn, aan dien der woonplaats van een hunner, ter keuze van den eischer ;

indien de gedaagde geen bekende woonplaats heeft op Java en Madura, aan den residentierechter van zijne wer-kelijke verblijfplaats aldaar ;

indien bij schriftelijke akte woonplaats is gekozen, aan den residentierechter der werkelijke of gekozen woonplaats, ter keuze van den eischer.

789A Het verzoekschrift of de volgens het voorlaatste lid van art. 789 te houden aanteekening moet inhouden :

i°. de namen en woonplaatsen van den eischer en van den gedaagde, alsmede, indien het verzoek door een ge-machtigde wordt gedaan, van den gege-machtigde ;

2°. eene aanduiding van het onderwerp der vordering en van datgene wat gevorderd wordt.

Indien de vordering strekt tot opeisching van roerende zaken, zonder voorafgaand revindicatoir beslag, zal het verzoekschrift of de daarvan te houden aanteekening nog moeten behelzen eene schatting van de waarde dier zaken, met betaling van welk bedrag, dat de som van ƒ 500 niet mag te boven gaan, vermeerderd met de daarop te vallen wettelijke renten, de gedaagde zal kunnen volstaan.

De akte van volmacht moet bij het verzoekschrift, indien dit door een gemachtigde wordt ingediend, worden overgelegd.

789c. Verzoekschriften, welke niet aan de bij het vorige artikel gestelde eischen voldoen of bij eenen anderen resi-dentierechter hadden moeten zijn ingediend, worden dooi-den residooi-dentierechter, bij gemotiveerde en gedagteekende beschikking, onverwijld aan den eischer of diens gemach-tigde teruggegeven of per aangeteekenden brief teruggezon-den en niet ingeschreven in het register bij het volgende artikel bedoeld.

789^. Nadat de ingediende vordering of de daarvan gemaakte aanteekening door den griffier in het bij art.

79oe genoemde register is ingeschreven, bepaalt de resi-dcntierechter den dag en het uur, waarop de zaak voor het residentiegerecht zal dienen en doet hij partijen op-roepen ten einde alsdan te verschijnen, vergezeld van de getuigen, die zij wenschen te doen hooren en met mede-brenging van de schriftelijke bewijsstukken, waarvan zij zich willen bedienen.

Bij de oproeping van den verweerder wordt hem tevens een afschrift der vordering uitgereikt met aanzegging om daarop vóór of op den rechtsdag te antwoorden.

Van de in het ie lid van dit art. bedoelde beschik-king wordt aanteekening gehouden in het daar vermelde register, alsmede op de minuut der vordering.

789,?. Rij de bepaling van den rechtsdag, wordt door den residentierechter rekening gehouden met den afstand tusschen de woon- of verblijfplaats van partijen en de plaats waar het residentiegerecht zitting houdt, en mag, behalve in spoedeischende gevallen, bij de beschikking als zoodanig te vermelden, cle tijd, welke tusschen de oproe-ping van partijen en den rechtsdag verloopen moet, op niet minder dan drie vrije dagen worden gesteld.

/•So,/. Alle oproepingen, aanzeggingen, beteekeningen en in het algemeen alle exploiten, welke voor den geregelden gang der zaak noodig zijn, geschieden door tusschenkomst en op last van den residentierechter door een tot het doen van exploiten bevoegden persoon.

Geene oproepingen, aanzeggingen, of beteekeningen be-hoeven te geschieden aan hen, die blijkens het proces-verbaal der zitting, waarop de desbetreffende uitspraken of beschikkingen genomen zijn, in persoon of bij gemach-tigde tegenwoordig waren.

790. De deurwaarders bij de Europeesche rechtbanken zijn bevoegd tot het doen der bij de rechtspleging voor het residentiegerecht gevorderde exploiten, die tot ten-uitvoerlegging van vonnissen daaronder begrepen.

Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van een deurwaar-der, alsmede wanneer de plaats, waar het exploit binnen het rechtsgebied van den residentierechter moet worden gedaan, meer clan tien palen van de naastbijzijnde woon-plaats van een deurwaarder is verwijderd, kan door den residentierechter of te diens verzoeke, door het hoofd van het plaatselijk bestuur, een geschikt en vertrouwd persoon tot het doen der vcreischte exploiten worden aangewezen.

79CW. Wanneer een exploit, een getuigenverhoor of andere rechtshandeling moet geschieden buiten het rechtsgebied van den residentierechter, die van de zaak kennis neemt, roept hij daartoe de tusschenkomst in van den residentie-rechter, binnen wiens rechtsgebied de handeling moet ver-richt worden.

Deze geeft aan die opdracht gevolg en stelt den rechter van wien de opdracht uitging onverwijld met het verrichten of met zijne bevindingen in kennis.

76

790b. Van het gedaan exploit wordt schriftelijk relaas opgemaakt, waarvan afschrift aan den beteekende in persoon of te zijner woonplaats wordt uitgereikt en het origineel aan den residentierechter ter hand gesteld of door tusschen-komst van het hoofd van het plaatselijk bestuur toege-zonden wordt.

Indien echter de gedaagde, nadat de oproeping, in art.

789 d bedoeld, aan hem is beteekend, ophoudt woonplaats of werkelijke verblijfplaats op Java en Madura te hebben, zonder aldaar voor de verdere behandeling der zaak woon-plaats te hebben gekozen, zullen alle verdere voor hem bestemde exploiten, die betreffende de tenuitvoerlegging van het vonnis daaronder begrepen, worden aangeplakt aan de hoofddeur van het gebouw, waar het residentiegerecht zitting houdt, en zal een tweede afschrift worden beteekend aan het hoofd van het plaatselijk bestuur der bovenge-noemde woon- of verblijfplaats, die het, zoo mogelijk, aan den gedaagde zal doen toekomen.

790^. Alle beteekeningen van vonnissen en beschikkingen worden vervangen door aanzeggingen.

Vonnissen en beschikkingen, welke strekken om de be-handeling der zaak te regelen of, waarbij de residentie-rechter, alvorens op de hoofdzaak recht te doen, het leveren van een bewijs of een plaatselijk of ander onderzoek beveelt, worden niet afzonderlijk opgemaakt, maar alleen op het proces-verbaal der zitting aangeteekend.

Partijen kunnen van zoodanige aanteekeningen inzage en op hare kosten authentieke afschriften bekomen.

Het vonnis, waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart, wordt onder de eindvonnissen gerekend.

ygod. De griffier maakt van elke zaak een afzonderlijk proces-verbaal op, waarin de dag, de maand en het jaar der terechtzitting, de namen van partijen en van hare gemachtigden of raadslieden, alsmede het volgnummer der zaak in het bij het volgend artikel bedoelde register worden bekend gesteld.

In dat proces-verbaal wordt, behoudens het bepaalde bij de artt. 792 £ en 792c, laatste lid, al het ter

In dat proces-verbaal wordt, behoudens het bepaalde bij de artt. 792 £ en 792c, laatste lid, al het ter

In document OPHEFFING VAN DE RECHTBANKEN VAN OMGANG EN NIEUWE REGELING VAN DE RESIDENTIEGERECHTEN OP JAVA EN MADURA. (pagina 76-99)