slecht gesteld zou zijn , zoo niet de kroon alleen regeert,

In document 'BIBLIOTHEEK KITLV, (pagina 31-47)

(J) Bijdragen ». d. kennis der P/ederl. en Fr. Kol. 1847. Af. 2.

1)!. 124.

en op dien «rond de vertegenwoordiging van aile iinnen-ging in de oostersche zaken geweerd wil hebben? Of is het autocratisch stelsel tot nog toe wel krachtig genoeg geweest om miilioenen uit de koloniën , maar te zwak om den zegen eener goede wetgeving daar in te voeren?

Genoeg echter van die hinderpalen. W e l k e zij waren, door hen werd verbetering geweerd. Alleen teekenen wij

het feit aan, tegen hen die beweren, dal men vooral ooster-sche menooster-schen voor de oosterooster-sche zaken hebben moet!

Het gevolg der onvoldaan gebleven hoop , was welligt hel in 1839 geschreven opstel van hen heer MYEB , waarvan wij boven gewaagden, en waarin de b e k l a g e -lijke regtstoestand van Indië voor het oog van iedereen werd blootgelegd, en waarschijnlijk d a t , toen in 1839 de heer SCHÖLTEN VAN OÜD-HAARLEM wegens zijne ver-achterde gezondheid naar het moederland l e r u g k e e r d e , de g o u v e r n e u r - g e n e r a a l bij een schrijven van 18 J a n u a r y

1839 herwaarts een voorstel deed , om zijnen tijdelijken t e r u g k e e r door het onverwijld doen ontwerpen eener zoo noodige regterlijke organisatie van Indië nuttig te doen zijn , ten einde deze zou k u n n e n leiden lot de invoering-van de daartoe te wijzigen nieuwe uederlandsche wet-boeken. Er kwam hier alzoo een man , die door zijne betrekking in slaat was geweest de geheele regtsbedee-ling te overzien , daardoor ten volle doordrongen der dringende noodzakelijkheid van v e r b e t e r i n g , die reeds blijken zijner overtuiging had gegeven , door in Indië zelf, dadelijk na zijne komst en kennisneming der zaken, handen aan het werk te slaan. Mag men niet veilig a a n n e m e n , dat het voorstel van den gouverneur-generaal door hem zal zijn uitgelokt , het voldoen daaraan door hem bevorderd? Moet hem dus niet een voornaam deel worden toegeschreven in de verbetering der w e t g e v i n g , die nu eindelijk Indië is te beurt gevallen?

— 29 —

Zion wij nu wat die nieuwe wetgeving onmiddellijk is voorafgegaan, naar welk plan men bij hare za m ens lelling gewerkt heeft , en wat , betreffende hare invoering , reeds is g e d a a n , t e n e i n d e dan lot het overzigt der wetgeving zelve te kunnen overgaan.

I. Kort na de t e r u g k o m s t van den h e e r SCHÖLTEN VAIS O U D - H A A R L E M , namelijk bij kon. besl. van 15 Augustus 1839, werd hij aan het hoofd eerier commissie gesteld , om naar aanleiding van het gedane voorstel de weige-r i n g vooweige-r Indië te beweweige-rken ( 1 ) . Deze weige-raadpleegde bij haren arbeid h o o f d a m b t e n a r e n , die zich lijdelijk hier

be-vonden (2), en , bijzonder ten opzigte van het handelsregt, sommigen . die vroeger aanzienlijke handelsbetrekkingen in Indië gehad hadden en toen hier waren gevestigd (3) , terwijl daartoe verder schriftelijke te Batavia ingewonnen advijzen van de factorij der N e d . Handelmaatschappij en der Javasche Bank haar waren medegedeeld.

Dal , waarmede het werk der wetgeving aanvang zou n e -m e n , de regterlijke organisatie en het beleid der justitie in I n d i ë , werd in 1842 door den k o n i n g , na daarop den Raad van State gehoord te hebben , voorloopig vastge-steld. Naar Batavia ten onderzoek opgezonden en met ( t ) Leden dezer Commissie waren de vroegere secretaris der indische regering, Mr. J. SCII.NEITHER , later lid van het Hoog-Geregtshof van neêrlandsch Indië , thans lid van het Hof van Gelderland ; de raad van Indië Mr. J. F. W.V-iK NES, vroeger lid van het Iloog-Geregtshof van N. 1., en daarna resident te Passaroean ; krachtens koninkl. besl. van 19 Maart 1841 heeft, pcdurcnde de weinige maanden van zijn verblijf alhier . ook het vroegere lid van het Hoog-Geregtshof v. N. (. Mr. B. G. liisiA VAN NAÜTA, laatstelijk regier van ommegang in de samarangsche afdeeling , deel van die commissie uitgemaakt.

(2) De Bijdragen, lil. 1 2 8 , noemen als zoodanig Jhr. F. v. A. DE STÜERS , laatst gouverneur der Moiukken , R. I)E F U L I K I A Ï BOÜSOÜET,

gou-verneur van Màkasser. C. G.A. PRAETORIUS, laatst directeur der cultures.

(3) Hiertoe behoorden de beeren C. STRIEKER, J. E. RAKCK, J. NoLTHE-NIDS, C. O i E N D E L S , J . VAN 1ÏRAAM.

de afzonderlijke beoordeelingen en aanmerkingen deiverschillende daarop gehoorde personen (1) hier lerug o n t -vangen , zijn de ontwerpen door de commissie o m g e w e r k t , en eindelijk na weder aan h e t oordeel van den Raad van State onderworpen te zijn geweest , door den koning voor goed vastgesteld.

Het burgerlijk wetboek en dat van koophandel zijn niet naar Jndië opgezonden. Het daarmede noodwendig gepaard gaande tijdverlies schijnt, bij de nu gevestigde overtuiging , dat afschaffing van het bestaande op h e t dringendst gevorderd w o r d t , daarvan hoofdreden geweest te zijn. In den Raad van State onderzocht ( 2 ) , werden zij dus dadelijk voor goed door den koning vastgesteld.

Bij k o n . besl, van 15 December 1845 is de commissie o n t b o n d e n , n a d a t , bij kon. besl. van 13 December 1845 aan haar hoofd, op de meest eervolle wijze, uit hoofde zijner verzwakte gezondheid , ontslag was verleend uit zijne indische betrekkingen. Opdcnzelfden 15 Decem-ber is h e t lid van den R a a d van State Mr. II. L. W I G I I E B S in zijne plaats tot voorzitter der beide gereotshoven b e n o e m d , met den last om daarbij den g o u v e r n e u r -generaal bij te staan in het invoeren der reeds vastgestelde wetgeving en h e t bearbeiden van wat daaraan nog ontbrak.

De nieuwe voorzitter is ter vervulling zijner zending naar Indië vertrokken, weinige dagen nadat bij kon. besl.

van 16 Mei 1847 het volgende was vastgesteld:

( i ) De beeren J . T A K DER V I K J Ï E , Mr.H. J. HOOGEVEEN, Mr. C. H m -314N en Mr. C. VlSSCflER ; ook de toenmalige gouverneur-generaal, die vroeger procureur-generaal bij en daarna voorzitter van het H. ßereptsh.

van N. l.geweest was. heeft zijn gevoelen breedvoerig daarover medegedeeld.

(2) Aan hel onderzoek in den Raad van State heeft deel genomen de bovengenoemde heer J. VAN BEn VINNE , slaaUraad in buitengewone dienst, en die gedurende bijna een vierde eener eeuw in hooge regterlijke, zoowel als administratieve bedieningen in Indië verkeerd heeft.

ö l —

Ait. I. De voor Nederl. Indië ontworpen wettelijke verordeningen , Ie weten :

de algemeens bepalingen van wetgeving ;

het reglement op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie ;

liet burgerlijk wetboek;

het wetboek van koophandel ; en

de bepalingen betrekkelijk de misdrijven, hegaan ter gelegenheid van faillissement en bij kennelijk onvermogen, mitsgaders hij surséance van betaling ;

worden vastgesteld zoodanig , als dezelve zijn gevoegd hij het tegenwoordig besluit, met intrekking van het reglement, voorloopig vastgesteld bij Ons besluit van den 2 7 Julij 1 8 4 2 , nu. 5 5 .

Art 2 . Onze gouv.-gen. van Nederl. Indië zal de noodige maatre-gelen beramen tot het afkondigen dier verordeningen in den aldaar gebruikelijken vorm, vóór of op den 1 Mei 1 8 4 7 , en tot het invoeren derzelve vóór of op den 1 Januari] 1 8 4 8 , behoudens het bepaalde bij bet volgende artikel.

Art. 'à. Onze gouv.-gen. van Nederl. Indië wordt bevoegd ver-klaard :

a. om de bepalingen opzigtelijk het hooger beroep van regterlijke uitspraken, in zake van overtredingen, vervat in de artt. 9 6 , 109, 130 en 143 van het reglement op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, builen werking te doen blijven met opzigt tot 'slamls middelen en pachten en om de thans bestaande voorschriften, omtrent de toelating van hooger beroep in zaken van dien aard , onveranderd te doen in stand blij ven of die te wijzigen ; en

b. om i n l i e t algemeen al zoodanige gedeelten der bij art. 1 van dit besluit vermelde verordeningen, welker dadelijke of onveranderde invoering ineenig gedeelte van Nederl. Indië onderhevig mögt worden bevonden aan overwegende bezwaren, voorloopig geheel of ten deele buiten werking te laten ofte wijzigen.

Art. 4 . Onder toezending van hetgeen daaromtrent reeds door bet departement van koloniën met de ontbondene commissie is voorbereid, wordt Onzen gouv.-gen. van Nederl. Indië opgedragen, om , in over-eenstemming met de in art. 1 vermelde wettelijke verordeningen , vast te stellen en gelijktijdig met dezelve in werking (e brengen :

pen reglement op de burgerlijke regUvordering voor het hoog-ycregtshof en de raden pan justitie y

een reglement van strafvordering voor het hoog geregtshof en de raden van justitie y en

een reglement op de administratie der politie, mitsgaders op de burgerlijke reglspleging en strafvordering, voor de inlanders en daarmede gelijk gestelde personen.

Die reglementen zullen daarna aan Onze goedkeuring worden onder-worpen.

Art. 5. Onze gouv.-gen. over Nederl. Indië wordt in het älpemeen gemagtigd, om vast te stellen en uit te vaardigen al zoodanige wettelijke en reglementaire bepalingenen instructiën, als hij voor de geregelde invoering der nieuwe wetgeving zal noodig achten , dezelve onderwer-pende aan Onze nadere goedkeuring in de gevallen , bij het regerin"S-reglement bepaald.

Art. 6. De thans bestaande verordeningen omtrent de burgerlijke regtspleging en de strafvordering bij de raden van justitie en verdere regtbanken en geregten in de bezittingen buiten Java en Madura . bedoeld bij de artt. 1 en 145 van het reglement op de regterlijke orga-nisatie en het beleid der justitie, kunnen door Onzen gouv.-gen.

geheel often deele, en zoo lang hij zulks oorbaar acht, worden in stand gehouden. Hij zal evenwel gelijktijdig met de nieuwe wetgevinp al zoodanige bijzondere voorschriften van regtspleging in de bezittingen buiten Java en Madura invoeren, als door hem bevonden zullen worden noodig te zijn, om aldaar de geregelde werking van het burgerlijk wet-boek en van het wetwet-boek van koophandel te verzekeren.

Art. 7. Onze gouv. gen. van Nederl. Indië wordt bevoegd ver-klaard , om , te gelegener tijd, zoodanige bepalingen van het burgerlijk wetboek en van het wetboek van koophandel, als daarvoor vatbaar zijn , onveranderd of gewijzigd , toepasselijk te verklaren op de inlandsehe bevolking of op een gedeelte derzelve.

Art. 8. Onzen gouv.-gen. van Nederl. Indië wordt opgedragen , om een ontwerp van wetboek van sfrafregt voor Nederl. Indië te doen ver-vaardigen en zoodra mogelijk naar Nederland te zenden , terbeoordee-ling en bekrachtiging.

Inmiddels is hij bevoegd, om, in overeenstemming met de in art. I vermelde wettelijke verordeningen, zoodanige onderwerpen van straf

- 33 —

wetgeving te regelen , als eene dadelijke voorziening vereischen.

Art. 9. Onze gouv.-gen. vanNederl. Indië zal, alvorens de veror-deningen vast te stellen , welke door hem , krachtens de artt. 3, 4, 5, 6, 7 en 8 van dit besluit, zullen worden uitgevaardigd, daaromtrent het hoog-geregtshof van Nederl. Indië raadplegen (1).

H . Of er een r e g e l , en welke, aan de commissie was voorgeschreven te volgen, dan of, haar alleen het ontwerpen eener wetgeving opgedragen w a s , is onbe-k e n d , daar de besluiten, onbe-krachtens welonbe-ke zij weronbe-kzaam w a s , geheim waren. In het genoemde opstel der re-dactie van de Bijdragen, die zich daarin van goeder hand onderrigt zegt en waaraan wij de bijzonderheden der geschiedenis dezer nieuwe wetgeving grootendeels o n t l e e n e n , wordt te dien aanzien gelezen : «De taak der

«commissie was alzoo (2) n i e t , hel scheppen van eene

«oorsponkelijke wetgeving voor Indië en nog veel minder

«eene beoordeeling van de wezenlijke waarde der

Neder-«landsche wetboeken, met het doel om, waar dit ook

«voor Nederland noodig scheen, verbeteringen voor te

«stellen; maar uitsluitend o m , in het algemeen

aanne-«mende de deugdelijkheid der Nederlandscho wetgeving,

«derzelver bepalingen, zoo veel doenlijk onveranderd

«voor Indië over te nemen, en alleen daarvan af te

wij-« k e n wanneer de plaatselijke gesteldheid e n d e aangele-(1) Zie Staats-Courant van 26-Mei 1 8 4 6 . n". 124 en Weekt/, van liet Hegt, n". 798.

(2) Zie Bijdragen a. p. bl. 126. Het aan deze zinsneden voorafgaande doet zoeken naar hetgeen, waaraan dit ahoo het daaropvolgende hechten kan. Het is dus niet duidelijk of, wat als taak der commissie wordt opge-geven, eigen voorstelling van de redactie der Bijdragen is van het plan, waar naar gewerkt had moeten worden, dan wei stellig voorschrift der regering, waaraan de commissie gebonden was, of regel, door de com-missie bij het afwerken harer taak zieh zelve gesteld. Doch het zij voorschrift der regering, hetzij eigen besluit der commissie geweest, door-schouwing der wetboeken doet als zeker stellen, dat, wat de Bijdragen opgeven, werkelijk de regel is geweest, die bij den arbeid is gevolgd.

5

« genheden van Indië dringend geboden liet aanbrengen

«van wijzigingen, of wel de vervanging van oorspronke-l i j k e bepaoorspronke-lingen door a n d e r e , voor Indië meer geschikt.

«Indien de gesteldheid of aangelegenheden van Indië geene

«zoodanige afwijkingen hadden g e v o r d e r d , zou de

Ne-«derlandsche wetgeving onveranderd aldaar zijn

over-« geplant.»)

Was dit plan goed ?

Gelijk wij boven gezien hebben oordeelden de commissa-r i s s e n - g e n e commissa-r a a l , bij de uitvaacommissa-rdiging decommissa-r pcommissa-rovisionele reglementen in 1819, het wat voorbarig aan het burger-lijk en strafregt in Indië de hand te leggen vöör dat nieuwe wetboeken in Nederland zouden zijn vastge-steld. Als reden daarvoor gaven zij op , «dat het zoo voor

« Nederlandscli Indië als voor Nederland zelve, van belang

« i s , dat de b e p a l i n g e n , voor deze gewesten daar te

«stellen, zoo veel immer mogelijk, in verband worden

«gebragt met d i e , welke in het vaderland bestaan.»

Dat dit beginsel voor de indische wetgeving goed gekozen was, schijnt geene tegenspraak te k u n n e n wekken.

Evenmin dat dit bij de commissie aangenomen is met de noodzakelijke toevoeging, dat zij gewijzigd moest worden naar gelang de indische behoeften en maatschappelijke inrigting van die des moederlands afweken. — Maar waarom

zou dit laatste alleen reden tot verandering geven en niet de gebreken der over te brengen wetgeving zelve? W a r e die overbrenging dadelijk geschied na de invoering der wetboeken hier te l a n d e , het ware begrijpelijk geweest.

Vóór dat de commissie bestond was evenwel de nieuwe wetgeving in werking; vóór dat zij hare taak met de afwer-king van het burgerlijk en handelsregt besloot, waren reeds verscheidene j a r e n verloopen. Leemten en gebreken hadden inmiddels praktijk en meer wetenschappelijke beoe-fening daarin doen k e n n e n . W a a r o m zou daar geen voor-deel van mogen worden g e t r o k k e n ? Of kan iemand van

— 35 —

oordeel zijn , dal het voor Indië wenschelijker ware eene nieuwe wetgeving met bekende leemten en gebreken te ontvangen, dan eene, waarin deze waren aangevuld en •ver-holpen ? of dat Nederland nadeel zou hebben gehad indien de wetgeving in zijne overzeesche bezittingen beter ware geweest dan in hel moederland zelf?

Er kan hier natuurlijk geen sprake zijn van het oai werpen van het algemeen zamenstel der nederlandsche wetgeving, om naar een nieuw plan eene geheel veran-derde voor Indie op te rigten. Maar zich zóó trouw aan het model te houden, dat men zelfs de gebreken willens

en wetens o v e r n e e m t , schijnt zóó groole d w a l i n g , dat men naar gronden uitziet, die zouden kunnen loonen dat het de regte weg was. — Het voornemen kan bestaan om naar gelang in Nederland de wetgeving herzien zal wor-den , ook de indische daarvan de vruchten deelachtig te doen zijn. Moest echter al, wat omtrent wetgeving in Indië tot nu toe is geschied, niet doen vreezen , dat het soms nog geen genot zal hebben gehad van eene vroegere, w a n -neer jaren daarna reeds weder eene volgende herziening in het vooruitzigt zal zijn , die dan als grond zal kunnen worden aangenomen om vooreerst verbetering der indische nog weder uit te stellen. W a a r o m moet daarenboven Indië op bet moederland wachten, en mag de verbetering ginds geen spoorslag k u n n e n zijn om hier die na te volgen?

«Daar het. werk der commissie» leest men in hel o p -stel , tot hetwelk de redactie der Bijdragen «door

wel-« willende mededeeling van zeer goede (hooger?) h a n d » is in slaat gesteld, « d u s niet bestond in het ontwerpen

«eener nieuwe wetgeving; ook met in het herzien of

ver-«beteren van eene bestaande; maar uitsluitend in het

toe-«passelijk maken van de/e op de O. I. Koloniën, konde

«men als overtollig beschouwen de mededeeling aan

neder-«landsche regterlijke ligchamen en regtsgeleerden , die in

«den regel moeten worden verondersteld, niet of niet

«voldoende te bezitten eene ervaring, tot eene juiste

beoor-«deeling gevorderd , namelijk genoegzame bekendheid met

«Indie-

Die geheimhoudendheid is een regl naar d i n g , als men door zulke redenen zich er toe leiden I a a t , en nog n a a r d e r , als zij door geene andere kan verdedigd wor-d e n . — Maar zoo is ons koloniaal stelsel; het acht zich hooger , naar het schijnt, hoe meer het als een deus ex machina kan werken , en rekent zich verloren , wanneer het algemeen zou kunnen bemerken , dat men den voet bewoog om hem tot het doen van eenen stap op te ligten. — Het is kenmerk van gevoel van gemis van waarachtige k r a c h t e n zelfstandigheid.

W a s het goed het beginsel van overanderd de nieuwe wetboeken over te brengen , behoudens de wijzigingen , die indische eigenaardigheid zoude v o r d e r e n , het schijnt dan zeker overtollig om de over te nemen wetgeving ter kennisse te brengen van hen , die ze als nederlandsche reedsjaren in praktijk hadden gezien. Leemten en gebre-ken zouden dan toch worden behouden al waren zjj met den vinger aangewezen; d a a r v a n ' i n l i c h t i n g te erlangen was dus overbodig en kon tot geene verandering leiden.—- Toch zou men dan echter geregtigd zijn te vragen of alléén die Nederlanders van indische zaken kennis h e b b e n . die door het koloniaal bestuur geraadpleegd zijn ?

Maar waarom zou men geheimzinnig zijn ten aanzien van het beginsel zelf, dat men a a n n a m ? W a s het begin-sel g o e d , wat was dan te vreezen zoo het bekend werd?

was het niet g o e d , was dan tegenspraak niet verkieslij-ker , dan te goeder trouw eene geheele wetgeving voor zoo aanzienlijke gewesten op eenen verkeerden grondslag te bouwen ?

W a t is nu gevolg? dat eene wetgeving is ingevoerd met gebreken , die men stellig zou verholpen h e b b e n , zoo het regtsgeleerd publiek in de gelegenheid ware

37 —

geweest, door ze aan te wijzen en er tegen te waarschuwen , het den indischen wetgever gemakkelijk Ie maken.

Nog meer. Men had in Indiè' zelve zich kunnen voor-bereiden op den gewigtigen stap , die gedaan zou worden, en zich inmiddels de wetgeving van het moederland k u n -nen eigen maken. Die tijd is thans nutteloos voorbijge-gaan. — De behoefte heeft hier, voor en na 1838, onder-scheidene werken over onze nieuwe wetgeving doen ontstaan. Zijn die nu in dat rijk van eilanden dadelijk overal te erlangen ?

Of zal welligt dââr geen behoefte zijn aan het bezit van w e r k e n , die de «zoo veel doenlijk o n v e r a n d e r d » overgenomen wetgeving hier heeft doen ontstaan?

W a n n e e r in plaats der g e h e i m h o u d i n g , die zelfs aan leden der Tweede Kamer kennisneming der wetgeving deed ontzeggen , van wege het koloniaal departement zelf

«ene goede en tijdige uitgave ware bezorgd , zou men aan Nederland en Indië niet meer dienst hebben g e d a a n , dan het niet officiële kleine boekje van NOMAN aan het hoofd van het departement genoegen- kan hebben verschaft ?

III. Zien wij n u wat ter invoering der nieuwe wetgeving, na het vertrek van Mr. W I C H E R S tot heden toe, geschied is.

Kort na zijne aankomst te Batavia, heeft de gouver-n e u r - g e gouver-n e r a a l , bij besluit vagouver-n 2 4 September 1 8 4 6 , de organisatie vastgesteld van het hoog militair geregtshofin I n d i ë , gedurende den tijd ,-dat de heer W I C H E R S het voor-zitterschap van beide hoven zou waarnemen ; tevens werd Mr. P . MYER tot vice-president van beide hoven benoemd;

met bepaling evenwel, dat hij zijne functién van lid in die hoven, tijdelijk belast met daarbij het openbaar officie waar te nemen , zou blijven waarnemen totdat de heer W I C I I E R S zijne betrekking van voorzitter zou hebben aanvaard (1).

Bij publicatie van 5 December 1846 werd vervolgens (1) Weeibl. v. h. Regt, n«. 762.

b e k e n d g e m a a k t h e t b o v e n m e d e g e d e e l d e k o n i n k . b e s l . van 16 Mei 1 8 4 6 , e n d a a r b i j t e v e n s g e m e l d :

«dat van het reglement op de regterlijkc organisatie en het beleid der justitie allen eenige gedrukte exemplaren bij het origineel en duplicaat dier missive zijn gevoegd, om nader te worden gevolgd door een genoegzaam aantal, om bij het Staatsblad, waarin de publicatie der afkondiging zal geplaatst worden, te worden rond-gedeeld; wordende de algemeene bepalingen van wetpevinp' het ' burgerlijk wetboek, het wetboek van koophandel en de bepalingen op de faillissementen insgelijks tot eene toereikende hoeveelheid in Nederland afgedrukt, op papier van gelijk formaat als voor het Staatsblad gebruikt wordt, ten einde nader tijdig te worden toegezon-den; ven daarbij voorts,» alle burgerlijke en militaire departemen-ten , collégien en autoriteidepartemen-ten in Nederl. Indië gelast, om met den meesten spoed en met de meeste naauwgezetheid te beantwoorden alle aanvragen ter bekoming van inlichting en opheldering, welke de staatsraad Jhr. H. L. WICHE R» , in het belang der hem

«dat van het reglement op de regterlijkc organisatie en het beleid der justitie allen eenige gedrukte exemplaren bij het origineel en duplicaat dier missive zijn gevoegd, om nader te worden gevolgd door een genoegzaam aantal, om bij het Staatsblad, waarin de publicatie der afkondiging zal geplaatst worden, te worden rond-gedeeld; wordende de algemeene bepalingen van wetpevinp' het ' burgerlijk wetboek, het wetboek van koophandel en de bepalingen op de faillissementen insgelijks tot eene toereikende hoeveelheid in Nederland afgedrukt, op papier van gelijk formaat als voor het Staatsblad gebruikt wordt, ten einde nader tijdig te worden toegezon-den; ven daarbij voorts,» alle burgerlijke en militaire departemen-ten , collégien en autoriteidepartemen-ten in Nederl. Indië gelast, om met den meesten spoed en met de meeste naauwgezetheid te beantwoorden alle aanvragen ter bekoming van inlichting en opheldering, welke de staatsraad Jhr. H. L. WICHE R» , in het belang der hem

In document 'BIBLIOTHEEK KITLV, (pagina 31-47)

GERELATEERDE DOCUMENTEN