Selectie cases

In document I Blauwe Knooppunten en interregionale zelfsturing (pagina 30-41)

Op basis van de in paragraaf 2.3 beschreven typologie is een zestal cases geselecteerd. Daarbij doet zich het probleem voor dat er thans in Neder-land geen projecten en plannen worden gerealiseerd die gebaseerd zijn op het concept Blauwe Knooppunten. Daarom zijn de voor het concept Blauwe Knooppunten relevante factoren als criteria gehanteerd. Deze zijn:

- de verschillende typen watersystemen en afwentelingsmechanismen moeten vertegenwoordigd zijn (tabel 2);

- de verschillende typen maatregelen moeten vertegenwoordigd zijn;

- de verschillende typen van zelfregulering (hiërarchisch, netwerkrelatie, ruilrelatie) moeten vertegenwoordigd zijn (tabel 3);

- regulering van stof- en waterstromen moeten een belangrijk doel zijn van het project;

- het moet gaan om projecten die uitgevoerd zijn, in uitvoering zijn of (zouden kunnen) worden;

- er moet voldoende informatie zijn over het project.

De keuze van voorbeelden is gevallen op de Drentse Aa, Vechtplassen, Rijn, Meerpolder, Over-Betuwe en Rijnland. In onderstaande tabel (tabel 4) zijn voor deze voorbeelden het type watersysteem, afwenteling, maatre-gelen en relatie tussen actoren aangegeven.

Uit de tabel blijkt dat er een redelijk spreiding is van de zes projecten over de typen systemen, typen afwenteling, typen maatregelen en relaties tussen actoren. Er komen drie hellende en drie vlakke gebieden in voor,

maar in verschillende watersystemen en verschillende relaties tussen actoren. Afwenteling als combinatie van verdroging en vermesting komt twee maal voor in hellende, landelijke gebieden. Eén voorbeeld betreft evenwel verdroging en vermesting, het andere watertekort en eutrofiëring.

De problematiek van stedelijke watersystemen is ondervertegenwoordigd.

Meerpolder is het enige echt stedelijke project. De problematiek van verharding en versnelde afvoer doet zich evenwel ook voor in het project Over-Betuwe; het verhard oppervlak betreft hier de kassen. Dit project zou derhalve ook met semi-stedelijk kunnen worden aangeduid.

In de volgende paragrafen is per voorbeeld het volgende beschreven:

- beschrijving van het watersysteem en lokalisering van het blauwe knooppunt;

- beschrijving van de afwentelingsproblemen, - beschrijving maatregelen;

- beschrijving van de zelfregulering;

- analyse succes- en faalfactoren;

- conclusies.

J heidemij

Tabel 4 Geselecteerde cases

- vermesting probleem voor drinkwaterwinning en natuur

- watertekort als gevolg van dro-ogmakerij: eutrofiëring door inlaat gebiedsvreemd water - verontreiniging

- piekafvoer

- piekafvoer verhard oppervlak - verontreiniging

- piekafvoer vanwege verhard oppervlak/ kassen

- bestrijdingsmiddelen

- chloridegehalte, diffuse ver-ontreiniging met bestrijdings-middelen en pak's

- waterverdeling

Type maatregelen

punt- en vlakgericht

met name vlakgericht (omzetting landbouw in natuur enzovoort)

verontreiniging: puntgericht hoogwater: vlakgericht

met name vlakgerichte, daarnaast ook puntgerichte maatregelen

verplaatsing glastuinbouw

initiatief provincie; netwerk met waterbeheerder, waterleidings-maatschappij, natuurorganisa-ties en landbouw

initiatief zuiveringschap:

netwerk met waterbeheerder, natuur- en recreatieorganisaties internationaal: ruil en netwerk

initiatief gemeente: netwerk met hoogheemraadschap, relatie met stadsregio en provincie: deels netwerk, deels hiërarchisch initiatief landbouwschap

initiatief waterbeheerders:

netwerk met regionale directies van de waterstaat

3.2 Drentse Aa

Watersysteem en lokalisering blauwe knooppunt

Het beekdalsysteem van de Drentse Aa is één van de meest gave beeklandschappen van Nederland en tevens van de gehele zogeheten Noord-westduitse laagvlakte. Voor het gebied geldt dat de landbouw een belangrijke economische drager is, die tevens een we-zenlijke factor bij het ontstaan en de handhaving van de kenmerken van het beekland-schap. Om als zodanig te kunnen functioneren moet de landbouw een duurzaam ka-rakter hebben en dat is nu

slechts ten dele het geval. Tevens wordt het beeklandschap aangetast door lozingen afkomstig van woningen.

Het knooppunt bevindt zich daar waar de Drentse Aa uitstroomt in het Noord-Wi I lemskanaal.

Afwenteling

Het riviertje wordt gekarakteriseerd door zijn natuurlijke loop en door hoge natuurwaarden. De gronden langs het stroombed zijn in handen van natuurbeschermingsorganisaties. Afwenteling vindt plaats vanuit de omlig-gende landbouwgronden (nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen) en door lozingen (ontbreken van rioleringen, te vaak functioneren van over-storten) uit de (kleine) stedelijke kernen. Verder is er sprake van verontrei-niging uit diffuse bronnen. Het water is periodiek niet geschikt voor de bereiding van drinkwater, onder andere als gevolg van te hoge concentra-ties aan bestrijdingsmiddelen.

Tevens vormt verdroging een belangrijk probleem. De aard van de verdro-ging verschilt. In het benedenstroomse deel van de Drentse Aa is de verdroging vooral een gevolg van het ontbreken van voldoende kwel, op de hogere gronden uitsluitend van een te lage grondwaterstand. Het middenstroomse gebied heeft met beide vormen van verdroging te maken.

Ten slotte is het afvoerregiem van de beek veranderd: de basisafvoer is vergeleken met de natuurlijke situatie, lager en de piekafvoer is hoger.

Maatregelen

In het ROM/WCL-project is een groot aantal, sterk uiteenlopende maatre-gelen opgenomen.

De projecten voor de verbetering van water- en bodemkwaliteit bestaan hoofdzakelijk uit puntgerichte of technische maatregelen (sanering van

J heidemij

regenwateroverstorten en lozingen, enz.). Daarnaast zijn ook vlakgerichte maatregelen genomen, zoals het inrichten van spuitvrije zones langs de Drentse Aa en gifvrij beheer van stedelijk groen en verharding.

De projecten ten behoeve van het waterkwantiteitsbeheer en het tegen-gaan van verdroging zijn sterk vlakgericht: waterconservering in landbouw-gebieden, omzetting van het areaal 'sterk verdampend' bos en verandering van drainage en infiltratie in het gebied. Een meer technische maatregel is de profielaanpassing van de beekloop, evenals de maatregelen in een aantal natuurgebieden om de interne waterhuishouding te verbeteren.

De projecten voor duurzame landbouw zijn vlakgericht (verplaatsing van bedrijven, kavelruil, enz). Daarnaast zijn er maatregelen die binnen de sector landbouw genomen moeten worden, zoals toekomstgericht onder-nemen, verbreding akkerbouw 2000, enz.

De projecten van natuur en landschap (inrichten natuurontwikkelings-gebieden, verbindingszones, bosuitbreiding enz.) en van recreatie en verkeer (vooral autoluw maken van diverse gebieden) zijn vrijwel uitslui-tend vlakgericht .

Zelfregulering

De Drentse Aa is aangewezen als ROM-gebied en als waardevol cultuur-landschap (WCL-gebied). Gekozen is om beide beleidslijnen (van rijksni-veau) in één project aan te pakken. Dit heeft geresulteerd in het plan ROM/WCL-project Drentse Aa/Elperstroom. Bij dit project is een groot aantal actoren betrokken: Rijk (ministeries van VROM en LNV), gemeen-ten, waterschap, zuiveringschap, Provincie, Landbouwschap, Milieufedera-tie Drenthe, Staatsbosbeheer (regio Drenthe-Noord) Waterleidingmaat-schappij Drenthe, Gemeentelijk Waterbedrijf Groningen. Gezamenlijk zijn zij gekomen tot uitvoering van (een belangrijk deel) van de plannen en visies rondom de Drentse Aa.

In dit voorbeeld is tussen de verschillende actoren sprake van zowel een hiërarchische als van netwerkrelaties.

Analyse succes- en faalfactoren

Het ROM/WCL-project komt voort uit rijksbeleid. De provincie heeft het initiatief genomen voor het project. Hierbij hebben de regionale overhe-den zich aangesloten. De organisatiestructuur (projectgroep, stuurgroep en begeleidingsgroep) van het project was goed. Alle relevante actoren zijn vertegenwoordigd en hebben zich ook gecommitteerd zowel in de plan-ning en ontwikkeling als in de uitvoering.

Belangrijk is de (uitzonderlijke) aanpak die gekozen is voor dit project: het gehele project was gericht op het zoveel mogelijk realiseren/uitvoeren van bestaand beleid onder het motto 'aan het werk'. Dit heeft geresulteerd in een groot aantal projecten, die uitgevoerd zijn of gaan worden. Bij deze daadkrachtige aanpak werd het Rijk ervaren als belemmerend voor de voortgang van het project.

Doelen en redenen van de betrokken actoren om tot actie over te gaan verschilden soms onderling, maar alle partijen waren het er over eens dat

J heidemij

na het maken van vele plannen nu tot uitvoering overgegaan moest wor-den.

De uitvoering van het plan is op dit moment in een vergevorderd stadium.

Er is sprake van commitment van de verschillende partijen met betrekking tot de uitvoering van de gemaakte afspraken.

Conclusie

Door de overheden in het stroomgebied zijn de hoge waarden van de Drentse Aa onderkend. Door middel van een geconcentreerde toepassing van instrumenten en door overleg en onderhandeling wordt getracht het milieubezwaar op de natuur te verminderen. De gekozen aanpak waarbij geen nieuwe plannen opgesteld zijn, maar het project gericht werd op uitvoering van bestaande plannen, heeft de kans van slagen van het zelfre-guleringsproces vergroot. Wel is gebleken dat administratieve grenzen en ministeriële bevoegdheden c.q. regelgeving in sommige gevallen een obstakel vormden. Ook was persoonlijke betrokkenheid en inzet van een aantal medewerkers van groot belang om de procedures voor financiering van het plan vlot te laten verlopen. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat dit project een goed voorbeeld is van hoe zelfregulering op regionaal niveau tot stand kan komen.

3.3 Vechtplassengebied

Watersysteem en lokalisering blauwe knooppunt

Tussen Amsterdam en Utrecht ligt het Vechtplassengebied.

Het beslaat een lange zone tussen hoge, droge zandgron-den van de Utrechtse Heuvel-rug en het Gooi in het oosten en de rivier de Vecht in het westen. Voor het grootste deel is het veenweidegebied met forse waterplassen en moeras-sige bossen. De Vecht is in deze lage gebieden de basis van het afwateringssysteem.

Kwel vanuit de Heuvelrug en het Gooi is van grote betekenis voor de hier voorkomende

natuurwaarden. Onttrekking vindt plaats ten behoeve van de drinkwater-winning.

In de typologie van blauwe knooppunten is dit voorbeeld onder te bren-gen in de categorie poldergebied waarbij afwenteling van stoffen en water plaatsvindt tussen regionale waterbeheerders. De blauwe knooppunten bestaan hier uit inlaat- en uitlaatwerken.

J heidemij

Afwenteling

Van nature komt het water uit de Heuvelrug in de Vechtstreek als kwelwa-ter aan de oppervlakte. Door onttrekking van grondwakwelwa-ter voor de drink-watervoorziening in de Utrechtse Heuvelrug en door omvangrijke bema-lingen van dieper gelegen polders wordt veel gebiedseigen water uit het gebied afgevoerd. Daardoor is er in de zomer sprake van een watertekort.

Dit tekort wordt aangevuld met water uit het IJmeer, uit de Vecht en uit het nabij gelegen Amsterdam-Rijnkanaal. Dit water bevat veel nutriënten zodat eutrofiëring optreedt.

Het uitgangspunt van het voorbeeldplan is dat er evenwichtig gebruik wordt gemaakt van het gebiedseigen water. Volgens het plan moeten onttrekkingen zodanig worden georganiseerd dat voor compensatie van tijdelijke en plaatselijke tekorten geen gebiedsvreemd water meer nodig is.

Maatregelen

De maatregelen in het voorbeeldplan Vechtplassengebied zijn voor het grootste deel vlakgericht met als doel het terugdringen van de verdroging en de vermesting. Ook de grondaankoop ten behoeve van het project is een typisch voorbeeld van een vlakgerichte maatregel. De voorgestelde sanering van waterbodems kan eveneens als vlakgerichte maatregel gezien worden: het gaat om sanering in het grootste deel van het gebied met als doel de grondwaterkwaliteit te beschermen.

Zelfregulering

Het plan is een uitwerking van een door het Zuiveringschap Amstel- en Gooiland ingezonden idee voor een geïntegreerde water- en landplanning in het gebied tussen Amsterdam en Utrecht.

Belangrijkste instanties die een rol spelen in het vervolgtraject zijn de betrokken provincies (Noord-Holland/Utrecht), waterbeheerders, recreatie-schappen en natuurbeherende organisaties. De relaties tussen de actoren kan aangeduid worden met netwerkrelaties.

Analyse succes- en faalfactoren

Het initiatief voor het Voorbeeldplan Vechtplassengebied is genomen door het zuiveringschap Amstel- en Gooiland. Bestuurlijk-juridisch gezien heeft het plan geen status en het is bovendien opgesteld door een organisatie die slechts bevoegd is op één van de beleidsterreinen (waterkwaliteit) in een deel van het plangebied. Dit plan is, net zoals het Voorbeeldplan Over-Betuwe, te zien als een voorzet van hoe te werk zou kunnen worden gegaan in een bepaald gebied.

Bij het opstellen van het plan is getracht het zuiveringschap, waterschap, recreatieschap en natuurorganisaties op één lijn te krijgen: een bondge-nootschap waarbij (drink)waterwinning, natuurontwikkeling en recreatie op elkaar zijn betrokken.

Een van de belangrijkste faalfactoren is dat de partijen die een belangrijke financiële bijdrage zullen moeten leveren, dan wel voor financiële gevol-gen zullen komen te staan, het drinkwaterleidingbedrijf en de landbouw niet hebben deel genomen aan het planningsproces. Noch de

landbouw-sector noch de drinkwaterwinninglandbouw-sector waren vertegenwoordigd in de begeleidingscommissie, waardoor zij niet hebben kunnen meedenken over de maatregelen. Deze beide (zeer relevante) actoren ondersteunen het plan niet. Overigens is er ook nog geen sprake van commitment van de kant van de partijen die wel bij het plan betrokken waren. De planvor-ming blijft daardoor in het stadium van de voorbereiding hangen.

Conclusie

Deze case is interessant vanwege de grondwatercomponent en het streven naar vasthouden van gebiedeigen water. Het plan is een initiatief van één actor en is begeleid door een aantal relevante maar ten opzichte van de bestaande situatie vragende partijen. Het ontbreken van twee belangrijke actoren, zowel in maatschappelijk als financieel opzicht, in dit proces maakt echter de kans van slagen gering.

3.4 Rijn

Watersysteem en lokalisering blauwe knooppunt

Het blauwe knooppunt van de Rijn is niet exact te lokaliseren. Het ligt wat betreft de problemen van de piekafvoeren en de overstroming als gevolg daarvan bij Lobith en wat betreft de waterverontreiniging daar waar het water uitstroomt in de Noordzee.

Afwenteling

De afvoer van water op zich kan niet beschouwd worden als afwenteling, omdat afvoer een natuurlijke functie van de rivier is. Hoge afvoergolven en onnatuurlijk lage waterstanden kunnen wel als afwentelingsprobleem worden opgevat, omdat deze het gevolg zijn van menselijk ingrijpen bovenstrooms.

Hetzelfde geldt voor de vuillast die via de Rijn naar de Noordzee stroomt.

Door de grootte van het stroomgebied komen alle vormen van afwenteling in meerdere of mindere mate voor.

Maatregelen

Het emissiebeleid in het Rijn- en Noordzeeactieplan, gericht op terugdrin-ging van de verontreiniterugdrin-ging van de Rijn, omvatte in eerste instantie vooral puntgerichte/technische maatregelen: aansluiting van huishoudens en bedrijven op riolering, vergroten zuiveringscapaciteit en sanering van industriële en communale lozingen. Naar mate de verontreiniging uit puntbronnen verder gesaneerd werd, nam de invloed van diffuse bronnen van verontreiniging, met name de landbouw en atmosferische depositie, toe. Om deze terug te dringen is onder meer het (gebiedsgerichte) mest-beleid, waarin ook extensivering van het grondgebruik is opgenomen, en het gewasbeschermingsmiddelen beleid ontwikkeld. Ook het terugdringen van atmosferische depositie betreft voor een belangrijk deel gebiedsgerich-te maatregelen (gebiedsgerich-terugdringen automobiligebiedsgerich-teit, enzovoort)

o

J heidemij

In het kader van de hoogwaterproblematiek wordt er gesproken over vlakgerichte maatregelen als het creëren van berging met als doel het aftoppen van de afvoergolven.

Zelfregulering

Door de overheden van de Rijnoeverstaten zijn afspraken gemaakt over het terugdringen van de verontreiniging van de Rijn. De Rijncommissie te Koblenz ziet toe op de uitvoering van deze afspraken door de deelnemen-de landeelnemen-den. De taken van deelnemen-deze commissie zijn in deelnemen-de loop van deelnemen-de jaren uitgebreid van terugdringing van de vuillast, tot bevorderen van de ecolo-gische gezondheid (Zalm 2000), tot het zoeken naar mogelijkheden om de hoge afvoergolven te verkleinen.

Naast en vaak in samenwerking met de commissie bestaan samenwerkings-verbanden op stroomgebiedniveau van drinkwaterleidingbedrijven, hydro-logische instituten, etc.

De relatie tussen de verschillende actoren is te typeren als een ruilrelatie.

In het geval van de chlorideproblematiek was er vooral sprake van een ruilrelatie; geldstromen gingen van Nederland naar sanering van lozingen uit de zoutmijnen in Frankrijk. Willen de verschillende actoren hun doelen bereiken dan moeten zij tot consensus komen; hen staan over en weer geen dwangmiddelen ter beschikking.

Analyse succes- en faalfactoren

Uit het verloop van de Rijnproblematiek blijkt dat het proces van 'zelfre-gulering' pas goed op gang kwam toen het probleem van de waterveront-reiniging politiek erkend werd. Daarbij speelde en speelt het gevaar voor de volksgezondheid (drinkwaterbereiding) een grote rol (Sandoz). Het Rijk (Nederland) heeft daarbij in eerste instantie vooral naar de problemen bovenstrooms gekeken. De effecten van de verontreiniging afkomstig uit Nederland op het Noordzee systeem kregen pas later de nodige politieke en beleidsmatige aandacht.

Als gevolg van politieke en maatschappelijke druk, ontstond er zowel in het voorbereidende traject als in het uitvoerende traject voldoende com-mitment, zowel bestuurlijk als financieel. Door samenwerking in internati-onale werkgroepen waarin alle betrokken partijen vertegenwoordigd waren en door een goede analyse van de problemen, werd uiteindelijk overeenstemming bereikt over de doelen van de zelfregulering. De afspra-ken en uitwerking zijn vastgelegd in het RijnActiePlan/ NoordzeeActiePlan (RAP/NAP). Tussentijdse toetsing van de voortgang maakte enige bijsturing mogelijk.

Naast de verontreiniging van het oppervlaktewater speelt thans de hoog-waterproblematiek. Ook hiervoor geldt dat pas toen het probleem politiek erkend werd, naar aanleiding van de grote problemen in de winterperiode 1994/1995, er concreet actie ondernomen is om tot internationale 'zelfre-gulering' te komen.

Conclusie

J heidemij

De samenwerking van de Rijnoever- en Noordzeestaten geldt internatio-naal als voorbeeld van een succesvolle vorm van 'zelfregulering'. Door het maken van afspraken tussen gelijkwaardige partners zijn er grote successen geboekt in de terugdringing van met name de verontreiniging. Wel is van belang te onderkennen dat veel internationaal overleg nodig was, gepaard aan rampen, voordat de eerste gezamenlijke maatregelen in het kader van de terugdringing van de verontreiniging van de Rijn genomen werden.

Toen het RAP/NAP opgesteld werd, was de overlegsituatie zodanig dat deze plannen relatief snel aanvaard werden, omdat inmiddels voldoende politiek commitment verkregen was (mede als gevolg van de ramp bij Sandoz). Vastgesteld is dat politiek commitment een absolute voorwaarde is om op een dergelijk niveau tot afspraken èn uitvoering te komen. Om die politieke commitment te verkrijgen is maatschappelijke druk van groot belang. Vaak vormt een calamiteit de directe aanleiding hiertoe (Sandoz, overstromingen in 1994 en 1995).

3.5 Meerpolder

Watersysteem en lokalisering blauwe knooppunt

De gemeente Berkel en Roden-rijs is een VINEX-woning-bouwgemeente in het 2B3-gebied ten noorden van Rotter-dam. De gemeente heeft haar beleid ten aanzien van huis-vesting onder meer verwoord in de notitie 'duurzaam bou-wen'. De Meerpolder is één van de woningbouwplannen binnen deze gemeente.

De Meerpolder kent als polder een aantal grote waterlopen, waarvan bij het maken van het ontwikkelingsplan van de Meerpolder gebruik gemaakt is

als drager van de ruimtelijke structuur en de ruimtelijke kwaliteit.

Opgemerkt moet worden dat er niet sprake is van één blauw knooppunt, maar van meerdere. De relatie tussen plangebied en omliggende gebieden bestaat uit waterlopen, rioolstelsel, waterleiding en afvoer van influent naar de RWZI.

Afwenteling

Het doel is om in de Meerpolder te komen tot een duurzaam waterhuis-houdkundig systeem. In het ontwerp van het bestemmingsplan wordt hiermee rekening gehouden. Het ontwerp van het oppervlaktewaterstelsel, infiltratievoorzieningen, een verbeterd gescheiden rioolstelsel e.d. moeten de afwenteling naar het omliggende gebied minimaliseren. Verder wordt

J heidemij

de berging (in grond- en oppervlaktewater) binnen het gebied zo groot ge-maakt dat inlaat van gebiedsvreemd water slechts sporadisch nodig zal zijn.

Maatregelen

In het project Meerpolder is naast een aantal 'standaard'-maatregelen voor inrichting van stedelijke gebieden, die voornamelijk technisch van aard zijn (aanleg verbeterd gescheiden rioolstelsel, enzovoort), ook een aantal (tot op heden nog) minder gebruikelijke maatregelen opgenomen, die meer vlakgericht zijn. Het gaat hier om maatregelen als retentie van gebiedseigen schoon water, natuurlijke zuivering in het systeem met behulp van helofytenfilters en peilcompartimentering binnen het stedelijk gebied in verband met kwel.

Zelfregulering

De actoren zijn het hoogheemraadschap van Delfland, de gemeente Berkel en Rodenrijs, de stadsregio Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. De relaties tussen verschillende actoren zijn aan te duiden als hiërarchisch tussen gemeenten enerzijds en stadsregio en provincie anderzijds, en met netwerk tussen gemeente en waterbeheerder.

Analyse succes- en faalfactoren

Allereerst moet worden opgemerkt dat het project Meerpolder zich nog in de planfase bevindt. Of de intentie van een duurzaam watersysteem een

Allereerst moet worden opgemerkt dat het project Meerpolder zich nog in de planfase bevindt. Of de intentie van een duurzaam watersysteem een

In document I Blauwe Knooppunten en interregionale zelfsturing (pagina 30-41)

GERELATEERDE DOCUMENTEN