De school vordert veel ondersteuning en op- op-wekking , wil zij tot bloei geraken

In document BIBLIOTHEEK KTLV (pagina 65-72)

R E S I D E N T I E N .

Per transport Samarang . . .

Japara . . . .

Rembang . . .

Soerabaga . . .

Pasoeroean. . .

Bezoeki . . . .

Banjoewangi • .

Transporteren

Aantal gouver-

nements-scholen.

10 geene

1

2

geene

3

1

geene

17

Aantal scholieren

op ultimo December

1851.

276 _

21

91

~~

138

21-—

550

V E R D E R E B I J Z O N D E R H E D E N .

Ecne bekendmaking van den resident, dat bet bestuur zich voorbehoudt, van de, overigens door de bevolking vrij te kiezen dorpshoof-den, bij voorkeur en voor zooveel mogelijk alleen de zoodanigen in die betrekking te bevestigen, die lezen en schrijven kunnen , had ten gevolge dat, buiten verdere tusschen-komst van het bestuur , in de meeste distric-ten (en in sommige zelfs meerdere) scholen zijn tot stand gekomen , waarop door daarin bedreven inlanders aan zoons van dessa-hoofden en gegoede Javanen, tegen betaling van eene kleinigheid, dit onderwijs wordt gegeven.

De zendeling-leeraar Hoezoo geeft, buiten be-moeijing van het Gouvernement, te Samarang aan eenige inlandsche kinderen onderrigt.

Behalve deze school, te P a t i gevestigd, zou eene tweede te Japara worden opgerigt. Be-gunstiging van hooggeplaatste inlandsche hoofden geniet de school niet.

A,an den zendeling-leeraar Pieler Jansz. is in 1853 vergund , in de afdeeling Japara eene school voor Javaansche kinderen te openen.

Een gelijk verzoek van hem voor de afdeeling Djawana werd van de hand gewezen.

De twee scholen, ter hoofdplaats Rembang en te Toeban, voldoen wel.

De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen heeft hier eene school met 70 à 80 leerlingen. De onderwijzer is een gedoopte Chinees.

Onderwijzers en leerlingen geven reden tot t e -vredenheid. De nuttige strekking dezer scho-len wordt door de inlandsche hoofden meer en meer ingezien.

Alleen ter hoofdplaats hebben de inlandsche hoofden genoegzame belangstelling in een meer op de Europescbc wijze geregeld onder-wijs gesteld, om aldaar tot de oprigting van eene school te kunnen overgaan.

Geen berigten.

( 6 1 )

K E S I D E N T I E N .

Per transport Banjoemaas. • .

Bagelen

Aantal gouver-

nements-scholen.

17 1

Aantal scholieren

op ultimo December

1854.

550 41

155

Kadoe

Djokjokarta Soerakarta Madioen .

59

Patjitan

*eene 1 3

24 46

21

Kediri. 85

V E R D E R E B I J Z O N D E R H E D E N .

De school was achteruitgegaan, daar vele ouders en scholieren aanvankelijk te hooge verwach-ting van de toekomstige loopbaan van deze laatsten opgevat, en tevens, voor zooveel zij in andere afdeelingen dan die der hoofd-plaats woonden, door de te hooge kosten werden afgeschrikt.

De school ter hoofdplaats Poerworedjo heeft tot dusver minder gunstige resultaten op-geleverd dan die van Ambal en Keboemen.

Men verwachtte verbetering als een kweeke-ling van Soerakarta het onderwijs zou gaan opvatten.

De school te Magalang is van 88 op 40 leerlingen verminderd, daar 69 de school verlieten en er slechts 21 bij kwamen. Behalve de ongelegen-heid voor de ouders om hunne kinderen ver van huis te zenden, draagt hiertoe bij het bij vele hoofden bestaande beginsel, dat het godsdienstig en school-onderwijs niet zamen kunnen g a a n , en dat het eerste het laatste behoort vooraf te gaan.

Geene berigten.

Zie boven.

Het opgegeven getal leerlingen betreft alleen de school te Ponorogo ; die ter hoofdplaats Ma-dioen en te Magetan waren pas geopend.

Eerstgenoemde school beantwoordt aan de bedoeling. Men hoopte ook te Ngawi eerlang eene school op te rigten.

Gebrek aan kunde bij den onderwijzer belette den vooruitgang van het onderwijs. De leer-lingen komen gewillig ter school, gedragen zich zeer ordelijk en toonen uitmuntende leerlust en verstandelijke vermogens.

De school, te Toelong-Agong gevestigd, ver-minderde in het begin van dit jaar door mindere geschiktheid der beide inlandsche onderwijzers van 71 op 45. Hunne vervan-ging door C. J. Mulensteen, geëmploijeerde op het kantoor van den adsistent-resident, deed het getal aangroeijen tot het hiernevens genoemd cijfer. Het onderwijs was

bijzon-der voldoende.

Te zamen. 29 981

16

BÜIIENBEZITTISGEN,

Omtrent de hieronder te vermelden buitenbezittingen komen in het boven aangehaald verslag onder andere de volgende bijzonderheden voor.

Sumatra's Westlust. De gouvernementsschool te Padang, in 1853 opgerigt, telde op het eind van 1854 130 leerlingen en voldoet uitnemend. Aan het hoofd staat een Maleijer, neef van den hoofdregent van Padang, en hem zijn toegevoegd vier kweekelingen, waarvan drie mede Maleijers zijn, en een van Klingalesche afkomst.

Behalve deze school vindt men in de binnenlanden van dit gewest nog 15 scholen voor Maleische knapen, die onder het toezigt staan van de plaatselijke ambtenaren en afgescheiden zijn van die, welke door Mohammedaansche priesters worden bestuurd. Deze scholen telden 262 leerlingen. De resultaten, ofschoon niet geheel zoo gunstig als die van de school te P a d a n g , waren toch zeer voldoende.

Banka. In November van dit j a a r werd magtiging gegeven tot de oprigting eener school te Muntok voor kosteloos onderwijs aan een 30tal kinderen van inlanders in het lezen, schrijven en rekenen.

Celebes en onderhoorigheden. De in het vorige jaar plaats gehad hebbende oprigting van inlandsche scholen te Makassar en Maros werd in Februari) 1854 van gouverne-mentswege goedgekeurd, met tijdelijke beschikbaarstelling tevens van f 1200 's jaars.

Ter hoofdplaats wordt onder het speciaal toezigt van den secretaris voor de inlandsche zaken aan een 26tal kinderen van inlandsche hoofden en gegoede lieden onderwijs gege-ven dooreenen inlander, Abdoel Gapoer, in de Maleische, Makassaarsche en Boeginesche talen, het schrijven met inlandsche, Arabische en Nederduitsche k a r a k t e r s , het lezen en het rekenen. Ofschoon eerst sedert kort opgerigt, voldeed de school wel.

De drie scholen in de noorder-districten worden bezocht door 80 à 90 kinderen, en staan in het eerste district onder eenen Amboinees, in het tweede district onder een Javaan en in het derde onder eenen in Indie geboren Chinees. De kortheid van den tijd, sedert de oprigting verloopen, en de weinige ervaring van de onderwijzers in aanmerking genomen, was ook hier de uitkomst bevredigend.

Van de inrigtingen voor de opleiding van inlandsche genees- en verloskundigen in het militair hospitaal te Weltevreden is het noodige over dit j a a r medegedeeld in het hoofd-deel » Burgerlijke geneeskundige dienst", § 2.

K. K u n s t e n e n w e t e n s c h a p p e n .

Op het gebied van kunsten en wetenschappen bestond ook in 1854 weder blijkbaar vooruitgang; een verschijnsel des te belangrijker, als men in aanmerking neemt, d a t , be-houdens eenige weinige uitzonderingen, het landsdienaren zijn, die, ongeacht hunne vele ambtsbezigheden, daartoe hebben zamengewerkt.

Veel is ook wederom van gouvernementswege gedaan. Immers, afgescheiden van de lands-instellingen, die niet in geringe mate tot bevordering van den bloei der kunsten en wetenschappen medewerken, en die, naar gelang van haren werkkring, onder andere hoofden van dit Verslag worden behandeld, schroomde het Gouvernement niet, vele geldelijke offers daaraan te wijden en verleende het tevens ondersteuning en medewerking, d a a r , waar die gevraagd werd en de zaak zulks scheen te verdienen. De ondervolgende bijzonderheden zullen dit nader aantoonen.

Tijdschriften, dagbladen enz.

Toenemend was de belangrijkheid der in Indie verschijnende tijdschriften , en wel hoofd-zakelijk van : het Tijdschrift voor de Indische taal-, land- en volkenkunde, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen; het Natuurkundig tijdschrift, met ondersteuning van het Bataviaasch genootschap uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsen Indie ; het Geneeskundig Tijdschrift, uitgegeven door de Vereeniging tot bevordering der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch Indie; en het Tijdschrift voor Nijverheid, uitgegeven door de in 1854 tot stand gekomene Maatschappij

( 6 3 )

van Nijverheid. —Meer dan vroeger werd in dat jaar van deze tijdschriften door het Gou-vernement gebruik gemaakt tot openbaarmaking van verschillende belangrijke rapporten betreffende de wetenschappelijke werkzaamheden van vele gouvernements-ambtenaren.

Ofschoon deze stukken niet weinig bijdroegen tot verhooging van de waarde dier tijd-schriften , en het afstaan alzoo als een gunstbetoon kan worden aangemerkt, is het evenwel billijk voorgekomen, in het bijzonder aan de Natuurkundige Vereenigmg, even als in het vorige j a a r , eene geldelijke schadeloosstelling toe te kennen voor de groote kosten, aan de uitgave der aan haar afgestane rapporten verbonden.

W a t de overige tijdschriften en nieuwsbladen betreft, wordt alleen aangeteekend, dat zij gerrgeld zijn uitgegeven en ook van een streven naar uitbreiding getuigden. Opzettelijke vermelding verdient nog de in 1854 plaats gehad hebbende oprïgting te Soerakarta van eene voornamelijk voor de Javaansche taal bestemde drukkerij, door de Gebroeders Ilartevelt & CK, op wier verzoek in het laatst van dat j a a r tevens is toegestaan, om te dier plaatse, zoo dikwijls zij zulks raadzaam zullen achten, te drukken en u i t t e geven een Nieuwsblad in de Javaansche taal. (1)

Maatschappijen.

I n het vorige Verslag is behandeld de in 1853 plaats gevonden hebbende scheuring onder de leden van de afdeeling Batavia der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, waarvan de eene fractie gevormd had de zelfstandige Maatschappij tot Sut van 't Algemeen in Oost-Indie, welke, bij besluit van 2 November 1853, n \ 2 , door het Gouvernement werd erkend en toegelaten, en de andere fractie zich mede reeds tot den Gouverneur-Generaal had gewend, doch omtrent welker toelating bij het eind van dat jaar nog niet was beslist. Een nader request van die zijde ontvangen, waarbij getracht werd te betoogen, dat de afdeeling Batavia der Nederlandsche Maatschappij tot Nut van

*t Algemeen geene nieuwe erkenning of toelating noodig had, en waarbij ten slotte ver-zocht werd de afdeeling slechts in zoo ver te willen blijven kennen, als noodig is om haar de ongehinderde voortzetting van haren arbeid mogelijk te maken, leidde tot eene beschikking van den Gouverneur-Generaal, inhoudende: ,, dat geen bezwaar ' „ bestaat tegen 'de toelating der bedoelde vereening, zoo als zij in de aan het

Gou-„ vernement gerigte stukken wordt omschreven, en dat zij zal blijven toegelaten

zoo-„ lang daarvan niet wordt afgeweken; mits ook de middelen, die de vereemgmg zal

„ aanwenden tot bereiking van haar doel, niet in strijd zijn met de wet en met de

staat-„ kundige belangen dezer bezittingen." Na deze beschikking had de Gouverneur-Gene-raal er ook geene bedenking meer tegen om aan deze vereeniging, ofschoon zulks met bepaaldelijk was gevraagd, zijne persoonlijke ondersteuning en medewerking toe te zeggen.

Van de andere op Java opgerigte afdeelingen der Nederlandsche Maatschappij tot Nut van 't Algemeen blijkt nog, dat die te Soerabaija, in 1833 opgerigt, in den aanvang van het jaar 1855 120 contribuerende leden telde, en op ultimo December 1854 een voor-d e e l t salvoor-do van f 1989 in kas havoor-d, en voor-dat hare leesbibliotheek bestonvoor-d uit 500 boekvoor-dee- boekdee-len ° D e ambachtschool, waarvan in het hoofdstuk » Onderwijs" is melding gemaakt, en

de Javaansche school, behandeld in het gedrukt Verslag over het schoolwezen onder den inlander, zijn de uitvloeisels van deze instelling.

Boven is reeds melding gemaakt van de oprigting van eene Maatschappij van Nyvertiem en van de uitgifte door die maatschappij van een tijdschrift onder den titel van Iijdschnjt voor Nijverheid in Nederlandsch Indie.

gen enz.

Schouwburgen, muziek- en zangvereemgmge:

Het Bataviaaseh tooneel bleef gedurende 1854 uit gebrek aan personeel gesloten. De noodige maatregelen waren echter genomen tot ontbieding van een nieuw gezelschap I rau-sche tooneelisten. • , ,

T e Samarang, waar het tooneelgebouw sedert jaren mede gesloten was geweest, is üet in dit jaar aan°den heer F. G. Klatt gr., ingezeten dier plaats, gelukt, eemge jongelie-den, allen tot de zoogenaamde inlandsche kinderen behoorende, te vereenigen tot een tooneelgezelschap, dat geregeld eens in de maand eene voorstelling geeft. In de keus der

/ > r> i_ „ • , ,.., , , •„ ,o T^v,,iiri; i8r>A n° 5 4 . tot handhaviiif; van h e t

eip.en-( i ) Over h e t Koninklijk besluit van ïi Januari] IOJZJ., n . 04 , « o i e i „>c 0,-Miivpn in. Ho koloniën , zie hoorastuk M ; voor a e domsregt v a n d e n Staat op d e g o u v e r n e m e n t s - a i c n n e n m QC h "1' » " -1 >

o p e n b a a r m a k i n g van geregtelijke s t u k k e n , hoofdstuk F , § ?..

stukken bepaalt men zich tot vaudevilles en blijspelen, en deze worden, volgens getuigenis van den resident, over het algemeen vrij goed, sommige rollen zelfs zeer goed uitgevoerd.

Te Soerabaija had men een nieuw gebouw voor een schouwburg opgerigt, dat op het eind van dit jaar zoo goed als voltooid was. Daartoe w a s , geheel door vrijwillige bijdragen, een som van f 55,000 bijeengebragt ; van gouvernementswege was toegestaan de vrije aankoop der benoodigde houtwerken, en was kosteloos afgestaan het perceel waarop het gebouw is opgetrokken. Van dit nieuwe gebouw was reeds met goed gevolg gebruik gemaakt voor vocale en instrumentale concerten en voor tooneelvoorstellingen, uitgevoerd wordende door onderofficieren van het garnizoen.

Onder de muziek- en zangvereenigingen bekleedt eene eerste plaats de te Batavia geves-tigde Maatschappij van Toonkunst, die zich ook in 1854 op haar standpunt handhaafde.

Te Samarang is in 1854, onder den naam van St. Cecilia, een muziekgezelschap tot stand gekomen, waarvan al de leden, even als van het liefhebberij-tooneel, tot de zooge-naamde inlandsche kinderen behooren. Eens in de week vereenigt zich dit gezelschap tot het houden van repetitien in het tooneelgebouw, waarin ook eens in de maand een concert wordt gegeven. Bij tooneelvoorstellingen wordt het, orkest door deze vereeniging bediend.

Te Soerabaija bestond in 1854 een muziekgezelschap, in 1848 opgerigt, en eene in 1852 opgerigte liedertafel, Apollo genaamd.

Het tot dusver aangestipte geldt meer in het bijzonder hetgeen door maatschappijen en particulieren is gedaan; thans overgaande tot de vermelding van hetgeen meer regt-streeks van het Gouvernement is uitgegaan , verdient het volgende te worden aangeteekend.

L a n d - , taal- en volkenkunde.

De ambtenaar der 2de klasse A. B. Cohen Stuart, die, blijkens het Verslag van 1851 (pag. 68), na den afloop der vertaling van de Indische wetgeving, te Soerakarta is gelaten om zijne studiën in de Indische taal-, land- en volkenkunde voort te zetten, bleef ook in 1854 daarmede voortgaan, onder genot der hem toegekende bezoldiging van f400 's maands.

De heer B. H. Th. Friederich, die zich , in het algemeen als Indisch taalgeleerde en oudheidkundige, en in het bijzonder door zijne nasporingen op Bali verdienstelijk heeft gemaakt — zie de Verslagen van 1851, pagg. 69 en 70, en van 1852, pag. 6 5 , — genoot tot dusver uit 's lands kas slechts eene toelage, volstrekt ontoereikend om hem in staat te stellen zich de hulpmiddelen aan te schaffen, die hij bij zijne studiën niet missen kan.

Het Indisch bestuur verzocht en verkreeg, op grond hiervan, 's Konings magtiging om hem, in het belang van wetenschappelijke onderzoekingen in Nederlandsch Indie, toe te leggen eene vaste bezoldiging niet te bovengaande f 500 's maands, met toezegging, dat hem, na twintigjarige trouwe dienst, een pensioen zal worden verleend, berekend naar de algemeene grondslagen voor het toekennen van pensioen aan de burgerlijke ambte-naren aangenomen.

Van de opleiding van inlandsche translateurs voor de Balische taal is boven melding gemaakt in het hoofdstuk » Justitie en politie", I V , § 1. Evenzoo van het voor-nemen om twee of drie Europesche jongelieden aan het Nederlandsch consulaat te Canton te verbinden, ten einde hen grondig in de Chinesche talen te doen onderwijzen.

Met het in het vorig Verslag Vermelde voorstel van het Indisch bestuur, om de uitgave van de Afteekeningen der basreliefs en beelden van den tempel te Boro Boedoer, in de residentie Kadoe, hier te lande te doen plaats vinden, vereenigde het opperbestuur zich in dit j a a r , en de noodige maatregelen werden mitsdien genomen tot de verzending van die teekeningen naar Nederland.

Over hetgeen in den loop van het jaar verrigt is voor géographie en hydrographie, zie het hoof dstuk » Grondgebied", § 2 , en het hoofdstuk : » Militair beheer", Ildeafdeeling, § 4 a .

Natuurwetenschappen.

Blijkens het Verslag van 1852 (pag. 64) was de heer J. H. Crooclcewit Hz., doctor in de wis- en natuurkunde, op het laatst van 1852 tijdelijk belast geworden met chemische en mineralogische onderzoekingen in het belang van het mijnwezen of anderzins, en waâ hem daartoe de gelegenheid aangeboden in het laboratorium te Buitenzorg. Op zijn ver-zoek werd hem in den loop van 1854 opgedragen, den gouvernements-commissaris voor de Wester-afdeeling van Borneo te vergezellen tot het doen van zoodanige onderzoekingen van natuurkundigen a a r d , als hem door dezen zouden worden opgedragen, of door hem

( 65 )

zelven wenschelijk worden geacht. Zijne rapporten werden in het Natuurkundig Tijd-schrift openbaar gemaakt.

Met de uitgaven van het Plaatwerk over de visch-fauna van den Archipel, waarvoor, blijkens het vorig Verslag, door de Regering op voorstel van den heer dr. P. Bleeker de belangrijke som van f 22,000 beschikbaar was gesteld, was bij het einde van 1854, om dezelfde redenen als vroeger, nog geen begin gemaakt. Het scheen meer en meer te blijken, dat eene uitgave van zoodanigen omvang en belangrijkheid op Java niet zou kunnen gelukken en dat daartoe slechts buiten Nederlandsen Indie zou kunnen worden overgegaan. De heer Bleeler ging overigens ook in 1854 voort met de mede aldaar en in het Verslag van 1852 vermelde verzameling van visschen en andere naturalien , ten behoeve van 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden, welke door 's Gouver-nements tusschenkomst werden verzonden.

Weerkundige waarnemingen werden gedaan te Buitenzorg, Banjoewangi, Palembang, P a d a n g , Ban dj er masin, Amboina. Wahaai (Ceram) en Décima (Japan). De daarvan ontvangene tabellen werden gezonden aan het Koninklijk Meteorologisch Instituut te Utrecht.

De heer dr. J. K. van den Broek, die, blijkens het vorig Verslag, als geneesheer naar Décima was vertrokken en tevens, even als zijn voorganger dr. Mohnike, belast was met natuurkundige onderzoekingen, werd in dit j a a r op een vast tractement van f 500 'smaands benoemd tot°» Gouvernements-geneesheer en ambtenaar voor natuurkundige onderzoekin-gen in Japan".

Verzendingen naar Nederland.

Gedurende 1854 werden, behalve de hierboven reeds genoemde, nog meerdere verzen-dingen gedaan ten behoeve van vaderlandsche en buitenlandsche instellingen, als, onder andere, van verschillende bloemen van orchideën op spiritus, met aftcekeningen en verklaringen, ten behoeve der collectie door den oud-Gouverneur-Géneraal, den heer

Eochussen, aan het Departement van Kolonien afgestaan (zie het vorig Verslag), en van naturalien, door den ingenieur van het mijnwezen de Groot verzameld voor de academie te Delft en voor professor Göppert te Breslau. (Zie mede het vorig Verslag.)

De heer Haidinger, directeur van de Koninklijk-Keizerlijke geologische rijks-inrigting (Reichsanstalt) te Weenen, deed bij het Ministerie van Kolonien hier te lande aanzoek, om wetenschappelijke betrekkingen aan te knoopen met het mijnwezen in Nederlandsen Indie, en bood tot dat einde reeds dadelijk een geschenk aan van boekwerken omtrent dit onderwerp. Het Indisch bestuur, hiervan onderrigt, magtigde den ingenieur de Groot om, voor gouvernements-rekening, ten behoeve van die »Reichsanstalt", in te teekenen voor een exemplaar van het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indie, voor zoo-ver dit nog zoo-verkrijgbaar was ; om van de zoo-verzameling van mineralien, bij het archief van het mijnwezen voorhanden, de zoodanige aan de instelling af te staan, welke gemist kunnen worden en nog geene andere bestemming verkregen hebben; en om eenmaal in het j a a r , en buitendien dan wanneer het hoog noodzakelijk mögt zijn, het tijdschrift en de mineralien meteenen brief aan den directeur der » Reichsanstalt", te Weenen, door 's Gouvernements tusschenkomst te verzenden.

Système Vattemare.

De verwachtingen die men Indie hàd van h e t ruilings-systeem van' den heer Vattemare, voor de uitbreiding van de Indische gouvernements-boekerij (zie de Verslagen van 1852 en 1853) werden niet geheel bevredigd, en aan verreweg het grootste gedeelte der ten gevolge dier ruiling in Indie ontvangene werken moest eene andere bestemming gege-ven worden.

IJ # G e l d e l i j k b e h e e r . (1)

I . ALGEMEEN BEHEER.

In de eerste plaats verdient hier vermelding het tot stand komen, ten gevolge van een ( O Dit tot dusver in de verslagen gebruikt opschrift, ontleend aan den werkkring der Generale Directie van Fmantien (over welken zie het Verslag van i 8 49, bladzz. 97 en 9 8 ) , is behouden, daar de Generale Directie dit jaar nog in wezen bleef. Hare intrekking had eerst in het volgende jaar plaats, krachtens een Koninklijk besluit van 6 Februari) i855 (Indisch Staatsblad n°. 23 ) .

ir

Koninklijk besluit van 4 November 1854, n°. 40, van eene vijfde directie van algemeen

burgerlijk bestuur. In het vorig Verslag (pag. 87) is reeds aangetoond, dat het Indisch

bestuur destijds, onder nadere goedkeuring des Konings, er toe was overgegaan, den

directeur der producten en civile magazijnen te ontheffen van de ïntendentie over 's lands

gebouwen en werken, niet staande onder militair beheer, en die intendentie op te dragen

aan eenen chef, regtstreeks ondergeschikt aan den Gouverneur-Generaal. Deze tijdelijke

Koninklijk besluit van 4 November 1854, n°. 40, van eene vijfde directie van algemeen

burgerlijk bestuur. In het vorig Verslag (pag. 87) is reeds aangetoond, dat het Indisch

bestuur destijds, onder nadere goedkeuring des Konings, er toe was overgegaan, den

directeur der producten en civile magazijnen te ontheffen van de ïntendentie over 's lands

gebouwen en werken, niet staande onder militair beheer, en die intendentie op te dragen

aan eenen chef, regtstreeks ondergeschikt aan den Gouverneur-Generaal. Deze tijdelijke

In document BIBLIOTHEEK KTLV (pagina 65-72)