RESULTATEN QUICKSCAN

In document Natuurtoets Rho Adviseurs Friesestraatweg te Groningen (pagina 10-15)

2.1 Flora

De vegetatie van het plangebied wordt vooral gevormd door beplanting op de oever van het Reitdiep, waaronder enkele bomen (gewone es). De oever van het Reitdiep bestaat uit een voedselrijke ondergrond met algemenere plantensoorten als paarse dovenetel, ooievaarsbek (spec.), witte klaver, straatgras, Engels raaigras, smalle weegbree, speerdistel, kleefkruid, klaver, braam, grote brandnetel en reuzenbereklauw. Hiernaast zijn ook op de parkeerplaatsen van het plangebied planten aanwezig. Het gaat hierbij vooral om pionierssoorten zoals

straatgras. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Wnb beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan.

De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.

Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied met v.l.b.n.r.o.: grote brandnetel, smalle weegbree, witte klaver en reuzenbereklauw.

5

2.2 Vogels

2.2.1 Jaarrond beschermde vogelnesten

Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Deze zijn echter niet aangetroffen, op basis waarvan het voorkomen op voorhand kan worden uitgesloten. Voor de autogarage daarentegen geldt dat de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten niet op voorhand kan worden uitgesloten. In dit gebouw bevinden zich namelijk potentiële

nestlocaties van de huismus en de gierzwaluw in de vorm van gaten en kieren waarin deze soorten tot broeden kunnen komen (figuur 2.2). Al hoewel de gierzwaluw een voorkeur heeft voor hogere gebouwen, kan het voorkomen op basis van de hoogte van het gebouw niet op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.2. potentiële verblijfplaatsen voor de gierzwaluw en de huismus.

2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten

Naast jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Deze nesten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Ten tijde van de quickscan werden soorten als de roodborst, pimpelmees en scholekster aangetroffen. Deze soorten kunnen potentieel in het plangebied tot broeden komen. Vooral de oever van het Reitdiep waar veel riet en bossages aanwezig zijn biedt veel mogelijkheden voor broedvogelsoorten zoals de meerkoet (figuur 2.3).

Hoewel deze oever binnen het planvoornemen niet aangepast zal worden, kunnen de werkzaamheden binnen het plangebied potentiële broedende vogels verstoren.

6

Hiernaast vindt de soort scholekster vaak broedgelegenheid op platte daken. De autogarage is voor deze soort geschikt. Tijdens het veldbezoek nam er zelfs een exemplaar plaats op het dak van de autogarage.

Figuur 2.3. De oever van het Reitdiep biedt mogelijkheden voor broedvogels.

 Het voorkomen van verblijfplaatsen van huismussen en gierzwaluwen in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.

 Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten weliswaar geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces.

2.3 Zoogdieren

2.3.1 Vleermuizen

Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In de bomen binnen het plangebied zijn geen holten aangetroffen, waardoor het voorkomen van verblijfplaatsen in bomen op voorhand kan worden uitgesloten.

In het gebouw van de autogarage zijn wel kieren en gaten aangetroffen die als ingangen naar verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen fungeren (figuur 2.4). Tevens kan niet uitgesloten worden dat de spouwmuren van dit gebouw toegankelijk zijn. Hierdoor kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen binnen het plangebied niet worden

uitgesloten.

Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. Als vliegroute worden afhankelijk van de soort

waterlichamen, bosranden, bomenlanen of gebouwen gebruikt. Het Reitdiep dat ten oosten langs het plangebied stroomt, vormt waarschijnlijk een essentiele vliegroute en/of

foerageergebied voor soorten als de meervleermuis. Dit correspondeert met meerdere waarnemingen van deze soort binnen 200 meter van het plangebied en boven het Reitdiep (bron: NDFF). Negatieve effecten op essentiële vliegroutes of foerageergebieden kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten.

7

Figuur 2.4. In het gebouw van de autogarage zijn kieren en gaten aanwezig die mogelijk ingangen vormen naar verblijfplaatsen van vleermuizen.

2.3.2 Overige zoogdieren

Het voorkomen van verblijfplaatsen van de meeste overige beschermde zoogdiersoorten, zoals de boommarter, otter en waterspitsmuis, kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen (ontbreken grote boomholten en burgten, ruigten en geschikte, permanente wateren binnen de invloedsfeer). Uitzondering hierop is de steenmarter. De gebouwen in het plangebied zijn toegankelijk voor steenmarters, een soort die op basis van het habitat niet zomaar kan worden uitgesloten. Toch zijn er van deze soort geen sporen aangetroffen. De verwachting is dan ook dat er in de gebouwen binnen het plangebied geen steenmarters verblijven. Dit kan echter niet volledig worden uitgesloten, omdat sporen zich vaak in gebouwen zelf bevinden. Binnen het plangebied kunnen tevens andere lichter beschermde (vrijgestelde) zoogdiersoorten voorkomen, zoals de huismuis.

De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet op voorhand worden uitgesloten.

Negatieve effecten op vliegroutes en/ of foerageergebieden van vleermuizen binnen en/of vlak buiten het plangebied kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.

De aanwezigheid van verblijfplaatsen van steenmarters in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.

Naar alle waarschijnlijkheid komen er tevens andere lichter beschermde

zoogdiersoorten voor die onder deze vrijstelling vallen. Voor deze soorten geldt slechts de zorgplicht (zie Bijlage I).

8

2.4 Vissen, reptielen & amfibieën en ongewervelden

Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten van de overige diergroepen kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (NDFF) en habitateigenschappen. Door de afwezigheid van geschikt voortplantingswater in en buiten het plangebied, is het uitgesloten dat er in het plangebied beschermde amfibieën, vissen, mollusken of libellen(larven) voorkomen. Het voorkomen van andere beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten, bijvoorbeeld op basis van de afwezigheid van waardplanten van beschermde vlindersoorten.

Voor andere, meer algemene, (vrijgestelde) soorten die in het plangebied aangetroffen kunnen worden, zoals gewone pad of kleine watersalamander, geldt de zorgplicht (Bijlage I).

Het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten uit de overige diergroepen kan op voorhand worden uitgesloten.

In het plangebied komen naar alle waarschijnlijkheid licht beschermde soorten voor, zoals verschillende soorten amfibieën. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).

2.5 Gebiedsbescherming

Tijdens de bureaustudie zijn geen vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied valt niet onder de EHS/NNN of Natura2000 en is niet aangewezen als ganzenfoerageergebied of weidevogelgebied.

Voor wat betreft het plangebied is er geen sprake van gebiedsbescherming.

2.6 Houtopstanden

Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- of herplantingsplicht. In het geval van de beoogde werkzaamheden worden er geen bomen gekapt. Hierdoor vallen deze werkzaamheden niet onder een meld- of herplantingsplicht.

Er is geen sprake van een meld- of herplantplicht, omdat er geen bomen worden gekapt.

9

3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES

In document Natuurtoets Rho Adviseurs Friesestraatweg te Groningen (pagina 10-15)