DE RESIDENTIE MENADO \)

In document REGELING VAN HET RECHTSWEZEN (pagina 194-200)

HOOFDSTUK I.

V a n d e r e g t e r l i j k e o r g a n i s a t i e en h e t b e l e i d d e r j u s t i t i e .

TITEL I.

Algemeene bepalingen.

Art. 1. Voor zoover de regtsbedeeling niet krachtens met hen »esloten kontrakten is overgelaten aan de radja's en grooten der verschillende tot de residentie Menado behoorende rijkjes of voorbehouden aan bijzondere regt-banken, bekend onder den naam van rijksraden2), is de uitoefening der regterlijke magt in dat gewest, onverminderd de regtsmagt van den mili-tairen regter en die, bij het reglement tot regeling van het regtswezen in het Gouvernement Celebes en Onderhoorigheden aan den Eaad van Justitie te Makasser en bij het reglement op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie in Indie' aan het hoog-geregtshof van Nederlandsch-Indie' toegekend, opgedragen aan:

de distriktsgeregten, de magistraten , de landraden,

de residentiegeregten (Stbd. 1882 no. 3 4 , Cel. 1.)

Art. 2. Het Ie, het 5e, het 6e en het 7 e hoofdstuk van het reglement op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie in Nederlandsch-Indie' zijn toepasselijk, met dien verstande:

1°. dat onder de arbitrale vonnissen, vermeld in art. 163 no. 2 van dat reglement, ook begrepen zijn die, gewezen in de residentie Menado;

2°. dat ook de in het 5e hoofdstuk van dat reglement vermelde voorschriften aangaande het middel van cassatie toepasselijk zijn op de in het eerste en tevens in het hoogste ressort door de landraden gewezen vonnissen in burgerlijke zaken en in zaken van overtreding. (Cel. 2.)

TITEL I I3) .

Van de distriktsgeregten.

Art. 3. In elk distrikt is een distriktsgeregt. (Cel. 3.)

') Stbd. 1882 no. 82 eu 217 en 1883 no. 9 3 . Zie Circulaire il 11 3808.

-') Stbd. 1882 no. 28.

•>) Zie art. 2 van Stbd. 1882 no. 1 9 , hiervoor pag. 172.

Art. 4. Het distriktsgeregt bestaat uit het distrikshoofd, bijgestaan door zoovele en zoodanige hem tot raadslieden dienende mindere hoofden, als daartoe door den resident, met inachtneming der onder de inheemsclie be-volking bestaande gewoonten, zullen worden aangewezen. (Cel 4.)

Art.' 5. Bij afwezigheid, belet of ontsteltenis, wordt het distrikts-hoofdin de uitoefening der hem bij dit reglement opgedragen function vervangen door het op hem in rang volgende hoofd. (Cel. 4.)

Art. 6. De distriktsgeregten oordeelen in eersten aanleg:

1°. over alle door inlanders of met dezen gelijkgestelde personen tegen eigenlijk gezegde inlanders (onderhöorigen der negorijen) ingestelde burgerlijke regtsvorderingen, wanneer de waarde in geschil niet meer beloopt dan f 50 ;

2°. over alle klagten tegen eigenlijk gezegde inlanders (onderhöorigen der negorijen) ter zake van overtredingen van wettelijke bepalingen, op welke is gesteld eene geldboete , niet te bovengaande de som van ƒ 15 of eene gevangenisstraf voor den tijd van een tot zes dagen. (Cel. 5. en Stbd. 1883 n". 12.)

Art. 7. De vonnissen der distriktsgeregten in burgerlijke zaken zijn vat-baar voor hooger beroep aan den landraad, wanneer de waarde in geschil meer bedraagt dan /' 20.

Van dj uitspraken der distriktsgeregten in zaken van overtreding valt hooger beroep aan den magistraat, binnen wiens ressort het distrikt gelegen is, wanneer op de overtreding eene geldboete is gesteld van een hooger be-drag dan ƒ 3 of gevangenisstraf. (Cel. 6.)

Art. 8. De distriktsgeregten zijn onbevoegd om kennis te nemen van eenige overtreding in zaken van pachten en belastingen. (Cel. 7.)

Art. 9. Het regtsgebied der distriktsgeregten strekt zich niet verder u i t , dan de grenzen van het distrikt, waarover het hoofd is gesteld. (Cel 8.

en Stbd. 1884 n». 8 5 ; Stbd. 1881 n". 1 9 ; Stbd. 1884 n°. 226.)

TITEL III.

Van de magistraloi.

Art. 10. Met de uitoefening der magistratuur zijn belast de in het ge-west bescheiden europesche gezagvoerende ambtenaren bij het binnenlandsch bestuur, ieder binnen de grenzen van het gebied, waarover hem het dagelijksch bestuur of, voor zooveel de niet onder regtstreeksch bestuur staande land-schappen betreft, het dagelijksch toezigt is opgedragen. (Cel. 9.)

Art. 11. De magistraten nemen kennis van alle binnen hun ressort inge-bragte klagten tegen inlanders of met dezen gelijkgestelden, ter zake van overtredingen, waarop geene zwaardere straf is gesteld, dan eene geldboete van f 100, tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van drie maanden of gevangenisstraf van acht dagen, met of zonder verbeurdverklaring ; wat de eigenlijk gezegde inlanders (onderhöorigen der negorijen) betreft, voor zooverre de zaak niet behoort tot de bevoegdheid der distriktsgeregten. (Cel. 10.)

Art. 12. De magistraten , met uitzondering van die te Menado en Gorontalo , oordeelen daarenboven, ieder binnen zijn ressort, over alle burgerlijke regts-vorderingen, ingesteld tegen niet tot de eigenlijk gezegde inlanders (onder-höorigen der negorijen) behoorende inlanders en met dezen gelijkgestelde personen, wanneer het onderwerp van het geschil eene waarde heeft van niet meer dan f 50.

De uitspraken der magistraten in de zaken, bedoeld bij dit en het

I. 12

voorgaande artikel, zijn aan geenerhande voorziening onderhevig. (Cel 10.) Art. 13. De magistraten nemen in het hoogste ressort kennis van de aan hooger beroep onderworpen vonnissen der distriktsgeregten in zaken van overtreding. (Cel. 11.)

Art. 14. Bij de regtspraak der magistraten is, wanneer eigenlijk gezegde inlanders (onderhoorigen der negorijen) in regten betrokken zijn, tegenwoordig hun distriktshoofd en anders het hoofd van den betrokken persoon, waai-er een zoodanig is aangesteld.

Bovendien is bij de regtspraak der magistraten te Menado en Gorontalo tegenwoordig de inlandsche officier van justitie, als vervullende de function van het openbaar ministerie. (Cel. 12.)

Art. 15. De resident wijst de ambtenaren aan, die, bij afwezigheid, be-l e t of ontstentenis van de magistraten, bevoegd zijn de aan dezen toege-kende regtsmagt uit te oefenen.

De resident kan ook, in zoodanig geval, de uitoefening der magistratuur op zich nemen. (Cel. 13.)

TITEL IV.

Van de landraden.

Art. 16. Op de hoofdplaats der residentie en op die van de afdeelino-Gorontalo is een landraad gevestigd. (Cel. 14.)

Art. 17. De president is bevoegd om, wanneer daarvoor gewigtio-e redenen bestaan, den landraad te doen vergaderen buiten de plaats, waar deze ge-vestigd is. (Cel. 15.)

Art. 18. De landraad te Menado houdt wekelijks, die te Gorontalo ten minste eens in de veertien dagen zitting op een bepaalden dag, doch moet buitendien zoo dikwijls belegd worden, als de dienst der justitie vereischt.

(Cel. 16.)

Art. 19. De landraden bestaan uit zoovele leden, als daartoe door den gouverneur-generaal uit de voornaamste en bekwaamste inlanders zullen worden benoemd, voorgezeten te Menado door een Europeschen regter, te Gorontalo door den assistent-resident, en bijgestaan door een griffier of, voor zooveel den landraad te Gorontalo betreft, indien geen zoodanig ambtenaar bij die regtbank is aangesteld, door een anderen daartoe door den resident aangewezen beambte. (Cel. 17.)

De voorzitter van den landraad te Menado moet den ouderdom van 2 5 , de griffier dien van 23 jaren hebben bereikt ; zij moeten zijn Nederlanders en den graad van doctor in de regtswetenschap bezitten ; de gouverneur-generaal is bevoegd om met opzigt tot den griffier van dit laatste vereischte dispensatie te verleenen. (Cel. 19.)

Art. 20. ') Tot het wettiglijk houden van een landraad wordt vereischt de tegenwoordigheid van den president en ten minste twee leden van den inlandschen officier van justitie en van den griffier, zoomede, wanneer de beklaagde of gedaagde de mohamedaansche godsdienst belijdt, van een mo-hamedaanschen priester en anders van een tot den landraad van den be-klaagde of gedaagde behoorend hoofd (wanneer namelijk zoodanig hoofd geen zitting in de rechtbank heeft), of bij ontstentenis van een zoodanig, van een ander tot dien landraad behoorend, daartoe door den president aan te wijzen geschikt persoon, als adviserend lid. (Cel. 18.)

') Zie Stbd. 18S2 no. 247 en 1883 no. 93.

Art. 21. Ingeval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den voorzitter van den landraad te Menado, worden diens function voorloopig, — in af-wachting dat een ander daartoe door den gouverneur-generaal, hetzij tijdelijk, hetzij definitief, aangewezen ambtenaar is opgetreden, — waargenomen dooi-den residooi-dent.

In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den voorzitter van den landraad te Gorontalo, wordt door den resident tijdelijk in de waar-neming van diens functie'n voorzien.

In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den bij de landraden aangestelden griffier, wordt door den resident een ander ambtenaar, die niet behoeft te voldoen aan de eisenen, voor den griffier gesteld bij art. 19 , met de tijdelijke waarneming dier betrekking belast, en zulks op schriftelijk verzoek van den voorzitter der betrokken regtbank, ingeval de resident niet zelf als zoodanig optreedt. (Cel. 20.)

Art. 22. Met uitzondering der zaken, waarvan de beregting aan andere regtbanken, geregten en regters is opgedragen, en met inachtneming van het voorschrift van art. 6 van het reglement op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie in Nederlandsch-Indie, nemen de landraden in eersten aanleg kennis:

1°. van alle burgerlijke regtsvorderingen, ingesteld tegen inlanders of met dezen gelijkgestelde personen ;

2°. van alle misdrijven, begaan door inlanders of met dezen gelijkgestelde personen ;

3°. van alle overtredingen van reglementen van policie en van plaatselijke keuren, alsmede van wettelijke bepalingen van algemeenen aard, be-gaan door inlanders of met dezen gelijkgestelde personen. (Cel. 21.) Art. 23. Van de uitspraken der landraden wordt hooger beroep aan den raad van justitie te Makasser toegelaten :

1 °. in de zaken, vermeld bij het eerste nummer van het voorgaand artikel, wanneer de vordering loopt over eene som of waarde van meer dan ƒ 5 0 0 ; 2°. in de zaken, vermeld bij het derde nummer van het voorgaand artikel, wanneer het hoogste bedrag der op de overtreding gestelde boete meer dan ƒ 500 beloopt, of indien , hetzij gelijktijdig met, hetzij zonder eenige geldboete , eene andere zwaardere straf of wel verbeurdverklaring van bij-zondere voorwerpen op overtreding is gesteld. (Cel. 22.)

Art. 24. Alle vonnissen in zaken van misdrijf, door de landraden gewezen, zijn, wanneer zij geene vrijspraak inhouden, onderworpen aan de revisie van den raad van justitie. (Cel. 23.)

Art. 25. De landraden nemen in het hoogste ressort kennis van de aan hooger beroep onderworpen vonnissen der distriktsgeregten in burgerlijke zaken.

Art. 26. Het regtsgebied van den landraad te Menado strekt zich uit over de geheele residentie, met uitzondering van dat gedeelte, dat tot het regtsgebied van den landraad te Gorontalo behoort.

Het regtsgebied van den landraad te Gorontalo strekt zich uit over de afdeeling Gorontalo, met inbegrip der niet onder regtstreeksch bestuur staande landschappen, waarover het toezigt aan den assistent-resident dier afdeeling of de onder hem gestelde europesche gezagvoerende ambtenaren is opge-dragen. (Cel. 24.)

TITEL V.

Van de residenliegeregten.

Art. 27. Te Menado en te Gorontalo zijn residentiegeregten, wier

regts-gebied zich evenver uitstrekt als dat van de op die plaatsen gevestigde landraden. (Cel. 25. 32.)

Art. 28. Het residentiegeregt houdt te Manado ten minste eenmaal 's weeks, te Gorontalo ten minste eenmaal om de veertien dagen op een bepaalden dag zitting.

Met toestemming van den gouverneur-generaal kunnen door het residen-tiegeregt binnen zijn regtsgebied ook op andere dan de beide genoemde plaatsen zittingen worden gehouden. (Cel. 31.)

Art. 29. Het residentiegeregt wordt gehouden door den ambtenaar, die ter plaatse, waar het geregt gevestigd is, den landraad voorzit, bijgestaan door den griffier dier regtbank of, indien geen zoodanig ambtenaar bij die regtbank is aangesteld, door een anderen door den resident aan te wijzen europeschen beambte als griffier.

In geval van afwezigheid , belet of ontstentenis van den ambtenaar, die het residentiegeregt houdt, of van den griffier, gelden de voorschriften van art. 21. (Cel. 26 en 27.)

Art. 30. Het openbaar ministerie bij de in dezen titel bedoelde geregten wordt waargenomen door den magistraat ter plaatse, waar het geregt zit-ting houdt, of diens wettigen vervanger. (Cel. 30.)

Art. 31. Het residentiegeregt oordeelt, behoudens de voorschriften van het Koninklijk besluit van 3 November 1866, no. 73 (Indisch staatsblad 1867, no. 10), in eersten aanleg:

1°. over alle burgerlijke regtsvorderingen, welke de som of waarde van f 500 niet te boven gaan, ingesteld tegen Europeanen of met dezen ge-lijkgestelde personen, en tegen inlanders of met dezen gege-lijkgestelden personen, wanneer deze, voor zoo ver de zaak in geschil betreft, krach-tens wettelijke voorschriften of tengevolge van overeenkomst aan de voor Europeanen vastgestelde wettelijke bepalingen zijn onderworpen;

2°. over alle klagten, ingebragt tegen Europeanen of met dezen gelijkge-stelde personen, betrekkelijk overtredingen van reglementen van policie en van plaatselijke keuren, gelijk mede van de wettelijke verordeningen op het stuk van 's lands middelen en pachten en alle andere algemeene verordeningen, wanneer op de overtreding geene zwaardere straf is

ge-steld dan gevangenis van drie maanden en eene geldboete van ƒ500 gezamenlijk of afzonderlijk, met of zonder verbeurdverklaring van bij-zondere voorwerpen, daarvan uitgezonderd overtredingen van ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en anderen ambtenaren, in de uitoefening van hunne functië'n begaan. (Cel. 28.)

Art. 32. Van de vonnissen, gewezen in de zaken, bedoeld in het voor-gaande artikel, valt hooger beroep van den raad van justitie:

In die, vermeld onder n°. 1, wanneer de gedane vordering meer bedraagt dan / 7 5 ;

In die, vermeld onder n°. 2 , wanneer het hoogste bedrag der tegen de overtreding bedreigde geldboete meer dan f 50 beloopt, of indien, het-zij met, hethet-zij zonder eenige geldboete, eene andere zwaardere straf of wel verbeurdverklaring van bijzondere voorwerpen op de overtreding is gesteld.

(Cel. 29.)

• Slotbepalingen van dit hoofdstuk.

Art. 33. De leden der landraden en de inlandsche officieren van justitie leggen, alvorens hunne bediening te aanvaarden, te Menado in handen van den resident, te Gorontalo in handen van den assistent-resident, den na-volgenden eed af:

De leden:

Ik beloof en zweer geene giften of geschenken te zullen aannemen van eenig persoon, die voor den landraad in eenige zaak betrokken is of daar-bij eenige zaak uitstaande heeft; dat ik als lid van den landraad met ijver, naar mijn beste kennis en geweten, zal werkzaam zijn, zonder van mijne verpligtingen om lief of leed, vriendschap of vijandschap, gunst of ongunst, af te wijken en dat ik steeds, gelijk een vroom en eerlijk regter betaamt, zal regtspreken."

De inlandsche officieren van justitie en hunne adjunkten:

„Ik beloof en zweer, dat ik de mij opgedragen bediening met ijver, eer-lijkheid en onzijdigheid, zonder aanzien van persoon, zal waarnemen; dat ik nimmer eenige giften of geschenken zal aannemen van eenig persoon, van wien ik weet of vermoed, dat hij eenige zaak heeft of zal krijgen, in welke mijne ambtsverrigtingen zouden kunnen te pas komen ; en dat ik mij bij 'de uitoefening mijner bediening in alles zal gedragen overeenkomstig 'de wettelijke bepalingen en de krachtens dezen aan mij gegeven instruction

en bevelen." (Cel. 60.)

Art. 34. De personen, welke krachtens art. 20 van dit reglement geroe-pen worden de zittingen van den landraad als adviseurs bij te wonen, leggen in handen van den president af den eed, voorgeschreven bij art. 8 van het reglement op de régterlijke organisatie en het beleid der justitie in Neder-landsch-lndië. (Cel. 61.)

Art. 35. Alle verdere verpligtingen der in dit hoofdstuk vermelde rég-terlijke autoriteiten en van de aan dezen toegevoegde of ondergeschikte amb-tenaren worden vastgesteld bij de volgende hoofdstukken van dit reglement.

(Cel. 62.)

HOOFDSTUK II.

V a n d e r e g t s p l e g i n g i n b u r g e r l i j k e z a k e n .

TITEL I.

Van de regtspleging in burgerlijke zaken voor de distrikts-geregtcn en magistraten.

Art. 36. De distriktsgeregten en de magistraten houden, zooveel moge-lijk, éénmaal 's weeks op eenen vastgestelden dag de eersten ter hoofdplaats van het distrikt, de anderen ter hoofdplaats van hun ressort, zitting tot afdoening der burgerlijke zaken, waarvan de kennisname hun bij het vorige hoofdstuk is opgedragen.

De magistraten kunnen bovendien, zulks noodig achtende, ook elders binnen hun ressort zitting houden. (Cel. 63.)

Art. 37. De eischer doet zijne vordering mondeling of schriftelijk ter teregtzitting.

Hij legt daarbij alle zoodanige bescheiden, als hij dienstig acht. (Cel. 64.) Art. 38. Wanneer de verweerder niet tegenwoordig is, gelast het distrikts-hoofd of de magistraat partijen, voor zooveel den verweerder betreft door middel van een minder hoofd of eenen policiebeambte om met hare ge-tuigen op eenen bepaalden dag voor het geregt te verschijnen. (Cel. 65.)

Art. 39. Wanneer alsdan de eischer niet verschijnt, wordt de zaak

ge-houden voor vervallen, bege-houdens het regt van den eischer, om zijne vor-dering op nieuw voor te brengen.

Wanneer de verweerder, behoorlijk opgeroepen zijnde, ten bepaalden dage afwezig blijft, en er van geene wettige reden van verhindering blijkt, wordt de vordering van den eischer toegewezen, ten ware zij bevonden wordt onregtmatig of ongegrond te zijn, in welk geval zij wordt ontzegd.

Indien beide partijen verschenen zijn, worden zij, benevens de getui-gen , indien zij die nebben voorgebragt, gehoord en wordt vervolgetui-gens uit-spraak gedaan.

Partijen kunnen zich door een of mondeling ter teregtzitting of schrifte-lijk gestelden gemagtigde doen vertegenwoordigen.

Bij de uitspraak wordt het bedrag bepaald der vergoeding, volgens door het gouvernement vastgesteld tarief door den succumbant verschuldigd aan de voorgebragte getuigen. (Cel. 6b' en 68.)

Art. 40. De artikelen 78, 7 9 , 80, 8 1 , 8 2 , 83 en het laatste lid van artikel 85 zijn op het getuigenverhoor toepasselijk.

Indien een getuige niet vrijwillig verschijnt, gelast het distriktshoofd of de magistraat diens oproeping en kan wijders bevelen, dat hij, bij niet vrijwillige verschijning, door de openbare magt ter teregtzitting worde ge-bragt ten einde aan zijne verpligting te voldoen. (Cel. 67.)

Art. 41. Alvorens eene beslissing te nemen, zijn de distriktshoofden ver-pligt om de in het distriktsgeregt als raadslieden zitting hebbende hoofden en de magistraten om het hoofd, dat ingevolge art. 14 van dit reglement bij hunne regtspleging tegenwoordig is, te raadplegen. (Cel. 69.)

Art. 42. Van al het verhandelde bij de in dezen titel vermelde geregten, bepaaldelijk ook van de door de raadslieden geuite gevoelens en van de ge-dane uitspraken, wordt door de distriktshoofden en de magistraten aantee-kening gehouden in een register, waarvan maandelijks, voor zoover de in dat tijdsverloop behandelde zaken betreft, door tusschenkomst van den resi-dent, een afschrift wordt gezonden aan den president van den landraad te Menado. ')

Deze is bevoegd, om op de behandeling der zaken, voor zoover niet in hooger beroep is gegaan, zoodanige bemerkingen aan het distriktshoofd of den magistraat te maken, als hij nuttig en noodig oordeelt.

Hij houdt van zijne bemerkingen aanteekening op het hem toegezonden afschrift van het register.

Het hoog-geregtshof is bevoegd om zich dit afschrift ten allen tijde te doen voorleggen. (Cel. 70 en Stbd 1882 no. 235.)

Art. 43. Het voornemen, om van eene uitspraak in hooger beroep te komen, moet aan het betrokken distriktshoofd worden bekend gemaakt bin-nen tien dagen na de uitspraak, of, indien de apellant niet bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, na de hem op last van het distriktshoofd gedane bekendmaking van het vonnis.

Deze houdt daarvan aanteekening op het in art. 42 bedoeld register en doet daarvan, onder toezending van een uittreksel uit zijn register, voor zoover de zaak betreft, uitdrukkelijk mededeeling aan den president van den landraad. (Cel. 71.)

Art. 44. De vonnissen in zaken , welke niet voor hooger beroep vatbaar zijn, zijn dadelijk uitvoerbaar; de andere, zoo geen hooger beroep is aan-geteekend, zoodra de termijn van appel verstreken i s , en anders, zoodra

') Zie lijst van Errata achter het Stbd otScieele uitgave.

In document REGELING VAN HET RECHTSWEZEN (pagina 194-200)