Overzicht van de verschillende landbouwgewassen 2 )

In document N E D E R L A N D S C H - I N D I Ë OVER HET JAAR 1937 (pagina 76-95)

Groothandelsprijzen der voornaamste landbouwproducten v ,

2. Overzicht van de verschillende landbouwgewassen 2 )

a. G r a n e n A a n p l a n t en productie

Java en Madoera

Saivah-padi (inclusief gogorantja). H e t totale sawah-padi-areaal bedroeg 3 638 434 ha, togen 3 607 457 ha in 1936 en 3 383 954 ha gemiddeld in 1927/36.

Do mislukkingen waren in 1937 grooter dan in 1936 (162 610 ha, tegen 132 117 ha in 1936 en 167 029 ha gemiddeld in 1927/36). D e geoogste (geslaagde)

1) Met inbegrip van de niet te specificeeren ondernemingsproducties.

2) Voor zoover niet uitdrukkelijk anders vermeld, hebben de onder ,,a. Granen" en ,,b. Andere eenjarige gewassen" vermelde cijfers en gegevens uitsluitend betrekking op den Inlandsclien landbouw.

LANDBOUW

uitgestrektheid was practiseli even groot als in 1936 en bedroeg 3 475 824 ha, tegen 3 475 340 ha in 1936 en 3 216 925 ha gemiddeld in 1927/36.

Relatief vond wederom de grootste uitbreiding t e n opzichte van h e t tienjarig gemiddelde plaats in h e t tweede halfjaar, d. i. de periode van den oostmoesson-aanplant.

V a n de totale mislukkingen in 1937 k w a m e n 11 % voor in W e s t - J a v a , 16 % in Midden-Java en 73 % in Oost-Java. D e belangrijkste mislukkingen werden gerapporteerd u i t de residenties Bodjonegoro (74 770 h a ) , Soerabaja (18 554 h a ) , Madoera (10 047 h a ) , J a p a r a / K e m b a n g (9927 h a ) en Kediri (7514 h a ) . D e mislukkingen, welke meerendeels betrekking h a d d e n op streken m e t een riskante padi-cultuur, werden voor ruim 70 % veroorzaakt door ziekten en plagen, vooral mentek, en verder door droogte, overstroomingen en andere oorzaken.

Volgens de gebruikelijke m e t h o d e is de totale opbrengst v a n sawah-padi op J a v a en Madoera in 1937 geschat op 74 469 598 quintal en droge padi, tegen 74 760 796 quintalen in 1936 en 67 758 769 quintalen gemiddeld in 1927/36. Aan de h a n d van deze cijfers wordt de gemiddelde opbrengst voor J a v a en Madoera in 1937 geraamd op 21,4 quintalen droge padi per geslaagde hectare, tegen 21,5 q / h a in 1936 en 21,1 q / h a gemiddeld in d e jaren 1927/36.

Padi-gogo. D e geoogste (geslaagde) uitgestrektheid padi-gogo bedroeg m 1937 391 212 ha, tegen 397 763 ba in 1936 en 424 914 ha gemiddeld in 1927/36.

Sedert 1934 is d e gogo-cultuur vrij belangrijk achteruit gegaan t e n opzichte van de d a a r a a n voorafgegane jaren. Vergeleken bij h e t veeljarig gemiddelde is de gogo-cultuur in 1937 voorai ingekrompen in Banjoemas, Semarang, Kediri, Kedoe, 'Soerakarta, Batavia, Besoeki en B a n t a m . I n hoeverre deze achteruitgang wordt veroorzaakt door omzetting van droge gronden in sawahs, is n i e t bekend.

V a n de belangrijkste padi-gogo-gebieden werd in Buitenzorg, Malang, Kediri en Madioen meer, in Priangan, de Vorstenlanden en B a n t a m minder geoogst dan in 1936. Groote verschillen werden aangetroffen in P r i a n g a n on Buitenzorg.

D e mislukte uitgestrektheid padi-gogo bedroeg 2790 ha, tegen 1671 ha in 1936 en 3610 ha gemiddeld in d e jaren 1927/36.

D e totale padi-gogo-productie is voor 1937 geraamd op 4 419 000 quintalen droge padi, tegen 5 093 000 quintalen in 1936 en 5 205 000 quintalen gemiddeld in. 1927/36. Aan de h a n d van deze cijfers wordt de gemiddelde productie in 1937 geschat op 11,3 q / h a droge padi, tegen 12,8 q / h a in 1936 en 12,2 q / h a gemiddeld in 1927/36.

Mais. I n totaal werd 2 069 055 ha maïs geoogst, tegen 2 229 229 ha in 1936 en 1 993 344 ha gemiddeld in 1927/36.

I n 1937 h a d 27 % van de geoogste uitgestrektheid maïs betrekking op sawahs en 73 % op droge gronden; voor 1936 waren deze cijfers resp. 28,9 en 71,1 %, terwijl'de gemiddelden voor 1928/36 resp. 26,7 en 73,3 % bedroegen.

Vergeleken bij 1936 daalde in de m e e s t e streken de geoogste oppervlakte, zoowel op sawahs als op droge gronden; slechts in Soerabaja, Malang en Besoeki steeg h e t geoogste areaal. D i t is t e verklaren uit h e t feit, d a t van den vóórwestmoesson-aanplant 1936/37, in h e t bijzonder op de droge gronden een belangrijk deel in de laatste m a a n d e n van 1936 werd geoogst m plaats van m de eerste m a a n d e n van 1937, zooals in 1936 h e t geval was m e t den overeen-komstigen a a n p l a n t v a n 1935/36.

I n 1937 mislukte 71 146 ha maïs ( m e t inbegrip van de voor veevoeder en voor de strootjesindustrie gesneden jonge a a n p l a n t i n g e n ) , wederom relatief h e t m e e s t op sawahs. I n 1936 was d e mislukte oppervlakte 47 968 ha, in 1927/36 gemiddeld 36 579 ha. D e grootste mislukkingen k w a m e n in 1937 voor in do residenties Bodjonegoro, Soerabaja, Semarang, Besoeki, Malang en Madoera.

D e verkregen opbrengsten van den eersten tegalan-aanplant waren over h e t algemeen gunstig; die van h e t tweede tegalan-gewas daarentegen waren minder d a n normaal door de droogte. Ook van den vóórwestmoesson-aanplant 1937/38 op sawah, welke onder minder gunstige weersomstandigheden in d e n grond kwam, waren de einde 1937 afgekomen oogsten minder dan normaal.

Kesumee-74 DE ECONOMISCHE TOESTAND

rende k a n dus- worden gezegd, dat niet alleen de geoogste uitgestrektheden, doch ook de opbrengsten in 1937 lager waren d a n in 1936.

D e totale maïsopbrengst wordt voor 1937 op 20 369 128 quintalen droog zaad geraamd, tegen 22 202 514 quintalen in 1936 en 19 506 759 quintalen gemiddeld in 1927/36. De u i t laatstgenoemde cijfers berekende gemiddelde opbrengst in 1937 bedroeg 9,8 q / h a droog zaad, tegen 10,0 q / h a in 1936 en 9,8 q / h a gemiddeld in 1927/36.

Buitengewesten

Zooals reeds werd opgemerkt b e s t a a n voor do Buitengewesten — behoudens Bali en Lombok — geen statistische gegevens betreffende de uitgestrektheid van den a a n p l a n t en de opbrengst der gewassen. I n h e t volgend overzicht m o e t derhalve voor d e m e e s t e streken m e t globale mededeelingen o m t r e n t aanplant en oogst worden volstaan, terwijl bij padi tevens de cijfers betreffende de invoer-en uitvoer-overschottinvoer-en van rijst wordinvoer-en vermeld.

Padi. H e t rijstinvoer-excedent van de Buitengewesten bedroeg 344 517 ton, tegen 306 024 t o n in 1936 en 287 365 ton in 1935. H e t aandeel van J a v a in deze invoer-overschotten steeg tengevolge van de rijstpolitiek der Begeering van 31 554 t o n in 1935 en 92 822 ton in 1936 t o t 186 970 ton in 1937. D e grootere invoer m o e t vooral worden toegeschreven aan d e stijging van de i n k o m s t e n uit de bevolkingsuitvoerproducten, o.m. tengevolge van de invoering van de indivi-ducele rubberrestrictie, en verder aan h e t grootere aantal ondernemingskoelies.

Voor Atjeh en Onderhoorigheden was h e t invoeroverschot r u i m 6200 ton, tegen r u i m 6400 ton in 1936. D e rijstoogst viel over h e t geheel iets beneden normaal u i t ; iage opbrengsten werden o.a. vermeld uit eenige streken in Idi, Koetaradja, L h o ' S o e k o n en Meureudoe.

Ter Oostkust van Sumatra vielen do oogsten over h e t geheel gunstig uit, doch desondanks steeg h e t invoeroverschot nog m e t m e e r dan 18 000 ton tot 171 515 ton, welke stijging voor een groot deel m o e t worden toegeschreven aan h e t grootere aantal ondernemingskoelies.

Tapanoeli, Sumatra's Westkust, Benkoelen en de Lampoengsche Districten konden ook in 1937 weer nagenoeg geheel in h u n eigen behoeften aan rijst voorzien. Toch was in die gewesten een tendenz t o t grooteren invoer of kleineren uitvoer merkbaar. Terwijl Tapanoeli 279 ton rijst uitvoerde, bedroeg de invoer in de andere gewesten resp. 2882, 960 en 1393 ton. D e L a m p o e n g s c h e Districten hadden dus een invoeroverschot, terwijl dit gewest h e t vorig jaar een uitvoer-overschot h a d . De rijstoogst viel in Tapanoeli over h e t geheel bevredigend uit, evenals in Benkoelen en d e L a m p o e n g s c h e Districten, doch ter S u m a t r a ' s W e s t k u s t waren de beschotten veelal beneden n o r m a a l .

I n Palembang was de oogst, ondanks plaatselijke schade tengevolge van ziekten en plagen, over h e t geheel bevredigend, ook van d e lebak-padi, welke oorspronkelijk veel van bandjirs te lijden h a d gehad, m a a r nogmaals kon worden geplant. H e t invoeroverschot vertoonde een belangrijke stijging en bedroeg 14 223 ton, tegen 4637 ton in 1936 en 4962 t o n in 1935. Tegenover een invoer van 18 182 ton (waarvan 17 342 ton afkomstig van J a v a ) stond een uitvoer van 3959 ton, w a a r v a n 3901 ton n a a r andere B u i t e n g e w e s t e n en 55 ton n a a r J a v a . Djambi. H e t rijstinvoeroverschot steeg van 12 487 t o n in 1936 t o t 18 996 ton m 1937, waarvan 10 131 ton uit J a v a en 6777 ton uit h e t buitenland. I n 1936 was nog 80 % van den invoer uit het buitenland afkomstig.

Biouw en Onderhoorigheden, Bangka en Billiton. I n Biouw slaagde de oogst over h e t geheel bevredigend, doch van de latere aanplantingen ging een deel door bandjir verloren, waardoor in de getroffen streken meer voedsel moest worden aangevoerd. H e t invoeroverschot bedroeg 27 584 ton, tegen 22 740 ton in 1.936. I n B a n g k a en Billiton, w a a r de bodem voor voedselverbouw grootendeels ongeschikt is, slaagde de ladang-padi relatief goed. H e t invoeroverschot bedroeg 41 246 ton, tegen 42 900 ton in 1936. Zoowel in Biouw als op de tineilanden werd grootendeels buitenlandsche rijst ingevoerd (respectievelijk 80 en 70 % van h e t t o t a a l ) .

LANDBOUW

Westerafdeeling van Borneo. H e t rijstinvoeroverschot van deze residentie bedroeg 41 079 ton, tegen 38 428 ton in 1936; eerstgenoemde hoeveelheid was voor ruim 60 % van J a v a afkomstig. D e rijstoogst, welke weinig aan ziekten on plagen onderhevig was, slaagde over h e t geheel goed. I n verschillende streken werd het areaal iets ingekrompen, waarschijnlijk doordat m e n voldoende andere inkomsten had.

I n de Zuide.r- en Oosterajdeeling van Borneo vertoonde h e t invoeroverschot een verdere daling. V a n 29 991 ton' in 1935, daalde het t o t 22 843 t o n in 1936, terwijl de daling in 1937 t o t 21 389 ton voortging. D e invoer u i t h e t buitonland bedroeg slechts 286 ton, terwijl d e verdere import ongeveer gelijkelijk tusschen J a v a en de Buitengewesten (vooral Celebes en Onderhoorigheden) was verdeeld.

Celebes en Onderhoorigheden. D e uitvoer van dit, in de l a a t s t e jaren m belangrijkheid gestegen rijstexportgebied, vertoonde een belangrijke t o e n a m e . I n de jaren 1934/37 bedroegen de uitvoeroverschotten respectievelijk 39 839, 34 966, 35 940 en 42 054 ton. D e export h a d vooral plaats naar M a n a d o , de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo en de Molukken. Over h e t geheel slaagde de padi-oogst goed.

I n Manado bedroeg h e t invoeroverschot 45 488 ton, tegen 43 012 ton m 1936.

Van den import in 1937 waren 4261 ton u i t h e t buitenland afkomstig, 12 254 ton van J a v a en de rest van andere Buitengewesten, vooral Zuid-Celebes. D e oogsten slaagden over het geheel bevredigend t o t goed, doch in Gorontalo had h e t gewas oenigszins van m u i z e n v r a a t t e lijden.

Bali en Lombok. Op Bali bedroeg liet geoogste oppervlak van sawah-padi 92 476 ha, tegen 86 178 ha in 1936, op Lombok 87 495 ha, tegen 87 042 h a m 1936. I n 1937 mislukten op Bali 1644 ha (2 % ) en op Lombok 4986 h a (5 % ) . Do gemiddelde u i t de landrente-proefsnitcijfers berekende opbrengsten per ha waren op beide eilanden hooger dan in 1936; door de grootere geoogste uitgestrekt-heden en d e hoogere opbrengst per ha was de productie niet onbelangrijk hooger dan in 1936. E r zij nog de a a n d a c h t op gevestigd, d a t voor de productie-berekening van sawah-padi sedert 1934 de proef snit-opgaven m e t nihil-opbrengsten niet m e e r worden gebruikt, Bij raadpleging van publicaties van vóór 1934 dient er derhalve wel rekening m e d e gehouden t e worden, d a t de daarin vermelde opbrengsten aan den lagen k a n t waren.

"Het op beide eilanden, doch voornamelijk op Bali, geoogste oppervlak van padi-gogo bedroeg 22 828 ha, tegen 18 602 ha in 1936; de opbrengsten per h a waren iets hooger dan in laatstgenoemd jaar. H e t rijstuitvoeroverschot steeg van 19 575 ton in 1936 t o t 26 939 ton in 1937. Van den uitvoer ging 5640 ton naar J a v a , 10 457 t o n n a a r andere Buitengewesten en 11 539 t o n n a a r h e t buitenland.

Timor en Onderhoorigheden. De oogsten waren over hot geheel vrij bevredi-gend, doch lieten op enkele plaatsen t e wenschen over. H e t uitvoeroverschot daalde van 1365 ton in 1936 t o t 854 ton in 1937.

I n de Molukken steeg h e t rijstinvoeroverschot van 19 204 ton in 1936 t o t 2 1 0 4 3 ton in 1937; van laatstgenoemde hoeveelheid was omstreeks 60 % van andere Buiten gewesten afkomstig (grootendeels van Celebes en Onderhoorig-h e d e n ) , 30 % van J a v a en 10 % van Onderhoorig-h e t buitenland.

D e sago is als hoofdvoedsel op de kustplaatsen verdrongen door rijst.

Aangezien grond en k l i m a a t in d i t gewest veelal minder geschikt zijn voor de rijstcultuur m o e t elk jaar een belangrijke hoeveelheid rijst worden ingevoerd.

Mais. Ook in 1937 werd de m e t dit gewas beplante oppervlakte in eenige streken uitgebreid, o.a. in Singkel ( A t j e h ) , Sintang (Westerafdeeling van Borneo) en Celebes. I n enkele streken viel de oogst tegen, o.a. op L e t i

(Molukken) door droogte en in Sintang (Westerafdeeling van Borneo) door overstroomingen. Op de meer- en riviergronden in Wadjo (Zuid-Celebes) was de geoogste uitgestrektheid ongeveer h e t dubbele van die in 1936, terwijl ook in Sopeng veel maïs werd geplant. Ondanks plaatselijk tegenvallende oogsten waren de opbrengsten in Zuid-Celebes over h e t geheel genomen goed. I n de laatste m a a n d e n van 1937 k w a m in die streken weer een groote nieuwe a a n p l a n t

76 DE ECONOMISCHE TOESTAND

t o t stand. Do uitvoer van maïs steeg zeer belangrijk, namelijk t o t h e t record-niveau van + 73 000 ton, tegen 40 000 ton in 1936. Y a n d e n uitvoer ging

+ 60 % n a a r J a p a n , terwijl d e rest bijna geheel door Nederland werd afgenomen.

Op Bali en Lombok — voornamelijk op eerstgenoemd eiland — werden 60 296 h a maïs geoogst, tegen 46 762 h a in 1936. D e opbrengsten waren veelal iets boven n o r m a a l .

b. A n d o r e e e n j a r i g e g e w a s s e n Java en Madocra

Cassave. D i t gewas werd geoogst van 949 695 ha, tegen 869 616 ha in 1936 en 748 153 ha gemiddeld in d e periode 1927/36.

I n 1937 had 5 % van de geoogste uitgestrektheid betrekking op sawahs en 95 % op droge gronden; bij vergelijking m e t de cijfers over 1936 blijkt, d a t de uitbreiding op sawahs procentueel iets geringer was dan op droge gronden.

D e geoogste uitgestrektheid in de belangrijkste productiegebieden daalde t e n opzichte van 1936 alleen in Madioen, doch steeg in d e andere.

D e mislukte uitgestrektheid cassave bedroeg 2491 ha, tegen 1513 ha in 1936 en 2131 ha gemiddeld in 1927/36.

H e t percentage der aanplantingen m e t een leeftijd van 7J,- m a a n d en hooger was bijna h e t geheele jaar kleiner dan in 1936 en d a n h e t veeljarig gemiddelde, hetgeen een duidelijke aanwijzing is voor de goede verkoopbaarheid van h e t product in 1937.

D e opbrengsten van zoowel h e t vroege als h e t late westmoesson-gewas op droge gronden waren in vele streken eenigszins aan d e n lagen kant, vooral in Buitenzorg, B a t a v i a , Semarang, J a p a r a / B e m b a n g , Banjoemas, Kedoe, Jogja-karta, Soerakarta en Kediri; d e mindere opbrengsten waren veelal een gevolg van droogte, terwijl ook wel t e jong werd gerooid. D e gemiddelde opbrengst was m e t 80 q / h a versehe wortels 6 q / h a lager d a n in 1936 en 2 q / h a lager dan gemiddeld in 1927/36.

D e totale productie van cassave werd voor 1937 geraamd op 76 374 000 quintalen versehe wortels, tegen 74 808 000 quintal en in 1936 en 61 080 000 quintalen gemiddeld in 1927/36.

E r werden eenige nieuwe mcolfabriekjes opgericht, terwijl ook de bevolking in verschillende streken m e e r meel ging bereiden.

Bataten. D e geoogste uitgestrektheid bedroeg 180 978 ha, tegen 206 340 ha in 1936 en 165 532 h a gemiddeld in 1927/36. Deze inkrimping t e n opzichte van 1936 was een gevolg van de droogte.

Van de geoogste uitgestrektheid in 1937 had 36,1 % betrekking op sawahs en 63,9 % op droge gronden. E r werden, vergeleken bij 1936 en h e t gemiddelde van 1928/36 n a a r verhouding m e e r b a t a t e n op droge gronden geplant, en m i n d e r op sawahs.

D e mislukte uitgestrektheid b a t a t e n bedroeg in 1937 1017 ha, tegen 810 ha in 1936 en 700 ha gemiddeld in 1927/36.

D e totale bataten-productie wordt voor 1937 geschat op 11 823 000 quintalen versehe knollen, tegen 13 166 000 quintalen in 1936 en 1 1 1 0 3 000 quintalen gemiddeld in 1927/36.

D e gemiddelde opbrengst in 1937 wordt getaxeerd op 65 q / h a versehe knollen, tegen 64 q / h a in 1936 en 67 q / h a gemiddeld in 1927/36.

Aardappelen. D i t gewas werd geoogst van 10 531 ha, tegen 13 075 ha in 1936 en 16 208 ha gemiddeld in 1927/36.

V a n de geoogste uitgestrektheid in 1937 h a d 14,3 % betrekking op sawahs en 85,7 % op droge gronden; er werd relatief m i n d e r op sawahs geplant dan in 1936 en gemiddeld in 1928/36.

Vergeleken bij 1936 werd de cultuur uitgebreid in S e m a r a n g en ingekrompen in de overige belangrijke productie-centra, vooral in Malang.

LANDBOUW

I n P r i a n g a n herstelde de aardappel cultuur zich eenigszins van d e in 1936 voor h e t eerst opgetreden P h y t o p h t o r a infestans- aantasting, doch in de andere centra werd v a n die ziekte nog veel nadeel ondervonden.

D e totale opbrengst van aardappelen wordt geschat op 467 000 quintalen knollen, tegen 592 000 quintalen in 1936 en 793 000 quintalen gemiddeld in 1927/36.

D e gemiddelde opbrengst in 1937 wordt geraamd op 44 q / h a knollen, tegen 45 q / h a in 1936 en 48 q / h a gemiddeld in 1927/36.

Andere knolgewassen. I n 1937 werd een uitgestrektheid v a n 120 540 h a andere knolgewassen geoogst, tegen 120 796 h a in 1936 en 107 708 h a gemiddeld in 1927/36.

V a n de in 1937 geoogste uitgestrektheid h a d 3,6 % betrekking op sawahs en 96,4 % op droge gronden; h e t percentage d a t betrekking heeft op sawahs was iets lager d a n d a t voor 1936 en dan h e t veeljarig gemiddelde.

Aardnoten. D e geoogste uitgestrektheid aardnoten bedroeg 234 846 ha, tegen 224 589 h a in 1936 en 213 215 h a gemiddeld in 1927/36. De in 1937 geoogste uitgestrektheid was d e grootste v a n de l a a t s t e 11 jaren.

V a n de in 1937 geoogste uitgestrektheid h a d 43,0 % betrekking op sawahs en 57,0 % op droge gronden; in 1936 werd n a a r verhouding minder van de sawahs geoogst, terwijl h e t gemiddelde cijfer van de periode 1928/36 voor d e sawahs ook iets lager is.

I n de voor sawah-aardnoten belangrijke productiegebieden ging de geoogste uitgestrektheid in vergelijking m e t 1936 vooruit in Cheribon, J a p a r a / B e m b a n g , Soerakarta en Malang, achteruit in Kediri en Jogjakarta, terwijl h e t areaal in Soerabaja gelijk bleef. Uitbreiding in voor tegalan-aardnoten belangrijke streken vond plaats in J a p a r a / B e m b a n g en Kediri, terwijl in Jogjakarta eenige inkrimping werd waargenomen, en elders h e t oppervlak practisch ongewijzigd bleef.

Door gunstige prijzen was d e animo voor dit gewas stijgende, vooral in W e s t - J a v a . D e vraag n a a r zaad v a n de slijmziekte-resistente variëteit Schwarz n°. 21 n a m nog toe.

De opbrengsten van het gewas w a r e n over h e t algemeen gunstig t o t zeer goed, behalve in P r i a n g a n en Soerabaja, waar h e t sawah-gewas sterk v a n droogte t e lijden h a d .

I n 1937 mislukten 850 h a aardnoten, tegen 1195 h a in 1936 en 1545 h a gemiddeld in de jaren 1927/36. D e grootste mislukkingen k w a m e n voor in Jogjakarta.

D e totale aardnotenproductie werd voor 1937 geraamd op 1 807 000 quintalen gepeld droog zaad, tegen 1 666 000 quintalen in 1936 en 1 561 000 quintalen gemiddeld in 1927/36.

Aan d e h a n d v a n die cijfers werd d e gemiddelde productie m 1937 getaxeerd op 7,7 q / h a droog zaad, 'tegen 7,4 q / h a in 1936 en 7,3 q / h a gemiddeld in 1927/36.

Kedelee. D e geoogste uitgestrektheid kedelee bedroeg 353 357 h a , tegen 343 432 h a in 1936 en 242 156 h a gemiddeld in 1927/36. D a n k zij de gunstige prijzen — m e d e een gevolg v a n de beperkende bepalingen t e n aanzien v a n d e n import v a n buitenlandsche kedelee — en voorts in verband m e t de suiker-restrictie, breidde de cultuur zich sedert 1932 sterk uit. I n 1937 werd een record-uitgestrektheid geoogst. V a n h e t in 1937 geoogste oppervlak h a d 83,7 % betrek-king op sawahs en 16,3 % op droge gronden; voor 1936 bedroegen deze cijfers resp. 82,2 en 17,8 %, terwijl d e gemiddelden voor de periode 1928/36 resp.

80,3 en 19,7 zijn.

I n vrijwel alle belangrijke sawah-kedelee-gebieden ging de geoogste opper-vlakte, vergeleken bij 1936, vooruit, vooral in Madioen e n Besoeki, terwijl m J a p a r a / B e m b a n g en Pekalongan eenige achteruitgang viel t e constateeren. I n bijna alle voor tegalan-kedelee belangrijke gebieden daalde h e t oppervlak echter

een weinig; alleen in Malang handhaafde d e cultuur zich op hetzelfde peil.

78 DE ECONOMISCHE TOESTAND

D e mislukte uitgestrektheid bedroeg 4949 ha, tegen 9670 h a in 1936 en 5700 ha gemiddeld in 1927/36. D e grootste mislukkingen werden gemeld uit

• J a p a r a / E e m b a n g (1200 h a ) , Kediri (899 h a ) , Soerabaja (691 h a ) en Madioen (628 h a ) .

D e totale productie wordt voor 1937 op 2 689 000 quintalen droog zaad getaxeerd, tegen 2 474 000 quintalen in 1936 en 1 544 000 quintalen gemiddeld in 1927/36.

De gemiddelde opbrengst wordt voor 1937 geschat op 7,6 q / h a droog zaad, tegen 7,2 q / h a in 1936 en 6,3 q / h a gemiddeld in 1927/36. D e sedert de laatste 8 jaren t e constateeren gestadige stijging v a n de gemiddelde opbrengst per ha zal in verband s t a a n m e t h e t feit, d a t de uitbreiding van de kedelee-cultuur vooral plaats vond in d e voor die teelt m e e s t geschikte streken (suikerriet-arealen) en voorts m e t h e t in toenemende m a t e planten van beter produceereude variëteiten.

D e invoer van Mandsjoerije-sojaboonen vond vrijwel n i e t plaats, terwijl tengevolge van d e n grooteren oogst en gunstige afzetmogelijkheden het uitvoer-oversehot van Java-kedelee steeg.

Andere peulvruchten. Van deze gewassen werd 210 192 h a geoogst, tegen 216 346 ha in 1936 en 221 078 ha gemiddeld in 1927/36.

Van de in 1937 geoogste uitgestrektheid had 34,1 % betrekking' op sawahs en 65,9 % op droge gronden; voor 1936 bedroegen d e z e cijfers resp. 36,6 % en 63,4 %, terwijl de gemiddelden voor 1928/36 resp. 42,4 % en 56,6 % zijn.

Vergeleken bij 1936 werd in de streken m e t de grootste geoogste uitgestrekt-h e d e n van deze peulvrucuitgestrekt-hten een kleinere oppervlakte geoogst in Soerabaja, Kediri en Bodjonegoro, en een grootere in J a p a r a / R e m b a n g , Malang en Madoera.

D e mislukte uitgestrektheid bedroeg 3281 ha, tegen 2742 ha in 1936 en 3894 ha gemiddeld in 1927/36.

E e n van de belangrijkste gewassen van deze groep is kratok (Phaseolus l u n a t u s ) . I n 1937 werd van kratok-zaad 2336 ton uitgevoerd, tegen 2937 ton in 1936 en 4739 t o n gemiddeld in 1930/36. De uitvoer was wederom nagenoeg' geheel voor J a p a n bestemd.

Inlandsche tabak. D e geoogste uitgestrektheid I n l a n d s c h e t a b a k bedroeg' 150 181 ha, tegen 131 309 lia in 1936 en 152 917 ha gemiddeld in 1927/36.

D e cultuur van sawah-tabak werd in 1937, vergeleken bij 1936, relatief iets meer uitgebreid dan de teelt op droge gronden; 40,0 % van de geoogste uitgestrektheid h a d betrekking' op sawahs en 60,0 % op droge gronden, tegen resp. 39,1 % en 60,9 % in 1936 en resp. 43,2 % en 56,8 % gemiddeld in 1928/36.

I n alle belangrijke tabaksgebieden werd de cultuur uitgebreid, h e t m e e s t in Bodjonegoro, Kedoe en Malang ( L o e m a d j a n g ) . I n Banjoemas was de uitbreiding slechts gering, terwijl in Besoeki de a a n p l a n t op sawahs belangrijk werd ingekrompen, doch op droge gronden in nog sterkere m a t e werd uitgebreid.

Als oorzaak van de belangrijke uitbreiding m o e t worden beschouwd de verbeterde prijs van h e t product.

D e opbrengsten van de tegalan-tabak waren door de groote droogte over het algemeen iets lager d a n in 1936, doch de kwaliteit van h e t geoogst product was t e n minste even goed als h e t vorig jaar. D e opbrengsten van de sawah-tabak waren vanwege de overvloedige regens tijdens d e kentering aan den lagen k a n t . I n verschillende streken, vooral in de residentie Bodjonegoro, waren door de overstroomingen vele kweekbedden en jonge aanplantingen verloren gegaan, zoodat veel moest worden overgezaaid. Door de hevige regens aan h e t einde van h e t jaar mislukten daar voorts vele oogstbare aanplantingen.

I n 1937 mislukte op J a v a 8799 ha tabak, tegen 2808 ha in 1936 en 2530 ha gemiddeld in 1927/36.

D e tabaksprijzen vertoonden op de binnenlandsche m a r k t een belangrijke stijging. Uit h e t regentschap Garoet, waar de opbrengst van de kerftabak beter was d a n in 1936, doch de kwaliteit minder, werden voor die t a b a k gemiddelde prijzen gemeld, welke van f 32,12 per 100 kg in J a n u a r i opliepen t o t f 49 per 100 kg in December.

I n B a n j o e m a s vond bij stijgende prijzen een levendige handel plaats in garangan-tabak (een soort I n l a n d s c h e k e r f t a b a k ) . Bevolkingskrosok b r a c h t er f 6 t o t f 10 per 100 kg op, h e t dubbele van verleden jaar.

I n Kedoe konden d e prijzen in d e eerste drie kwartalen flink stijgen, doch in h e t vierde kwartaal daalde de prijs van eerste kwaliteit kerf, terwijl die van tweede kwaliteit verder steeg. D e prijzen liepen uiteen van f 1,50 t o t \± f 75 per 100 kg. Krosok b r a c h t f 2 t o t f i6,19 per q op, Virginia-krosok zelfs f 15 t o t f 40. I n de residentie S e m a r a n g steeg 1ste kwaliteit Weleri-kerftabak van f 19,43 t o t f 28 per 100 kg, Tengaran-tabak van f 31,39 t o t f 60,50. Zandblad-krosok b r a c h t van f 1,60 t o t f 24 per 100 kg op. I n J a p a r a / B e m b a n g viel in de l a a t s t e twee m a a n d e n een prijsdaling waar t e n e m e n . De vermelde gemiddelde prijzen van kerftabak liepen uiteen van f 42 t o t f 54,64 per q.

D e prijs van Kembang-kerf steeg sterker dan die van Bembang-krosok, terwijl de prijs van Virginia-tabak ongeveer gelijk bleef; tengevolge van deze constellatie n a m d e animo voor Virginia-tabak eenigszins af. D e cultuur van de in hoofdzaak voor de British American Tobacco Company geproduceerde Virginia-tabak breidde zich de l a a t s t e jaren in Bodjonegoro sterk uit (van

± 140 ha in 1929 t o t ruim 4000 ha in 1937). De voor Bodjonegoro vermelde kerftabakprijzen liepen uiteen van f 6,48 t o t f 64,77 per 100 kg. Voor B e m b a n g -krosok bedroegen zij f 3 t o t f 16, voor Virginia--krosok f 5 t o t f 40, terwijl groen blad van Virginia f 1,62 t o t f 6,48 en van B e m b a n g - t a b a k f 0,49 t o t f 5,26 per q opbracht.

I n Madioen stegen de prijzen eveneens, ook op Madoera. Op laatstgenoemd eiland werd veel krosok bereid.

I n Loemadjang (res. Malang) mislukten wederom vele kweekbedden. Ook hier stegen de prijzen. Voor kerftabak werden opkoopprijzen vermeld van f 2 0 t o t f 40 per q. Bij den krosok-opkoop werden, al n a a r de kwaliteit, prijzen betaald van f 2,45 t o t f 29 per q, terwijl bij den opkoop van boomen de prijzen per 1100 stuks uiteenliepen van f 2 tot f 4.

I n Besoeki mislukten eveneens veel kweekbedden. Voor goede krosok werden in h e t begin van h e t jaar prijzen vermeld t o t f 40 per q; later daalden de prijzen, zoodat voor na-oogst-krosok slechts t o t f 20 kon worden, behaald. Op de beide t a b a k s m a r k t e n Kasemek en N a n g k a ä n liepen de gemiddelde prijzen uiteen van f 8 t o t f 14,77 per 100 kg.

Inlandsch suikerriet. Dit gewas werd geoogst van 14 447 ha, tegen 12 909 ha in 1936 en 12 826 ha gemiddeld in 1927/36. D e totale a a n p l a n t was grooter dan

Inlandsch suikerriet. Dit gewas werd geoogst van 14 447 ha, tegen 12 909 ha in 1936 en 12 826 ha gemiddeld in 1927/36. D e totale a a n p l a n t was grooter dan

In document N E D E R L A N D S C H - I N D I Ë OVER HET JAAR 1937 (pagina 76-95)