Overzicht van den landbouw

In document N E D E R L A N D S C H - I N D I Ë OVER HET JAAR 1937 (pagina 58-72)

43 stratie, voortvloeiende uit bedoelde overdracht, bij de Landsbegrooting-1937 een

1. Overzicht van den landbouw

a. Moessonvcrloop ' ) . H e t weer op J a v a en Madoera was in 1937 gekenmerkt door een korten en matigen westmoesson, welke herhaaldelijk onder-broken werd door kenteringsweer m e t veel regen, en door een langdurigen en straffen oostmoesson, terwijl eerst in December de westmoessonregens invielen.

I n J a n u a r i was de regenval normaal of aan den hoogen k a n t . I n Februari kreeg W e s t - J a v a een normale hoeveelheid regen, terwijl in Midden- en Oost-Java ( m e t uitzondering van Soerabaja) de regenval neigde n a a r een tekort. I n M a a r t viel in W e s t - J a v a t e veel regen, in Midden-Java een normale hoeveelheid, terwijl in Oost-J ava de regenval aan den lagen k a n t was. I n April overheerschten over geheel J a v a de afwijkingen n a a r den n a t t e n k a n t . Ook in Mei w-as de regenval veelal weer hoog; vooral W e s t - J ava werd m e t een r u i m surplus bedeeld, terwijl in Midden-Java h e t overschot geringer en in Oost-Java nihil was. Voor J u n i was de regenval over geheel J a v a en Madoera overvloedig; de grootste hoeveelheid regen viel echter in de eerste maandhelft, terwijl h e t daarna nagenoeg geheel droog was. De m a a n d e n J u l i en Augustus bleven zeer droog, en ook September was aan den drogen k a n t . I n October viel in W e s t - J a v a weer een normale hoeveelheid regen, terwijl Midden- en Oost-Java nog aanzienlijke tekorten boekten. I n November werd over geheel J a v a een t e geringe neerslag gemeld, doch in D e c e m b e r sloeg de balans om en was de regenval algemeen aan den hoogen k a n t .

I n J a n u a r i was de regenval op S u m a t r a over h e t geheel aan den lagen kant, en alleen in Benkoelen, P a l e m b a n g en de Lampoengsche Districten ongeveer normaal. I n Februari was de val ongeveer gelijk aan het veeljarig gemiddelde, behalve ter S u m a t r a ' s W e s t k u s t , waar veelal zwaardere regens vielen en in de Oostkust van S u m a t r a , waar tekorten overwogen. I n M a a r t was de val normaal of m i n d e r ; doch in April en Mei overwogen zwaardere regens.

J u n i en J u l i waren, behalve tijdelijk in Benkoelen, P a l e m b a n g en de Lampoeng-sche Districten, aan den drogen k a n t . I n A u g u s t u s was de regenval in de noordelijke en westelijke residenties ongeveer normaal, terwijl in de L a m p o e n g s c h e Districten en P a l e m b a n g surplussen en in Djambi, Eiouw en B a n g k a tekorten overwogen. I n September was de regenval normaal of hooger, evenals in October, toen echter in Atjeh een tekort voorkwam. I n November was in S u m a t r a ' s W e s t k u s t en Tapanoeli de regenval aan den hoogen, doch elders aan den lagen kant, terwijl in D e c e m b e r in S u m a t r a ' s W e s t k u s t , Benkoelen, de Lampoengsche Districten en P a l e m b a n g een surplus viel, en elders de regenval normaal was of n a a r tekorten neigde.

I n J a n u a r i viel in de Westerafdeeling van Borneo t e weinig regen, doch in Februari was de val daar normaal, evenals in de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo in de beide genoemde m a a n d e n . M a a r t was in beide gewesten aan den drogen k a n t , doch April aan d e n n a t t e n , terwijl in Mei en J u n i een ongeveer normale hoeveelheid neerslag viel. J u l i was in beide gewesten nat, evenals September, terwijl in Augustus de regenval in de Westerafdeeling laag was en in de Zuider- en Oosterafdeeling normaal. I n October was de regenval in beide gewesten aan den lagen kant, en in November en December ongeveer normaal.

I n de eerste twee m a a n d e n van h e t jaar was de regenval op Celebes over h e t geheel ongeveer normaal. M a a r t was in h e t noorden aan den drogen k a n t en in h e t zuiden normaal, doch in April viel in geheel Celebes een surplus, terwijl in Mei en J u n i over h e t geheel de regenhoeveelheid ongeveer normaal was. I n J u l i viel in h e t noorden een surplus, terwijl in h e t zuiden tekorten overwogen. I n Augustus was dit in geheel Celebes h e t geval. I n Noord-Celebes was de regenhoeveelheid gedurende de vier overige m a a n d e n van h e t jaar ongeveer normaal, terwijl in h e t zuiden tekorten overwogen in October en November en surplussen in September en December.

l) Ontleend aan „Kort overzicht van het weer in 1937" door het Koninklijk Magnetisch en Meteorologisch Observatorium te Batavia.

LANDBOUW

Terwijl de regenval in J a n u a r i en M a a r t op de Kleine Soenda-eilanden normaal was, werden in Februari veelal, t e k o r t e n waargenomen. I n h e t tweede kwartaal was de regenval vaak aan den hoogen k a n t , evenals in December, terwijl in de vijf tusschenhggende maanden droogte overheerschte, vooral op do oostelijke eilanden.

I n h e t eerste kwartaal was de regenval in de Mo-lukken ongeveer normaal, terwijl in h e t tweede kwartaal en de m a a n d e n J u l i en September surplussen overwogen. I n de m a a n d Augustus en in b e t vierde kwartaal was de regenval over h e t geheel ongeveer normaal.

b. Bouwgronden op Java en Madoera ' ) . D e volgende tabel geeft de uitgestrektheid van de bouwvelden der Inlandscbe bevolking, gesplitst in sawabs en droge gronden. De landrentephchtig geworden zeevischvijvers en de hoema-blokken in Z u i d - B a n t a m zijn niet in de cijfers der droge gronden opgenomen;

wèl de erven, de nipahbosschen en, sedert 1926, de tijdelijk bij de bevolking in gebruik zijnde gronden (uit de boschreserve, op particuliere landerijen en erfpachtsperceelen).

Uitgestrektheid der Inlandscbe bouwgronden op Java. en Madoera

Jaar bedroeg de oppervlakte aan erven in dat jaar + 1 252 000 ha (exclusief de erven op do particuliere landerijen); voor 1937 wordt in de landbouwstatistiek voor erven ( m e t inbegrip van 'die op de particuliere landerijen) een oppervlak van 1 417 000 ha vermeld.

H e t oppervlak van de tijdelijk in gebruik zijnde gronden is m de volgende tabel opgenomen.

3) Voor verdere detail-gegevens wordt verwezen naar het Statistisch Jaaroverzicht van Nederlandsch-Indië over het jaar 1937, deel I I van dit Verslag.

2) Verbeterde cijfers.

DE ECONOMISCHE TOESTAND

x) Uit de bosohreserve, op particuliere landerijen en op erfpachtsperceelen.

2) Verbeterde cijfers.

3) Voor uitvoerige bijzonderheden over de belangrijke landbouwgewassen zie m e n het Statistisch Jaaroverzicht van Nederlandsch-Indië, deel I I van dit Verslag, voorts de perio-dieke publicaties in h e t Economisch Weekblad voor Nederlandsch-Indië : , ,De Inlandsche L a n d b o u w " (jaarlijks), „Landbouweconomisch v e r s l a g " (per kwartaal), „Oogst en aanplant der voornaamste Inlandsche landbouwgewassen op J a v a en M a d o e r a " , „Aanplant, oogst en voedseltoestand in de B u i t e n g e w e s t e n " , „ I n l a n d s c h e Landbouw in de residentie Bali en L o m b o k " (alle maandelijks) en ten slotte de jaarlijksche uitgave van het Centraal Kantoor voor de S t a t i s t i e k : „ D e Landbouwexportgewassen van N e d e r l a n d s c h - I n d i ë " .

4) Teneinde een beter beeld te geven van de geoogste uitgestrektheden van den west-moesson-aanplant en die van den oostwest-moesson-aanplant is in deze tabel — in afwijking van de meeste vroegere verslagen — het jaar gesplitst in de perioden J a n u a r i / A u g u s t u s (oogst van den westmoesson-aanplant) en September/December (oogst van den oostmoesson-aanplant) .

LANDBOUW

U i t bovenstaande cijfers blijkt, d a t zoowel in de eerste 8 m a a n d e n (d. i. van den westmoesson-aanplant) als in de laatste 4 m a a n d e n (d. i. van den oost-moesson-aanplant) in 1937 iets kleinere uitgestrektheden werden geoogst dan in 1936. D e geoogste uitgestrektheden waren echter nog veel grooter dan in 1935 en hooger ook d a n liet tienjarig gemiddelde. De inkrimping van de geoogste uitgestrektheid westmoesson-aanplant h a d voornamelijk in Midden-Jaya en de Vorstenlanden plaats, en hield voor een deel verband m e t de uitbreiding van den a a n p l a n t van ondernemings-suikerriet; in W e s t - J a v a werd de westmoesson-aanplant evenwel flink uitgebreid. D e inkrimping van h e t geoogst areaal van oostmoesson-gewassen, welke voornamelijk in Midden- en Oost-Java was t e constateeren, werd veroorzaakt door grootere mislukkingen tengevolge van ongunstige weersomstandigheden.

• H e t totaal der geoogste uitgestrektheden was 1 % kleiner dan in 1936, doch bijna 9 % grooter dan h e t gemiddelde van de j a r e n 1927/36.

I n de l a a t s t e 4 m a a n d e n (d. i. de tijd vóór h e t in den grond brengen van den nieuwen westmoesson-aanplant) van 1937 werd op een kleiner oppervlak bijgeplant d a n in h e t voorafgegane jaar. Hierdoor was de t e velde staande a a n p l a n t einde 1937 5 % kleiner dan einde December 1936, m a a r toch nog 3 % grooter dan h e t veeljarig gemiddelde.

E e n gedetailleerder overzicht van de geoogste oppervlakten der voornaamste éénjarige I n l a n d s c h e landbouwgewassen is in den volgenden s t a a t opgenomen.

Geoogste (geslaagde) uitgestrektheden op J a v a en Madoera

G e w a s s e n

Andere knolgewassen . . Aardnoten

Kedelee

Andere peulvruchten . . Inlandsche tabak. . . . Inlandsch suikerriet . . Overige Inlandsche Do in 1937 geoogste oppervlakte sawah-padi en gogorantja was practisch even groot als in h e t zeer gunstige jaar 1936. Van padi-gogo was h e t geoogste areaal kleiner dan h e t veeljarig gemiddelde en dan h e t areaal van 1936, doch grooter dan d a t van 1935. De geoogste uitgestrektheid maïs was r u i m 7 % lager d a n in h e t topjaar 1936, m a a r toch nog ongeveer even groot als in h e t gunstige jaar

!) Vóór 1931 werden de cijfers voor gogorantja onder padi-jaar zijn ze bij sawah-padi ondergebracht.

verwerkt ; sedert dat

5 8 DE ECONOMISCHE TOESTAND

1985. De geoogste uitgestrektheid cassave bereikte een nieuw record en ging nog ruim 9 % t e n opzichte van h e t zeer gunstige jaar 1936 vooruit. B a t a t e n en aardappelen vertoonden een vrij sterken achteruitgang, waartegenover de andere knolgewassen op h e t hooge peil van 1936 bleven. De uitbreiding van de kedelee-cultuur zette zich verder voort; in 1937 was h e t geoogste areaal nog 3 % grooter dan in liet reeds zeer gunstige jaar 1936. Ook de aardnotencultuur werd verder uitgebreid. Hoewel de I n l a n d s c h e tabakscultuur, vergeleken bij 1936, een uitbreiding van 14 % onderging, was het geoogste areaal toch nog 2 % lager dan h e t tienjarig gemiddelde. De geoogste uitgestrektheid Inlandsch riet was

+ 12 % grooter d a n in 1936 en ging ook boven het tienjarig gemiddelde uit.

De productie-ramingen, welke volgens de gebruikelijke methode geschiedden, zijn in den volgenden s t a a t samengevat.

Geoogste hoeveelheden op J a v a en Madoera (in duizenden quintalen)

P r o d u c t

Sawahpadi - ] - gogorantja (droge padi) . . Padi-gogo (droge padi)

Mais (droog zaad)

Bataten (versehe knollen)

Aardnoten (droog zaad) Kedelee (droog zaad)

1937

74 470 4 419 20 369 76 374 11823 467 1 8 0 7 2 689

1936

74 761 5 093 22 203 74 808 13 166 592 1666 2 474

Gemiddeld 1927/1936

67 759 5 205 19 507 61080 11103 793 1 5 6 1 1544 D e gemiddelde, voor de productie-berekening van 1937 gebruikte proefsnit-opbrengsten waren lager dan van 1936, uitgezonderd die van b a t a t e n , aardnoten en kedelee.

D e verdeeling der gewassen over sawahs en droge gronden was ongeveer als in 1936; in 1937 werd + 55 % van alle eenjarige gewassen van sawahs en 45 % van droge gronden geoogst, terwijl, in 1936 deze percentages respectievelijk 56 en 44 waren.

Tn de Buitengewesten vielen de oogsten over h e t geheel bevredigend uit. Wei werd hier en daar h e t m e t rijst of tweede gewassen beplante areaal ingekrompen

— uitgezonderd Bali en Lombok bestaan voor de Biütengewesten geen statis-tische gegevens —, doch daartegenover stond d a t op vele andere plaatsen de a a n p l a n t werd uitgebreid.

U i t eenige streken werden mislukkingen of beschadigingen van padi gemeld, o.a. uit Idi, Koetaradja, Lho'Soekon en Meureudoe in Atjeh, enkele streken van ï a p a n o e l i , P a l e m b a n g en Benkoelen, uit Inderagiri, uit Sintang (Westerafdeeling van B o r n e o ) , enkele Zuidelijke streken van de Zuicler- en Oosterafdeeling van Borneo (vooral M a r t a p o e r a ) , enkele streken in Celebes (vooral M a n i p i ) , Goron-talo, h e t eiland Leti en plaatselijk in Timor en Onderhoorigheden. Als oorzaken van die mislukkingen of beschadigingen werden genoemd droogte, overstroomingen, r a t t e n en insecten. I n de m e e s t e gevallen van slechte oogsten kon in voedsel-tekorten worden voorzien door andere inkomsten, bijv. u i t r u b b e r t a p , copra-bereiding, loonarbeid, enz. D e betrekkelijk hooge prijzen der exportproducten w a r e n hierbij van veel beteekenis. I n andere gevallen werd tijdig gezorgd voor den a a n p l a n t van tweede gewassen, zooals op Borneo en in Zuid-Celebes. Directe h u l p in d e n vorm van werkverschaffing of anderszins vond plaats in Oost-Pasemah

( P a l e m b a n g ) , Martapoera (Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo) en op eenige plaatsen in Timor en Onderhoorigheden,

LANDBOUW

Andere oultuurgewassen. Evenals in h e t Verslag over 1936, zijn ook t h a n s alle gegevens betreffende de andere cultuurgewassen verwerkt in h e t overzicht van do verschillende landbouwgewassen (sub 2 van dit onderhoofdstuk).

d. Voedseltoesland. Teneinde een globaal beeld t e geven van de voedsel-situatie op Java en Madoera in 1937, voor zoover die afhankelijk is van de productie en den in- en uitvoer der belangrijkste éénjarige gewassen, zijn in liet volgend overzicht de voor h e t verbruik ter beschikking gekomen hoeveelheden berekend en vergeleken m e t 1936, 1935 (beide zeer gunstige j a r e n ) , 1934 (ongunstig j a a r ) , 1933, 1932 (gunstige jaren) en het gemiddelde van 1927/1936.

Beschikbaar voor verbruik op J a v a en Madoera

P r o d u c t e n

60 DE ECONOMISCHE TOESTAND

P r o d u c t e n

Aardappelen (versehe) . .

Aardnoten (gepeld). . . . rekening is gehouden m e t de aanwezige voorraden) in 1937 lager was dan dat van alle vorige jaren en h e t veeljarig gemiddelde (uitgezonderd h e t ongunstige jaar 1934). D i t m o e t worden verklaard u i t h e t feit, d a t in 1937 weer meer rijst is uitgevoerd, zoodat n a a s t d e voorziening in eigen behoefte J a v a dit jaar m feite een uitvoeroverschot heeft opgebracht van 197 600 ton, voornamelijk voor de Buitengewesten.

Voor maïs is h e t berekend verbruikscijfer voor 1937 gekomen op 40 kg, hetgeen respectievelijk 5 en 2 kg per hoofd minder is dan in de jaren 1936 en 1935.

Voor cassave is h e t definitief berekend verbruikscijfer voor 1937 gekomen op 138 kg per hoofd, d. i. 8 kg lager dan in 1936. D i t cijfer geeft een heel ander beeld dan h e t cijfer in h e t voorloopig jaaroverzicht 1937 ad 147 kg per hoofd. H e t verschil m e t de voorloopige j a a r r a m i n g 1937 wordt toegeschreven aan

x) Verbeterde cijfers.

LANDBOUW

t e hoog geraamde gemiddelden voor de afzonderlijke residenties: vooral de late tegalan-cassave-oogst 1937 (October—November) is beneden normaal uitgevallen.

N a a s t de voorziening in eigen behoefte heeft J a v a in 1937 een cassave-uitvoer-overschot van 1282 000 ton versehe wortels gehad, d . i . 5 0 % meer dan in 1936.

Voor b a t a t e n is. h e t verbruikscijfer berekend op 26 kg per hoofd, hetgeen wel iets minder is d a n in 1936 en 1935, doch nog gelijk aan het meerjarig gemiddelde.

D e voor verbruik per hoofd beschikbare hoeveelheden aardnoten en kedelee waren in 1937 weer iets hooger d a n in liet zeer gunstig jaar 1936. W a a r bovendien het uitvoeroverschot van aardnoten en. kedelee grooter was d a n in 1936, blijkt wel zeer duidelijk, welke groote oogsten van deze gewassen zijn binnengehaald.

Voor de beschouwing' van d e voedselsituatie leent h e t kalenderjaar zich slecht, aangezien er t w e e patjeklik-tijden (schrale tijden), onderscheidenlijk aan het begin en aan h e t einde van h e t jaar, in zijn begrepen. Zooals reeds in h e t Verslag over 1936 werd opgemerkt, verliep de patjeklik-tijd 1936/1937 (dus in h e t begin van h e t kalenderjaar) over h e t geheel gunstig, waarbij de vermeer-derde werkgelegenheid en de nog niet sterk gestegen voedselprijzen gunstige factoren waren.

I n de eerste m a a n d e n van 1937 werden echter toch nog eenige moeilijkheden in de voedselvoorziening ondervonden in Indramajoe, Oost-Cheribon, Koeion Progo, Bodjonegoro en Noord-Blora. I n Cheribon en Bodjonegoro moest h e t G o u v e r n e m e n t hulp verleenen.

Al spoedig na den nieuwen padi-oogst k w a m de noodzaak van hulpverleening als gevolg van misoogsten voor Bodjonegoro en plaatselijk voor Madioen weer aan de Orde, terwijl de voedselsituatie in Bodjonegoro in de patjeklik 1937/1938 (d. i. aan h e t eind van h e t kalenderjaar) nog slechter werd, doordat ook de laboehan-maïs- en t a b a k s a a n p l a n t mislukte. Maatregelen werden genomen t o t hulpverleening aan dit vrij ernstig getroffen gebied.

Overigens werd de voedselsituatie einde 1937 algemeen beter geacht dan in December 1936, mede als gevolg van de betere werkgelegenheid.

D e voedseltoestand in de Buitengewesten was over h e t geheel gunstig. I n de m e e s t e gevallen van slechte oogsten kon in voedseltekorten worden voorzien door andere inkomsten, zooals r u b b e r t a p , copra-bereiding, loonarbeid, enz. De betrek-kelijk hooge productenprijzen w a r e n hierbij, gelijk hiervóór reeds werd opgemerkt, van veel beteekems. I n andere gevallen werd tijdig gezorgd voor den aanplant van tweede gewassen, zooals op Borneo en in Zuid-Celebes. Directe hulp in den vorm van werkverschaffing of anderszins vond plaats in OostPasemah ( P a l e m -b a n g ) , Martapoera (Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo) en eenige plaatsen in Timor en Onderhoorigheden.

H e t rijstinvoeroverschot van de Buitengewesten (inclusief Bali en Lombok) steeg van 306 000 ton in 1936 tot 344 500 ton in 1937. H e t geschatte, door invoer aangevulde rijsttekort per hoofd (inclusief Bali en Lombok) was, aan-genomen d a t d e bevolkingstoename I J % per jaar bedraagt (zoodat de sterkte van de bevolking op 21099 000 personen wordt b e r e k e n d ) , 1 6 | kg, tegen 14-| kg in 1936. Sinds 1929 is dat cijfer achtereenvolgens 21J, 21, 171 14, 13, 12, 14 en 14J geweest.

De sterke stijging van h e t rijstinvoer-cijfer in 1937 is in de eerste en voor-n a a m s t e plaats toe t e schrijvevoor-n aavoor-n de krachtige ecovoor-nomische oplevivoor-ng ivoor-n de Buitengewesten als gevolg van de betere prijzen van vrijwel alle export-producten en van de afschaffing van h e t bijzonder uitvoerrecht op bevolkingsrubber in verband m e t de invoering van de individueele restrictie. Voorts hield de stijging van den rijst-import verband m e t de sterke uitbreiding van de koelie-bevolking op de ondernemingen 1).

1) Het aantal koelies op de gezamenlijke ondernemingen in de Buitengewesten (exclusief de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, Manado, Celebes en Onderhoorigheden, Molukken, Bali en Lombok en Timor en Onderhoorigheden), dat in 1934 tot een laagte-record was geslonken (tot 231 763) en in 1936 weer was toegenomen tot 276 804, steeg in 1937 tot 339 656 (voor 1937 inclusief de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo).

62 DE ECONOMISCHE TOESTAND

I n de volgende tabel zijn de rijst-in- of uitvoer-excedenten gewestgewijze opgenomen, voorzoover dit uit h e t overzeetransport is na te gaan (verkeer m e t h e t buitenland, m e t J a v a en de Buitengewesten intergewestehjk).

In- of uitvoerexcedenten van gepelde rijst in duizenden tonnen ( + = uitvoer)

Westerafdeeling van Borneo . . . Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo Celebes en Onderhoorigheden . . . Manado

Molukken

Timor en Onderhoorigheden . . . Bali en Lombok

Totaal Sumatra en Biouw . .

„ tineilanden

„ Borneo

„ Celebes on Groote Oost Totaal-generaal bevolkingsrubber en veel ondernemings-koelies), P a l e m b a n g , Djambi en Biouw (belangrijke gewesten voor bevolkingsrubber) en in mindere m a t e m de L a m p o e n g s c h e Districten, de Westerafdeeling van Borneo, S u m a t r a ' s W e s t k u s t , Manado, de Molukken en Benkoelen. D e Lampoengsche Districten werden van een uitvoer- weer t o t een invoergebied. W a a r de invoer daalde, zooals op de tineilanden, de Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo en Atjeh, was de daling van ondergeschikt belang, evenals de daling van d e n uitvoer uit Tapanoeli en Timor. D e uitvoer van Celebes en Bali en Lombok steeg sterk.

E e n belangrijke invoer uit h e t buitenland had vooral plaats m de Oostkust van S u m a t r a , en verder in B a n g k a , Biouw en de Westerafdeeling van Borneo, terwijl invoer u i t J a v a vooral plaats h a d in de Oostkust van S u m a t r a , en verder in de Westerafdeeling van Borneo, P a l e m b a n g , Manado, de Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo en Djambi. D e invoer uit andere Buitengewesten was belangrijk in Manado, d e Molukken en d e Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo.

Uitvoer naar h e t buitenland (vooral Nederland) h a d practisch alleen plaats uit L o m b o k ; naar J a v a werd vooral uitgevoerd door Bali en Lombok, Celebes en de Lampoengsche Districten, terwijl de export n a a r andere Buitengewesten overwegend uit Celebes en Bali en Lombok plaats had.

e. Crisismaatregelen in het belang van den landbouw. Suiker. D e „suiker-overgangsregeling 1937—1939" ( I . S. 1936 n°. 38) werd op een enkel p u n t aangevuld en gewijzigd ( I . S. 1937 n°. 180). Deze wijziging had t e n doel h e t voorraadbegrip, dat t e n grondslag' ligt aan de toerekening krachtens artikel 21 dezer regeling, aan te passen aan dat van de N . I . V . A . S . , hetwelk rekening houdt m e t voorsprongen en achterstanden in den afroep.

H e t verbod van den invoer van suiker in Nederlandsch-Indië is verlengd t o t 1 April 1938 ( I . S. 1937 n°. 181).

Bij K. B . 17 D e c . 1937 (N. S. 1937 n°. 954, I . S. 1938 n0. 84) zijn voor-schriften gegeven ter uitvoering in Nederlandsch-Indië van de op 6 Mei 1937 to L o n d e n gesloten internationale overeenkomst betreffende de regeling van de productie en den verkoop van suiker.

Thee. H e t verscherpt optreden tegen den smokkelhandel in thee ter Oostkust van S u m a t r a had t e n gevolge, d a t de clandestiene uitvoer van thee zicli n a a r elders, voornamelijk J a v a , verplaatste. Door de betrokken instanties werd m e t k r a c h t tegen het euvel opgetreden en h e t gelukte don smokkelhandel t o t geringe proporties t e r u g t e brengen.

D e maximum-hoeveelheden ondernemingsthee en opkoopthee, waarvoor gedurende h e t 5de restrictiejaar ( 1 April 1937—1 April 1938) vergunning t o t uitvoer kan worden verleend, zijn nader vastgesteld op 50 372 114 kg onder-nemingsthee en 12 527 130 kg opkoopthee (T. S. 1937 n°. 361).

Op 18 November 1936 k w a m t u s s c h e n de vereenigingen van theeproducenten van Britsch-Indië, Ceylon en Nederlandsch-Indië een overeenkomst t o t stand inzake d e verlenging' van de theerestrictie na 31 M a a r t 1938, op welken d a t u m de op 9 Februari 1933 tusschen deze vereenigingen gesloten overeenkomst zou expireeren. De Regeeringen van de drie landen verklaarden zich bereid om de uitvoering van de theerestrictie op basis van deze nieuwe overeenkomst voor de periode 1- April 1938 t / m 31 M a a r t 1943 door wettelijke maatregelen te waarborgen.

Kina. Zooals in liet vorig Verslag (blz. 57) werd vermeld, trad 1 J a n u a r i 1937 de nieuwe kina-restrictie-wetgeving, vervat in de kina-restrictie-ordonnantie 1937 ( I . S. 1930 n°. 508) en de kina-restrictie-verordening 1937 ( I . S. 1936 ïi". 509) in werking.

D e uitvoering van de nieuwe bepalingen is op grootere moeilijkheden gestuit dan aanvankelijk kon worden voorzien. Deze moeilijkheden openbaarden zich voornamelijk bij d e vaststelling van de standaardproducties. D e „Commissie van Advies inzake de Vaststelling van de Standaard-producties voor Kina-onder-n e m i Kina-onder-n g e Kina-onder-n " (Covasta) koKina-onder-n, Kina-onder-na verscheideKina-onder-ne m a a Kina-onder-n d e Kina-onder-n vaKina-onder-n beraadslagiKina-onder-ng t e Kina-onder-n aanzien van de terzake t e volgen werkwijze, niet t o t een definitief voorstel komen. I n hoofdzaak was dit t e wijten aan het feit, dat over de producties van kina-aanplantingen bij normale exploitatie onvoldoende concrete gegevens ter beschikking staan, aangezien verscheidene kina-ondernemingen van de eerste groep, tengevolge van de vrijwillig toegepaste restrictie, gedurende vele jaren niet normaal werden geëxploiteerd en daarvan derhalve ook geen normale exploi-tatie-cijfërs bekend zijn. Om d i t probleem t o t oplossing t e brengen, gaf de Directeur van Economische Zaken, na overleg m e t de vertegenwoordigers van de betrokken ondernemers-organisaties en n a verkregen i n s t e m m i n g van de Eegeering, aan den Directeur van het Boschbouwproefstation o p d r a c h t t o t het instellen van een opbrengst- en dunningsonderzoek in de kinatuinen, teneinde op deze wijze t o t een juister inzicht te komen o m t r e n t h e t productie-vermogen van de kina op verschillende leeftijden, onder verscllillende omstandigheden en.

bij toepassing van verschillende enten en zaailingen. Dit onderzoek werd toevertrouwd aan h e t Boschbouwproefstation, o m d a t deze instelling op dit gebied beschikt over jarenlange ervaring. Op grond van de resultaten van dit onderzoek werd de vaststelling van de standaardproducties der kina-onder-nemingen opnieuw onder oogen gezien.

6 4 DE ECONOMISCHE TOESTAND

Rubber. I n de rubberrestrictie-wetgeving werden in 1937 eenige wijzigingen

aangebracht. . T a

D e rubberaanplant-ordonnantie werd op een tweetal p u n t e n herzien ( 1 . b . 1937 n° 614) D e eerste wijziging h o u d t in de overdracht op de Hoofden van gewestelijk b e s t u u r van de in artikel 2, lid ( 2 ) , sub b van genoemde ordonnantie aan den Directeur van Economische Zaken gegeven bevoegdheid t o t h e t verleenen van herbeplantingsvergunningen, voorzoover h e t betreft vergunningen aan eigenaren van bevolkingsrubberaanplantingen, waardoor de procedure voor de bevolking t o t verkrijging van deze vergunningen werd vereenvoudigd. D e tweede wijziging betreft een verruiming van de op overtreding van h e t verbod t o t a a n p l a n t e n van rubber betrokking hebbende strafbepalingen. Bij de toepassing van de bestaande bepalingen zou h e t namelijk k u n n e n voorkomen, d a t door verjaring een veroordeeling wegens overtreding van h e t plantverbod m e t meer mogelijk zou zijn en daardoor vernietiging van in strijd m e t h e t plantverbod geplante rubber niet m e e r zou k u n n e n worden gelast. I n verband m e t de groote uitgestrektheid der rubbercultuur kan de controle op de r u b b e r a a n p l a n t m g e n

D e rubberaanplant-ordonnantie werd op een tweetal p u n t e n herzien ( 1 . b . 1937 n° 614) D e eerste wijziging h o u d t in de overdracht op de Hoofden van gewestelijk b e s t u u r van de in artikel 2, lid ( 2 ) , sub b van genoemde ordonnantie aan den Directeur van Economische Zaken gegeven bevoegdheid t o t h e t verleenen van herbeplantingsvergunningen, voorzoover h e t betreft vergunningen aan eigenaren van bevolkingsrubberaanplantingen, waardoor de procedure voor de bevolking t o t verkrijging van deze vergunningen werd vereenvoudigd. D e tweede wijziging betreft een verruiming van de op overtreding van h e t verbod t o t a a n p l a n t e n van rubber betrokking hebbende strafbepalingen. Bij de toepassing van de bestaande bepalingen zou h e t namelijk k u n n e n voorkomen, d a t door verjaring een veroordeeling wegens overtreding van h e t plantverbod m e t meer mogelijk zou zijn en daardoor vernietiging van in strijd m e t h e t plantverbod geplante rubber niet m e e r zou k u n n e n worden gelast. I n verband m e t de groote uitgestrektheid der rubbercultuur kan de controle op de r u b b e r a a n p l a n t m g e n

In document N E D E R L A N D S C H - I N D I Ë OVER HET JAAR 1937 (pagina 58-72)