Opeubare vrouwen

In document 0013 6802 (pagina 104-108)

ABT. 3. Iedere openbare vrouw is verplicht zich als zoodanig bij de politie aan te geven.

ART. 4. 1. Zij, die zich als openbare vrouw aangeeft, wordt terstond onder een volgnommer in het daartoe bestemde register ingeschreven.

2. In elke afdeeling wordt een register van inschrijving van openbare vrouwen door het hoofd van plaatselijk bestuur ge-houden.

ART. 5. Alle beambten van politie en in het bijzonder de hoofden der kampongs en desa's, ieder voor zooveel zijn ressort betreft, zijn verplicht aanwijzing te doen van de vrouwen, die gewoon zijn zich aan een ontuchtig leven over te geven.

ART. 6. Indien de aangewezene vrouw erkent eene openbare vrouw te zijn, wordt zij krachtens hare erkentenis in het register ingeschreven.

ART. 7. Indien zij ontkent eene openbare vrouw te zijn, overweegt het hoofd van plaatselijk bestuur de omstandigheden, op grond waarvan zij als zoodanig is opgegeven, en indien hij het bewezen acht, dat zij eene openbare vrouw is, schrijft hij haar ambtshalve als zoodanig in met dezelfde gevolgen als eene inschrijving op eigene aangifte.

ART. 8. Iedere ingeschrevene openbare vrouw wordt ten over-staan van een beambte der politie op de bij artikel 11 genoemde plaatsen, door den daartoe aangewezen geneesheer of d octor-djawa bij de eerste periodieke inspectie geneeskundig onderzocht.

ART. 9. 1. Indien door het geneeskundig onderzoek blijkt, dat de vrouw niet met syphilitische of andere aanstekelijke ziekten besmet is wordt haar onverwijld eene kaart uitgereikt, vermeldende :

Ie. het volgnummer in het register;

2e. den naam en de woonplaats der ingeschrevene vrouw ; 3e. de dagteekening der uitreiking en den naam en de kwaliteit van dengene, die de kaart uitreikt.

2. Het uitreiken der kaarten geschiedt door dezelfde amb-tenaren, die volgens art. 4 met het aanhouden der daarin ver-melde registers zijn belast.

3. De uitreiking wordt in het register vermeld.

ART. 10. 1. Zij, die bij het geneeskundig onderzoek met syphilitische of andere besmettelijke ziekten behept wordt be-vonden, wordt terstond overgebracht naar de voor besmette openbare vrouwen bestemde lokalen.

2. Zij wordt aldaar geneeskundig behandeld en zoolang zij niet door den geneesheer verklaard is genezen te zijn, buiten gemeenschap gehouden.

3. Zoodra de openbare vrouw genezen is, bekomt zij onver-wijld eene kaart, gelijk in het voorgaande artikel is vermeld.

ART. 11. 1. Waar dit mogelijk is eenmaal in de week en anders zoo dikwerf zulks mogelijk is, worden op de plaatsen, dagen en uren, door het hoofd van plaatselijk bestuur te be-palen, alle van eene kaart voorziene vrouwen, wonende op een afstand van niet meer dan zes palen van die plaatsen ten overstaan van een beambte van politie, geneeskundig onderzocht.

2. Alle openbare vrouwen binnen dien afstand wonende, zijn verplicht zich voor dat onderzoek op den bepaalden tijd op de daarvoor bestemde plaatsen te bevinden.

3. De niet besmet bevonden vrouwen keeren onverwijld naar hare woonplaats terug, nadat de geneesheer of doctor-djawa de dagteekening van zijn onderzoek op de kaart aangeteekend heeft, en de beambte van politie de aanteekening mede onderteekend heeft.

4. Aan de besmet bevonden vrouwen wordt de kaart dadelijk afgenomen onder vermelding in het register.

5. Zij worden terstond overgebracht, behandeld en na gene-zing van eene kaart voorzien op den voet van artikel 10.

ART. 12. 1. ledere openbare vrouw is verplicht hare kaart ten allen tijde bij zich te dragen en op aanvrage te vertoonen.

2. Onder geenerhande voorwendsel mag zij hare kaart uit-leenen of uitwisselen, of zich bedienen van eene kaart, aan eene andere vrouw uitgereikt.

ART. 13. 1. Zij, die eenmaal als openbare vrouw zijn inge-schreven, worden als zoodanig beschouwd, totdat de inschrijving is doorgehaald.

2. Doorhaling heeft plaats : er. bij overlijden;

b. op verzoek bij huwelijk;

c. op verzoek, indien de vrouw verklaart, dat zij het ontuchtig leven wil verlaten, en de politie termen vindt, om die verkla-ring voor ernstig gemeend te houden ;

d. bij vertrek naar eene plaats, gelegen in eene andere af-deeling.

3. Bij vertrek naar eene plaats gelegen binnen dezelfde af-deeling wordt hiervan aanteekening gehouden in het register.

4. Geene openbare vrouw mag van woonplaats veranderen, zonder voorafgaande aangifte aan de politie.

100 Bordeelen.

ART. 14. Met uitzondering van de ronggengs of dansmeiden en van haar, die een vast dagelijksch beroep uitoefenen, moeten de openbare vrouwen zich, zooveel mogelijk, vereenigen in bordeelen.

ART. 15. 1. Zoodra iemand een of meer vrouwen, wel of niet voorzien van een geldige, behoorlijk afgeteekende kaart, toegang verleent tot zijne woning of haar daarin herbergt, met het doel haar aldaar de gelegenheid te verschaffen, het beroep van publieke vrouw uit te oefenen, wordt die persoon geacht een bordeel te houden.

2. Eveneens worden drie of meer vrouwen, die het leven van openbare vrouw leiden, zoodra zij samen wonen, gerekend zich tot een bordeel te hebben vereenigd.

ART. 16. Openbare vrouwen, in een bordeel vereenigd, wor-den behandeld gelijk die, welke niet in een bordeel zijn.

ART. 17. 1. Het houden van een bordeel is verboden zonder schriftelijke vergunning van het hoofd van plaatselijk bestuur.

2. Die vergunning moet inhouden de plaats waar het bordeel wordt toegelaten, den naam van den houder, het aantal vrouwen en de dagteekening der afgifte van de vergunning.

3. Ook voor een getal van minder dan drie vrouwen heeft de bordeelhouder of houderes vergunning noodig.

ART. 18. De vergunning wordt alleen dan verleend:

Ie. wanneer zich iemand als houder of houdster aan het hoofd bevindt;

2e. wanneer bekend wordt gesteld het getal vrouwen, dat zich er in ophoudt of er toegang heeft;

3e. wanneer het plaatsen geldt, alwaar het bordeel aan de gemeente geen aanstoot geeft.

ART. 19. Het is aan openbare vrouwen verboden zich te bevinden in een bordeel, waarvan geene vergunning verkregen is.

ART. 20. De bordeelhouder of-houdster is verplicht:

Ie. aan geene andere openbare vrouwen in het bordeel huis-vesting of toegang te verleenen, dan aan haar, die van eene geldige, behoorlijk afgeteekende kaart zijn voorzien;

2e. de namen en nummers der in het bordeel zich ophoudende of toegang hebbende vrouwen, alsmede binnen 24 uren de wij-zigingen in het personeel van het bordeel, aan de politie op te geven;

3e. te zorgen, dat iedere vrouw in het bordeel zich ophoudende of toegang hebbende, aan de voorschriften dezer keur voldoet.

ART. 21. Hij (zij) moet voorts:

Ie. het bordeel in een zuidelijken en ordelijken staat onder-houden;

2e. zorgen, dat de uitwendige staat van het bordeel en do uitwendige wijze waarop het wordt gehouden, steeds zoo zijn, dat daardoor geen aanstoot aan de gemeente gegeven wordt;

3e. zijn (haar) bordeel bij dag en nacht steeds voor onderzoek door de politie toegankelijk stellen.

AKT. 22. 1. Het bewijs van toelating moet ten allen tijde in het bordeel aanwezig zijn en op aanvrage vertoond worden.

2. Het mag niet aan een ander afgestaan of uitgeleend worden.

3. De bordeelhouder of-houdster moet het elke zes maauden aan de politie aanbieden, om verwisseld of voor zes maanden verlengd te worden.

ART. 23. 1. Het hoofd van plaatselijk bestuur zorgt, dat de bordeelen van de amfioenkitten gescheiden zijn, en verbiedt of sluit het bordeel, zoodra daartoe zijns oordeels aanleiding bestaat.

2. Het verbieden of sluiten van een bordeel heeft tengevolge, dat alle zich daarin ophoudende openbare vrouwen het binnen 24 uren, na kennisgeving door de politie, moeten verlaten, en dat geene andere zich daarin mogen vestigen of er toegang mo-gen erlanmo-gen.

Awr. 24. 1. Overtredingen der bepalingen dezer keur worden gestraft als volgt:

die van artikel 11 alinea 2, van artikel 12, de laatste alinea van artikel 13, van artikel 19 en de laatste alinea van artikel 23, wanneer zij begaan worden door Europeanen of met dezen gelijkgestelden, met geldboete van ten hoogste twintig gulden of gevangenisstraf van ten hoogste vier dagen, en, wanneer zij begaan worden door Inlanders of met dezen gelijkgestelden met gelijke geldboete of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste twaalf dagen.

2. Die van artikelen 3, 17, 20, 21 en 22, wanneer zij begaan worden door Europeanen of met dezen gelijkgestelden, met geldboete van twintig tot ten hoogste vijftig gulden of gevan-genisstraf van ten hoogste zes dagen, en, wanneer zij begaan worden door Inlanders of met dezen gelijkgestelden met gelijke geldboete of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste achttien dagen.

3. In geval van herhaling van dezelfde overtreding door denzelfden persoon binnen het jaar worden de maxima der straf-fen verhoogd.

Die genoemd in alinea 1: de boete tot veertig gulden, de ge-vangenisstraf tot zes dagen en de tenarbeidstelling tot achttien dagen.

Die genoemd in de 2e alinea: de boete tot één honderd gulden, de gevangenisstraf tot acht dagen en de tenarbeidstelling tot dertig dagen.

102

ART. 25. Deze keur treedt in werking op den achtsten dag na dien der dagteekening van de Javasche Courant, waarin zij voor het eerst is opgenomen, op welk tijdstip vervalt:

de keur tot wering van schadelijke gevolgen, welke uit prostitutie voortvloeien in de residentie Soerabaia van 25 Februari 1874 (Javasche Courant dd. 13 Maart 1874 No. 21).

Gedaan te SOERABAJA, den 29sten J u n i 1895, Javasche Courant van 30 Juli 1895 No. 60.

BORDEEL N*.

In document 0013 6802 (pagina 104-108)