ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

In document VERSLAG. NL In verscheidenheid verenigd NL. Europees Parlement A9-0091/ (pagina 7-20)

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor

gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2020 (2021/2129(DEC))

Het Europees Parlement,

– gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2020,

– gezien artikel 100 en bijlage V van zijn Reglement,

– gezien het advies van de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid, – gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0091/2022), A. overwegende dat volgens zijn staat van ontvangsten en uitgaven1 de definitieve

begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (hierna: “het Instituut”) voor het begrotingsjaar 2020 in totaal 7 749 900 EUR bedroeg, wat neerkomt op een daling van 1,24 % ten opzichte van 2019; overwegende dat de begroting van het Instituut volledig wordt gefinancierd met middelen van de Uniebegroting;

B. overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2020 (hierna “het verslag van de Rekenkamer”) verklaart redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Instituut betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

C. overwegende dat de Unie er krachtens artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in al haar activiteiten naar streeft de ongelijkheden tussen

mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te

bevorderen, waarmee zij het beginsel van gendermainstreaming vastlegt, onder meer via genderbudgettering op alle niveaus van het begrotingsproces;

D. overwegende dat vrouwen onevenredig zwaar worden getroffen door de COVID-19-pandemie, met name vrouwen met onzekere banen, vrouwen die werken in sectoren waarin zij oververtegenwoordigd zijn, en vrouwen die werken in de informele economie, en overwegende vrouwen eveneens lijden onder de toename van gendergerelateerd geweld en intimidatie, onbetaalde en ongelijke zorg- en

huishoudelijke taken en beperkte toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten; overwegende dat de COVID-19-pandemie de vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid dreigt terug te draaien, met name in lidstaten die vóór de pandemie minder goed scoorden op de indicatoren voor gendergelijkheid; overwegende dat de gendergelijkheidsindex voor 2021 een minuscule toename van amper 0,6 punten vertoonde ten opzichte van het voorgaande jaar2;

1 PB C 114 van 31.3.2021, blz. 135.

2 https://eige.europa.eu/gender-equality-index/2021

PE698.970v02-00 8/20 RR\1253864NL.docx

NL

Financieel en begrotingsbeheer

1. stelt met tevredenheid vast dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2020 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 97,75 %, wat neerkomt op een daling van 1,21 % ten opzichte van 2019; stelt voorts vast dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 74,82 % bedroeg, een daling van 7,68 % ten opzichte van 2019;

2. stelt vast dat de overgedragen operationele uitgaven van het Instituut zijn toegenomen tot 49,49 % in 2020 (28,01 % in 2019);

3. verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het Instituut op 17 december 2019 een wijziging van de overeenkomst met het directoraat-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen van de Commissie heeft ondertekend voor de

verstrekking van 378 950 EUR in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun voor de uitvoering van de actie getiteld “Vergroting van de capaciteit van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-kandidaat-lidstaten van de EU om de impact van het

gendergelijkheidsbeleid te meten en te monitoren (2018-2021)”, en dat het bedrag op 27 december 2019 werd ontvangen, maar dat informatie met betrekking tot dat bedrag niet in de begroting was opgenomen; merkt op dat dergelijke informatie ingevolge artikel 157 van het Financieel Reglement moet worden gerapporteerd; betreurt het dat het Instituut geen wijziging van de begroting 2020 heeft gepubliceerd om het ontvangen bedrag op te nemen, en het bedrag ook niet heeft opgenomen in de op 31 maart 2021 gepubliceerde begroting 2020, en dat een soortgelijke kwestie eerder in 2019 is gemeld;

merkt op dat het Instituut eind 2021 de opmerking van de Rekenkamer over het begrotingsbeheer bij de controle van de rekeningen 2020 heeft uitgevoerd en dat het Instituut een corrigendum3 op zijn begroting 2020 heeft gepubliceerd met betrekking tot de bijdrage van het instrument voor pretoetredingssteun; merkt op dat de Rekenkamer momenteel follow-up geeft aan deze actie; verzoekt het Instituut, gezien het feit dat de Rekenkamer opmerkt dat dit op een systeemfout wijst, om de kwijtingsautoriteit een verklaring te verstrekken voor de herhaling van de rapportagekwestie in 2020; verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de andere maatregelen die het heeft genomen om te voorkomen dat het nogmaals gebeurt;

4. herinnert eraan dat het Instituut is opgericht om bij te dragen aan gendergelijkheid in de Unie en om de bevordering van gendergelijkheid in de Unie te versterken, en om de integratie van gendergelijkheid in het volledige EU-beleid en het hieruit voortvloeiende nationale beleid te ondersteunen; erkent de specialisatie en grote deskundigheid van het Instituut inzake studies, onderzoek, de verzameling van gegevens van hoge kwaliteit, de ontwikkeling van methodologische hulpmiddelen en de beoordeling van nationaal beleid, in het bijzonder met betrekking tot gendergerelateerd geweld en feminicide in alle lidstaten; wijst erop dat het Instituut met name gezien de impact van de COVID-19-pandemie op het gebied van gendergelijkheid en de achteruitgang op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid, meer middelen en meer personeel nodig heeft om zijn taken naar behoren te kunnen uitvoeren;

Prestaties

3 Staat van ontvangsten en uitgaven van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2020 — gewijzigde begroting nr. 1 (PB C 114 van 31.3.2021, blz. 238).

RR\1253864NL.docx 9/20 PE698.970v02-00

NL

5. is ingenomen met de lopende samenwerking tussen het Instituut en de Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid (commissie FEMM) van het Parlement, en met de bijdrage van het Instituut aan de huidige werkzaamheden van de commissie FEMM, onder meer op het gebied van de gevolgen van de COVID-19-pandemie,

gendergerelateerd geweld, gelijke beloning, genderbudgettering en de ontwikkeling van een genderbewust parlementair instrument; benadrukt de waardevolle bijdrage die het Instituut kan leveren aan alle commissies van het Parlement, en spoort het Parlement ertoe aan steeds nauwer samen te werken met het Instituut; moedigt samenwerking aan tussen het Instituut en de andere agentschappen van de Unie;

6. stelt met tevredenheid vast dat het Instituut voor operationele doelstellingen en het beheer van financiële en personele middelen bepaalde kernprestatie-indicatoren gebruikt om de toegevoegde waarde van zijn activiteiten te beoordelen; is ingenomen met het feit dat de meeste streefdoelen zijn gehaald en dat het Instituut specifieke indicatoren heeft ontwikkeld voor het meten van de prestaties van horizontale diensten in het jaarlijkse deel van het enkelvoudig programmeringsdocument 2022-2024;

7. is ingenomen met de publicatie en vertaling van de stapsgewijze toolkit voor genderbudgettering van het Instituut in 2020, die bedoeld is om degenen die met financiering van de Unie werken te helpen gendergelijkheid in hun programma’s te integreren; is ook ingenomen met de online publicatie van de gendergelijkheidsindex in oktober 2020, als een nuttig benchmarkinstrument dat de lidstaten in staat stelt hun vooruitgang in de tijd gemakkelijk te monitoren en te vergelijken en te begrijpen waar verbeteringen het hardst nodig zijn;

8. is ingenomen met het feit dat de raad van bestuur in 2020 zijn goedkeuring heeft gehecht aan de samenstelling van de stuurgroep voor de tweede externe evaluatie van het Instituut, die in 2019 werd uitgesteld en gepland is voor 2022, en is ingenomen met het mandaat van het Instituut om opdracht te geven tot de onafhankelijke externe evaluatie van zijn resultaten;

9. is ingenomen met het feit dat het Instituut nauw samenwerkt met de agentschappen van de Unie door middel van bilaterale samenwerking en actieve deelname aan gevestigde netwerken en dat de verordening tot oprichting van het Instituut voorziet in

overeenkomsten voor samenwerking met de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), het Europees Agentschap voor

veiligheid en gezondheid op het werk, het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten; merkt op dat het Instituut bovendien actief deelneemt aan het netwerk van agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken; is ingenomen met die samenwerking en deze synergieën die als voorbeeld kunnen dienen voor andere agentschappen en instellingen;

Personeelsbeleid

10. stelt vast dat de personeelsformatie op 31 december 2020 voor 100 % ingevuld was, aangezien 27 tijdelijke functionarissen waren aangesteld van de 27 tijdelijke

functionarissen die in het kader van de begroting van de Unie waren toegestaan (in 2019 waren er 27 posten toegestaan); merkt op dat er elf oproepen tot het indienen van

sollicitaties zijn gelanceerd, waarvan twee voor arbeidscontractanten, acht voor

PE698.970v02-00 10/20 RR\1253864NL.docx

NL

gedetacheerde nationale deskundigen en één voor een stageplaats; merkt op dat in de loop van 2020 het verloop 11 % bedroeg; is ingenomen met de maatregelen die het Instituut heeft genomen om het verloop terug te dringen;

11. neemt met bezorgdheid kennis van de onevenwichtige genderverdeling in het hoger management met 1 man (25 %) en 3 vrouwen (75 %), in de raad van bestuur met 7 mannen (21,9 %) en 25 vrouwen (78,1 %), en in het totale personeelsbestand met 11 mannen (23,4 %) en 36 vrouwen (76,6 %); vraagt het Instituut nogmaals om in de toekomst voor genderevenwicht binnen het hoger management te zorgen; wijst het Instituut erop dat bij de selectie van kandidaten competenties, kennis en ervaring belangrijk zijn, alsook het geografische evenwicht en het genderevenwicht onder de personeelsleden; verzoekt de Commissie en de lidstaten zich bij het voordragen van hun kandidaten voor de raad van bestuur van het Instituut rekenschap te geven van het belang van het waarborgen van genderevenwicht; merkt op dat het Instituut, met uitzondering van sollicitaties voor stages en posten voor gedetacheerde nationale deskundigen, in 2020 142 sollicitaties heeft ontvangen, waarvan 67 % door vrouwen is ingediend, hetgeen een verandering betekent ten opzichte van 2019, toen 87 % van de sollicitaties door vrouwen werd ingediend;

12. is ingenomen met de inspanningen op het vlak van personeelsbeleid ter bevordering van telewerk en een gezond leven en blijft het Instituut ertoe aansporen verder te werken aan een kader voor personeelsbeleid voor de lange termijn dat gericht is op evenwicht tussen werk en privéleven, levenslange begeleiding en loopbaanontwikkeling, genderevenwicht, telewerk, geografisch evenwicht en aanwerving en integratie van personen met een beperking;

13. merkt op dat in 2020 het Instituut de raamovereenkomst voor de terbeschikkingstelling van uitzendkrachten is blijven gebruiken; merkt op dat begin 2018 sommige

uitzendkrachten hun arbeidsvoorwaarden bij het gecontracteerde bedrijf aanvochten, dat de zaak door het Litouwse comité voor arbeidsgeschillen werd behandeld en in het voordeel van de uitzendkrachten besloot; merkt op dat het besluit van het Litouwse comité voor arbeidsgeschillen door het gecontracteerde bedrijf werd betwist; merkt op dat het Instituut in die zaak als derde partij optrad; merkt bovendien op dat Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad4 niet a priori juridische duidelijkheid bood over de vraag of agentschappen van de Unie onder het

toepassingsgebied van de richtlijn vallen met betrekking tot het tewerkstellen van uitzendkrachten; merkt op dat op 30 december 2019 het Litouwse hooggerechtshof vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in zaak C-948/19; merkt op dat, volgens het verslag van de Rekenkamer, het feit dat het HvJ-EU hierover uitspraak doet gevolgen kan hebben voor het standpunt van de Rekenkamer over de inzet van uitzendkrachten door het Instituut en dat de opmerkingen over deze kwestie zouden worden verstrekt wanneer het HvJ-EU definitief uitspraak had gedaan in de zaak; merkt op dat de zaak in november 2021 is opgelost, aangezien het HvJ-EU heeft geoordeeld dat agentschappen van de Unie onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2008/104/EG vallen wanneer zij uitzendkrachten tewerkstellen via uitzendbureaus;

14. merkt op dat bij de controle van 2019, volgens het verslag van de Rekenkamer, bleek

4 Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid (PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9).

RR\1253864NL.docx 11/20 PE698.970v02-00

NL

dat het bij de gehanteerde procedures voor het selecteren en inhuren van externe deskundigen ontbrak aan een adequaat auditspoor (zoals vereist door artikel 36, lid 3, van het Financieel Reglement) en dat bijgevolg alle daaropvolgende betalingen in verband met deze overeenkomsten onregelmatig waren; wijst erop dat in 2020 de desbetreffende betalingen 4 400 EUR beliepen;

Aanbestedingen

15. merkt op dat in 2020 47 administratieve aanbestedingsprocedures en 61 operationele aanbestedingsprocedures zijn afgerond; merkt met tevredenheid op dat het Instituut voor het personeel regelmatig interne opleidingssessies over

aanbestedingsaangelegenheden heeft georganiseerd; merkt op dat het Instituut, in overeenstemming met de aanbestedingsrichtlijnen en het Financieel Reglement,

uniforme normen heeft toegepast voor de elektronische uitwisseling van informatie met derden die deelnemen aan aanbestedingsprocedures door gebruik te maken van een instrument voor elektronische aanbesteding en elektronische indiening;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

16. neemt met tevredenheid kennis van de bestaande maatregelen en de lopende

inspanningen van het Instituut met het oog op transparantie, preventie van en omgang met belangenconflicten en bescherming van klokkenluiders; is ingenomen met het feit dat in 2020 de fraudebestrijdingsstrategie 2021-2023 is goedgekeurd en dat er

verschillende opleidingssessies op het gebied van ethiek en integriteit zijn

georganiseerd; neemt kennis van de publicatie van de cv van de directeur op de website van het Instituut;

Interne controle

17. merkt op dat, naar aanleiding van het strategisch plan voor interne audits 2019-2021 van de dienst Interne Audit van de Commissie, de controle van de uitvoering van de

projectgestuurde organisatieaanpak in het Instituut plaatsvond in 2020 en dat het definitieve auditverslag één belangrijke en twee zeer belangrijke aanbevelingen bevatte die door het Instituut werden aanvaard; merkt op dat de zeer belangrijke aanbevelingen betrekking hebben op verbeteringen van het kader voor projectbeheer van het Instituut en benadrukken dat de aanpak van het projectbeheer van het Instituut moet worden gecommuniceerd, aangezien het personeel de richtsnoeren niet heeft gevolgd; merkt op dat in de belangrijke aanbeveling het Instituut wordt verzocht het projectbeheer te analyseren en verbetering van het projectbeheer te overwegen;

18. merkt op dat de Rekenkamer in 2019 drie opmerkingen heeft gemaakt over de

wettigheid en regelmatigheid van verrichtingen, begrotingsbeheer en interne controles;

merkt op dat het Instituut met betrekking tot de eerste opmerking in verband met de toewijzing van taken aan externe deskundigen op basis van vooraf bepaalde

selectiecriteria, zoals uiteengezet in artikel 36, lid 3, van het Financieel Reglement, de huidige processen heeft onderzocht en een nieuwe oproep tot het indienen van blijken van belangstelling heeft opgesteld waarin rekening wordt gehouden met de suggestie van de Rekenkamer; merkt op dat de tweede opmerking betrekking had op het

instrument voor pretoetredingssteun en dat het Instituut contact heeft opgenomen met het directoraat-generaal Begroting van de Commissie over de kwestie van de

vermelding van projectgebaseerde middelen in de jaarlijkse begroting; verzoekt het

PE698.970v02-00 12/20 RR\1253864NL.docx

NL

Instituut een gecoördineerde aanpak aan de Rekenkamer voor te leggen met betrekking tot de wijze waarop het deze specifieke kwestie in de toekomst wil aanpakken, teneinde aan de bevindingen van de Rekenkamer naar behoren een follow-up te geven; merkt op dat de derde opmerking betrekking had op het feit dat de gedelegeerd ordonnateur controles achteraf kan instellen om fouten en onregelmatigheden op te sporen, maar dat het Instituut geen controles achteraf heeft uitgevoerd; merkt op dat de maatregelen die het Instituut heeft genomen om aan die opmerking tegemoet te komen, in 2020 nog uitgevoerd werden;

19. neemt met bezorgdheid kennis van de conclusie van de internecontrolebeoordeling voor het jaar 2020, waarin wordt gesteld dat het internecontrolesysteem gedeeltelijk

doeltreffend is vanwege een probleem in component 3 “controleactiviteiten”, aangezien het bedrijfscontinuïteitsplan achterhaald is, en dat er een gebrek is aan toetsing van de bedrijfscontinuïteit (sinds 2015); herinnert aan de bevindingen en aanbevelingen van zowel de dienst Interne Audit van de Commissie als de Rekenkamer en verzoekt het Instituut deze bevindingen te verwerken in de beoordeling van het

internecontrolesysteem, voor zover dat nog niet is gedaan; is ingenomen met de door het Instituut genomen risicobeperkende maatregelen en verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de geboekte vooruitgang; stelt met bezorgdheid vast dat het Instituut sinds september 2016 geen controles achteraf van verrichtingen en van de begrotingsuitvoering heeft gedaan;

COVID-19-respons en bedrijfscontinuïteit

20. merkt op dat het Instituut zijn activiteiten heeft geherprioriteerd en gereorganiseerd om de risico’s voor de bedrijfscontinuïteit en het welzijn van het personeel als gevolg van de COVID-19-pandemie te beperken; merkt op dat de genomen maatregelen, zoals telewerken, versterkte beveiliging voor toegang op afstand, de invoering van digitale workflows en elektronische handtekeningen, zijn vermeld in het gewijzigde

enkelvoudig programmeringsdocument 2020-2022;

21. waardeert het feit dat het Instituut de lidstaten tijdens de COVID-19-pandemie heeft ondersteund bij hun inspanningen om geweld tegen vrouwen aan te pakken, en dat het in 2020 een webpagina heeft gelanceerd over de gevolgen van COVID-19 voor gendergelijkheid en 63 publicaties heeft geproduceerd om beleidsmakers te helpen bij het verwezenlijken van gendergelijkheid;

Overige opmerkingen

22. neemt kennis van het feit dat in 2020 een nieuwe directeur is aangetreden; stelt vast dat de raad van bestuur van het Instituut ook een nieuwe vicevoorzitter heeft gekozen;

23. neemt kennis van de inspanningen van het Instituut om een kosteneffectieve en milieuvriendelijke werkplek te waarborgen; is ingenomen met het feit dat het Instituut een groene functionaris heeft benoemd om de impact van zijn activiteiten op het milieu te beperken; moedigt het Instituut aan zijn uitdagingen en geleerde lessen te delen in het netwerk van EU-agentschappen; neemt kennis van de verbeteringen van het Instituut bij de verspreiding van de resultaten van zijn onderzoek onder het publiek en bij het leggen van contact met het publiek via sociale en andere media;

24. moedigt de renovatie van gebouwen aan om aan de normen inzake nuluitstoot te

RR\1253864NL.docx 13/20 PE698.970v02-00

NL

voldoen, met name door zonnepanelen te installeren op alle gebouwen die eigendom zijn van het Instituut;

25. wijst erop dat het belangrijk is het Instituut verder te digitaliseren wat interne werking en management betreft en op het belang van versnelling van de digitalisering van de procedures; benadrukt dat het Instituut wat dit aspect betreft proactief moet blijven, teneinde een digitale kloof tussen de agentschappen van de Unie tot elke prijs te vermijden; wijst er evenwel op dat alle noodzakelijke beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen om risico’s voor de onlineveiligheid van de verwerkte informatie te voorkomen; verzoekt het Instituut zijn cyberbeveiligingsbeleid sneller te ontwikkelen en zonder vertraging uit te voeren;

°

° °

26. verwijst voor andere opmerkingen van horizontale aard bij het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van [...] 20225 over het functioneren en het financiële beheer van en de

controle op de agentschappen.

5 Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0000.

PE698.970v02-00 14/20 RR\1253864NL.docx

NL

RR\1253864NL.docx 15/20 PE698.970v02-00

NL

28.1.2022

ADVIES VAN DE COMMISSIE VROUWENRECHTEN EN GENDERGELIJKHEID

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2020

(2021/2129(DEC))

Rapporteur voor advies: Samira Rafaela

SUGGESTIES

De Commissie vrouwenrechten en gendergelijkheid verzoekt de bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de Unie er krachtens artikel 8 VWEU in al haar activiteiten naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, waarmee zij het beginsel van gendermainstreaming

A. overwegende dat de Unie er krachtens artikel 8 VWEU in al haar activiteiten naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, waarmee zij het beginsel van gendermainstreaming

In document VERSLAG. NL In verscheidenheid verenigd NL. Europees Parlement A9-0091/ (pagina 7-20)