namelijk als 99 tot 1

In document BIBLIOTHEEK KTLV (pagina 126-129)

1,187,068: 72ty2

Gemiddelde prijs waarop het

pond thee

Gedurende deze jaren was de opbrenst ; van

de in Nederland geveilde thee per

Amsterd. pond,

Voor deze cultuur wordt bijgevoegd de staat lit. P , welke de navolgende uitkomsten aangeeft voor de zes gewesten, Bantam, Krawang, Banjoemaas, Bagelen, Madiocn en

Kediri, waar zij , na de intrekking 4er cultuur in Rembang, nog bestaat.

Getal kaneel-inrigtingen 46 Getal huisgezinnen voor de kaneelcultuur afgezonderd (alleen in de

vier eerstgenoemde gewesten) 6,168 Uitgestrektheid der kaneeltuinen, in bouws van 500 vierkante

Rhijn-landsche roeden 1,9971/, Aanwezig getal kaneelboomen, schilbare 4,082,306

Mem, jonge . 209,831

Verkregene hoeveelheid ponden kaneel, buiten den afval 172,139

Hoeveelheid ponden verkoopbare afval l,7841/

2

Gezamenlijk bedrag der genotene betaling door kaneelplanters . . . f 62,369:113

Gezamenlijke kosten van het kaneel over 1854 134,468:64l/

2

Gemiddelde prijs, waarop een pond kaneel het Gouverment te staan

is gekomen, de verkoopbare afval medegerekend 0:93 De verhouding tusschen het pijpkaneel en den afval was dit jaar bijzonder gunstig,

namelijk als 99 tot 1.

.(*) Hieronder zijn niet begrepen de kosten van » overwerldng" van een gedeelte van het p r o d u c t , voor zooveel 1849 en i85o betreft, aan de thee-inrigting te Meester Cornelis, en voor zooveel i 8 5 i tot en met i854 betreft, bij L. Weber te Tjogrek. Zie onder andere het Verslag van I 8 5 I , pag. n 4 en bijlage lit. O van dit Verslag.

( 1 2 1 )

Het product is in het algemeen in bijna alle residentien aanmerkelijk toegenomen, met uitzondering alleen van de afdeeling K r a w a n g , waar, ten gevolge van de langdurige droogte in het midden van het j a a r , 31,730 pond minder is geoogst.

In de kaneeltuinen der afdeeling Poerwodadi,' residentie Madioen, worden de mangga, nangka w. andere vruchtboomen voor schaduw gebezigd, hetgeen goed^ schijnt te voldoen.

I n de residentie Banjoemaas was het noodig geoordeeld de daar tot dusver gebruikte schaduwboomen, en voornamelijk de dadap-, te doen uitkappen, omdat het gebleken scheen te zijn, dat de struiken op die plaatsen, waar zich schaduw bevindt, beginnen te kwij-nen; dat zij meer aan verbastering onderhevig zijn, daar het kaneel den smaak der scha-duwboomen aanneemt, en dat de schascha-duwboomen, en voornamelijk de dadap, insecten verwekken.

Omtrent de kaneel-olie, die uit den afval wordt bereid, is alleen vermeld gevonden, dat in Krawang 17 en in Bagelen 11 Amsterdamsche ponden olie werden verkregen.

Een zesjarig overzigt van de uitkomsten dezer cultuur ten vervolge op het negenjarig overzigt in het Verslag van 1849 (pag. 193), en tevens strekkende tot verbetering eener onjuiste opgave, in het Verslag van 1853 gegeven, wordt hieronder bijgevoegd.

a opbrengst van het

in Nederland geveilde kaneel per

Amsterd. pond,

Nopal-cultuur en cochenille-teelt.

Voor deze cultuur wordt als bijlage bij dit Verslag gevoegd de uitvoerige staat lit. Q, waarvan de voornaamste totalen, in vergelijking met vroegere j a r e n , zijn bij eengetrokken in de aan het eind dezer afdeeling geplaatste zesjarige aantooning, strekkende ten ver-volge op het negenjarig overzigt in het Verslag van 1849 (pag. 194).

De uitkomsten van 1854 waren in het algemeen gunstig. I n Banjoewangi verkreeg men zelfs 38,179 Amsterdamsen pond meer dan in het vorige j a a r , toen de oogst daar trou-wens , door het uitsterven der meeste insecten, als mislukt kon worden beschouwd.

Eene proef, in dat gewest genomen met het ongedekt bevolken van een gedeelte der nopals, voldeed even als destijds (zie het Verslag van 1853, pag. 148) weder wel aan de verwachting.

De nieuwe overeenkomst, in Cheribon gesloten, waarvan mede in het vorig Verslag melding is gemaakt, kwam dit j a a r reeds in werking.

Even als de onderneming in Japara , werkt ook deze geheel met vrijwilligers. Beide be-schikken vrijelijk over hun product, voor zooveel het niet strekken moet tot afbetaling van voorschotten; en betalen verder jaarlijks huurschat voor den hun afgestanen grond, en aan de bevolking eene schadeloosstelling voor het gemis van dien grond.

I n Bezoeki geschiedt deze cultuur van gouvernementswege met vrije menschen, doch tegen een gering loon ; in Banjoewangi met bannelingen, en bij ongenoegzaamheid van dezen, met vrijen, op denzelfden voet als in Bezoeki.

3 1

c CU

Gedurende deze jaren was de opbrengst der in Nederland geveilde

cochenille per

De onder lit. R] bij dit Verslag gevoegde staat behelst eene uitvoerige aantooning van de uitkomsten der tabakscultuur over bet j a a r 1854. Tot toelichting van dien staat dient het volgende:

I n de vijf residentien, w a a r , door de bevolking, op hooger last tabak wordt geteeld, te w e t e n : Samarang, J a p a r a , Rembang, Soerabaija en Pasoeroean, waren gedurende dit jaar in werking 13 ondernemingen. Eene in het vorige j a a r nog bestaande onder-neming ging te niet door insolventie van den fabrikant.

Voor de in Samarang gevestigde onderneming geschiedde de aanplant w e d e r , even als in vorige j a r e n , in daghuur, tegen 20 duiten daags per arbeider ; dewijl de uitgestrekt-heid gronds — 200 bouws , — welke het Gouvernement, volgens overeenkomst, voor dien ondernemer moet doen aanplanten, de krachten der bevolking, vooral bij de nog voort-durende werkzaamheden tot opstuwing van de Toenbang, te boven gaat. Het Gouver-nement leed bij dien aanplant een verlies van f 22,203:77, zijnde het verschil van het betaalde plantloon en van het plantloon door den fabrikant volgens zijn contract verschuldigd.

Voor de aanplantingen ten behoeve der 12 overige ondernemingen waren 13,371 huis-gezinnen werkzaam.

De uitgestrektheid velden, van welke werd geoogst, bedroeg 17591/4 bouws, dat is 3907/8 minder dan in het vorige jaar. De oorzaken van die vermindering waren: het bovenvermeld vervallen van eene onderneming, eene geringere aanplanting ten behoeve van twee andere ondernemers, en de mislukking van 103 bouws bij verschillende onder-nemingen.

De opbrengst bedroeg 16,100 17/ioo pikol, en werd geheel bereid voor de Europesche markt. I n 1853 was dit cijfer geweest 25,229 20/ioo pikol.

De tabakplantende bevolking genoot eene betaling van f 165,692:29, of, na aftrek van f 38,865:05 voor de onderneming in Samarang, in de vier overige residentien f 126,827:24, dat is gemiddeld per huisgezin f 9:59, zijnde f 3:83 minder dan in het vorige j a a r . Per bouw berekend bedroeg de betaling der tabaksplanters: in Samarang, waar de aanplan-ting tegen daghuur geschiedde, f 194:39; in de vier overige residentien als volgt: in J a p a r a f 150, in Reïnbang f76:110, in Soerabaija f59:103 en in Pasoeroean f74:79.

Alle fabrikanten hadden de vrije beschikking over hun geheele product, na gestelden waarborg voor de aan het Gouvernement verschuldigde gelden ; met uitzondering van den fabrikant in Samarang, die zijnen halven oogst, tot een bedrag van 721 78/100 pikol, aan het Gouvernement leverde. Met inbegrip van de bovengenoemde som van f22,203:77, kostte deze tabak aan het Gouvernement f 37,992:70 of f 52:77 per pikol.

Van de vroeger zoo veelvuldige gevallen van brand kwam er dit jaar één voor, te weten in het district Bouwerno, residentie Rembang, waar eene schuur, bevattende 30,000 pond t a b a k , door den bliksem getroffen werd en geheel verbrandde. Het

toene-( 1 2 3 )

mend gebruik van pannen daken, d a t , blijkens vorige verslagen (zie bijv. dat van 1852, pag. 93), van gouvernementswege zooveel mogelijk wordt bevorderd, draagt overigens tot vermindering dier ongelukken bij.

Blijkens het bovenstaande waren in het algemeen de uitkomsten der tabakscultuur in dit jaar niet zeer bevredigend. Behalve hetgeen reeds vermeld is omtrent de onderne-ming in Samarang, berigt de directeur der cultures, dat ook door den resident van

Soerabaija geklaagd wordt over het drukkende der gedwongen tabakscultuur in die resi-dentie, en dat de bevolking nu en dan vrij duidelijke teekenen van tegeningenomenheid met het haar opgelegde werk gaf. E n nogtans was de aanplanting aldaar, op verzoek van den fabrikant, die volgens zijn contract regt heeft op 200 bouws, tot 125 bouws beperkt gebleven.

Gunstiger zijn de berigten over de vrije tabakscultuur. Van de onderneming van den heer J. de Mol van Otterloo, in Kediri, werden, gedurende 1854, 800 balen, bestemd voor de Europesche markt, naar Soerabaija verzonden. In Kembang zijn drie geheel vrijwillige tabaksondernemingen, en buitendien worden daar, bij de verschillende fabrie-ken, die in contract met het Gouvernement zijn opgerigt, talrijke eigene aanplantingen van tabak aangetroffen. Volgens het oordeel van den resident van Kembang zou bij het ten einde loopen der gouvernements-overeenkomst, de gedwongen tabakscultuur tegen eene vrijwillige kunnen worden verwisseld, indien van de zijde der ondernemers de plantloo-nen n i e t t e gering wierden gesteld.

Bij vrijwillige aanplanting geniet de bevolking, naar hetgeen de de directeur verder berigt, 21/2 > 2 , H /2 en 1 duit per plant, naargelang van de grootte der bladeren; eene betaling die dikwijls f 200 per bouw kan geven. Het loon van vrijwillige arbeiders bij de fabrieken bedraagt, blijkens het vorig Verslag (pag. 144), van 15 tot 30 duiten daags voor de mannen, en van 10 tot 15 duiten daags, in Soerabaija zelfs van 6 tot 8 duiten daags, voor vrouwen en kinderen.

Ook van de vrije cultuur van tabak voor deinlandsche markt luiden de berigten gun-sti«-. In Kembang bedroeg de uitvoer over zee 3528 pikol. De uitgebreide aanplantingen enÖde meest gewilde soort voor inlandsch gebruik treft men overigens aan in de residentie Kadoe, een gedeelte van Banjoemaas (Bandjar-Negara), Bagelen (Ledok) en Pasoeroean (Malang). In de districten Bodjo enSelokaton, residentie Samarang, geeft die teelt mede belangrijke voordeelen aan de bevolking.

Hieronder volgt een zesjarig overzigt van de uitkomsten der gouvernements-cultuur, hetwelk zich aansluit aan het negenjarig overzigt voorkomende in het Verslag van 1849, pag. 195.

C3

>-5

Getal

tabaks-onder-nemingen.

1849 1850 1851 1852 1853 1854

24 19 17 17 14 13

Uitgestrektheid der tabaksvelden,

In document BIBLIOTHEEK KTLV (pagina 126-129)