Landelijke watervoorzieningen

In document TIJDSCHRIFT VAN DE VEREENIGING VOOR STUDIE VAN KOLONIAAL- MAATSCHAPPELIJKE VRAAGSTUKKEN (pagina 66-102)

„Men kan het gemeentebestuur het best beoordeelen naar de wijze, waar-op dit zorg draagt voor de drinkwater-voorziening".

Aristoteles.

Door de invoering van de decentralisatie werd voor de locale ressorten de gelegenheid geopend om tot voorziening in eigen behoeften te geraken. In de groote gemeenten, met ruime geld-middelen, is daardoor langzamerhand, veel goeds tot stand gekomen.

Voor de kleinere plaatsen heeft de instelling van een zelfstandig bestuur over het algemeen practisch weinig verandering ten gevolge gehad. Het onderhoud van de wegen, het begieten ervan, de zorg voor straatverlichting, het verwijderen van vuilnis en dergelijke zaken worden thans door het gemeentebestuur op dezelfde wijze geregeld, als dit te voren van Gouvernementswege geschiedde. In sommige dezer gemeenten wordt meer zorg aan de wegen besteed dan vroeger het geval was, en gaat men over tot den aanleg van meer moderne wegdekconstructies i.v.b. met de stofbestrijding, maar daarmede schijnt de bemoeienis van de raden dan ook afgeloopen te zijn. Voor het scheppen van betere toestanden op hygiënisch gebied ontbreken veelal de middelen, en moeten maat-regelen achterwege blijven. En juist in dit opzicht valt er nog een titanen arbeid te verrichten.

Men kent hier te lande gezonde en ongezonde plaatsen. Som-mige zijn in de oogen van het publiek berucht om hun blijvende ongezondheid, andere worden slechts tijdelijk als zoodanig aan-gemerkt. Voorts bestaan er kotta's, die door enkelen als bijzonder gezond genoemd worden en door anderen juist als het tegenover-gestelde beschouwd worden. Hoe ontstaan nu die uiteenloopende

LANDELIJKE WATERVOORZIENINGEN. 55 beoordeeringen, en wat dient te worden verstaan onder een ge-zonde of ongege-zonde stad? De sterfte-statistiek wordt daartoe zeer zeker niet geraadpleegd; het gros der menschen kent deze cijfers niet. Neemt men daarbij nog het feit in aanmerking, dat de lijk-schouw niet verplichtend is gesteld, dan kunnen de uitkomsten van de sterftestatïstiek ook bezwaarlijk als exact aangemerkt worden. Bovendien brengt een laag sterftecijfer geenszins een laag ziektecijfer met zich. Er zijn b.v. beruchte malariastreken, waar deze ziekte endemisch heerscht, en waar de mortaliteit toch vaak jaren achtereen heel gering is. Zoo'n streek kan daarom toch niet gezond genoemd worden, terwijl het lijden aan de malaria op het gelaat van de bevolking is af te lezen.

Voorts is bij het trekken van conclusies uit de sterftecijfers voorzichtigheid geboden, omdat ze licht aanleiding geven tot een verkeerd oordeel, zooals uit het volgende voorbeeld moge blijken.

Voor een zeker plaatsje op Java werd aan het begin van het jaar 1917 een sterfte geconstateerd, die overeenkwam met 123 °/00

per jaar; dit voorwaar huiveringwekkend cijfer werd naderhand nog overtroffen. Daardoor werd de aandacht gevestigd op het stadje, dat te voren uit een sanitair oogpunt reeds geen gunstige reputatie genoot. Uit een van medische zijde ingesteld onderzoek bleek toen, dat de kotta vrijwel geheel omringd was door mala-riahaarden en de assaineering van die kotta zeer urgent was. Een tweetal jaren later werd een begin gemaakt met den aanleg van de noodig geoordeelde gezondheidswerken; d.w.z. werden eenige hoofdafvoerkanalen buiten die kotta gegraven, die de basis zouden vormen voor de feitelijke assaineering die echter als gevolg van de tijdsomstandigheden niet verder voortgezet werd. Nu wilde het toeval, dat tijdens den aanleg van de evenbedoelde kanalen en ook naderhand de mortaliteit afnam. De onderstaande tabel geeft een overzicht van het beloop der sterfte per 1000 inwoners voor 4-weke!ijksche perioden gedurende een zestal jaren.

STAAT.

Sterfte per 1000 inwoners (herleid tot jaarcijfers)

Voor de laatste maanden van de jaren 1921 en 1922 waren de cijfers zelfs betrekkelijk gunstig, hoewel in en rondom het stadje nog steeds een zeer groot aantal anofelesbroedplaatsen aanwezig waren en er nog zijn. In verband hiermede rijst dan ook de vraag of het inderdaad de malaria geweest is, die in de jaren 1917 en 1918, alsmede aan het begin van 1919 zoo'n groot aantal slacht-offers gevorderd heeft, en of dit wellicht aan de toenmaals heer-schende influenza moet toegeschreven worden. De verminderde mortaliteit sinds 1919 wordt echter door velen in verband gebracht met het gereedkomen der meerbedoelde afwateringskanalen, waarvan evenwel dat effect niet verwacht kon en mocht worden, omdat de aanleg ervan slechts de nog aan te vatten assaineerings-werken mogelijk maakte. Niettegenstaande het voorkomen van zeer veel anofeles, gezwegen nog van andere heerschende ziekten,

LANDELIJKE WATERVOORZIENINGEN. 57 geniet het plaatsje momenteel in de oogen van het publiek de roep van zeer gezond te zijn.

De beoordeeling van den gezondheidstoestand van een plaats berust bij het meerendeel der menschen min of meer op indivi-dueele ervaringen. De vraag, wat onder een ongezonde stad moet worden verstaan, is dan ook moeilijk te beantwoorden. Eenvoudi-ger is het uitsluitsel te geven op de vraag, waarom in een kotta veel en vaak ziekten heerschen.

Vroeger werd de minder gunstige gezondheidstoestand van een plaats toegeschreven aan het slechte klimaat; met die generatio spontanea is evenwel afgerekend. De bewering is niet meer vol te houden, dat besmettelijke ziekten ontstaan door het inademen van bedorven lucht. Iedereen weet thans, dat infectieziekten door kleine levende wezens worden overgebracht van het eene individu op het andere, dat iedere ziekte haar eigen bacil heeft, ofschoon deze nog lang niet allen bekend zijn. Inderdaad heerschen in een tro-pisch land ongunstige invloeden, die uitsluitend voor rekening van het klimaat komen, zooals de voortdurend hooge en afmattende temperatuur en de groote vochtigheidstoestand van den dampkring;

doch anderzijds zijn er factoren aanwezig, die den slechten gezond-heidstoestand beinvloeden, welke min of meer het gevolg zijn van menschelijke scheppingen. Hierbij moet o.a. gedacht worden aan de wijze van den vuilwaterafvoer en van de watervoorziening. In dat opzicht bestaan in zeer vele kleine plaatsen de meest walge-lijke toestanden, waarvan men zich evenwel geen rekenschap geeft, ja, die men vaak zelfs verheerlijkt.

Ook in de z.g. gezonde plaatsen doen zich op de meest onver-wachte oogenblikken besmettelijke ziekten voor, die dan zelden tot één enkel geval beperkt blijven. Voor de inwoners is het feit dan onverklaarbaar.

Algemeen bekend is, dat vooral de afvalstoffen van buikziekte-patiënten zeer besmettelijk zijn. De afvoer van faeces en huishou-delijk afvalwater geschiedt in de meeste binnenlandsche plaatsen door middel van z.g. spoelgoten. Deze goten nu zijn de oorzaak van bijna alle voorkomende ziekten. Het afvoeren van afvalstoffen door daartoe geëigende ondergrondsche. leidingen (riolen), wordt in den regel een te dure oplossing van het vuilwaterafvoer-vraag-stuk bevonden, en de aanleg van een doelmatige rioleering

is voorloopig voor kleine gemeenten inderdaad niet te bekostigen.

Derhalve geschiedt dit middels open leidingen, die, om vervuiling ervan in regenlooze perioden te voorkomen, doorspoeld worden met daartoe uit een naburige rivier of leiding afgetapt water.

Daar, waar men over slechts weinig water te beschikken heeft, zijn deze spoelleidingen klein, en vaak bemetseld; elders, waar men water in overvloed heeft, hebben deze leidingen fameuze af-metingen en worden deze door de bevolking tevens gebezigd als bad- en waschplaatsen. De op geregelde afstanden boven die lei-dingen gebouwde privaten zijn blijkbaar geen afschrik tot het ne-men van een bad daarin.

Waar hier van een stedelijke zorg volgens Westersche begrippen nooit sprake is geweest, en de ontwikkeling van de kotta's werd overgelaten aan het toeval of de inzichten van particuliere bouwers, lag het voor de hand, dat ook het vraagstuk van den vuilwater-afvoer totaal verwaarloosd werd. Met den groei van een stadje verlengde men slechts de bestaande goten of werden aftappingen bijgemaakt, waardoor leidingstelsels ontstaan zijn, waarvan het beloop moeilijk meer te volgen is. In ieder perceel verandert het profiel van de leiding; vaak zelfs op eenzelfde erf.

Alleen reeds om aesthetische motieven zouden deze goten, waar-in men het zwaar verontrewaar-inigde water vol drijvende scybala een zegetocht door de gansche kotta laat maken, veroordeeld moeten worden. Maar bovendien vormen deze goten een ernstig gevaar voor de volksgezondheid. Hoewel die spoelgoten in de Europeesche wijken meestal bemetseld zijn, vertoonen die ommantelingen vaak door verzakkingen van den bodem en door ouderdom scheuren;

ook daar, waar die leidingen in de onmiddellijke nabijheid van de waterputten zijn gelegen. In de Inlandsche woonwijken ontbreekt die bemetseling geheel. Een gedeelte van den eventueel met ziek-tekiemen besmetten inhoud van deze slooten verzakt dus in den bodem en vloeit af naar de putten. De verklaring voor de ver-breiding van infectieuze darmziekten (typhus, dysenterie, cholera) ligt derhalve voor de hand.

Doch er is meer. Een der karakteristieke natuurverschijnselen in Indië zijn de heftige slagregenbuien. De intensiteit en de veel-vuldigheid van die buien zijn voor de verschillende oorden van den archipel zeer uiteenloopend, doch bij het voorkomen ervan staan

LANDELIJKE WATERVOORZIENINGEN. 59 bijna in iedere kotta alle erven en wegen een tijdlang onder water.

Van den toestand en de afmetingen van de regenafvoerleidingen hangt de duur van die inundaties af. Deze afvoersloten zijn nim-mer zoo groot, dat bij het optreden van den grootsten regenbui dit gevallen hemelwater ook in denzelfden tijd afgevoerd kan worden. Ze zouden daartoe te groote afmetingen moeten verkrijgen, die uit een practisch oogpunt zelfs afkeuring zouden verdienen.

Die zeer groote regenval toch treedt hoogst zelden op; bij kleinere buien zouden die goten een te groote capaciteit blijken te bezitten, waardoor opzanding of aanslibbing dezer leidingen zou kunnen ontstaan. Veel bezwaren zijn er ook niet verbonden aan die tijde-lijke inundaties van de erven, mits het slechts mogelijk is om na eenige uren het gevallen regenwater geheel te loozen en liefst een zoo droog mogeiijken bodem te verkrijgen.

Heel wat minder onschuldig worden die tijdelijke onderwater-zettingen indien, zooals vaak het geval is de regenafvoerwegen tevens moeten dienen als spoelleiding. Het laat zich begrijpen, wat het gevolg ervan is, wanneer deze goten bij grooten neerslag gaan overloopen. De inhoud van deze leidingen, die te voren dikwijls inktzwart is, wordt nu over de ervan verspreid; de meest walge-lijke afvalstoffen verlaten de leidingen en worden op de erven gedeponeerd, waardoor besmettingskansen voor mijnworm ont-staan. Na afloop van den regenbui vloeit een deel van het inunda-tiewater weder naar de goten terug; een ander deel is langzamer-hand in den grond weggezakt, waardoor het grondwater veron-reinigd wordt. Indien men nu bedenkt, dat dit grondwater (waar-van het peil, vooral bij de kustplaatsen, betrekkelijk dicht onder het maaiveld staat), afvloeit naar de waterputten, dan moet men werkelijk verbaasd staan over het gevaarlijke spel, dat zoodoende met de volksgezondheid gespeeld wordt, en moet het zelfs ver-wondering baren dat de slachtoffers van de verschillende ziekten nog betrekkelijk zoo gering in aantal zijn.

Als bijkomstig bezwaar tegen deze bemetselde spoelleidincren moet nog terloops vermeld worden, dat ze de draineering van den bodem bemoeilijken en den grondwaterspiegel kunstmatig hoog houden, waardoor de bodem langer, dan noodzakelijk drassig blijft, hetgeen weder van invloed is op het malariagevaar.

Iedereen kent deze bezwaren; men wascht en met baadt zich

t.g.v. de aanwezigheid van die spoelleidingen voortdurend met vies water, doch niemand oefent eenigen drang uit om die open riolen radicaal te doen wegwerken. Integendeel is het hebben van „levend water" op zijn erf een zekere weelde voor den bewoner der binnen-landen, waarvan hij slechts noode afstand zou willen doen.

In vele gemeenten maakt „de verbetering van het spoelleiding-stelsel" een punt van het werkprogramma uit. De dagbladen be-vatten af en toe berichten omtrent den slechten gezondheidstoe-stand in verschillende kotta's, waaraan men denkt tegemoet te komen door het verbeteren van de spoelleidingen. Omtrent die verbetering zijn een tweetal denkbeelden overheerschend; sommigen willen die slooten zoo groot maken, dat ze bij hevige regens niet meer zullen overvloeien; anderen wenschen den regenafvoer geheel te scheiden van de vuilwaterbeloopen. Met die verbetering van de leidingen wordt evenwel ten koste van groote uitgaven geen ver-betering van den gezondheidstoestand bereikt. Want het is prac-tisch onmogelijk kottaleidingen te maken, die, zonder een tijdelijke inundatie der erven'te veroorzaken, den allergrootsten regenbui in denzelfden tijd afvoeren, waarin die gevallen is, zoodat die ver-ruimde spoelgoten hun vuil toch op de erven zullen deponeeren, terwijl het bij het gescheiden stelsel ook niet mogelijk is om een deel van den gevallen regen uit de spoelgoten te weren, althans in de bestaande kotta's niet; de minste hoeveelheid, die op de eene plaats erin vloeit, doet de goot elders overloopen. En indien dit wel te voorkomen was, zou het wegzakken in den grond van een gedeelte van het rioolvocht niet te beletten zijn. Daartoe zou het bestaande leidingstelsel opnieuw aangelegd en bemetseld moeten worden, doch de eventueel hiertoe bestemde fondsen zouden beter besteed kunnen worden voor den aanleg van een ondergrondsche rioleering, waarvan de kosten wellicht lager zullen zijn.

Zoolang in een plaats de afvoer van vuilwater en faecaliën ge-schiedt middels het spoelgotenstelsel, is de watervoorziening aan gevaren blootgesteld, omdat de waterputten, de universeele win-plaatsen voor het bad- en consumptiewater, ieder oogenblik met ziektekiemen besmet kunnen worden, terwijl iedereen zich met onrein water moet wasschen en baden. Aangezien de oplossing van het vuilwaterafvoervraagstuk afstuit op finantieele bezwaren, zal de open rioleering in de kleine gemeenten vooralsnog

gehand-LANDELIJKE WATERVOORZIENINGEN. 61 haafd moeten blijven, doch is het een gebiedende eisch om vóór alles de watervoorziening op een meer hygiënischen leest te schoeien.

Vrijwel algemeen geldt nu de opvatting, dat de z.g. landelijke waterleidingen tot de geldelijk niet rendabele bedrijven behooren gerangschikt te worden, zoodat het voor kleine gemeenten onmo-gelijk is om de centraJe waterverzorging zelf ter hand te nemen.

Zou dit wellicht de reden zijn, dat (met uitzondering van de groote gemeenten Batavia, Semarang, Soerabaia en Bandoeng) op Java slechts één gemeente met eigen middelen het watervoorzienings-vraagstuk heeft weten op te lossen? Inderdaad staat een landelijke kotta door de ruimere bebouwing van de stadswijken ten achter bij een groote stad, zoodat daardoor bij eenzelfde lengte van een waterhuis een kleiner aantal hoofden te bedienen is. Doch zou daarom de aanleg van een centrale waterleiding voor een kleine gemeente onmogelijk zijn? Indien hierop een bevestigend antwoord gegeven zou moeten worden, zou het waarachtig te betreuren zijn, dat ooit werd overgegaan tot de instelling van kleine gemeenten.

Op Regeeringssteun toch zal, in verband met de financieele moei-lijkheden, voorloopig niet te rekenen zijn, en dus zou het aanbrengen van iedere verbetering op hygiënisch gebied ten eenenmale uitge-sloten zijn, terwijl de zegeningen van die instellingen zich slechte zouden openbaren in den vorm van extra belastingen voor de inwoners.

Zoo donker behoeft de toestand evenwel niet ingezien te worden.

Hieronder zal aangetoond worden, dat het ook voor een kleine gemeente zeer wel mogelijk is van haar watervoorziening een rendabel of zelfs een winstgevend bedrijf te maken, zij het ook niet dadelijk bij het begin. Met die winsten kunnen weder andere zaken aangevat worden, zooals het aanleggen van een rioleering, het stof vrijmaken van de wegen, de woningverbetering, de mala-riabestrijding, enz. Hiertoe is veel kapitaal noodig, dat bezwaar-lijk in den vorm van belastingen door de inwoners is bijeen te brengen.

Niet alleen uit hygiënische overwegingen is de centrale water-verzorging dus geboden, doch ook uit een financieel oogpunt.

Daarom moet het waterleidingbedrijf oók baten afwerpen. Doch om het bedrijf winstgevend te maken, moet gebroken worden met

i

ingewortelde opvattingen, die de rentabiliteit ervan in den weg staan. Want ook om tot stand te kunnen komen, moeten de benoodigde werken rendabel worden. Indien de watervoorziening niet tot' stand komt, is geen enkele afdoende verbetering mogelijk.

En derhalve zal bij het voorbereiden der plannen voor het tot stand brengen van een waterleiding de hygiënische zijde van het vraag-stuk ten achter gesteld moeten worden bij het financiëele deel ervan. Bovendien is een hygiënische waterverzorging alleen niet voldoende om een kotta te assaineeren. Daartoe moet tevens een bevredigende oplossing van den vuilwater- en den regenafvoev gevonden worden. Wie meent, dat in een Indische kotta de sani-taire toestand ingrijpend verbeteren zal door den aanleg van een waterleiding, komt bedrogen uit. De watervoorziening moet dan ook eerder beschouwd worden als een bron van inkomsten voor de gemeente.

Om van het bedrijf spoedig baten te kunnen verwachten, zal t.b.v. het werk een zoo klein mogelijk kapitaal vastgelegd moeten worden. Het is geheel onnoodig om de capaciteit van de water-voorziening al dadelijk zoo groot te maken als vereischt zou worden na een b.v. 25-jarige bedrijfsperiode. Het waterverbruik zal immers aan het begin gering zijn, om dan geleidelijk toe te nemen. Bij den eersten aanleg zal de aanvoer van het water derhalve ook klein behoeven te zijn. Doch een uitbreiding van de capaciteit moet ten allen tijde mogelijk blijven; is hierin niet voorzien, dan zal het bedrijf tot groote verliezen aanleiding geven. Want het waterver-bruik zal steeds blijven toenemen; dit is bij de reeds bestaande bedrijven overtuigend gebleken.

Voor kleine bedrijven zal het' verder van zeer veel belang zijn om voor het systeem van de watervoorziening de meest eenvoudige oplossing te zoeken. Zoo zal de aanvoer van water, dat dadelijk voor de consumptie geschikt is, aanbeveling verdienen boven het water, dat eerst kunstmatig gereinigd moet worden. Een toevloei-ing van het water naar het verzorgtoevloei-ingsgebied onder het natuurlijk verval zal weder te prefereeren zijn boven het machinaal onder druk brengen ervan.

In het periodiek „Locale Belangen" van 16 Augustus 1923 besluit dr. ir. J. Versluys een interessant opstel over de moderne zuivering van rivierwater aldus:

LANDELIJKE WATERVOORZIENINGEN. 63

„In Soerabaïa wordt reeds sedert 28 October 1922 volgens de

„besproken methode rivierwater gezuiverd: eerst wordt met behulp

„van een snelfilter gezuiverd en daarna met chloor gesteriliseerd.

„De uitkomsten zijn zeer bevredigend en ik meen eiken Localen

„Raad te mogen aanbevelen, niet over te gaan tot den bouw van

„kostbare bronwaterleidingen zonder de zuivering van oppervlakte

„water volgens het in Soerabaia toegepaste systeem te bestudeeren".

Het is te betreuren, dat iemand van erkend gezag op waterlei-dinggebied als ir. Versluys zich heeft laten verleiden tot het doen van een uitspraak, die niet anders dan verwarring kan stichten.

Zonder de uitvoerbaarheid of de voordeelen van oppervlaktewater-zuivering t.b.v. watervoorzieningen hier te lande ook maar een oogenblik in twijfel te trekken, moet ik er op wijzen dat voor kleine gemeenten, waar uiteraard niet over het benoodigde deskun-dige personeel beschikt kan worden, het te Soerabaia gevolge sys-teem bijna niet te verdedigen is. Uitdrukkelijk zij medegedeeld, dat hier niet gedoeld wordt op de bij den aanvang van dit jaar in het Soerabaiasche leidingwater geconstateerde coli-gisting, welk feit in de dagbladen tot de grootste dimensies werd opgeblazen en voorgesteld werd als een catastrofe.

Den laatsten tijd is het meerdere malen voorgekomen, dat een

Den laatsten tijd is het meerdere malen voorgekomen, dat een

In document TIJDSCHRIFT VAN DE VEREENIGING VOOR STUDIE VAN KOLONIAAL- MAATSCHAPPELIJKE VRAAGSTUKKEN (pagina 66-102)