§ 2.1 Inleiding

Gerealiseerde winst op landbouwgrond is voor de agrariërs onder voorwaarden vrijgesteld van heffing door middel van de landbouwvrijstelling. In dit hoofdstuk wordt de vrijstelling uiteengezet. Eerst komt de oorsprong van de vrijstelling aan de orde. Vervolgens wordt toegewerkt naar de huidige situatie.

Hiermee worden de belangrijkste ontwikkelingen duidelijk met betrekking tot de voorwaarden en de doelstelling. Vervolgens wordt de vrijstelling getoetst op effectiviteit, efficiëntie, eerlijkheid en eenvoud. Tot slot staan de knelpunten van de regeling centraal.

§ 2.2 Geschiedenis en doelstelling

In deze paragraaf wordt uiteengezet dat de landbouwvrijstelling in de loop der tijd een verandering heeft doorgemaakt. De vrijstelling is enerzijds uitgebreid, maar anderzijds ook ingeperkt.21

Oorspronkelijke doelstelling

Hoewel de landbouwvrijstelling voor het eerst in de Wet IB 1941 wettelijk werd vastgelegd22, is vanaf de Wet op het Patentrecht 1819 al rekening gehouden met een vrijstelling voor landbouwbedrijven.23 Ook in de Vermogensbelasting 1892 en de Bedrijfsbelasting 1893 werden agrariërs vrijgesteld van heffing.24 Vervolgens kwam de Wet IB 1914 tot stand waarin voor het eerst geen vrijstelling gold voor de landbouwgrond. Echter, de minister heeft na de invoering van de Wet IB 1914 via een resolutie de Belastingdienst geïnstrueerd om het voordeel dat rust op de grond van de agrariër vrij te stellen van heffing.25 De minister onderbouwde in een latere resolutie dat landbouwgrond een specifieke positie heeft in de agrarische wereld. Grond was in de meeste gevallen in handen van een ander persoon dan de agrariër zelf. 26 Vroeger werd voornamelijk grond gepacht, waardoor vaak sprake was van een eigenaar-verpachter en een landbouwer-eigenaar. Landbouwgrond in het privévermogen van de eigenaar-verpachter werd niet belast. Het belasten van de gronden die toevalligerwijze in bezit waren van een agrariër, zou leiden tot een oneerlijke situatie. Landbouwgrond nam hiermee een specifieke positie in en werd daardoor privébezit van de landbouwer-eigenaar.27 De oorspronkelijke doelstelling van de vrijstelling lijkt dus betrekking te hebben op het gelijk behandelen van de eigenaar-verpachter en de landbouwer-eigenaar. Deze gelijke behandeling was niet langer aan de orde door de invoering van de vermogensrendementsheffing voor de eigenaar-verpachter in de Wet IB 2001.28

Veranderende doelstelling

In het Besluit IB 194129 veranderde de doelstelling van de vrijstelling. Er werd onderscheid gemaakt tussen waardeveranderingen die ontstonden door interne en externe oorzaken.30 Alleen

waardeveranderingen die ontstonden door een externe oorzaak, werden vrijgesteld van heffing. Deze

21 Schenk & Seegers 2014, p. 4 en p. 9.

22 Art. 9 lid 4 Besluit IB 1941.

23 Kamerstukken II 2008/2009, 31727, nr. 1, p. 4 en Klep, Lansink & Terwisscha van Scheltinga 1985, p. 17 + 31.

24 Schenk & Seegers 2014, p. 9 en Van der Veen, Albregtse & Venema 2007, p. 22.

25 Resolutie 19 november 1918, nr. 78, B. 2217 en Schenk & Seegers 2014, p. 10 en Resolutie 4 februari 1931, nr.

84, B. 5129.

26 Resolutie 3 februari 1933, nr. 63, B. 5650 en Schenk & Seegers 2014, p. 10.

27 Lugt, WFR 1983/924 en Kamerstukken II 2008/2009, 31727, nr. 1 en Van der Veen, Albregtse & Venema 2007, p. 22-23

28 Van der Veen, Silvis & Van der Meulen 2015, p. 50.

29 Art. 6 lid 2 Besluit IB 1941 vanaf 1950.

30 Schenk & Seegers 2014, p. 11.

11 kwamen immers niet voort uit de uitoefening van het landbouwbedrijf. Met een externe oorzaak werd de inflatie bedoeld. Inflatie ontstaat door de op- en neergaande beweging in de economie.31 De doelstelling veranderde naar mijn mening in het uitsluitend vrijstellen van inflatie of conjuncturele ontwikkelingen.

Bij de totstandkoming van de Wet IB 1964 was sprake van onzekerheid over het voortbestaan van de landbouwvrijstelling. De vrijstelling ontbrak namelijk in het wetsvoorstel. De reden was dat de

gerealiseerde stille reserves op landbouwgrond moesten worden aangemerkt als het creëren van een winstgericht proces, waardoor het tot de winst behoort. Een uitzondering op grond zou daardoor niet gerechtvaardigd zijn ten opzichte van de positie van andere bedrijfsmiddelen.32 Door middel van het amendement-Lucas33 werd de vrijstelling alsnog ingevoerd, omdat de waardeverschillen die

voortkomen uit monetaire en conjuncturele factoren niet tot de winst behoorden.34 Daarnaast bestond vanaf 1 april 1986 geen vrijstelling meer voor de waardeverandering die samenhing met een naderende bestemmingswijziging.35 Een bestemmingswijziging deed zich voor indien de grond ‘voortaan’ of binnen de 73-maandsclausule36 werd aangewend buiten het kader van de uitoefening van de landbouwonderneming.37 De vrijstelling gold derhalve alleen nog voor

waardeontwikkelingen binnen de agrarische sfeer. De doelstelling van de vrijstelling veranderde naar het niet belasten van inflatiewinsten op gronden die in het eigen landbouwbedrijf werden

uitgeoefend.38 Door middel van verkoop na de 73-maandsclausule konden voordelen echter toch onbelast blijven.39 Deze ongewenste regeling werd hierdoor gewijzigd in de Wet op de

Inkomstenbelasting 2001 (verder: Wet IB 2001). Daarmee verviel de 73-maandsclausule en werd de vrijstelling beperkt toepasbaar op het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming (verder: WEVAB) en de boekwaarde van de landbouwgrond. Het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer (verder: WEV) en de WEVAB werd voortaan belast. Deze verandering leidt uiteindelijk tot de huidige doelstelling.

Huidige doelstelling

De huidige doelstelling van de landbouwvrijstelling volgens de Hoge Raad betreft: “De belastingheffing uitschakelen van inflatiewinsten met betrekking tot de in het kader van de uitoefening van het

landbouwbedrijf in gebruik zijnde gronden”.40

De totaalwinst die voortvloeit uit de agrarische bedrijfsuitoefening moet belast worden, maar daartoe behoort niet de waardestijging of waardedaling op de landbouwgrond die veroorzaakt wordt door inflatie. Een eventuele afschaffing van de landbouwvrijstelling is gezien dit oogpunt niet wenselijk. Dit neemt niet weg dat de landbouwvrijstelling veelal is bekritiseerd.41

31 HR 16 december 1987, nr. 23 844, BNB 1988/103.

32 Kamerstukken II 1962/63, 5380, nr. 19, p. 30-31 (MvA).

33 Kamerstukken II 1963/64, 5380, nr. 42 en HR 5 maart 1969, BNB 1969/83.

34 Verduijn, LTB 2009/143 en Van der Veen, Albregtse & Venema 2007, p. 23.

35 Verduijn, LTB 2009/143.

36 Contract die oplegde dat de koper het agrarisch gebruik van de grond 6 jaar en 1 maand zou voortzetten.

37 Kamerstukken II, 1999/2000, 27209, nr. 3, p. 18.

38 Kamerstukken II, 1984/85, 18915, nr. 3, p. 8 (MvT).

39 Kamerstukken II, 1999/2000, 27209, nr. 3, p. 18 en HR 17 maart 1982, BNB 1982/157 en Lugt, WFR 1983/924.

40 HR 17 oktober 2014, nr. 13/01228, BNB 2015/24 (met noot P.H.J. Essers).

41 HR 17 oktober 2014, nr. 13/01228, BNB 2015/24 (met noot P.H.J. Essers).

12

§ 2.3 Voorwaarden

In deze paragraaf wordt ingegaan op de voorwaarden van de vrijstelling. De landbouwvrijstelling is opgenomen in artikel (verder: art.) 3.12 Wet IB 2001. Deze vrijstelling kan tevens toegepast worden in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (verder: Wet VPB 1969) vanwege het schakelartikel (art. 8 Wet VPB 1969) naar de Wet IB 2001.

De landbouwvrijstelling stelt waardeveranderingen op de landbouwgrond tot aan de WEVAB vrij van heffing voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. De waardeveranderingen moeten wel behaald zijn bij voortzetting van de grond in het landbouwbedrijf.42 Alleen de echte inflatiewinsten worden derhalve vrijgesteld door de landbouwvrijstelling.43 Waardestijgingen worden onder andere gerealiseerd door de verkoop van landbouwgrond, ruilverkaveling, bedrijfsoverdracht, stakingen zonder bedrijfsoverdrachten en bedrijfsverplaatsingen.44

§ 2.3.1 Belastingheffing over verschil in waarde

Bij realisatie van de stille reserve op de landbouwgrond wordt het verschil tussen de boekwaarde van de grond en de WEVAB in beginsel niet belast. De is het bedrag dat de beste koper bereid is te betalen voor de grond voor gebruik in de agrarische sfeer.45 Indien de WEV hoger is dan de WEVAB, wordt dat verschil wel belast. De WEV zal doorgaans overeenkomen met de verkoopprijs van de landbouwgrond.46 De waardeveranderingen ontstaan voornamelijk door monetaire en conjuncturele factoren, waardoor de WEV de WEVAB in principe gelijk zijn aan elkaar. Als de landbouwgrond daarentegen ook voor andere gebruiksmogelijkheden wordt ingezet, komen de WEV en de WEVAB niet langer per definitie overeen.47

§ 2.3.2 Uitzonderingen

Er bestaan uitzonderingen waarbij de vrijstelling geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.

Hieronder volgen de belangrijkste voorbeelden.

Opstallen

Vanaf 1943 tot en met 1964 gold de landbouwvrijstelling voor waardeveranderingen van opstallen.48 Aangezien de vrijstelling voor opstallen niet langer van toepassing is, dient bij verkoop van grond met gebouwen een splitsing in waarde te worden gemaakt tussen de grond en de opstallen. De

landbouwvrijstelling geldt nog wel voor de ondergrond van gebouwen.49 Pachtersvoordeel en verpachten

Een beperking van de landbouwvrijstelling is het pachtersvoordeel. Een pachtersvoordeel wordt behaald als een agrariër een perceel tegen een zakelijk lagere waarde in verpachte staat kan kopen, omdat hij een voorkeursrecht heeft als pachter.50 Een pachtersvoordeel betreft het verschil tussen de waarde van de grond in verpachte staat en de waarde in vrije staat (WEVAB).51 Dit verschil in waarde valt niet onder de landbouwvrijstelling, omdat het niet toegerekend kan worden aan de agrarische

42 Kamerstukken II 2008/2009, 31727, nr. 1, p. 4.

43 Van Kempen, in: Cursus Belastingrecht IB.3.2.13.C.c2.

44 Van der Veen, Albregtse & Venema 2007, p. 10 + 28.

45 Kamerstukken II, 1984/85, 18915, nr. 3, p. 5-6 (MvT) en kamerstukken II, 2008/2009, 31727, nr. 1, p. 4.

46 Van Kempen, in: Cursus Belastingrecht IB.3.2.13.C.d en Jansen, WFR 1998/1368..

47 Van der Veen, Albregtse & Venema 2007, p. 27.

48 Resolutie 4 februari 1943, B. 7844 en Van der Veen, Albregtse & Venema 2007, p. 23.

49 Schenk & Seegers 2014, p. 31.

50 Art. 56a-56i Pachtwet en Art. 56c Pachtwet.

51 De Beer, LTB 2017/46.

13 waardeaangroei. Het verschil in waarde is een gevolg van rechten die voortkomen uit de

pachtverhouding.52

Een andere beperking van de toepassing van de landbouwvrijstelling is het verpachten van grond.

Indien de grond wordt verpacht, is gedurende deze periode de grond niet in het eigen

landbouwbedrijf gebruikt. Hierdoor is de waardeontwikkeling gedurende de periode van verpachting belast. Een waardestijging van een perceel dat verpacht wordt, valt vanaf het moment van

verpachting niet meer onder de vrijstelling.53 Een uitzondering geldt bij verpachting als sprake is van vruchtwisseling. Vruchtwisseling is het telen van verschillende gewassen om te voorkomen dat de grond in waarde achteruitgaat. Hierbij kan worden gezegd dat de grond dienstbaar is aan het landbouwbedrijf gedurende de vruchtwisseling in de verpachtingsperiode. De landbouwvrijstelling geldt dan wel voor de waardeverandering die zich voordoet tijdens het verpachten. Het is lastig om te bepalen bij welke periode van verpachting sprake is van vruchtwisseling. 54

§ 2.3.3 Aanslagvoet

Indien de landbouwvrijstelling niet van toepassing is, wordt de gerealiseerde waardeverandering opgeteld bij het belastbaar inkomen. In 2020 moet de ondernemer voor de inkomstenbelasting 37,55% belasting betalen over een belastbaar inkomen tot € 68.508. Boven dit bedrag dient 49,50%

belasting te worden betaald.55

§ 2.3.4 Verliezen

De landbouwvrijstelling is een objectieve vrijstelling. Dit houdt in dat zowel de positieve als de negatieve waardeveranderingen onbelast zijn. Verliezen zijn daardoor niet aftrekbaar.56

§ 2.4 Toetsing

In de voorgaande paragrafen zijn de geschiedenis, de veranderde doelstelling en de voorwaarden van de landbouwvrijstelling behandeld. In deze paragraaf wordt de regeling getoetst op effectiviteit, efficiëntie, eerlijkheid en eenvoud.

Effectiviteit

De doelstelling van de landbouwvrijstelling betreft “de belastingheffing uitschakelen van

inflatiewinsten met betrekking tot de in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf in gebruik zijnde gronden”.57 Door middel van de huidige voorwaarden van de vrijstelling worden waardeveranderingen op de landbouwgrond tot aan de WEVAB vrijgesteld van heffing voor inkomsten-en vennootschapsbelasting. De waardeveranderingen zijn enkel vrijgesteld als ze voortvloeien uit de voortzetting van de grond in het landbouwbedrijf.58 Naar mijn mening kan geconcludeerd worden dat de regeling effectief is. Uitsluitend de inflatiewinsten worden immers vrijgesteld van heffing.59

52 HR 20 januari 2012, nr. 11/01593.

53 Seegers, LTB 2010/94.

54 Seegers 2017 en Hof Den Haag 19 januari 1968, nr. 84/1967.

55 Belastingdienst, ‘U hebt in 2020 de AOW-leeftijd nog niet bereikt’, www.belastingdienst.nl.

56 Van Kempen, in: Cursus Belastingrecht IB.3.2.13.C.a.

57 HR 17 oktober 2014, nr. 13/01228, BNB 2015/24 (met noot P.H.J. Essers).

58 Kamerstukken II 2008/2009, 31727, nr. 1, p. 4.

59 Van Kempen, in: Cursus Belastingrecht IB.3.2.13.C.c2.

14 Efficiëntie

De efficiëntie van de landbouwvrijstelling kan worden beoordeeld door de uitvoeringskosten van de vrijstelling te analyseren. De uitvoeringskosten voor de landbouwer zijn de taxatiekosten van de WEVAB. In veel gevallen is sprake van een correctie op de WEVAB. De WEVAB is namelijk lastiger te bepalen, omdat het een fictieve waarde betreft. Discussie met de Belastingdienst doet zich voor, maar leidt veelal niet tot vervolgstappen naar de rechter. Daarentegen kan het te behalen voordeel voor de landbouwer hoog oplopen. Het te behalen voordeel voor de landbouwer staat hierdoor in een

gunstige verhouding tot de uitvoeringskosten van de landbouwvrijstelling. De regeling kan om deze reden als efficiënt worden beschouwd.60

Eerlijkheid

Sinds het begin van de twintigste eeuw is het totale aantal hectare aan gepachte landbouwgrond afgenomen, omdat de landbouwgrond veelal in het bezit kwam van de agrariër zelf. Het is vanaf deze periode geen toevallige omstandigheid meer dat de landbouwer tevens eigenaar is van de grond. De oorspronkelijke doelstelling van de landbouwvrijstelling lijkt daardoor niet langer relevant.61

Dit neemt niet weg dat beargumenteerd kan worden dat sprake is van een gelijke behandeling van de landbouwer-eigenaar en de eigenaar-verpachter. Het is van belang dat er een onderscheid bestaat tussen het vermogensobject en de belaste vruchten die uit het object voortkomen. De vruchten worden belast in de derde box door middel van drie schijven om zodoende het fictieve rendement te berekenen waarover 30% inkomstenbelasting betaald dient te worden. De ongelijkheid tussen de landbouwer-eigenaar en de eigenaar-verpachter bij het niet bestaan van de landbouwvrijstelling zou nog steeds van toepassing zijn, omdat de eigenaar-verpachter wordt belast over de vruchten door de vermogensrendementsheffing en de landbouwer-eigenaar wordt belast over de vruchten en over het vermogensobject bij het ontbreken van de landbouwvrijstelling.62

Tevens kan beargumenteerd worden dat een onderscheid gemaakt wordt tussen de

landbouwondernemer en de niet-landbouwondernemer door middel van een vrijstelling voor uitsluitend de landbouwondernemer. Het is de vraag of de positie van de landbouwondernemer met betrekking tot de grond feitelijk en rechtens verschilt met die van de niet-landbouwondernemer. De wetgeving dient dan zo opgesteld te zijn dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen ongelijk naar mate van hun ongelijkheid. Een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is toegestaan indien hiervoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.63

Eerst dient beoordeeld te worden of de landbouwondernemer en de niet-landbouwondernemer gelijke gevallen zijn. Zowel de landbouwondernemer als de niet-landbouwondernemer worden in de inkomstenbelasting belast volgens art. 3.8 Wet IB 2001. Volgens dit artikel is sprake van gelijke

gevallen. Voor de landbouwondernemer maakt de wetgever een uitzondering in art. 3.12 Wet IB 2001.

De gerealiseerde winst op landbouwgrond en ondergrond van gebouwen wordt in dit artikel tot aan de WEVAB vrijgesteld van heffing. Hier lijkt sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

De ondergrond van een kas van een landbouwondernemer en de ondergrond van een bakkerswinkel van een niet-landbouwondernemer verschillen niet veel van elkaar.64 In beide gevallen betreft het ondergrond voor een gebouw waarmee gepoogd wordt om winst te creëren die belast wordt door art.

3.8 Wet IB 2001. En hierdoor is mijn inziens de regeling in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de ongelijke behandeling van de landbouwondernemer en de niet-landbouwondernemer gehandhaafd blijft.

60 Van der Veen, Silvis & Van der Meulen 2015, p. 11+53.

61 Schenk & Seegers 2014, p. 10.

62 Verduijn, LTB 2009/143.

63 Zie par. 1.4.

64 Denissen & Seegers, WFR 2004/21.

15 Als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, ontstaat een onevenwichtige situatie.

Hier dient een rechtvaardigingsgrond voor te bestaan. De landbouwvrijstelling stelt in feite de inflatiewinst vrij van heffing voor uitsluitend de agrariërs, waardoor de vrijstelling een inbreuk maakt op de totaalwinstgedachte.65 Hieronder volgen een aantal rechtvaardigingsgronden.

- Heffing over de realisatie van de stille reserves is gerechtvaardigd indien te veel is afgeschreven.

Op grond mag niet worden afgeschreven, waardoor heffing niet gerechtvaardigd kan worden.66 - Landbouwgrond legt een groot beslag op het vermogen van de agrariër, waardoor minder

rendement gerealiseerd kan worden. De kostprijs van de grond kan namelijk in grote mate invloed hebben op het uiteindelijke resultaat van de agrariër.67

- Bedrijfsoverdracht wordt makkelijker door de landbouwvrijstelling, omdat de belastingclaim voor de overnemende partij dan lager is. De landbouwvrijstelling heeft derhalve invloed op de overeengekomen verkoopprijs van de grond voor de kopende en verkopende agrariër.68 - Het Nederlandse landschap moet onderhouden worden door de landbouwer en daardoor is het

van belang dat agrarische ondernemingen worden gecontinueerd. De landbouwvrijstelling is hierdoor niet uitsluitend een productiemiddel van de agrariër.69

De vraag blijft of bovenstaande argumenten voldoende zijn voor de rechtvaardiging van de landbouwvrijstelling. Veelal kunnen deze argumenten ook door andere ondernemingen worden aangedragen. Het pand voor de bakkerij zal ook een groot beslag leggen op het vermogen van de bakker. Voor dit pand geldt echter geen vrijstelling bij realisatie van de stille reserves.70 Het niet kunnen afschrijven op de landbouwgrond is geen rechtvaardigingsgrond, indien wordt

beargumenteerd dat de landbouwgrond niet minder waard wordt. Grond slijt namelijk niet, waardoor afschrijven overbodig wordt.71

Er kan worden gezegd dat de wetgever geen goede motivering heeft om de landbouwer en de niet-landbouwer verschillend te behandelen. Een mogelijke aanbevelingswaardige optie hiervoor is een

“algehele inflatieneutrale belastingheffing van ondernemingen”.72 Eenvoud

Bij de voorwaarden van de landbouwvrijstelling is sprake van een relatief grote hoeveelheid

ingewikkelde wet- en regelgeving die leidt tot hoge uitvoeringskosten en administratieve lasten.73 Dit houdt verband met het feit dat de regeling uitsluitend de inflatie wil vrijstellen. Ondanks dat de regeling effectief is, wordt naar mijn mening de regeling veelal in de jurisprudentie uitgelegd. Zo verhogen de voornoemde pachtersvoordelen en het verpachten van grond de complexiteit, omdat het lastig is om vast te stellen wat het vrijgestelde gedeelte bedraagt.74 Bij verpachting wordt de grond niet in het eigen landbouwbedrijf gebruikt, waardoor de vrijstelling voor deze periode niet geldt. Het vaststellen van het deel dat wel onder de vrijstelling valt, is daardoor lastig.75 Ik heb het vermoeden dat bij de belastingplichtige niet bekend is dat voor deze periode de vrijstelling niet geldt. Daar komt nog bij dat er naar mijn mening vele jaren tussen de realisatie van de stille reserves en bijvoorbeeld het verpachten kunnen zitten. Hierdoor kan onduidelijk zijn wat destijds de waardeaangroei is

65 Verduijn, LTB 2009/143.

66 Van der Veen, Silvis & Van der Meulen 2015, p. 24.

67 Van der Veen, Silvis & Van der Meulen 2015, p. 24.

68 Van der Veen, Silvis & Van der Meulen 2015, p. 37-38.

69 Van den Kerkhof, LTB 2016/17.

70 Schenk & Seegers 2014, p. 25-28.

71 Van der Veen, Albregtse & Venema 2007, p. 11.

72 HR 17 oktober 2014, nr. 13/01228, BNB 2015/24 (met noot P.H.J. Essers).

73 Kapelle, Dietvorst & Greef, de, WFR 2011/232.

74 Veen, van der, Albregtse & Venema 2007, p. 54.

75 Veen, van der, Albregtse & Venema 2007, p. 54.

16 geweest. Daarnaast kan het onbekend zijn of de grond überhaupt verpacht is geweest. Mijn inziens is de kans is aanwezig dat ook de fiscus niet meer over deze gegevens beschikt indien bijvoorbeeld dertig jaar is verstreken.

Tevens bestaat onduidelijkheid over welk deel van de aan- en verkoopkosten onder de vrijstelling valt.

De aankoopkosten kunnen samenhangen met een gedeelte waarvoor geen vrijstelling geldt en

waarvoor wel de vrijstelling geldt.76 Ook bij bijvoorbeeld een gedeelte privégebruik van de grond dient de landbouwgrond gesplitst te worden en moet de landbouwvrijstelling juist toegerekend worden.

“Deze toerekening zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden bepaald.”77 Daarnaast is de WEVAB het bedrag dat de beste koper bereid is te betalen voor de grond voor gebruik in de agrarische sfeer.78 Het is een objectieve waarde en daarom soms lastig te

bepalen.79

§ 2.5 Knelpunten

Het is voornamelijk een politieke beslissing dat de landbouwvrijstelling bestaat in de Nederlandse belastingwetgeving. Er zal naar mijn mening altijd gediscussieerd worden over de rechtvaardiging van deze rechtsongelijkheid. De bakker en de slager moeten namelijk wel belasting betalen over de waardestijging op een pand die ontstaat door inflatie en de landbouwer op de landbouwgrond niet.80 Daarnaast worden de vele uitzonderingen bij de toepassing van de landbouwvrijstelling ook als knelpunt gezien. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van pachtersvoordelen, het verpachten van grond en gedeeltelijk privégebruik. Tevens bestaat onduidelijkheid over welk deel van de aan- en verkoopkosten onder de vrijstelling valt. Daarnaast is de waarde van de WEVAB soms lastig te bepalen. Dit alles

Het is voornamelijk een politieke beslissing dat de landbouwvrijstelling bestaat in de Nederlandse belastingwetgeving. Er zal naar mijn mening altijd gediscussieerd worden over de rechtvaardiging van deze rechtsongelijkheid. De bakker en de slager moeten namelijk wel belasting betalen over de waardestijging op een pand die ontstaat door inflatie en de landbouwer op de landbouwgrond niet.80 Daarnaast worden de vele uitzonderingen bij de toepassing van de landbouwvrijstelling ook als knelpunt gezien. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van pachtersvoordelen, het verpachten van grond en gedeeltelijk privégebruik. Tevens bestaat onduidelijkheid over welk deel van de aan- en verkoopkosten onder de vrijstelling valt. Daarnaast is de waarde van de WEVAB soms lastig te bepalen. Dit alles

In document Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de fiscale regelingen voor de landbouwers in Nederland en België (pagina 10-18)