§ 1. Vermeerdering der hennis van land en volk. (2)

Geographische dienst. Op voorstel van den in 1857 benoemden hoofdingenieur der cveoo-raphische dienst, dr. J . A. C. OUDEMA.KS, werd besloten, dat het personeel van die dienst aanvankelijk de ligging zal bepalen van die punten in den Indischen archipel, waaromtrent dit voor het vervaardigen van hydrographische en topographrsche kaarten het dringenst gevorderd wordt.

N o - in dit jaar w e r d , gedeeltelijk door nieuwe, gedeeltelijk door vroegere astrono-mische waarnemingen (3), de lengte van Batavia, en door middel van den elektrischen tele-rraaph die van Cheribon en van Samarang ten opzigte van de eerstgenoemde plaats bepaald. Voor Batavia word een verschil gevonden van één Duitsche mijl met de vroeger aangenomen ligging, hetgeen eene fout gaf van 16 seconden m de semen der tijdklep, welke laatste bevonden werd gelegen te zijn 106° 48' 7,5" beoosten Greenwich. (4)

Atlas van Nederlandsch Indie. De kapitein W. F . VERSTEEG , die blijkens het vorig versla", bladz. 9 2 , met de voltooijing van dezen atlas is belast, bood dit jaar aan en verkreeg de goedkeuring van den Gouverneur-Generaal op de kaarten van Rembang, Japara,°Samarang,Pasoeroean, Preanger regentschappen en Djokdjokarta.

Commissie voor Nieuw-Guinea. Deze commissie, welker benoeming en zamenstellmg ver-meld is op bladz. 93 van het vorige verslag, verliet den 20sten Maart 1858 met het

(1) Aan het voornemen , op bladz. 9 1 , noot 1, van het vorig verslag medegedeeld , om scholen onder het toezigt van Christen-zendelingen op te rigten, is geen gevolg gegeven.

(2) Vergelijk over de topographische werkzaamheden hoofdstuk D , Iste afdeeling, § 8 , en over de hydrographische datzelfde hoofdstuk, Ilde afdeeling, g 4«.

(3, Een aantal dezer waarnemingen was in de jaren 1851 1853 en 1854, gedaan door de geographische ingenieurs wijlen den heer P. H. en den heer G. A. DE LANGE.

(4) Latere herigten omtrent de geographische dienst zijn uit de JamscAe Courant van,i(October 1859 en 21 January 1860 overgenomen in de Staats-com-ant van 1 December 1859 en 17 Maart 1860.

18

oorlogsstoomschip Etna dereede Amboina en bezocht eerst bet eiland Adi aan de westzijde van de Kamroa-baai, de Koroesa-rivier in dezelfde baai, Kaimani en andere plaatsen op de zuidwestkust gelegen, waar vroeger ook de vestiging Merkusoord is geweest. Zij stevende vervolgens door de Pitt-straat, die de eilanden Salwatti en Batanta, aan de noord westkust gelegen, vaneen scheidt, naar Doreh, gelegen aan den noordoosthoek van het westelijk schiereiland, 140° 3 0 ' beoosten Greenwich. Den 13den Julij liet de Etna weder het anker vallen in de baai van Amboina.

Ofschoon deze zending voor alsnog tot geene bepaalde beschikkingen leidde, gaf toch het rapport der commissie, voorzien van talrijke afbeeldingen en andere bijlagen , oene belangrijke bijdrage voor de kennis dezer nog zoo weinig bekende landen en volken.

§ 2. Taaistudie en geschiedenis.

Op eene uitnoodiging van regeringswege tot het vervaardigen van leer- en leesboeken ten gebruike op de Indische scholen werden eenige Maleische werkjes ingezonden, die ter beoordeeling aan het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen werden aangeboden. H e t meerendeel werd goedgekeurd.

De herhaaldelijk in vroegere verslagen vermelde woordenboeken voor het Javaansch en het Maleisch werden voortgezet.

Ook de stadie van de Chinesche taal werd, blijkens het medegedeelde in hoofdstuk E , afd. I V , § 1, van dit verslag in het belang van 's lands dienst behartigd.

Op bladz. 70 van het verslag over 1855 werd het voornemen te kennen gegeven om te doen vertalen en uitgeven eene geschiedenis van J a v a , bijzonder betreffende de beide laatste Javasche oorlogen van 1812 en 1825, die door den pangeran DIIIPO NEGOEO is opgesteld on na zijn overlijden te Macassar, in 1855, door zijne zonen aan het Gouver-nement is aangeboden. Met de vertaling heeft zich wol willen belasten .de heer ZOETE-L I E P , adsistent-resident van Djokdjokarta (1).

, § 3. Natuurwetenschappen (2).

Wetenschappelijk onderzoek naar den staat der cultures in Nederlandsch Indie, bijzonder op het eiland Java. De hoogleeraar W. H. DE VKIESE , wien blijkens het vorig verslag, bladz. 9 5 , eene driejarige zending naar Nederlandsch Indie tot het instellen van dit onderzoek was opgedragen, kwam in het begin van 1858 op Java a a n , en begaf zich aldaar al spoedig op reis. Volgens het door hem ingediende en door het Indisch Bestuur goedgekeurde plan, zou de reis over het geheele eiland worden voortgezet en eerst op het einde van AuD-ustus 1860 zijn afgeloopen (?>). De uitkomsten zijnor onderzoekingen zullen eerst later kunnen worden meegedeeld.

Meteorologie. De weerkundige waarnemingen in Nederlandsch Indie, die als naar ge-woonte werden voortgezet, werden weder medegedeeld aan het Koninklijk Meteorologisch Instituut te Utrecht. Op 's Konings magtiging werd echter dit jaar eene beschikking genomen, die eene betere regeling en eene belangrijke uitbreiding van deze waarnemin-gen ten gevolge zal hebben. Dr. P . A. BEKGSMA namelijk, vroeger docent in de w i s - , natuur- on scheikunde aan het gymnasium te Deventer, en na afgelegd examen te Delft tot ambtenaar der 2de klasse voor de Indische dienst benoemd, werd bijzonder bestemd tot hot doen van magnetische en meteorologische waarnemingen, met het doel om het net dier waarnemingen, d a t , voornamelijk op voorstel van A. vox HUMBOLDT, over een groot gedeelte der aarde ligt gespreid, ook tot Nederlandsch Indie uit te strekken. Tot verdere praktische vorming van dezen jeugdigen geleerde in het doen dier waarnemingen werd hij gedurende eenige maanden geplaatst onder de leiding van den hoofddirecteur van het meteorologisch instituut te Utrecht, professor C. H . D. BOYS BALLOT, om daarna no°- eenige dergelijke inrigtingen in het buitenland te bezoeken en zich ook aldaar met de gebruikelijke instrumenten bekend te maken.

(1) Volgens de laatstontvangen berigten , betreffende December 1859, was een vijftigtal vellen gereed.

De veel tijd roovende, voorbereidende werkzaamheden voor de vertaling en de ambtelijke bezigheden van den heer ZOETELIEF waren oorzaak dat de vertaling nog niet verder was gevorderd.

(2) Over do heeren JUKGHUHN on DE V B U zie het hoofd » Kinacultuur " in hoofdstuk N , afd. I.

(3) Volgens eene beschikking van 1859 is de heer DE VBIESB , in gezelschap van den heer ÏEYSMANN , ook naar de bezittingen buiten Java vertrokken.

§ 4. Wetenschappelijke genootschappen, tijdschriften en dagbladen.

Het Bataviaascli Genootschap van Kunsten en Wetenschappen bleef in ruime mate de ondersteuning van het Gouvernement genieten, zoowel door het ontvangen van stukken , geschikt ter openbaarmaking , en van geschenken van boek- en plaatwerken, als vooral ook door een thans genomen besluit, houdende dat voortaan, wanneer geschenken van inlandsche vorsten en grooten, als bewijzen van huldebetoon, den Gouverneur-Generaal of diens vertegenwoordigers worden aangeboden, bestaande in wapenen, kleedingstukken, kleinooden en dergelijke, die de Gouverneur-Generaal of de betrokken autoriteiten niet wenschen tegen voldoening der geschatte waarde over te nemen, die voorwerpen, krach.-tens eene telken male door het Gouvernement te nemen beslissing, aan het genootschap zullen worden afgegeven, ten einde als eene afzonderlijke afdeeling van deszelfs museum voor het Gouvernement te worden'bewaard. Zoowel het museum als het in 1857 aan-gelegde munt- en penningkabinet nam door de zorg der directie en door talrijke ge-schenken van belangstellenden buitengewoon in belangrijkheid toe, en in 1858 werd nog de grondslag gelegd van eene nieuwe verzameling, namelijk van portretten van personen, die zich, hetzij in aanzienlijke betrekkingen of uit een wetenschappelijk oogpunt, omtrent Nederlandsen Indie hebben verdienstelijk gemaakt.

Ook aan de Nederlandsch-Indische Maatschappij van Nijverheid en aan de Natuur-kundige Vereeniging in Nederlandsch Indie werden van gouvernementswege verscheidene belangrijke officiële rapporten ten gebruike afgestaan. Daarenboven werd, krachtens magtiging van het opperbestuur, tot en met het j a a r 1861 bestendigd het aan deze ver-eeniging in 1857 toegelegde subsidie van f 4 000 ' s j a a r s .

De oprigting te Batavia van eene maatschappij Tot Nut van 't Algemeen in Oost-Indie (zie bladzz. 83 en 84 van het verslag over 1853) vond dit j a a r navolging te Padang in de oprigting van eene maatschappij Tot Nut van 't Algemeen van Sumatra's Westkust.

Zij telde bij de oprigting reeds 83 leden en werd, even als de eerstgenoemde, door het Gouvernement als zedelijk ligchaam erkend.

Het getal nieuwsbladen vermeerderde dit j a a r met twee. Behalve de officiële Ja-vasche Courant verschenen bij het einde van 1858 : de Javabode , het Bataviaasch Handels-blad, het Samaransch AdvertentieHandels-blad, met een bijblad in het Chineesch, de Samarangsche Courant, do Oostpost, de Soerabaijasche Courant, het PasoeroeanschNieuws-en Advertentie-blad , de Indische Schoolbode en de Opwehlcer.

Ju. A l g e m e e n burgerlijk bestuur.

I . ALGEMEEN BEHEER.

In de bepalingen omtrent het algemeen burgerlijk beheer werden geene wijzigingen gebragt.

I I . FlSTANTIEN.

§ 1. Muntwezen.

Nieuwe muntregeling ('). Blijkens het vorig verslag, bladz. 9(5, is in 1857 de eerste stap gedaan tot de eigenlijke uitvoering der muntwet door het Indisch besluit van 6 Juny van dat jaar [Indisch Staatsblad n°. 50), hoofdzakelijk bepalende, dat het kopergeld van den ouden muntslag en de recepissen van 1, 5 en 10 gulden bij 's lands kassen op Java en Madura zouden worden aangehouden (2). Thans werd een tweede en belangrijker stap op dienzelfden weg gedaan. Bij ordonnantie van 28 Mei 1858 [Indisch Staatsblad n°. C4) werden namelijk de recepissen van 1 en 5 gulden in geheel Nederlandsch Indie

(1) Vergelijk het afzonderlijk verslag omtrent de uitvoering der muntwet gedurende 1853, n". CIX der gedrukte stukken van de zitting 1858-1859.

(2) Ten aanzien der recepissen van f 10 is hierop ten gerieve der gemeente hij een bssluit van 5 Maart 1858, n". 0 . teruggekomen.

verwisselbaar gesteld tegen zilveren standpenningen, gulden om gulden, en met 1 October 1858 (als wettig betaalmiddel) buiten omloop gesteld. Later, bij ordonnantie van 20 December (Indisch Staatsblad n°. 136), werden ook de recepissen van 10 gulden en daarboven, echter voor 's hands alleen op de bezittingen buiten J a v a en M a d u r a , verwisselbaar en met 1 Mei 1859 buiten (wettigen) omloop gesteld. _ >

Bij het eind van het j a a r was een bedrag van f 9 516 851 aan recepissen " p r o u d d en bleef oningewisseld f 17 083 143. Van dit laatste bedrag bevond zich echter f 4 806 58b in de depots. . , ..

Ook tot inwisseling van het oude kopergeld kon op de buitenbezittingen, bij een daartoe voldoenden voorraad van nieuwe koperen munt, in 1858 worden overgegaan.

Bij ordonnantie van 3 September (Indisch Staatsblad n°. 102) werd derhalve bepaald:

dat de dubbele, heele en halve duiten van Nederlandschen of Nederlandsch-Indischen muntslag in de bezittingen buiten Java en Madura zouden worden buiten omloop ge-steld met den vijf en veertigsten dag, te rekenen van dien waarop het Staatsblad, m hetwelk deze ordonnantie- werd opgenomen, door de plaatselijke autoriteit ontvangen en daarvan aan het publiek kennis gegeven zou zijn; dat na gezegd tijdstip die duitennldaar niet meer bij 's lands kassen ontvangen, noch uitgegeven zouden worden; dat aan de houders van dubbele, heele en halve duiten van Nederlandschen of Neder-landsch-Indischen muntslag tot den bovengestelden termijn gelegenheid zou worden

^ e v e n dezelve dagelijks, Zon- en feestdagen uitgezonderd, bij 's lands algemeene kassen te Verwisselen in de verhouding van vijf cents voor zes duiten, en dat deze verwisseling zou geschieden tegen wettige betaalmiddelen (dat is niet alleen tegen nieuwe koperen 'pasmunt, maar in de eerste plaats tegen standpenningen, en voorts tegen zilveren pasmunt

en des noodi" ook recepissen). Ten einde zooveel mogelijk de moeijelijkheden te voorkomen, die uit den "overgang van den duit tot den cent te verwachten waren, werd bij de aan-schrijving tot uitvoering dier ordonnantie aan de hoofden van gewestelijk bestuur ten sterkste aanbevolen, de bevolking naauwkeurig bekend te doen worden met de vereischte herleidingen. . . . , , . • v

Volgens mededeeling van het Indisch Bestuur hebben zich by die verwisseling geene belangrijke bezwaren voorgedaan. Alleen werd voor Palembang, op voordragt van den resident, de termijn van verwisseling verlengd tot het eind van het jaar. Zoo ook werd de gouverneur van Celebes en onderhoorigheden gemagtigd om de landrente van 1858 nog in oud kopergeld te doen aanzuiveren, (l) . . . , ,

Het juiste bedrag van het oude kopergeld, dat op de buitenbezittingen is ingewisseld, is in de Indische stukken niet vermeld. (2)

In verband met de ophanden zijnde verwisseling der duiten waren de betrokken nootden van gewestelijk bestuur, zoowel op Java en Madura als op de bezittingen daarbuiten bij besluit van den Gouverneur-Generaal, van 29 October 1858 (Indisch Staatsblad^. 123) herinnerd aan de voorschriften tot wering van het valsche kopergeld (Indisch Staatsblad van 1845 n° 1) onder mededeeling evenwel, dat het de bedoeling met is, den aanvoer van vreemd kopergeld, niet zijnde nagemaakte Nederlandsen-Indische koperen munt, in de vrijhavens als handel waar te weren. > _

Uit Nederland werd gedurende 1858, bijzonder bestemd voor de uitvoering der munt-wet in Indie ontvangen f 2 450 000 zilveren en f 3 020 000 koperen pasmunt, makende met' het vroe-er tot dat einde ontvangene f 12 000 000 standpenningen, f 7 725 000 zilveren pasmunt en f 5 020 000 koperen pasmunt, te zamen f 2 4 745 000, ongerekend het zilver dat reeds vroeger voor een gedeelte der recepissen was gedeponeerd, en dat thans no°- f6 010 191 bedroeg, alsmede de opbrengst van het in 1856 en 1857 te Soerabaija verkochte ongangbaar gemaakte oude kopergeld. Zoodanige verkoop had gedurende dit j a a r in Indie geen plaats.

Arno. De stand van den agio op de drie hoofdplaatsen van J a v a bij het emd van het j a a r 1858, vergeleken met dien op hetzelfde tijdstip van het vorige jaar, blijkt uit den

volgenden staat.

(1) Ook in 1859 werden nog enkele beschikkingen van gelijke strekking genomen.

(•21 Tola-ens de in 1859 vastgestelde ordonnantien , te vinden in de Indische Staatsbladen n°. 40, 64 , 95«

J V I ook het oude kopergeld op Java en Madura ingewisseld. (Zie het verslag omtrent de mtyoermg d:r1m1unt;eTtver^0859,kgPedrgukt oLer n ^ X X I I , <Ip ultimo W ~ % * £ * * ^ Indie ingetrokken en ingewisseld f 32 844 675 aan oud kopergeld; terwijl op f 39000000 gerekend *as.

Bij verwisseling der hieronder genoemde speciën werd verkregen

de daarnevens gestelde hoeveelheid duiten.

Vc lor den Nederlandschen gulden . .

> » gouden Spaanschen doublon

» » Mexicaanschen »

Wisselkoers. Deze was gedurende 1858 als volgt :

M A A N D E N V A N 1 8 5 8 . voor f 100 recepis.

108 à 1081/2

Een dollar voor guldens recepis en centen.

f 2,65

Het bedrad der door het Gouvernement afgegeven wissels wordt hieronder in § 3 ver-meld. De regeling van de afgifte bleef nog gelijk die in het verslag over 1854, bladz. 70, is vermeld, en ook de vervaltijd bleef onveranderd op 6 maanden na dagteekoning.

§ 2. Javasche BanJc.

Ten vervolge op het medegedeelde in vorige verslagen nopens de uitkomsten der 19

Javasche Bank strekken de onderstaande opgaven, betreffende het 31ste boekjaar, loopende van 1 April 1858 tot 31 Maart 1859.

De baten en lasten bedroegen in dat j a a r : Baten.

Renten op esconto's f 358 417,92

i. i • Q1 . . . 56 509,63

» » beieenmgen

, , 4 4 4 0 00

» » buitengewone beieenmgen * ^*">u"

fi 1 ft^i HQ

n » voorschot op specie ,

„ . 't reservefonds 4 2 9 4 9>5 0

Provisien op deposito's en inkasseringen enz 2 5 171,46 Pakhuishuur . . . . "

Agio op specie en winst op vreemde muntspecien 5 345,42

Onverdeelde winst van het vorig boekjaar 5>4 4

Nederlandsche Handelmaatschappij, koers-avans llï>,9b Te zamen. . . . f 503 988,68

Lasten.

Uitgaven en afschrijvingen f 9 6 5 1 9'9 9

Alzoo zuivere winst. . . f 407468,69 Deze som w e r d , overeenkomstig art. 73 van het octrooi der b a n k , volgenderwijze verdeeld :

ten behoeve van het reservefonds één derde gedeelte f 135 822,89 ten behoeve van de deelhebbers twee derde gedeelten, zijnde f 67,90 per

aandeel van f 500,00, en alzoo over 4000 aandeelen 271600,00 op de rekening van winst en verlies voor het volgend boekjaar. ' . . 45,80

T e zamen als boven f 407 468,69 Het reservefonds , dat bij de afsluiting van het vorige boekjaar f 779 347,40 bedroeg, steeg door de toevoeging van het gemeld één derde gedeelte der zuivere winst

° D e zuivere'winst der bank ditmaal, gelijk boven is opgegeven, f 407 468,69 bedragende, was in de vier voorafgegane jaren achtereenvolgens geweest f 186 153,21, f 240 156,29 f 442187,97 en f 445 868.16(1).

Bij het einde van het boekjaar 1858/59 was de staat der bank als volgt:

Debet. C r e d i t

-Aan gebouwen en mobi- Per kapitaal. . .- . f 2 000 000,00 lair • f 8 9 4 9 8'0 0

Aan specie in de kassen 3 326 329,02 >, reservefonds . . 779 347,40

r e c ep i s s e n . • • • 193 020,00 . » winst en verlies 407 468,69 n beleeningen en voor- » bankbiljetten in

schotten op specie . . • 748 275,00 » o m l o o p . . . 5 865 675,00 Aanacceptatieninpor- » onafgehaalde

di-tefeuille • 4 268186,77 videnden . . 13 032,95 Aan diverse debiteuren 985471,18 » diverse crediteuren 545 255,93 T e z a m e n . . f 9 610779,97 T e z a m e n , . f 9 610 779,97 (l) Over het jaar 1859-1860 is de zuivere winst geweest f 557038,92, of, na aftrek van f 84829,71 ten einde het reservefonds op f 1 000 000 te brengen, f 472 209,21, 't geen voor de actiehouders een dividend gaf van f 11805 per aandeel of 23'Vioo pet. Voor ongeveer 5 pet. was dit buitengewoon hooge cijfer het gevolg van de meerdere waarde, waarvoor de gehouwen der hank te Batavia en hij de agentschappen in de rekening werden opgebragt.

De rente der bank onderging in den loop van het j a a r eenige verandering. Voor particuliere acceptatien en credieten bedroeg zij , op 31 Maart 1859 U/2 per cent min-der , namelijk 7ty2 per cent ; voor vendu-acceptatien (met uitzondering van die der drie hoofdplaatsen op Java) 8 per cent, dat is 1 por cent minder ; en voor beleenigingen 71/2 per cent, dat is l/2 per cent minder dan bij het eind van het vorig boekjaar. Voor vendu-acceptatien van Batavia, Samarang en Soerabaija en voor voorschotten op specie w e r d , even als toen, 6 per cent gevorderd. De provisie voor het verrigten van kas-sierszaken werd mede verminderd.

Het octrooi voor de b a n k , dat met 31 Maart 1858 ten einde liep, werd op 'sKonings niagtiging, bij besluit van den Gouverneur-Generaal van 28 Maart 1858 (Indisch Staatsblad n°. 33), behoudens eenige wijzigingen, voorloopig voor den tijd van twee jaren verlengd. De verlenging was voorloopig, omdat de voorstellen omtrent een nieuw octrooi te laat hier te lande waren ontvangen om rijpelijk te worden overwogen (1).

§ 3. Staat der hassen in Indie.

Buiten de depots voor de recepissen en de fondsen, bestemd tot herstel van het munt-wezen, was op het eind van elk quartaal in 's lands kassen of onder weg tusschen de verschillende kassen de volgende geldswaarde.

Op 31 Maart 1858.

Op J a v a en Madura . . . . ii de buitenbezittingen. . •

Totaal

« de buitenbezittingen. . . Totaal

Op 30 September 1858.

Op Java en Madura. .

» de buitenbezittingen Totaal (1) Bij ordonnantie van 22 November {Indisch Staatsblad n°. 98) is de bank, krachtens 's Koning*

magtiging, op gewijzigde voorwaarden, op nieuw geoctroijeerd voor den tijd van tien jaren, in te gaan op 1 April 1860.

Op 31 December 1858.

Op Java en Madura. . . .

» de buitenbezittingen. . .

Totaal

Zilveren munt.

f 1 1 7 3 4 0 5 3 2752 360

f 1 4 4 8 6 413

Bank-papier.

f 972450

»

f 972 450

Kece-pissen.

f 1203142 1629 966

f 2 833108

Koperen munt.

f 4135 811 333 937

f 4 469 748

Totaal.

f 1 8 045456 4716 263 t1)

f 2 2 761719

Blijkens het vorig verslag was op 31 December 1857 aanwezig:

Op Java en Madura. .

» de buitenbezittingen

Totaal Op 31 December 1858 was aan-wezig, als boven . . s •

Alzoo op 31 Dec. 1858 l i meer I minder

Zilveren munt.

f 4 584 556 1591520

f 6176 076 14486 413

f 8310337 Bank-papier.

f 77075

f 77075

972450

f 895375 llece-pissen.

f 5024 941 1920028

f 6 944 969

2 833108

f 4 1 1 1 8 6 1

Koperen munt.

3154 686 585 245

f 3 7 3 9 931

4469 748

f 729817 Totaal.

f 1 2 8 4 1 2 5 8 4096 793

f 1 6 938051

22761719

f 5 8 2 3 668

De Indische kas werd, ten laste der koloniale fondsen hier te lande, gedurende 1858 aangevuld als volgt:

door wissels van den Gouverneur-Generaal op den Minister van Koloniën tot een bedrag v a n :

f 510 000,00 tegen 102 per cent f 500 000,00 1498 520,55 » 101 » >» 1 4 8 3 683,85

T e zamen f 2 008 520,55, waarvoor verkregen werd. . . . f 1 983 683,85 door uit Nederland gezonden zilveren specie :

op de dienst van 1857

» » » » 1858

f 8 333 897,50 8 605 102,50

Te zamen

§ 4. Begrooting.

f 16 939 000,00 f 18 922 683,85

Bij het vorig verslag zijn aantooningen overgelegd van de werkelijke ontvangsten en uitgaven der Indische administratie in Indie en in Nederland over het jaar 1857, en van de ramingen der ontvangsten en uitgaven over het jaar 1858. Zoodanige ramingen

(1) Het verschil van dit cijfer, getrokken uit de kasstaten, met dat van f 22761552, voorkomende in n°. 5 van de gedrukte stukken betreffende de verdere regeling van het gebruik van het koloniaal batig slot van 1858 (zitting 1860-1861, n°. Y ) , kan voor het oogenblik niet worden toegelicht.

betreffende het j a a r 1859, worden ook (onder litt. J en K) bij liet tegenwoordige ver-slag overgelegd. Van de werkelijke ontvangsten en uitgaven over 1858 daarentegen kan, bij gebrek aan verdere volledige opgaven, thans alleen (onder lit. H) eene aan-tooning worden overgelegd voor zooveel die in Nederland betreft.

Ook de in het vorig verslag bedoelde overzigten van de geldelijke uitkomsten van elke der buitenbezittingen kunnen, om gelijke reden, nog niet worden medegedeeld.

Het Indisch Bestuur is uitgenoodigd om de vereischte opgaven zoo spoedig mogelijk te leveren.

§ 5. Bronnen van inkomsten.

Omtrent enkele van deze kunnen de volgende voorloopige opgaven worden medege-deeld; de daaromtrent gegeven cijfers zullen echter later welligt blijken nog eenige wijziging te hebben ondergaan.

a. Verpachte belastingen en monopolien.

De opiumpacht heeft 1858 opgebragt, op J a v a en Madura:

aan pachtschat f 4803636,00 aan opium, tiban (1), 41 430 katties, à f 100 de kattie . . . 4 143 000,00

aan idem, siram (1), 49 870 katties, à f 18 de kattie . . . . 897660,00 f' 9 844 296,00

op de buitenbezittingen • • 759 260,00 f 10 603 556,00 In 1857 bedroeg de opbrengst op Java en Madura aan

pacht-schat f 3 219 900,00 aan opium, tiban, 41 502 katties, à f 100 de kattie 4 150 200,00 aan opium, siram, 43,127 katties, à f 12 de kattie 517 524,00 f 7 887 624,00 op de buitenbezittingen 941 450,00

8 829 074,00 Alzoo meer in 1858 f 1 774 482,00 Trekt men echter hiervan af het verschil van

den siram, in 1858 . f 897 660,00 in 1857 : . . 517 524,00

— 380 136,00 dewijl deze, blijkens het verslag van 1854, bladz. 84, tegen

den handelsprijs aan den pachter wordt verstrekt, dan blijft over

een voordeelig verschil voor 1858 ten bedrage van f 1 394 346,00 en na bijtelling van het nadeelig verschil der pacht op de

bui-tenbezittingen , waarvan de opbrengst was :

bui-tenbezittingen , waarvan de opbrengst was :

In document aan de Statcn-Geiieraal ingezonden bij brief van den Minister van Kolonien, van 4 December i 8 6 0 , (pagina 77-96)