Totdusverre hebberi we nog niet geschreven over de o6rzaken van werkloosheid" We hebben veel literatuur op dit terrein doorgeno-men, slechts ~~n ding werd duidelijk: de onzekerheid over de wer-kelijke oorzaken van de werkloosheido

11De onzekerheid aangaande, wat nu precies debet is aan het voorkomen van werkloosheid komt tot uitdrukking in de diskussie over het feit, of en in welke mate de werkloosheid van strukturele dan wel van

kon-jÜhkturele aard is

(24:8).

We sluiten ons hierbij aan. De krisis in de ekonÖmie komt evene~ns tot uiting in de burgerlijke ekonomische

wete~schappen zelf.

Ledrut konstrueert een indeling naar werkloosheid die voor ons van belang is. Hij geeft een samenhang aan tussen het type werkloosheid en de kenm~rken van de _we_rklo:z.en ( 38) •. In een periode van krisis-werkloosheid bestaat de groep werklozen uit personen die wat be- · treft kenmerken overeenkomen met de samenstelling van de afhankelijke beroepsbevolkingo Bij een lage of zeer lage werkloosheid worden.er meer personen werkloos die op grond van persoonlijke en/of socialè kenmerken ontslagen worden of niet aan het werk komen: voor ontslag worden bepaalde personen uit de'afhankelijke beroepsbevolking ge"

selekteerd. De selektiviteit of diskriminatie ligt hóger bij een lage werkloosheid dan bij een hoge werkloosheid.De Interimnota:

11Het vinden vo.n con ;:trboidsplno.tB door kollekticf ontslngen werknemers betekent na korte of langere tijd veelal ontslag van minder geschikte krachten elders. Deze ontwikkelingen vol-trekken zie~ de laatste tien jaar in een veel sneller tempo dan

daarvoor. Ten aanzien van de arbeidsmarkt veroorzaken zij veel gedwongen mutaties die als een zeef werkeno De moeilijk plaat bare werknemers blijven steeds achter" Daardoor werd b.Vo in 1970, een jaar van hoogkonjunktuur het werklozenbestand afgezien

· ~a~ seizoen en friktie, geken~erkt door een residu, bestaande uit personen met een zwakke arbeidspositie en nauwelijks nog geschikt om een, arbeidsplaats te vindcrn11(25:46}.

Aangezien de werkloosheid. in Am::;terdam een jaar geleden, nog laag was en pas aan het eind van het vorig jaar(nov./deco 1974) ster.k begon toe te nemen en wij ons onderzoek richten op vooral degene die langer dan drie maanden werkloos zijp-, nemen we daarom aan

' , ~ < ( '

dat onder de groep w~rkloze.jongeren ve~l jongeren zitten die -0p grond van persoonlijke.en/of sociale kenmerken moeilijk aan de slag komen. Het grote.aantal 'minder-geschikten' zou ook een aan-wijzing in deze kunnen zijno

-32-Op grond van het voorgaande zullen we de werkloze jongeren (15 t/m 22 jaar) in Amsterdam naar de v9lgen~e groepen onderscheiden:

1. een groep ongeschoolde jonge:en en/of jongeren die hun opleiding niet afgemaakt hebben.

2. een groep jongeren die hun opleiding w~l afgemaakt hebben.

3.

Surinamers en Antillianen (die zowel door hun scholing en/of opleiding alsook door diskriminatie werkloos zijn). ;.

4:

gehandikapten.

5.

jongeren die behalve voorgaande kenmerken andere kenmerken bezitten

bi~voorbeeld 'minder~geschikten': welke zijn procicG de kenmerken?) Op elk van de eerste vier groepen gaan we nog nader in om de proble-matiek van deie groepen te preciseren.

j ." Werkloz<:;,, jongeren .m.et e.~Y. af!Ji.~k<?.Ji:..E::.U ,o.E.,1.ei.~,,ing (~roep ~).

Om de positie van deze jongeren te verduidelijken, maken we gebruik van een studie di&·idealiter het meest met onze ~roep overeenkomt:

De kortste weg, een landelijk onderzoek naar het proces van beroepè-keuze. 1Jij jongens en meis,jes die na het verlaten van de lagere school direkt zijn gaan werken ( 76 ),. We nemeri aan dat deze groep overeen-komsten vN•toont met onze groep die eveneens voortijdig de School verlaten hebben of enkel de leerplicht tli tgezete:n hebbeno Aangezi.èn de meeste jongeien van ons onderz6ek vooral in de leeftijdsklasse 20/22 zitten, komt het jaar waaro'.p zij de. school vèrlaten hebben redelijk overeen met het jaar waarin het op.der zoek verri.cht is ( î 968) o ·

Voor dez.e groep is de< periode van vóór het gaan werken; hun mogelijk-heden en motivatie van g;~bt bel~ng geweest voor. de latere periode.

Uit het onderzoek: De gemiddelde leeftijd van de jongens bij het ver-laten van de zesde 'klas is . 11+, 1 jaÇJ.r, bij de meis,jes . ' : . 14,0 wat wijst . op slechte schoolresultaten.:, Alle kinderen op twee jongens na ZJ.Jn

&~n of meer keer blijven zitf~n. Van de jongens heeft

79%

en van de meisjes

85%

zelfs twee keer of meer gedoubleerd:

De geringe kapacit~iten hebben eèn belangrijke rol gespeeld in de gemaakte keuze om niet verder naar school te gaan na de lagere school.

De onderwijzers vonden welis1wa'~i; dat de kwali tai ten niet voldoende waren voor het volgen van middelbaar of van uitgebreid lager onder-wijs, maar vonden het nijverheidsonderwijs of het vglo wel geschikt.c Meer d'àn een vierde deel van de Jongens wordt alleen geschikt ge-acht om te gaan werken.

De belangrijkste rol die de geringe kapaciteiten hebben gespeeld, blijkt ten dele reeds op de lagere school bij de keuze tussen de A- of B-richting in de laatste klassen (ulo, hbs, gymn tegen-over lbo)~ Er is hier weinig sprake van een echte keuze, want meestal wordt het kind door de onderwijzer in deze richting ge-plaatst zonder voorafgaand overleg met kind en/of ouders.

Veel kinderen hebben een negatieve houding ten aanzien van het schoolgaan. 44% van de jongens en 43% van de meisjes hebben een duidelijke aversie van schoolgaan. De keuze van niet verder op

sc~ool doo~leren wordt gekenmerkt door een zich negatief afzetten

teg~~ ~et.dagonderwijs.

Bij ongeveer.30% van de jongens en meisjes was het belangrijkst motief ~de gebleken of veronderstelde ongeschiktheid. Opvallend is datsoor slechts zeer weinig kinderen de keuze 'niet verder naar school te gaan' wordt gemaakt om meer positieve redenen zoals het ku~nen uitoefenen van een beroep of vak, het geld ver-dienen etc.

De onwil, van het .kind heeft in .vele gevallen (ook bij het advies van de onderwijzer) de ba:1_ans doen doorslaan naar 'gaan werken 1 o 75% is achteraf wel tevreden met de gedane keuze na het lager onderwijs, hoewel .achtera toch nog 15% van ~e jongens liever naar de lts zou zijn gegaan. De meeste ontevredenen treft men aan onder de jongeren voor. wie een verder schoolgaan, blijkens het advies van de onderwijzer, mogelijk was en bovendien onder degene• die zolf nog overwogen hadden om verder naar school te gaan.

Het sociale milieu (familieleden, vrienden, buren en kennissen) heeft ;een ~elangrijke invloed uitgeoefend op de beroepswensen van de kinderen. Eon groot aantal kinderen wenst een beroep in de-zelfde arbeidssektor als van hun vader.

Ongeveer 55% zocht na het verlaten van de lagere school eigenlijk geen baan of soort werk: voor hen was het in de eerste plaats een 'gaan wer,ken', ze hebben nog niet uitgemaakt wat voor soort work zij nu in feite moeten gaan zoeken.

Opvallend veel jongens die een baan ~oeken, wensen banen waarvoor een voortgezette opleiding is vereist (terwijl .zij alleen Lo.

hebben)" Het zijn vooral jongens uit .het geschoolde arbeidsmilieu,.

zelf s.tandige middenstand en het 'employeemil:i,eu'die deze banen ambiëreno

Deze jongens willen blijkbáar ondanks hun geringe opleiding, maat-schappelijk niet d~l~n t.o.v. het beroep van hun vader.

81%

van

de

jon.gehs vindt direkt een baan. Van de overigen heeft 8Lf%

na drie maandeh nog geen baan,

38%

zelfs na

7

maanden nóg niet.

Vnh de meisjes gaat

47%

direkt in loondienst werken. 22% gaat thuis in de huishouding (van hen werkt

35%

na 2 jaar nog steeds in de huis-houding) en

31%

blijft nog een tijd zonder werk.

Bijna ailen krijgen een beroep op ongeschoold arbeidsniveau. Het is

. .

veelal een bàan o~ een laag niveau, waarin de handvaardigheid cen-traal st~~t en het werk eenvoudig is. Soms kan het nog wel enige ve~­

antwoordelijkheid inhouden, hoewel het veelal smerig werk is, waar-.

aan weinig sociaal prestige :i.s verbonden en dat weinig mogelijkheden tot promOti·è biedt" Slechts 14% van de jongens en 20% van de meisjes ronliseort een baan op wat hoger niveau" Jongens u:i.t het ongeschoold arbeidersmilieu komori meer in banen ter~cht van la~g verstandelijk niveau dan jongens ult andere sociale milleus. De ouders uit andere mileus slagen er klaarblijkelijk meer in hun zoon te vrijwaren van een baan op het laagste niveau" De jongens uit het Öngeschoolde ar-beidersmiliou worden door hun ouders meer aan hun lot overgelaten.

Men is vooral vici de direkte omg~ving a~n de eersie baan gekomen~

De school, beroepenvoorlichting

en

eigen hobby worden weinig genoemd waarop men aan de eerste b~ari gek6men {s. (het G.A.B. wordt zelfs niet als mogelijkheid genoemd)",.

59%

van de jongens en

45%

Yan de meisjes is nog steeds (na 2 jaar) bij de eerste werkgever werkzaam.

87%

van degenen die van baan zijn veranderd, hebben volgcins hun eigen zeggen.zelf ontslag genomen.

Ruim een vierde.deel van de jongeren heeft dri~ of vier banen gehad.

Degenen di~ niet van baan veranderd zijn, hadden aan het eind van de lagere school meer exacte wensen ten aanzien van het toekomstig be-roep dan d~ 'switchers'. De eerste baa~ ~an de 'konstanten' was/is van een beter gehalte dan de eerste baan van de 'switchers1 Maar momenteel zijn de banen van beide-~r6epen van hetzelfde gehalte.

De 1switchers' zijn er dus op vog~~it geg~an. De meest~ jongens die vari

ba~~verander

zijn, namen ontslag in de

eer~t~

baan vanwege

. ·. ·.

de arbeidsometandighedon en met name vaak ·vanwege het vuile werk.

In de ;huidige baan is men er echter niet

op

vooruit gekaan. De waar-den die ddör dete jongeren h~t fue~~t beiangrijk worden gevonden in.

verband met hun beroep of werk zijn: het salaris, dewerksfeer, een goede behandeling door de baas en leuk werk.

Wanneer de jongere de waarde d:Le hij het belangrijkst vindt, niet in zijn baan ~erealiseerd ziet, gaat hij bijna altijd van baan ver-a.ndereno ·Voor hen die hun be:· angrijkste waarde reeds vervuld zien"

wordt de rea.lisé:drig van andere waarden belangrijk. Kennelijk is.

de belangrijkste waarde die de jongeren noemen een soort. minimum-waardé di~- pe:r.sA gerealiseerd moet worden en die, indien deze niet verwezenlijkt kan worden, nagenoeg altijd leidt tot het zoeken

van een andere baan. Vooral het niet realiseren van een goede beha~

deling door de baas, goede verdiensten, een pl~zierige:werksf~er en leuk werk"in een bepaalde be.an geeft aanleiding tot wisselen van baan. Dé 'waarde 'goed verdienen' in de huidige baan heeft veel in relatieve belangr;ijkheid ingeboet in vergelijking met de eerste baan. Klaatblijkelijk is deze waarde door de wisséláars van baan grotendeels in de huidige baan gerealiseerd.

Jongens die na twee jaar van baan willeri veranderen .hebben bijna allen een baan waarvoor alleen maar lager onderwijs vereist is.

Van deze jongens zegt maar

19%

in de huidige baan promotiekansen te hebben, terwijl van degenen die niet willen veranderen 72% zegt

promotiekan~en te hebberi. Ook op lange terimjn kan bij veel jeµgdigen niet gesptoken worden van een gerichte ori~ntatie op een beroep~

Twee derde ifan de jongens en

59%

van de meisjes zegt dat zij niet voldoende weten over de beroepsmogelijkheden. De jongeren die van baan willen veranderen zouden nog.graag een gesprek óver de beroeps-mogelijkheden willen hebben. De belangrijkste feiten uit de

'kortste \./eg' :

1. de meeste jongeren hebben op school meerdere keren gedoubleeTd. , 2. aversie tegen school is de belangrijkste reden om niet verde.r ·

te lereno

3.

meer dan de helft van de meisjes gaat na de lagere school niet direkt aan het werk.

4o

de eerste baan is vaok eenvoudig en vuil, er :Ls weinig sociaal prestige aan verbonden en biedt weinig toekomstmogelijkheden~

5.

indien een minimumwa.arde (goede behandéling · door de baas, goede verdienste, plezierige werksfeer e~ leuk werk) niét ver~ezenlijkt wordt, gaat men van baan veranderen. De arbei~;:Psomstandigheden

(vuil werk e.d.) blijven veelal gelijk.

6.

het veranderen van baan is een middel om vooruit te kome~

. .

7.

jongeren.~ie van baan willen veranderen hebben in de huiáige baan vrijwel gee~ p;om6tiekansen en hebben behoefte aan beroepen-informatiEJ.

Werkloosheiq betekf?nt. voor deze .. j,angeren een grote klap" Aller-eerst hebben zij het gaan werken als e~n bevrijding ervaren yan het sc~oolse milieua Bovendiei fungeert het bedrijf, de arbeids-situatie voor deze jongeren als een ide,nti:fikatiepunt" Werkloos"."

heid beteke.nt .e13n abrupte afbraak 1 van een in de arbeidssituatie ingezet proces van zelfontdekking, werkloosheidgrijpt rechtstreeks in op de opleidip.gs-ien dus. toekomstkansen' (l.~:()6/67)a

Bij.4oge werkloosheid worden juist deze jongeren (onvrijwillig) hot eerst pntslageno '.I.1erwijl in de periode van voor de hoge werkloos·-heid, verandering van baan leidde. tot verbetering van de positie, is het werk. ( w.at men nu maar aan te nemen heeft) in de nieuwe baan vaak een zijstap of een, stap terug op .de kar.rièreladder (35: L~1).

De situatie voor ~i.ê.j..§l~ is nog slechtera Zij verlaten de s.chool nog vroeger en hebben een nog lagere opleiding (25:80/82)0.Peter.

Stroink,: :1 Jonge •werkneemsters allen maar bruidjes van morgen'?.' ziet hun ~-0sitie in het bedrijf als volgt.

Hun wèrksituatie is niet alleen weinig .stimulerend , maar werkt zelfs belemmerend om een werk-oriëntatie te ontwikkelen. Het den~en

en handele:n yan jonge werkneemsters wordt in belangrijke mate ber.n-.

vloedt door hot idee dat ·ze. toch maar voo:i:· een beperkte tijd werken •.

Zo spaart 1 op de 3 werkneemsters voor een uitzet, tegenover.1 op de 10 jongensa

Meisjes kennen in het werk meer (dan jongens).belang aan:

- niet al te ingewikkeld werk doen

- niet bekaf worden van het werk. Beduidend minder belang hechteµ n za aan:

- de kans binnen het bedrijf opleidingen of kursussen t~ volgen - het hebben van goede promotiekansen

- het kunnen leren van een goed vak - het hebben van vast, blijvend werk

'' ;~

Waarschijnlijk ~temmen de werkneemsters hun houding af op de gegeven, situatie. De werkneem.sters z:i.jn immers gedwongen de hun aangeboden werksituatie als passend en juist te beschouwen omdat die onontkoom-baar is. Het ontbreken van een alternatief dwingt hen tot een hou- ·

ding die het best bet>chr even kan worden als 'roeien met de riemen die je hebt'. of 'ervan maken wat ervan te maken is'.

'In dat licht is een hu welijksoriëntatie èvenzeer een ontsna.ppings-mogelijkheid uit een onbevredigende situatie, als de werksituatie een

ontsnappin~

betekende uit de

onbevredigend~ schoolsitu~iie'

(64:263/265).

2o Werklo.~.e .ionger~m_p~~é!;,Ü;';~pkte o:e~!'1~èP.g" (g,rç>~.E. B)

f>e problematiek is niet zo scherp aan de hand van de opleiding alleen te trekkena Als'ideaalbeeld' van de jongeren gebruiken we een uitvoe-rig verslag van 23 diepteinterviews met kliënten van het Experimen-teel werkbemicldelingsbureauo in Amsterdam (EWB): P"L. Stroink, M. vam Wi.~, Jongeren en werk: naar een nieuwe werk-oriëntatie?

De problematiek van deze jongeren met we.rk nemen we als uitgangspunto Tweederde van de groep heeft een sekundaire opleiding (lts, mavo, mms) a:fgemaakto (het resterende deel z,ou dus ook onder de problenn-tiek van de vorige groep kunnen vallen:)~ De schrijvers benadrll!kken dat dat dit opleidingsniveau ook weer niet zo hoog ligt dat deze jongeren zonder meer goed~ posities in het arbeidsbestel kunnen innemen. De kritiek van <~eze . jongeren kan daarom n:Let zonder mèer afgedaan worden·

als ideologische kritiek, maar is vooral gebaseerd op ei~en ervaring-·

en in het arbeidsbestel. Veel van de hog~ropgeleiden waren niet van pi. an een baan te zoeken die pat.:it bij hun opleidingsniveau. Ook zagen zij die nog aan een hogere opleiding bezig waren, slecht's minimale kansen om een baan te vinden die aansloot bi;j hun opleiding en die tevens geschikt werd bevonden.

Over het nut van de tijd die op school W(:lrd doorgebracht werd door de helft negatief geoordeeld. Ook de sfeer op school liet vaak te wensen overo

De meest voorkomende baantjes die men verricht heeft, vroegen weinig opleiding. Slee.hts 10 van hen hebben ooit geschoold werk verricht, terwijl 22 van de 23 jongeren ongeschoold werk hebben verricht.

Jongeren die een betere opleiding hebben gehad en daarom in principe geschoold werk zouden kunnen doen zijn na enige tijd toch op onge-schoolde .banen overgestapt. Het mee-verantwoordelijk zijn voor een werksituatie waar men niet achter stond, problemen van psychische aard en konflikten over de manier waarop de jongeren hun baan gestal-te gaven, waren een aantal redenen die de gerngestal-terv:i.ewde deed besluigestal-ten liever naar ongeschoold werk over te stappen. Ook is het bij onge-schoold werk gemakkelijker tijdelijke banen te vinden of part-time te werken. Het grootste deel heeft een nogal instabiele werkkarri~re

waarin verschillende baantjes elkaar snel opvolgen.

In driekwart van de gevallen waarbij het om een vaste baan ging, stapte de gefnterviewde zelf op. Meestal omdat iets in het werk niet beviel of omdat er moeilijkheden met de direktie of de baas waren.

De meeste hadden .a..1.:1.e\S!n yervele.nde. banen .gehad~ Het loon speelde geen grote'rbl bij de kritiek op het werken, voornamelijk door een houding: als het werk leuk i.s, is het loon niet zo belangrijk, maar vervelend werk moet goed be·taald worden" ('partiële socialisatie t:

het nastreven van.zoveel mogelijk de eigen doe1en, maar alleen zolang men daar niet al te veel moei1ijkheden door ontmoot via de gevestigde instituties. In het werk uit zich dat door het zoeken naar part-time baantjes, waardoor je genoeg geld kunt verdienen om in leven te blijven zodat je verder j~ eigen zin kunt doen).

9 van de23 personen behoorden tot de zogenaamde krisisgroep, jonge-ren die hun eigen situatie als uitzichtloos erv~ren en kontaktstoor-nissen en Bpuiten als de belangrijksté problemen noemden. Veel jonger-en .die aan de hard .drugs zijn of geweest zijn komjonger-en' vaakrbij het EWB voor eenvoudige baantjes om niet de hele dag met hun eigen problemen

bezi~ te hoeven zijn.

Opvallend.is nog dat bijna de helft van deze jongeren in hun jeugd geisoleerd opgegroeid zijn: weinig omgang en kontakt met gezinsleden, klasgenoten en vrienden, outcasts op grond van lichamelijke kenmerken en jongeren die in tehuizen gezeteh hebben en geen goed~ vriendschappen konden sluiten vanwege het streng autoritaire tehuisregiem(65)"

Uit het informatieschrift van het EWB (1975) halen we nog het volgen-de:

"Opleidingen worden vaak gestart om uitstel voor de werksituatie te krijgen. Naarmate de opleiding vordert, wordt ontdekt dat de t~gerizin tegen de uit de opleiding voortvloeiende mogelijk~.

heden evén groot is als die tegen de (reéds negatief gekozen) opleiding zelf. Inzichten ontstaan dat het onaantrekkelijke van werken niet afhangt van de soort werkzaamheden, maar veeleer struktureel vastligt. Opl·eidingen worden afgebroken, een baantje gezocht" De verwachting die je van werken.hebt, valt echter al snel tegen.

Met name EWB··klanten kunnen of willc~n vaak ge'en tevergaande kon-cessies m.b.t. hun werkwensen doen. In het gunstigste geval ko-men ze, dan in een uitkering terecht of anders behoren ze tot de groep die geen inkomen bezit, welke groep onder de 1'-:WB-bezoekers

opvallen~ groot is" •.

De probl~matiek van deze groep is dus het vinden van geschikt werk.

De probl~matiek van deze groep is dus het vinden van geschikt werk.

In document 22 Werkgever enz. 23 van-tot Aard het werk. 26 Reden van beëindiging. 27 Opmerkingen 28 Verwijzingen (datum, werkgever, resultaat) (pagina 49-59)