Over het jaar 1853 waren de boeken, bij de opmaking van dit overzigt, nog niet afgesloten

In document BIBLIOTHEEK KTLV (pagina 88-96)

Gouvernement der Westkust . Benkoelen

Lampongs Palembang Eiouw

Banka met Blitong • / Sambas

6 \

s l Pontianak .

° i

\ Zuid- en Ooster-afdeeling . Timor . . .

m i Menado

•a i

'S' ) Overig gedeelte van Sumbawa . [ Ternate

.M \ Amboina en onderhoorigheden

*3 r

S V Banda en onderhoorigheden .

Algemeen totaal . .

Voordeelig verschil

Over het jaar 1853 waren de boeken, bij de opmaking van dit overzigt, nog niet afgesloten.

V I . BRONNEN VAN INKOMSTEN.

De opbrengst der onderscheidene bronnen van inkomsten blijkt uit de bijlagen litt. F en G van dit Verslag. Met uitzondering van eenige weinige, zal men zich dus, even als vroeger, hier bepalen tot het vermelden der verdere bijzonderheden op de bronnen van inkomsten betrekking hebbende.

\

M

( 83 )

§ 1. Verpachte belastingen-en monopolien.

Bliikens het Verslag over 1853 zijn in dat jaar voor Java en Madura vastgesteld een

voor 1854 gesteld op 2331, of 53 mmder dan voor 1853. Ue pacntvoorwaa bezittingen buiten Java en Madura bleven voor 1854 onveranderd.

De gewone middelen hebben in dit jaar opgebragt :

, , , . f 1,889,389:00

op Java en Madura ' . ,_ ..x- . 345,632:36

op de buitenbezittingen f 2 2 ^ m . M

2,310,912:60 Over 1853 was de opbrengst

dus,minder over 1854 . . . f 75,892:24

De opiumpacht heeft over 1854 opgebragt, op Java en Madura:

f 2,151,072:00 aan pachtschat

aan opium 41,280 katties, à f 100 de katti 4,128,000:

Bovendien zijn in 1854 nog verstrekt aan sieram 7380 katties, à f 25 m ^ M de katti

-'maakt . . . f 6,463,572:00 . . '. 638,440:00

op de buitenbezittingen ^ ^ Totaal . . . f 7,102,012:00

De opbrengst over 1853 bedroeg op Java en Madura aan ^ 3 4 0 K ) 0

pachtschat ' 40,860 katties, à f 100 de katti 4,086,000:00

7 , 0 8 5 * „ . 25 „ . - - 177,137:60 op de buitenbezïttingen • • 637,070:00

maakt . . . f 6,597,547:60

dus meer over 1854 . . . f 504,464:60 Om tot eene juiste vergelijking te komen, moet hiervan evenwel worden

afgetrokken de inkoopprijs van 7141/, katti amfioen, m 1854 meer dan ^

in°1853 verstrekt, bedragende p . m ' zoodat het zuiver voordeelig verschil blijft . . » f _ 493,747:24

Nieuwe beschikkingen ten aanzien der verpachtingen voor het vervolg of der daaraan onderworpen artikelen waren de volgende :

lo. de publicatie van 8 October 1854 ( f e o U t f »-. 7 6 ) , waarbj is afgekondigd een algemeen Reglement voor de verpachting van 'slands middelen op de Nederlandsch-Indische

bezittingen buiten Java en Madura ;

2«. de publicatie van 22 September 1854 (Staatsblad n°. 70), inhoudende een Renie-ment voor de opiumpacht in de benedenlanden ter Westkust van Sumatra;

3°. de publicatie van 21 December 1854 (Staatsblad n°. 94), waarbij, na verkregen magtiging desKonmgs, is opgeheven het verbod tegen den invoer van opium in entrepôt op Java. De overwegingen, welke het Indisch bestuur bij het vragen dier magtiging hadden geleid, zijn medegedeeld in het vorig Verslag (pagg. 123 en 124).

fo. een besluit van 19 September 1854, n». 7 , betreffende het verstrekken van opium aan de pachters op Java en Madura (*). Volgens de thans geldende bepalingen yoor het j a a r 1854, opgenomen in het Staatsblad van 1853 , n°. 89 , en voor het j a a r 185o in het Staatsblad voor 1854, n°. 7 6 , wordt namelijk als hoogste bieder bij de verpachting van elk perceel beschouwd degene, die aanneemt maandelijks, boven en behalve het kostende van een voor elk perceel bepaalde hoeveelheid opium tegen den prijs van f 100 de katti (H/4 Amst. pond), den hoogsten pachtschat te voldoen, en boven die hoeveelheid opium, tieban genaamd, werd den pachter, des verkiezende nog hoogstens één vierde van die hoeveelheid verstrekt, onder den naam van sieram tegen den prijs van f 25 per katti. Aan het Gouvernement kostte de opium echter ge-middeld m de laatste jaren niet meer dan f 12: 8 de k a t t i , en heimelijk aangevoerde opium werd gezegd voor f 17 de katti door den pachter verkregen te kunnen worden. Een in 1853 en 1854 gedaan onderzoek had de reeds vroeger bestaande meening gestaafd, d a t e r op Java, veel opium gesmokkeld was en nog w e r d , en dat de pachters , onder-pachters en anaere bij het slijten van opium betrokkenen dien smokkelhandel bijzonder in de hand werkten, zonder dat het Gouvernement bij magte was dat tegen te gaan. Hieruit meende men te mogen opmaken, dat het verbruik van opium niet binnen zekere bepaalde grenzen kan worden beperkt door eene gelimiteerde verstrekking aan de pachters ; maar dat men dit doel grootendeels zou kunnen bereiken door de opium zoo duur mogelijk aan de verbruikers te doen verkoopen; en d a t , om hiertoe te geraken, het streven van de Regering steeds moet zijn om overal voldoende mededinging voor de opiumpacht in het leven te roepen, waar-door alleen de pachprijs tot het hoogst mogelijke cijfer kan worden opgevoerd ; maar dat daarentegen, om de pachters van den sluikhandel in opium terug te houden, het beste middel gelegen is in eene onbeperkten aanvulling der behoefte aan opium door verstrekking van gouvernementswege; dat het niet was bewezen, dat het verbruik daarvan zou ver-meerderen en dat zulks ook niet aannemelijk w a s , aangezien in het tekort thans reeds door den sluikhandel werd voorzien. Op grond dezer overwegingen is bij het aangehaald besluit als beginsel aangenomen : dat de sieram voortaan aan den pachter zal worden verstrekt tot de hoeveelheid welke hij zal aantoonen te behoeven, en zulks tegen den handelsprijs.

Op dien voet werden de voorwaarden voor 1855 gewijzigd en in het mede aangehaald Staatsblad van 1854 onder n°. 76 opgenomen. Om in de daardoor ontstane meerdere behoefte aan opium bij het Gouvernement voor 1855 te voorzien, werd het noodige bepaald biï besluit van 2 November 1854, n°. 1.

^ 5°. een besluit van 7 October 1854, n«. 5, bepalende dat, ingaande met het pacht-j a a r 1855, in de residentie Menado geen geregtigheid meer zal worden geheven van miloe (maïs), welke ten verkoop op den bazaar gebragt of rondgedragen wordt. Eene gelijke beschikking ten aanzien van rijst en padie (rijst in den bolster), in 1853 genomen, is reeds in het vorig Verslag gemeld.

§ 2. Onverdachte belastingen,

a. B e l a s t i n g e n i n a r b e i d o p g e b r a g t .

Ofschoon in het Verslag van 1849 (pagg. 144—150) eene omschrijving voorkomt van de persoonlijke diensten , waartoe de inboorlingen verpligt zijn, zullen welligt niet onbelang-rijk worden geacht de volgende bijzonderheden omtrent dit onderwerp, ontleend aan het

verslag van den directeur der cultures over 1854.

» De heerendiensten", zegt de directeur, »worden onderscheiden i n :

» verpligte diensten, die betaald worden, en

(*) Op de buitenbezittingen voorzien de pachters zich zelven van de benoodigde hoeveelheid

( 8 5 )

» eigenlijke heerendiensten, waaraan geen loon verbonden is, als gegrond op het oude volksgebruik.

,. De verpligte diensten bestaan i n : het lossen en laden van schepen; het transporte-ren van reizigers en goedetransporte-ren; het levetransporte-ren van gras aan de Europesehe ambtenatransporte-ren; het innemen van producten bij 's lands pakhuizen; het leveren van koelies bij het bouwdepar-tement, de pradjoerits- (soldaten-) diensten; het leveren van werkvolk en trekvee bij de verschillende cultuur-etablissementen ; de blandongdiensten (bij de bosschen); de teelt van producten voor de Europesehe markt.

>, Onder de eigenlijke heerendiensten worden gerangschikt : de bewaking van 's Gouverne-ments gebouwen; de bewaking van pasanggrahans (pleisterplaatsen); de bewaking van poststations; de bewaking van gevangenissen; de overbrenging van brieven; de diensten bij de inlandsche hoofden; het bezetten van wachthuizen ; het onderhouden van bruggen, wegen, waterleidingenen dammen; het vervoeren van gevangenen en veroordeelden; — in welk vervoer, gedurende dit j a a r , eene aanmerkelijke vereenvoudiging werd gebragt, doordien de hoofden van gewestelijk bestuur op J a v a magtiging ontvingen om in den

vervolge gebruik te maken van ijzeren handboeijen met een doorloopenden ketting bij het transporteren van gevangenen of veroordeelden, zoodat het transport van onderscheidene personen, ondereene geringe begeleiding kan plaats h e b b e n ; - het vervoer van kopergeld van de woningen der ondercollecteurs naar 's lands algemeene kassen ; het verschallen van paarden voor de gladak (transportdienst); de onbezoldigde politie-diensten; het onder-houden en schoononder-houden van de bazaars en de daarop staande loodsen.

» Van de boven opgenoemde diensten worden in den regel vrijgesteld: het dessa-hoofd en de Men van het dessa-bestuur, vermits die belast zijn met het toezigt oyer den ar-beid; de onbezoldigde politiedienaren, omdat zij de werkzaamheden der bevolking moeten bewaken en voor de goede orde behooren zorg tedragen; de afstammelingen van inlandsche arooten en eervol ontslagene hoofden, de volgelingen der hoofden (panakawans) en hunne be-dienden, naardien die reeds bij hunne hoofden dienst doen; de orang menoempang, tijdelijke bewoners eener dessa, die geen afzonderlijk huishouden hebben, maarbij den een of ander inwonen; de jonggehuwden, die bij hunne ouders inwonen, mits de hoofden van het huisgezin dienst verrigten; de erkende geestelijkheid; alle personen, die den ouderdom van U jaren nog niet of dien van 50 jaren reeds bereikt hebben; alle personen, uitsluitend be-stemd voor de bewaking der graven van voorouders van inlandsche vorsten en regenten;

gepensioneerde of gedecoreerd ontslagen militairen.

„ I n sommige gevallen wordt ook eene tijdelijke vrijstelling van heerendienst verleend als : aan jonge weduwen, wier mannen onder de klasse der landbouwers hebben behoord en die voor hare zonen onder dien stand wenschen te blijven behooren, mits zij zich zoodra mogelijk van eenen plaatsvervanger voorzien voor de diensten, die op den grond rusten;

aan weduwenaars, die jonge zonen, eene eigene huishouding hebben en daarvoor moeten zorg dragen; aan nieuw aangekomenen tot een zeker getal jaren.

» Voorts worden van het verrigten van zware diensten tijdehjk ontslagen degenen, die, tijdens zoodanige diensten gevorderd worden, bij de cultures voor de Europesehe markt

zijn ingedeeld.

,, In den loop van dit jaar zijn de heerendiensten over het algemeen gebleven op den bestaanden voet, met uitzondering van enkele wijzingen, in het belang der bevolking, op die plaatsen, waar eene beperking van den onbeloonden arbeid zonder ongerief kon worden beproefd. I n verband met het beginsel, dat bij het nieuwe regeringsreglement ten aanzien der heerendiensten is vastgesteld, worden thans pogingen aangewend om m den geest van het opperbestuur eene regeling te dezer zake te ontwerpen."

De maatregelen, reeds vroeger tot regeling en vermindering der verpligte diensten ge-nomen, zijn achtervolgens in deze verslagen vermeld, inzonderheid in het laatstvoor-gaande (pagg. 125 en 126).

b. B e l a s t i n g e n i n g e l d o p g e b r a g t .

Omtrent enkele van deze belastingen kunnen de volgende bijzonderheden worden medegedeeld.

°ç 22

In- en uitgaande regten.

Het bedrag der in 1854 ontvangen regten wordt vermeld onder » Handel en scheepvaart."

De voornaamste in dit jaar genomen beschikkingen omtrent dit onderwerp volgen hierbij :

1°. het besluit van 23 September 1854, n°. 8 (Staatsblad n°. 71), waarbij , krachtens magtiging des Konings, met intrekking van de besluiten van den Commissaris-Generaal van 28 Januari)" 1829, n°. 15 (Staatsblad n°. 6) en van 25 Mei 1829 , n°. 8 (Staatsblad n°. 45), is bepaald, dat, e e n j a a r na de afkondiging in Nederlandsch I n d i e , geene cre-dieten meer zullen worden verleend voor verschuldigde inkomende en additionele regten.

Deze beschikking werd wenschelijk geacht zoowel in het belang van eenen gezonden staat des handels als ter vermijding van mogelijke schade voor 's lands kas;

2°. de publicatie van 11 Junij 1854 (Staatsblad n°. 44), houdende openlijke afkondi-ging van de wet van 15 April 1854, n°. 49 (Nederlandsch Staatsblad n°. 38), waarin, bij aanvulling van de tariven van inkomende regten op J a v a en Madura n°. 3 en 5 (Staatsblad van Nederlandsch Indie 1837 , nis. 47 en 57), en ter Westkust van Sumatra n». 7 c en 7 e (Staatsblad van Nederlandsch Indie 1838, n°. 1 ) , is vastgesteld, d a t , t e ' rekenen van den dag waarop deze wet in Nederlandsch Indie zal worden afgekondigd,

geheele vrijdom van inkomende regten aldaar zal worden toegestaan voor : guano en andere ten dienste van den landbouw ingevoerde meststoffen;

3°. het besluit van 3 April 1854, n°. 3 , waarbij, met het oog op de ongunstige voor-uitzigten van den rijstoogst en de toenemende hooge prijzen van dat artikel , in navol-ging van hetgeen in vroegere jaren in gelijke omstandigheden is gedaan, onder de na-dere goedkeuring des Konings , is uitgevaardigd de publicatie van dien dag, opgenomen in het Staatsblad onder n°. 20, houdende bepaling , dat padie en rijst in geheel Nederlandsch Indie, onverschillig van welke plaats en onder welke vlag aangevoerd, gedurende het j a a r 1854 vrij van regten zal kannen worden ingevoerd. De Koninklijke goedkeuring werd in Junij daaraanvolgende verleend.

4°. de publicatie van 21 December 1854 (Staatsblad n°. 94), hiervoren onder » Ver-pachte belastingen" reeds genoemd, blijkens welke de entrepots op Java weder voor den opslag van opium zijn opengesteld ;

5°. de publicatie van 23 Junij 1854 (Staatsblad n°. 46), waarbij is afgekondigd de wet van 8 September 1853 (Nederlandsch Staatsblad n°. 98) tot wijziging der in den Mo-lukschen Archipel bestaande beperkende bepalingen met opzigt tot den handel en de scheep-vaart aldaar. Vergelijk ook hieromtrent het hoofd » Handel en scheepscheep-vaart".

6°. de reeds onder het hoofd » Politie", § 4 , vermelde verlenging voor den tijd van een jaar van het verbod tegen den invoer van vuurwapenen en buskruid te Palembang en Moeara-Kompeh (Staatsblad n \ 47).

Collatérale successien.

In afwachting eener voorgenomene herziening der ordonnantie op het regt van successie en * overgang in Nederlandsch Indie (Staatsblad n°. 17), is bij besluit van 8 Augustus 1854, n°. 3 (Staatsblad n°. 61), overgegaan tot de vaststelling van e enige voorloopige bepalingen ter verzekering van de rigtige aangifte voor de belasting op de successie in Nederland met opzigt tot vaste goederen in Nederland na te laten door ingezetenen van Neder-landsch Indie.

Landelijke inkomsten.

Volgens de algemeene verantwoording der landelijke inkomsten op J a v a , over het be-lastingjaar 1854, hebben de daaronder bedoelde middelen over dit jaar de volgende uitkomsten geleverd.

( 87 )

BENAMING der M I D D E L E N .

Ongebouwde eigendommen

(land-Gebouwde eigendommen (belas-ting op het bedrijf) . . . . Tuinen en nipabosschen . . .

Totaal.

Het gezamenlijk bedrag dezer mid-delen over 1853 was. . . .

Dus minder in 1854. .

Aanslag.

f8,274,374: 28

542,304: 60 25,950: 62 177,789:118V2

f9,020,419: 28V2

9,511,907: 24l/2

f 491,487:116

Te verrekenen met uitgaven voor

producten, blandongs, enz.

f 343,597:89

»

»

f 343,597:89

407,162:91

f 63,565: 2

Ontvangsten.

f8;273,335: 10

538,537: 80 25,950: 62 117,789: 1181/2

f9,015,613: 30l/2

9,501,297: 271/2

f 485,683:117

Achterstand.

f 1,039: 18

3,766:100

»

»

f 4,805:118

10,609:117

f 5,803:119

De mindere opbrengst van de landrenten en de belasting op het bedrijf in dit jaar wor-den door wor-den directeur der cultures toegeschreven, wat de eerste aangaat, aan het onbe-plant blijven van vele velden, ten gevolge van de in den aanvang van het j aar heerschende droogte, en aan den min voordeeligen uitslag van den oogst op vele plaatsen; en wat de belasting op het bedrijf aangaat, aan de door ondervinding verkregen kennis, dat sommige vroeger aangeslagen personen lager of in het geheel niet belast behoorden te worden.

De landrenten op de buitenbezittingen hebben, volgens opgave van de algemeene boek-houding, opgebragt:

Medado en Gorontalo . f 99,139:108 Makassar 95,233: 85

Palembang 270,119:110

Eandjermasin 2,796 :1061/2

Te zamen . Voor 1853 is ter zake opgegeven . Dus meer in 1854 .

. f 4 6 7 , 2 9 0 : 491/2 444,315:1031/2 . f 22,974: 66

§ 3. Onverpachte monopollen.

Zoutmonopolie.

De aanmaak van zout voor 1854 werd, bij besluit van 12 April van dat j a a r , gesteld op 28,000 kojan, te verdeelen als volgt:

Tanara . - 2,000 kojan;

Pakkies 2,000 ., Grissee 7,000 » Boender 2,000 » Sumanap 15,000 » Te zamen, als boven . 28,000 kojan!

(i) Residentiegewijze opgegeven in de tiende kolom van de aantooning van de uitkomsten der rijst-cultuur, onder lett. J bij dit Verslag gevoegd.

met aanschrijving aan den directeur der middelen en domeinen om de betrokkene gewes-telijke besturen aan te bevelen, den aanmaak van meer zout zooveel mogelijk te bevorderen.

Deze aanschrijving was gegrond op den vermoedelijken voorraad onder ultimo 1854, welke berekend werd op 65,944 kojan, en de wenschelijkheid om zooveel mogelijk den voorraad op de bij de resolutie van 11 April 1832, n°. 3 5 , bepaalde hoeveelheid van 100,000 kojan te brengen, ten einde tegen ongelegenheden te zijn gewaarborgd.

De aanmaak is te Tanara, Pakkies, Grissee en Boender door goed weder begunstigd;

te Sumanap; daarentegen had men met regens te kampen. De aanmaak heeft bedragen te Tanara 5.810 kojan 2 pikol,

,, Pakkies 3,672 »

„ Grissee 10,032 » 20 » ,. Boender ' . . . 2,029 » 22 «

» Sumanap 11,862 » 6 » Te zamen . . . 33,406 kojan 20 pikol, of 5406 kojan en 20 pikol meer dan het bepaalde minimum.

De qualiteit van het te Sumanap verkregen zout was gelijk aan die van 1853 ; het zout van T a n a r a , Grissee en Boender was beter van kleur en grooter van korrel; doch het zout van Pakkies liet, wat kleur betreft, te wenschen over.

I n den loop van het j a a r is op Java en Madura verkocht:

Ï8,409 kojan en 630/32 pikol,

tot eene waarde van f 4,123,640: 33/4

In 1853 bedroeg het debiet, blijkens

het vorig Verslag 18,569 kojan en 324/32 pikol,

tot eene waarde van • • 4,169,016:483/4

zoodat het debiet in 1854 is

achteruit-gegaan met 159 kojan en 2626/32 pikol,

r

e

r waarde van * 45,376:45

De prijsverhooging tot f 7 en f 8 voor de pikolmaat, welke bij de afschaffing der belasting op de bazaars en warongs voor 1852 is vastgesteld, i s , om de redenen in het vorig Verslag vermeld, door het Indisch bestuur over de jaren 1854 en 1855 behouden; met aanschrijving echter aan de hoofden van gewestelijk bestuur, om nogmaals te dienen van berigt, consideration en advies nopens de werking van deze prijsverhooging, en of en in hoe ver die i n s t a n d behoort te blijven, dan wel veranderd, gemist of door andere belas-tingen vervangen kan worden (1).

I n den loop van 1854 zijn de volgende hoeveelheden zout naar de buitenbezittingen uit-gevoerd :

voor Igouvernements-rekening 2520.01 kojan;

» particuliere » 2473.15 » Te zamen . . . . 5002.16 kojan.

m

Onder ultimo 1854 bedroeg de voorraad zout op Java en Madura:

oud zout : nieuw zout : in de hoofd-entrepôts . . . 53,145 kojan; 30,118 kojan

» . » verkooppakhuizen . . 11,566 fl — 64,711 » 30,118 Te zamen . . . 94,829 koja

(l) Tea gevolge eeuer beschikking van liet jaar 1855 ig de prijs thans weder tot liet vroeger cijfer teiuggebraj-i.

( 89 )

Ten slotte kan hier omtrent het zout nog de volgende bijzonderheid worden aange-teekend. In de behoefte in de residentie Menado werd in vroegere j a r e n , ofschoon de uitsluitende verkoop van gouvernements-zout aldaar niet was ingevoerd, van gouverne-mentswege voorzien, uit hoofde van den geringen aanvoer van die levensbehoeften. Sedert de vrijverklaring der havens van Menado en Kema wordt dit artikel echter door inlandsche handelaren met goed gevolg aangevoerd en voor f 4 à f 5 koper den plkol aan de bevol-king verkocht, terwijl de prijs van het gouvernements-zout f 5 recepis bedroeg. Het debiet van het gouvernements-zout is hierdoor allengskens van 24 kojan tot op 10 à 20 pikol verminderd, waarom dan ook besloten i s , den aanwezigen voorraad op te ruimen en de voorziening in de behoefte aan dat artikel voortaan aan den particulieren handel over te laten.

§ 4. Land- en Mijnbouw.

Over de gouvernements-cultures en mijnbouw wordt gehandeld in het hoofddeel

» Nijverheid".

V I L LANDSGEBOUWEK ES WATEKSTAAT.

In de Iste afdeeling van dit hoofddeel is vermeld de nieuwe organisatie van den water-s t a a t , krachtenwater-s het Koninklijk bewater-sluit van 4 November 1854, n°. 40 (Indiwater-sch Staatwater-s- Staats-blad n°. 100). Die organisatie trad echter eerst in werking met den lsten Januarij 1855.

Als organieke beschikkingen kunnen voorts nog worden vermeld :

1». het besluit van 4 Mei 1854, n°. 17 (Staatsblad n°. 33), waarbij is ontbonden de Commissie van de bruggen en wegen in de residentie Batavia en de afdeeling Buitenzorg , daar-gesteld bij § m van art. 2 van de resolutie van 16 April 1831, n". 23 (Staatsblad n°. 27), en bepaald, dat het oppertoezigt over alle wegen, bruggen, kanalen, rivieren, dammen, sluizen , waterleidingen enz., buiten het district der stad en voorsteden van Batavia, in de afdeeling Ommelanden, en in Buitenzorg onder toezigt van de hoofden van gewestelijk bestuur, als overal elders , zal zijn opgedragen aan den chef van den waterstaat en 's lands civile werken. Tot dit besluit ging het Indisch bestuur over uit overweging: »> dat de omstandigheid, dat het landbezit in de residentie Batavia veelal uit handen van E u r o -peanen overgaat in die van Chinezen, het bezwaarlijk maakt de commissie voor de bruggen en wegen zamen te stellen volgens het voorschrift van de aangehaalde resolutie van 1831 ; dat reeds thans vier landheeren uit de afdeeling Buitenzorg in deze commissie zitting hadden, in stede van twee uit die afdeeling en twee uit de residentie Batavia; dat de commissie steeds werkzaam was met eene traagheid, welke belemmerend werd geacht voor de algemeene dienst; dat de commissie zich bewoog over een zoo uitgestrekt terrein, dat zij geen behoorlijk oppertoezigt uitoefenen kon , met het gevolg, dat de staat van wegen en waterwerken onder Batavia en Buitenzorg, in tegenstelling van de overige deelen van J a v a , slecht was ; dat de ondervinding mitsdien geleerd h a d , dat het wenschelijk was om de afwijkingen te doen ophouden van art. 31 van het reglement in Staatsblad n°. 1 6 , door, overeenkomstig het voorstel van de commissie zelve, haar te ontbinden en hare bemoeijenissen over te dragen aan de autoriteiten, eigenaardig daarvoor aangewezen.

Nadat verworpen w a s h e t aanvankelijk opgevat denkbeeld om de ontbondene commissie door eene adviserende commissie te vervangen, werd evenwel bij een besluit van 21 D e

-"cember 1854, n°. 7 , bepaald, dat in elk geval dat de voorlichting, medewerking of toestemming der landheeren, zoo niet noodzakelijk, dan toch hoogst wenschelijk wordt geacht tot de uitvoering van nieuwe of de verbetering van bestaande bruggen, wegen en waterwerken in de residentie Batavia en de afdeeling Buitenzorg, tijdelijke commïs-sien zullen worden bijeengeroepen, omtrent welker zamenstelling, verpligting en regten bij die gelegenheid- de vereischte bepalingen zijn gemaakt.

2°. de publicatie van 21 December 1854 (Staatsblad n°. 95), reeds aangehaald in hoofddeel F I I , § 3 , hierboven, waarbij, met intrekking van alle ter zake bestaande bepalingen, is vastgesteld eene Algemeene leur tegen het beschadigen van 'slands

2°. de publicatie van 21 December 1854 (Staatsblad n°. 95), reeds aangehaald in hoofddeel F I I , § 3 , hierboven, waarbij, met intrekking van alle ter zake bestaande bepalingen, is vastgesteld eene Algemeene leur tegen het beschadigen van 'slands

In document BIBLIOTHEEK KTLV (pagina 88-96)