HOOFDSTUK ZEVEN

In document DE HEILIGE ZIEKTE. Leon Kleinveld (pagina 53-56)

Hoewel Damokles nog steeds achterna gezeten werd door de Kyrios en de Spartaanse strijdmacht, waren de afgelopen dagen redelijk soepeltjes verlopen.

Zagreon was een meester in het ontwijken van de gebruikelijke wegen terug naar Sparta zonder tijd te verliezen. Nog even en ze waren er.

De manier waarop Zagreon in de natuur op ging, was iets wat Damokles niet voor mogelijk had gehouden. Al meerdere malen had hij goed moeten kijken of de Pyloos daadwerkelijk wel naast hem reed, omdat hij steeds in de bomen leek te verdwijnen. Het enige wat Damokles zeker wist, was dat hij een veilig paar handen had gevonden. Zagreon had het op zich genomen om voor hem te zorgen. Waarom wist Damokles niet, maar hij was blij dat iemand hem goedgezind was. En de vaardigheden die Zagreon als Krupteion bezat kwamen ook van pas. Het gaf Damokles de kans om zich te herpakken, na wat een vreselijke week genoemd kon worden.

‘Even voor de duidelijkheid’, begon Zagreon, ‘Je bent op de vlucht voor het Spartaanse leger en om die te vermijden vlucht je naar Sparta?’ Het was begin van de discussie die ze gedurende de terugweg om zijn minst al tien keer hadden gevoerd en nu ze bijna in de stad van kwestie waren, werd het onderwerp nog een keer naar voren geschoven. ‘Waarom ga naar de stad waar je juist vandaan moet blijven?’

Voordat Damokles kon reageren werd hij al de mond gesnoerd. ‘Ik weet dat je die ezel terug wilt geven, maar is het dat beest het waard om je eigen leven op het spel te zetten?’

Hij voelde de knot woede in zijn buik vlam vatten.‘De meesten met wie ik praat, zien mij niet meer als een iemand, ze zien een iets. Het begon met het leger, daarna die boeven en nu mijn eigen ouders en het dorp waarin ik opgroeide.’

Damokles probeerde weer rustig te worden. ‘Jij en dat koppel zijn de enigen die mij als een mens bejegend hebben. Dat kan ik alleen terugbetalen door ze op dezelfde manier te behandelen, als mensen die zelf ook weinig hebben. Voor jou mag dit alleen maar een ezeltje zijn. Maar voor de stalmeester en zijn vrouw is dit een deel van hun inkomen en huishouden. Elk klein beetje is belangrijk, zeker nu ze een kind verwachten. Ik voel me al vreselijk over het feit dat Laron langer dan beloofd bij ze vandaan hou.’

Zagreon knikte en glimlachte. ‘Eindelijk, kom je met een goede reden aanzetten, in plaats van het onderwerp te vermijden.’ Maar net zou gauw als de

glimlach was verschenen, verdween hij weer. ‘Ik moet je wel op een ding wijzen. Als ik het Spartaanse leger zou zijn, dan had ik nu al lang en breed een lastercampagne opgezet tegen de ‘boze daemon’. Dat betekent dus ook dat iedereen die je helpt of heeft geholpen een doelwit is van deze campagne. Wat denk je dat er met die arme stalmeester en zijn vrouw gaat gebeuren, zodra het leger erachter komt dat ze jou geholpen hebben?’

Damokles zag de dodelijke blik. Dit waren de ogen van een man die uit ervaring sprak. Die had meegemaakt hoe deze dingen voltrokken. Maar Damokles hield zijn poot stijf. ‘Ook al willen ze niks meer met mij te maken hebben, ook al denken ze dat ik een daemon ben. Ik ben ze wat verschuldigd. Het is gewoon netjes om je aan afspraken te houden en daar komt niets meer en niets minder bij kijken.’

Zagreon keek hem beduusd aan. ‘Hoe naïef ben jij wel niet?’ Hij schreeuwde meer dan dat hij vroeg. ‘Je bent een commandant in het Spartaanse leger, jij moet toch zeker weten waar e toe in staat zijn?’

‘Wij Spartanen zijn inderdaad bruut, maar dat is op het slagveld. De soldaten die ik ken, die ik heb getraind, zouden nooit een onschuldig iemand doden. Nooit.’

Zagreon bleef hem aankijken. ‘Dit is de eerste keer dat je iemand van de Krupteia hebt ontmoet toch?’

Dat was een vraag die Damokles niet had verwacht. ‘Ja… en?’

‘Maar je hebt wel de geruchten gehoord?’ Damokles knikte langzaam. ‘Wat ze zeggen de Spartaanse soldaten allemaal over de monsterlijke Krupteia?’ Zagreon stem was een fluistering.

Het drong tot Damokles door dat de bossen om hen heen doodstil waren, alsof ieder dier en iedere plant stond te wachten op wat er komen ging. Hij slikte.

‘Jullie worden geboren met mensen in jullie handen. Er wordt gezegd dat jullie geen melk drinken maar mensenbloed.’ Hij keek naar Zagreon, die alleen maar grijnsde.

‘De besten van de beste zouden tien man met slechts een haarspeld in een ogenblik onschadelijk kunnen maken.’

‘Ja, die laatste komt door mij’, Zagreon’s grijns was alleen maar breder geworden, ‘Je steekt één haarspeld in iemands keel en plots is dat het enige waar ze nog over kunnen praten.’ Zagreon herpakte zich. ‘In elk gerucht schuilt een kern van waarheid. Hij het geschokte gezicht van Damokles. ‘Behalve die van het

mensenbloed natuurlijk, rustig aan, ik je niet opeten… Maar het leger zal niet hun eigen troepen inzetten om jou te neutraliseren. Ze zullen de Krupteia, mijn collega’s gebruiken. Bij Zeus, ik heb dat ook een paar keer moeten doen. De mensen die jou helpen zijn allemaal een doelwit. Het zou me niks verbazen als iedereen die jou kende in Sparta verdwenen is.’ Zagreon zag hoe Damokles lijkbleek wegtrok.

‘…Denk je serieus dat Tellius en zijn vrouw dood zijn?’ Zijn stem bibberde en Damokles stapte van zijn ezel. Tranen begonnen te stromen.

Zagreon ging naast hem staan en legde een hand op zijn schouder. ‘Dat niet, maar het zal binnenkort gebeuren. Het duurt meestal een tijdje voordat er genoeg man aanwezig zijn, zodat het niet al te veel opvalt dat twee Griekse burgers uit het niets zijn verdwenen. Er moet een plausibele reden zijn waarom de twee plots weg moesten.’ Hij legde een hand op Damokles’ schouder. ‘Je zei dat de vrouw zwanger was toch?’ Damokles kon alleen maar knikken, de tranen in zijn gezicht waren te veel om een goed te kunnen praten. ‘Was ze hoogzwanger?’ Hij zag Damokles verwarde blik. ‘Had ze een erg grote buik?’ Weer knikte Damokles. ‘Dat helpt…

enigzins. Hun buren en vrienden weten waarschijnlijk dat ze binnenkort zal bevallen. Dit maakt het voor de Krupteia moeilijker om een goed verhaal op te zetten. Wat ons dus meer tijd geeft om ze van dat lot te behoeden. Dus als we iets willen doen, moeten we zo snel mogelijk terug in Sparta komen, en die twee waarschuwen wat ze te wachten staat. Dat is de beste manier waarop je ze kan bedanken voor hun hulp’ Hij klom op zijn paard. ‘Kom je?’

Ook Damokles stapte op zijn paard, de woorden van Zagreon gaven hem hoop. Het was mogelijk om Tellius te redden en te bedanken voor wat hij gedaan heeft.

HOOFDSTUK ACHT

In document DE HEILIGE ZIEKTE. Leon Kleinveld (pagina 53-56)