Hieraan is door dezen voldaan en zijn de noodige exemplaren van zijn rapport aan de verschillende gewestelijke besturen ter kennisname toegezonden

In document BIBLIOTHEEK KITLV 0154 2628 (pagina 131-134)

32

( 126 )

De tot verbetering van het paardenras gestationeerde keurhengsten, hebben zoo als ïn vroegere verslagen is opgemerkt, niet aan het daarmede beoogde doel beantwoord.

Uit dien hoofde is, bij besluit van 23 September 1851, n°. 4 , besloten de genomeno proef te staken, en bevolen de nog aanwezige hengsten voor rekening van den Lande te verkoopen.

b. H a n d e l .

Voor zooveel daaromtrent niet onder andere hoofden van dit Verslag gehandeld is, kan met betrekking tot den handel worden verwezen naar het reeds in druk verschenen handelsverslag over 1851.

T W E E D E A F D E E L I N G .

PERSONELE VERORDENINGEN OMTRENT ALLE LANDSDIENAREN IN NEDERLANDSen INDIK,

A . Burgerlijke A m b t e n a r e n .

I . EUROPESCHE.

I n 1851 werden ten opzigte der Europesche burgerlijke ambtenaren successivelijk de navolgende personele verordeningen daargesteld, te weten: <

aan de zoutverkoop-pakhuismeesters op Java en Madura werd als eenig inkomen toegekend een pikolgeld van twaalf duiten of tien centen voor eiken door hen voor 's Lands r e -kening verkocht wordende pikol zout, met bepaling:

dat zij zelven moeten bekostigen de uitgaven voor ondergeschikt personeel en andere dagelijksche benoodigdheden ;

dat zij daarvoor volstrekt geen personeel bij wijze van heerendienst zullen bezigen ; dat hun van landswege wordt verzekerd een minimum van inkomsten van f 75 's maands voor de Europeanen en van f 25 's maands voor de Inlanders ;

dat de zout-admïnistratien in de Wijnkoopsbaai, te Pamanoekan, Krawang, Karang-sambang, Bandjar en Tjilatjap bij voortduring als bij betrekking zullen worden waar-genomen , onder genot van de bepaalde pikolgelden, zonder dat evenwel het bovenbedoelde minimum-cijfer op dezelve van toepassing zal zijn;

dat aan zoodanige zoutverkoop-pakhuismeesters, aan welke vaste bezoldigingen waren toegelegd, meer bedragende dan de pikolgelden welke zij volgens deze regeling later ont-vangen zullen, dan wel aan welke reeds minima zijn verzekerd, overtreffende die, welke hierboven worden bedoeld, of wier ondergeschikt personeel door het Gouvernement werd bezoldigd, uit 's Lands kas eene personele toelage zal worden toegekend zoolang zij in dezelfde betrekking blijven dienen.

Tevens werd als regel aangenomen, om het beheer van zoodanige zoutverkoop-pakhuizen op Java en Madura, van welke het jaarlijksch debiet blijft beneden de 200 koijangs, 'sjaars of 500 pikols 's maands, bij voorkeur zal worden opgedragen aan inlanders.

Het bepaalde bij art. 13 van het reglement op de reis- en verblijfkosten voor civile ambtenaren op Java en Madura (Staatsblad 1828, n°. 25) werd toepasselijk verklaard op de klerken van de ommegaande regters op Java.

De Gouverneur-Generaal werd gemagtigd, om, met afwijking in zooverre van de be-staande bepalingen omtrent het verleenen van verlof van Indische ambtenaren van de 3de klasse , die, overeenkomstig art. 2 van het Koninklijk besluit van 6 December 1842, n°. 5 9 , het daarbij bedoelde examen verlangen af te leggen, daartoe voor den tijd van één jaar verlof naar Nederland te verleenen, op den voet, wat het verlofstractement en den vrijen overvoer betreft, van de derde categorie van ambtenaren, bedoeld bij het besluit van den Commissaris-Generaal van Nederlandsen Indie van 5 Januarij 1834, n°. 6 (Staatsblad n°. 1), met bepaling echter :

dat door de belanghebbenden de noodige waarborgen moeten gesteld worden voor de teruggave van de ter zake van landswege gedane uitgaven, ingeval het doel waarmede het verlof is aangevraagd, niet mögt worden bereikt;

en dat het verlof, naar gelang van omstandigheden, voor den tijd van zes of twaalf maanden kan worden verlengd, indien de noodzakelijkheid of wenschelijkheid daarvan behoorlijk wordt aangetoond.

( 127 )

Personen oenen aeademischen graad bezittende en zich aan de Koninklijke Academie te Delft de bekwaamheden willende eigen maken voor de betrekking van ambtenaren der 2de klasse, werden voor den vervolge vrijgesteld van het examen voor nieuw aankomende kweekelingen bepaald, met dien verstande evenwel, dat de zoodanigen die niet den graad van doctor in de regten bezitten, na volbragte studiën, slechts in aanmerking komen ter verkrijging van het diploma van Oost-Indisch ambtenaar der 2de klasse (Staatsblad 1851, n°. 45).

§ 5 der resolutie van 29 January 1835, n°. 9 (Staatsblad n°. 9), luidende : » het toestaan

» van wachtgeld in d e , bij deze resolutie bedoeld« gevallen, bepaalt zich tot de personen n welke door Zijne Majesteit den Koning tot ambtenaar voor de burgerlijke dienst in

» Nederlandsch Indie zijn benoemd ; die, welke dat radicaal missen, hebben daarop in den

» regel geene aanspraak" werd ingetrokken (Staatsblad 1851, n°. 54).

Aan den directeur der producten en civile magazijnen werd in sommige gevallen, om-schreven bij het Indisch Staatsblad van 1851, n°. 56, de regeling van het vrij transport naar Nederland van ambtenaren en officieren en van hunne vrouwen en kinderen over-gelaten.

Aan ambtenaren die eervol uit de dienst van den Lande, of wel uit hunne betrekking worden ontslagen of ontheven, werd het tractement toegekend over de volle maand, waarin het ontslag of de ontheffing door ontvangst van het besluit te hunner kennis zal zijn geko-men, terwijl aan dezulken, die uit hunne betrekking ontslagen of ontheven worden, zonder vermelding dat zulks eervol zij , en mitsdien ook aan hen die uit hunne betrekking worden ontzet, slechts het tractement verzekerd werd tot en met den dag waarop zulks door ont-vangst van het besluit te hunner kennis zal zijn gekomen.

Nog kan worden melding gemaakt van eene, aan de onderscheidene betrokkene autori-teiten gedane aanbeveling, om in Nederlandsch Indie opgevoede afstammelingen van Europeanen bij voortduring en zooveel mogelijk in de gelegenheid te stellen, op de gouvernements-bureaux een middel van bestaan te doen vinden.

Het kapitaal van het civiel weduwen- en weezenfonds bedroeg op ultimo

Decem-ber 1849 f 69,816.16V2

I n 1850 werd minder ontvangen dan uitgegeven. . . . 38,453.87

zoodat het kapitaal onder ultimo December 1850, verminderd was t o t . . f 31,362.491/2

I n 1851 werd weder minder ontvangen dan uitgegeven 21,165.35 Weshalve het kapitaal op 31 December 1851 bedroeg f 10,197.141/2

H . INLANDERS.

Geene veranderingen buiten de zoo even opgenoemde, voor zooveel die ook op dezen van toepassing zijn.

B . L i a n d m a g t . I . EDKOPESCHE OFFICIEKEN.

Hier kan alleen aangeteekend worden, dat aan de betaalmeesters van de garnizoenen te Samerang, Soerabaija, Padang en Padang Pandjang, te rekenen van 1 October 1850, indemniteit voor bureau-huur werd toegekend.

De stand van het verhoogd militair pensioenfonds was op ultimo 1851. f 413,603.00 Die van het militair- weduwen- en weezenfonds was op hetzelfde tijdstip 797,952.83l/2

Hier dient aangemerkt te worden dat in het Verslag over 1850 abusivelijk de stand van laatstgemeld fonds is opgegeven zoo als die onder ultimo December 1849 was ; hebbende dezelve op 31 December 1850 bedragen de som van f 717,106.69.

ïï. EUROPESCHE ONDER-OFFICTEKEN EN SOLDATEN.

Het militair departement werd gemagtigd geene andere gedetineerd geweest zijnde mili-tairen in de gelederen van het leger terug te nemen dan de zoodanigen, die reden

( 1 2 8 )

geven tot de veronderstelling, dat zij weder goede soldaten zullen zijn, en al de overigen

In document BIBLIOTHEEK KITLV 0154 2628 (pagina 131-134)