De herkomst en religieuze kenmerken van de moslimgemeen- moslimgemeen-schap in Nederland, specifiek in West-Brabant

In document Werkgroep Islamitische Begraafplaatsen Brabant ISBP I uitgave 2013 (pagina 25-28)

Marokkaanse en Turkse moslims hebben zich in de jaren zestig in Neder-land gevestigd als gastarbeider. Enkele jaren later volgden hun gezinnen.

De Surinaamse (moslim)gemeenschap is vlak voor en vlak na de onafhan-kelijkheid van Suriname in 1975 naar Nederland geëmigreerd. Dit gebeurde vaak in familieverband.

Immigranten uit voormalig Nederlands-Indië vestigden zich tussen 1945-1952 in Nederland. Andere etnische groepen moslims hebben zich voorna-melijk als asielmigrant vanaf de jaren tachtig in Nederland gevestigd (Des-sing, 2001).

Volgens Van Herten (2009) vormen Marokkanen de grootste groep moslims (296.000) in Nederland en Turken de tweede (285.000). Op de derde plek VWDDQ µRYHULJH QLHW-ZHVWHUVH¶ JURHSHQ (uit Indonesië, Pakistan, Egypte, Tu-nesië, Somalië, Iran, Irak en voormalig Joegoslavië) gevolgd door westerse allochtonen en Surinamers met ongeveer 35.000 moslims. Van autochtone moslims zijn er ongeveer 13.000, onder wie µderde generatie allochtonen¶ en Nederlandse bekeerlingen vallen.

1.10.1 Stromingen

De Nederlandse moslimgemeenschap is zeer pluriform. Naast etnische verschillen is er sprake van een verscheidenheid aan sociaal-culturele, poli-tieke en religieuze stromingen. 9DQDOOHPRVOLPVWHUZHUHOGLV]R¶Q0 tot 90 procent soennitisch en 10 tot 20 procent sjiitisch, wat deels doorkomt in de Nederlandse samenstelling.

Een belangrijk verschil in deze hoofdstromingen is de organisatie van de geestelijkheid, waarbij de soennitische traditie de eenheid van de oemma benadrukt en de sjiitische traditie meer waarde aan hiërarchie hecht.

Onenigheid over deze organisatie is - simpel verwoord - ontstaan door ver-schillende opvattingen over Mohammeds opvolging na diens dood in de zevende eeuw. Soennieten menen dat de opvolgers, politiek leiders ge-naamd de kaliefen, zijn aangewezen door hun voorgangers of zijn gekozen door de gemeenschap. De stroming gebruikt naast de Koran de soenna (gewoonten van Mohammed) als leidraad.

14 In maart 2012 telt Nederland 16.733.727 inwoners. 16.733.727 / 100 x 5 = 836.686.

INLEIDING 17

Sjiieten geloven dat Mohammed zijn neef en schoonzoon µ$Ov als opvolger heeft aangewezen. Shî’a VWDDWYRRUµSDUWLM¶YDQµ$Ov'HLVODPLWLVFKHJURHSe-ULQJHUNHQWDOOHHQKHWQDJHVODFKWYDQµ$OvDOVRSYROJHUVYDQ0RKDPPHG

De sjiieten, grotendeels twaalver-sjiieten (genoemd naar de twaalf opvolgers van µ$Ov), komen voornamelijk uit Iran, Irak, Libanon, Pakistan en Afghanis-tan. De soennieten hebben als land van herkomst over het algemeen Tur-kije, Marokko, Somalië en Afghanistan (Douwes, De Koning & Boender, 2005).

Hieruit voortvloeiende verschillen zijn bijvoorbeeld uiteenlopende interpreta-ties van de sharia, de islamitische wet. Deze wetgeving omvat meer dan de westerse interpretatie van het recht en heeft tevens betrekking op de beoor-GHOLQJ LQ KHW KLHUQDPDDOV µ6KDULD¶ EHWHNHQW GDQ RRN µKHW SDG GDW QDDU GH

watHUEURQ KHWKHLO OHLGW¶

In de wetgeving staan de rituele plichten van de mens (de verhouding van de mens met Allah) en de verhouding van de mensen onderling. Islamitische wetgeleerden, oelema, kunnen de sharia interpreteren HQ KLHU µJH]DJKHb-bende uitspraNHQ¶RYHUGRHQ

Het fundament voor de islamitische wetgeving wordt gevormd door de Koran en het normatieve voorbeeld van de Profeet (soenna) in de overleveringen;

Hadith. De Koran is in de islam het Woord van Allah zoals aan Mohammed geopenbaard, het is de essentie van de islam. Mohammed is Allahs gezant, het volgen van Mohammed is Allahs opdracht aan de mensheid. Daarnaast zijn de overeenstemming tussen de oelema, ijmâ, en de analoge redenering, qiyâs, bronnen voor de islamitische wetgeving.

'HµYHU]DPHOLQJXLWVSUDNHQHQYHUKDQGHOLQJHQRPWUHQWUHJHOVHQEHSDOLQJHQ¶

is de fiqh. %LQQHQGH]HµLVODPLWLVFKHMXULVSUXGHQWLH¶]LMQYHUVFKLOOHQGHWUDGi-ties, soennitische wetscholen (madhhâhib), te onderscheiden die gehanteerd worden door verschillende groepen moslims: de hanafitische (Turken), de malikitische (Marokkanen), de shafiitische (Egyptenaren, Surinamers) en de hanbalitische (wahhabisme). Sjiieten kennen drie verschillende wettradities.

Per wetschool gelden andere regels voor praktische uitvoering van rituelen en voor geboden en verboden.

Over de interpretatie van de sharia wordt een voortdurend debat gevoerd wat het islamitisch recht een fluïde en pluriform karakter geeft (Bartels, 1997;

Douwes, De Koning & Boender, 2005).

Verder leven in Nederland vertakkingen van de hoofdstromingen die niet altijd als islamitisch worden beschouwd en/of gepresenteerd, zoals alevieten (Turks-Koerdische gemeenschap), Ahmadi’s (Lahore en Qadiani, Suri-naams-Hindoestaanse gemeenschap) en soefi’s (Douwes, De Koning &

Boender, 2005).

1.10.2 West-Brabant

Hoewel er niet is geregistreerd hoeveel moslims in West-Brabant wonen en dus ook niet welke religieuze denominaties er zijn te onderscheiden in de regio, kan met behulp van demografische gegevens van het CBS wel een indicatie worden gegeven.

ISLAMITISCH BEGRAVEN IN WEST-BRABANT

18

Eerder is geschat dat er meer dan 23.200 moslims in West-Brabant wonen.

Vervolgens kan in de CBS-cijfers worden opgezocht welke etnische groepen het meest vertegenwoordigd zijn in de gemeenten; dit blijken Indonesiërs, Marokkanen en Turken te zijn. Daarnaast wonen relatief veel Surinamers en mensen uit voormalig Joegoslavië in de regio.

Maar van met name Indonesiërs en Surinamers is twijfelachtig of zij groten-deels als moslim kunnen worden geclassificeerd ± immers waren de Indone-siërs die in de jaren vijftig naar Nederland emigreerden voornamelijk christe-lijk. In Suriname hangt nog geen 20 procent van de bevolking de islam aan, WHUZLMOGLWLQ0DURNNRHQ7XUNLMH]R¶Q 99 procent is - volgens officiële cijfers (Central Intelligence Agency, 2012).

Zoals gezegd zijn onder Marokkanen en Turken vooral soennitische moslims te vinden (malikitische en hanafitische wetschool) en bestaat binnen de Turkse moslims een groep alevieten. Van de Surinaamse moslims kan wor-den gezegd dat een deel de soennitische islam (de shafiitische wetschool) zal aanhangen en een deel de Ahmadiyya-beweging. Deze samenstelling komt ook terug in de institutionalisering van de moslimgemeenschappen in West-Brabant, wat in de volgende paragraaf wordt behandeld.

1.10.3 Geloofsbeleving

Schattingen van het aantal moslims in Nederland worden door het CBS ontleend aan enquêtes in het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS). In het onderzoek wordt de vraag gesteld tot welke kerkelijke gezindte of le-vensbeschouwelijk groepering iemand zichzelf rekent. Als hHWDQWZRRUGµGH

LVODP¶LVZRUGWLHPDQGEHVFKRXZGDOVPRVOLP (Van Herten & Otten, 2007).

Uit deze enquêtes blijkt het aantal Turken en Marokkanen dat zich tot de islam rekent meer dan 95 procent te zijn. De verschillende stromingen in de islam worden hierbij niet gemeten. Ook wordt niets over de geloofsbeleving gezegd.

Naast een diversiteit aan stromingen zijn er onder moslimmigranten verschil-lende houdingen jegens de islam te onderscheiden. Shadid en Van Ko-ningsveld (1995) maken een onderverdeling in vier categorieën: confessio-nelen (praktiserend), gelovigen (accepteren religieuze principes maar volgen niet de religieuze verplichtingen op), liberalen (accepteren ethische en filoso-fische aspecten van de islam maar niet de religieuze) en agnosten (verwer-pen de islam als religieus en ethisch systeem).

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft in 2004 de studie Moslim in Nederland gepubliceerd waar in één van de deelstudies onderzoek is JHGDDQ µnaar de religieuze betrokkenheid van Turken en Marokkanen in 1HGHUODQG¶ 3KDOHW +DNHU .

Een van de meetinstrumenten voor de religieuze betrokkenheid is het mos-keebezoek of het lidmaatschap van een islamitische organisatie. De moskee wordt wekelijks bezocht door meer dan een derde van de Turken en iets minder dan een derde van de Marokkanen, volgens het SCP-onderzoek.

Een hele kleine minderheid geeft aan lid te zijn van een islamitische organi-satie.

INLEIDING 19

Omdat de mate van institutionalisering niet per se de intensiteit van het geloof weergeeft, is in de SCP-studiH RRN GH µVXEMHFWLHYH JHORRIVEHOHYLQJ¶

meegenomen met sFRUHV RS µEHOHYLQJVYDULDEHOHQ¶ +LHUXLW EOLMNW GDW PHHU

dan 70 procent van de Turken en Marokkanen negatief tegenover geloofs-verlies staat, de meerderheid (Turken 61 procent, Marokkanen 74 procent) een islamitische partner voor een dochter prefereert en respectievelijk 19 procent en 23 procent voor islamitische scholen kiest.

Concluderend blijkt uit het onderzoek dat er een trend van secularisatie zichtbaar is onder de Turken en Marokkanen in Nederland, met name in de participatiedimensie. Hoewel op basis van migrantenonderzoek wordt ver-wacht dat religiositeit afneemt in latere generaties van migranten, blijkt dit bij Nederlandse Turken en Marokkanen alleen op basis van die participatiedi-mensie te zijn ± de subjectieve islambeleving daalt niet. Dit wijst op een meer individuele religieuze zingeving.

1.11 De institutionalisering van de moslimgemeenschap in

In document Werkgroep Islamitische Begraafplaatsen Brabant ISBP I uitgave 2013 (pagina 25-28)